• Prettig nostalgisch

    Prettig nostalgisch

    Begin jaren tachtig haalde je elke vrijdag bij de sigarenboer een Vrij Nederland. Het ging je om de Boekenbijlage, onder redactie van Carel Peeters. Dat hij toentertijd de ‘president’ van de Boekenbijlage werd genoemd, lees je in Kleine (en iets grotere) herinneringen van Hans Vervoort. Ook dat de New York Review of Books tot voorbeeld had gediend voor de Boekenbijlage, lees je daarin. De New York Review bestaat nog steeds in zijn oorspronkelijke vorm, de Boekenbijlage van VN sneuvelde toen de krant een tijdschrift werd. Mooi is dat herinneringen veel over degene die het zich herinnert vertellen. Zo herinnert Hans (in het boek heet de verteller ‘Hans’) zich dat hij als boekrecensent bij VN een uitgesproken voorkeur had voor verhalende, goed leesbare lectuur. Ongevraagd besprak hij jaarlijks de nieuwe roman van Johan Fabricius. Hoewel Peeters vond dat boeken bij de lezer een andere kijk op de wereld moesten bewerkstelligen, plaatste hij de lovende besprekingen van Hans welwillend. Tot de redactie hem geen nieuwe titels meer gaf. ‘Dat was Carels ultieme uiting van zijn onvrede en Hans vertrok als recensent naar NRC Handelsblad.’, schrijft Vervoort.

    Vervoort werkte voor onder meer Vrij Nederland en Opzij. Vanaf 1970 zette hij zichzelf op de kaart als literair schrijver, werd ‘een van de beste jonge prozaïsten in Nederland’ genoemd. Uit deze herinneringen, waarin mooi geportretteerd wordt, komt een man naar voren die het liefst op de achtergrond bleef. Altijd opgelucht als een vergadering was afgelopen, bij feestjes aan de zijlijn stond. In drieënveertig stukjes worden ontmoetingen  bij de koffieautomaat, vergaderkamer of op bedrijfsfeestjes beschreven. Werkrelaties met Joop van Tijn, Rinus Ferdinandusse, Renate Rubinstein. Als Hans in 1988 net uitgever is geworden, een kamer vlak bij het koffiezetapparaat op de gang heeft, staat hij elke keer op als hij het apparaat hoort lopen. Zo treft hij Cisca Dresselhuys, hoofdredacteur van Opzij. Ze vraagt of zijn nieuwe functie bevalt. ‘Ja,’ antwoordde Hans, ‘ik merk dat ik elke keer als ik de automaat hoor, vanzelf opsta om een nieuwe beker koffie te tappen. Dit is al mijn vijfde kop.’
    ‘Maar zo heb je nog eens contact’, zei Dresselhuys. ‘Dat is inderdaad de bedoeling’ zei hij, ‘ik hou ook de deur open. Ik wil graag aanloop.’ ‘Benieuwd hoe lang je dat volhoudt.’, zei ze geamuseerd. En, ‘Kijk maar uit met al die kopjes koffie. Voor je het weet krijg je het aan je rikketik.’ Je ziet er direct een schets in van Peter van Straaten. De onwennige uitgever, omklemt de zoveelste beker koffie. Boven hem uittorenend de struise  hoofdredactrice, die hem stralend doch minzaam een voorland schetst.

    In 1984 was Hans op een jubileumfeest van de Haagse post dat gehouden werd in een verbouwde boerenschuur. Daar zag hij voor het eerst Henk Hofland. Zelf aan de kant staand, zag hij hoe Hofland richting uitgang liep, ‘met de voorzichtige tred van de aangeschotene.’ Maar Hofland kreeg de deur niet open. ‘Toen zag Hans hem een besluit nemen.’ Hofland wachtte tot er iemand aankwam die de deur opende en naar buiten liep, ‘op de voet gevolgd door de columnist.’ Zelf associeerde je Hofland steeds met Susan Sontag, om zijn columns in het NRC, die hij ondertekende met S. Montag.

    Sommige karakterschetsen zijn kleine odes aan collega’s die geen aansluiting vonden. Zoals een juridisch adviseur, die zich op zijn kamer verschanste achter stapels mappen. ‘Praatte je met Erik, dan bleek hij een gevoelig en erudiet mens, die geregeld in het gesprek kleine verbale grapjes maakte. Zo klein dat Hans altijd vergat om te lachten en dat later betreurde.’ Bij zijn pensioen eert Hans hem als notulist van redactievergaderingen, ‘Pas als ik Eriks notulen lees begrijp ik wat ik eigenlijk had willen zeggen.’ Zo’n man dus, die net als Hans Vervoort het menselijk bedrijf in ogenschouw nam, er uithaalde wat anders verloren zou gaan. Het stemt op een prettige manier nostalgisch.

     

     

    Kleine (en iets grotere) herinneringen aan deze en gene / Hans Vervoort / uitg. Brooklyn / blz. 174


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Hommage aan een schrijver van fijne kinderboeken

    Hommage aan een schrijver van fijne kinderboeken

    De wonderbenen van Umberto is een heruitgave van een boek uit 1965. In 1966 is het gekozen tot beste kinderboek van het jaar, een voorloper van de Gouden Griffel. Het is, aldus de huidige uitgave, bestemd voor jongens en meisjes van acht jaar en ouder, al werd het in 1965 ongetwijfeld gezien als een typisch jongensboek. Ton Oosterhuis is een gevierd kinderboekenschrijver en wordt door de Volkskrant bij zijn overlijden in 2017 geëerd met de titel ‘Homo Universalis van rode snit’.

    […]

    Een absolute meerwaarde bij het boek vormen de tekeningen van de jonge Peter van Straaten. Volgens sommigen gaat tekenen voor een groot deel over de kunst van het weglaten. In die zin is het prachtig om te zien hoe hij nog zoekende is naar de vaste vorm die zijn latere tekeningen kenmerken. Zo bezien is dit boek niet alleen een hommage aan Ton Oosterhuis, maar ook aan Peter van Straaten.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Agnes in Deventer

    Agnes in Deventer

    Ik was vijf dagen in Deventer, de stad die boeken ademt. Ik woonde er tot begin jaren negentig. Nu ik er terug was, beleefde ik opnieuw de uitnodigende stilte van de stad bij het ochtendgloren. De stad waar ik als vijftienjarige dweepte met Toergenjev, Marnix Gijsen, waarvan de romantiek van dood door tuberculose me in Klaaglied om Agnes enorm aantrok. Waar ik op een achterkamertje in de Papenstraat alles van Simone de Beauvoir las. Het waren jaren ‘des onderscheids’. Kocht de (dag)boeken van de gebroeders Goncourt, Italo Svevo, Natalia Ginzburg, Prima Levi, las er het eerste boek van Connie Palmen. Deze week, toen hevige regenval enkel het zuiden van het land teisterde, liep ik door de oudste wijk van de stad. Via de Stromarkt door de Graven, (dacht aan roesachtige dagen), links naar de Noordenbergstraat (waar een alcoholistische vriend woonde), over het Muggeplein (de buurtfeesten) de Molenstraat in, een gangpad door naar de Stenenwal. Bij een gevel begroeid met stokrozen hing een boekenkastje.

    Er was een verheugd weerzien met Agnes, een creatie van Peter van Straaten, verscheen vanaf 1986 in Vrij NederlandVanaf de eerste afleveringen was ik verslaafd aan het levens van Agnes, een voorbeeld van onvoorbereid door het leven gaan. Elke vrijdagmiddag haalde ik Vrij Nederland bij de boekhandel, toen nog een krant. Later werd het een tijdschrift. Hoewel Agnes meer thuishoorde op krantenpapier dan op de gladde witte bladzijden van een magazine, was mij niets gevraagd. Agnes was een zelfstandige vrouw, begin veertig, met een puberzoon. Het feuilleton was een tijdsbeeld van de laatste twee decennia van de twintigste eeuw. Roken en alcohol waren net zo gewoon als een kadetje met kaas. Liefde was ingewikkeld, dat wel. Wie de Beauvoir en Sartre las, schuwde vaste verbintenissen. Er werd gefilosofeerd, gerommeld, er was gedoe, niks lag vast.  

    Van Straaten tekende Agnes met haar halflange krullen, zittend aan tafel. Een smeulende sigaret op de rand van de asbak voor zich (overal asbakken toen). Met haar linkerhand duwt ze haar krullen achter haar linkeroor, rechterarm op tafel. Het leven was voor Agnes niet eenduidig, dat zie je zo. Op de achtergrond een fles wijn. Ze kijkt ietwat blasé, toch is ze een evenwichtige mengeling van ‘mij krijg je er niet onder’, en, ‘Your wish is my comment’. Ze is een ster in het te lang blijven zitten, of het nu bij vrienden thuis is, of in het café, ze is bodemloos als er drank in het spel is. Als ze met een vriend te lang in het cafe zit, zegt deze, ‘Zeg, halvegare, weet je dat we ongemerkt allebei dronken zitten te worden?’
    ‘Verdomd,’ zegt Agnes, ‘nu je het zegt… ik liep al zo raar toen ik net naar de wc ging. Ik dacht dat ik misschien koorts had.’ Daardoor kreeg ik opeens een ongelofelijke trek in een drankje, aan oeverloze gesprekken in een café waar tijd vloeibaar is. Ach, dat waren nog eens tijden.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, houdt van een goed verhaal, een overtuigend relaas.

  • Laatste edities literaire tijdschriften 2017 – Parelduiker, Tirade en Terras

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer

    Niets zo goed voor de literatuur als ingesneeuwd te zijn of door andere ‘maatschappijontwrichtende’ weersomstandigheden het huis niet uit te kunnen. De droom wellicht van menig lezer, om dan eindelijk eens de boekenkast te inspecteren op ongelezen exemplaren, of, voor wie wil weten wat er zoal speelt op het literaire podium, de literaire bladen van a tot z te gaan lezen. Oh, heerlijke winterse dagen waarbij de wind om het huis giert en alleen de leeslamp verlichting brengt. En dat met de laatste edities uit 2017 van De Parelduiker, Tirade en Terras.


    Neerlandicus Johannes van Der Sluis (1981) schreef voor De Parelduiker een mooi stuk over de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone (1914-1951). Mooi vooral omdat hij zijn enthousiasme over deze schrijver zo aanstekelijk onder woorden brengt. Van der Sluis is een Crone liefhebber en verschanste zich met zeven dozen nalatenschap van de schrijver die hem, net als Nescio, nooit meer heeft losgelaten. Dat er een C.C.S. Croneprijs bestaat, die in het leven is geroepen om het literair klimaat in de stad en de regio Utrecht tot bloei te brengen, moge bekend zijn.

    Dat het toekennen van literaire prijzen kan verworden tot een precaire aangelegenheid, lezen we in een bijdrage van letterkundige H.U. Jessurun d’Oliveira (1933). Vooral in tijden van een veranderende seksuele moraal zoals in de jaren zestig. Toenmalig jurylid van de Prozaprijs Amsterdam Jesserun d’Oliveira, droeg in 1967 Ik Jan Cremer Tweede deel voor als een van de kanshebbers. Deze nominatie bracht literair Nederland volop in beroering en er ontstond al snel een kamp voor en tegen.

    Vijftig jaar na dato doet d’Oliveira uit de doeken waar de vertegenwoordigers van de tegenpartij zich op beriepen en hoe aan Jan Cremer uiteindelijk toch die prijs werd toegekend. Het artikel is met aantrekkelijke documenten geïllustreerd, waaronder de afdruk van een brief waarmee een burger uit Almelo de burgemeester van Amsterdam oproept de prijs niet uit te reiken:

    U zoudt mij een bizonder genoegen doen indien U weigert een dergelijk sadistisch figuur een prijs uit te reiken, laat staan een hand te geven. 99,9% van de bevolking zal U daar dankbaar voor zijn!!

    Ook de ‘bekende schrijfster Maps Valk’, zo schrijft d’Oliveira, schreef een brief en keerde zich tegen Jan Cremer. Ondanks de protesten kreeg Cremer de prijs. Hoewel het bedrag van 4000 gulden linea recta naar de belasting ging, waar de schrijver nog een schuld had openstaan.

    Voor wie Maps Valk niet kent, kijk eens op dbnl.org waar enkele zeer lezenswaardige verhalen van haar staan, die tegelijk laten zien waarom zij het boek van Jan Cremer de prijs niet waardig vond. Evenwel een leuke bijvangst bij de grote namen die er in deze Parelduiker staan.

    Opvallend is dat Carmiggelt in verschillende bijdragen opduikt. In een van de dozen van C.C. Crone ontdekte Van der Sluis een ansicht van Carmiggelt aan de weduwe van Crone. In een stuk over Peter van Straten, wordt een tekening van Carmiggelts hoofd (2009) afgebeeld. En dan is er een bijdrage van Wim Hazeu over de ongemakkelijke verhouding die Carmiggelt onderhield met Lucebert; ‘Krokodillentranen van Carmiggelt, Of hoe hij Lucebert uitdaagde’. Zo kom je nog eens wat te weten.

    Jack van der Weide schreef een nieuwsgierig makend stuk over een vergeten schrijfster die bevriend was met de schilder Jan Veth en Lodewijk van Deyssel. Christine Boxman (1857-1924) publiceerde twee romans. Mede dankzij Clare Lennart die in 1934 haar eerste roman Stille wegen las, en haar bewondering daarover uitsprak, werd zij niet geheel vergeten.

    Ja mensen, lees, lees, lees De Parelduiker om je nieuwsgierigheid naar ons literair verleden te onderhouden.

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer
    Auteur: Hein Aalders
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Tirade

    Tirade omhelst de vorm en zet de vent buiten de deur. Waarmee maar gezegd wordt dat er naar het werk gekeken wordt en niet naar de man/vrouw erachter, dit naar aanleiding van alle discussies in de media over hoe een romanfiguur beoordeeld mag worden. Veel vertaalde poëzie, o.a. enkele gedichten uit de bundel Crow van Ted Hughes en vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Het blad opent met vier tienregelige gedichten met een verleidelijk binnenrijm van Emma Crebolder. Eenvoudige poëzie die een wereld aan handelingen, geuren en kleuren verraadt. En dat in steeds tien regels van hooguit zes woorden.

    Femke Baljet maakt haar debuut in de literatuur met het verhaal ‘Moederdag’. Een ijselijk sterk verhaal over een man die zich een leven verzint. Zich een zoon wenst, zo niet van zichzelf dan toch van een ander. Zeer onderkoeld geschreven en in veelzeggende zinnen: “Ik loop nu achter hem. Af en toe kijkt hij om zich heen maar nooit achterom, zijn magere benen houterig als de benen van Pinoccio.  Het begint koud te worden, hij heeft te weinig kleren aan.” Een verhaal waarin een onvermijdbare spanning schuilt.

    Verder verhalen van onder andere Jan van Mersbergen, Pieter Kranenborg en Oscar Spaans.
    Carel Peeters neemt in zijn ‘Kroniek van een roman’, Rob van Essens Winter in Amerika onder handen. Hij vindt het een levenloze roman: ‘(…) met een door niets verantwoord cynisme geschreven. Freewheelend.’ Boude uitspraken die evengoed er toe aanzetten deze roman te gaan lezen. Wat een mooi resultaat is van een interessante kroniek.

    Ted van Lieshout laat zich in de rubriek ‘De tirade van… ‘ uit over het afschaffen van kinderliteratuurprijzen. Gedurfd en eerlijk toont hij aan waar het ontbreken van onderscheidingen in de jeugdliteratuur toe leiden kan. “Wanneer er onder de kinderboekenschrijvers geen competitie meer bestaat zullen we veel van hetzelfde krijgen voorspelt Van Lieshout, en stomen we onze jeugdige lezers nooit klaar voor de ‘echte’ literatuur. Want: “… zo holt de leesvaardigheid van kinderen – en automatisch de volwassenen van de toekomst – achteruit.
    Ja, dan denk je wel verdorie, daar moet iets aan gedaan worden!

    Tirade
    Auteur: Onder redactie van Daan van Doesborgh, Anja Sicking en Marko van der Wal
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    TERRAS #13 China

    Chinese literatuur is een van de oudste literaire tradities ter wereld en gaat duizenden jaren terug. Het is nog maar sinds kort dat Chinees proza en poëzie steeds meer binnen het bereik van de Nederlandse lezers komt. Deels heeft dit mogelijk te maken met het feit dat de gebruiken en omgangsvormen in China volkomen vreemd zijn voor de westerse lezer. En natuurlijk speelde de Chinese censuur een grote rol, daardoor werd er maar weinig vertaald. Gelukkig zijn er op dit moment veel vertalers uit het Chinees, zo laat Sylvia Marijnissen – zelf vertaalster uit het Chinees en recensent van Chinese literatuur – in deze editie zien. Veel proza, poëzie en essays uit China, Hongkong, Taiwan en de VS.
    Marijnissen nodigde enkele vertalers uit om hun favoriete passages uit de Chinese literatuur te vertalen. Dat levert een boeiende verzameling literatuur op die een mooi zicht geeft op het China van nu. Met onder meer een vertaling door Daan Bronkhorst van enkele gedichten van Liu Xia, (weduwe van Liu Xiaobo, de mensenrechtenactivist en winnaar Nobelprijs voor de Vrede, in 2017 in gevangenschap overleden). Liu Xia schrijft toegankelijke poëzie, hier en daar teder en licht, hoewel haar omstandigheden benauwend zijn. Zoals in het gedicht: ‘Ingesloten – voor Xiaobo’.

    Zodra je op de trein stapte / ging ik zitten wachten bij de telefoon, / vol angst. Er zijn dingen / waaraan ik niet ontkom / je verdween plotseling / en liet me je schaduw die / bleef hangen.

    Verder in het nummer: Drie door Laurens Vancrevel vertaalde gedichten van Breyten Breytenbach en een essay van schrijver en vertaler Piet Meeuse, ‘Over het nut van fictie – Twee theorieën over het vertellen van verhalen’. Een boeiend stuk waarin Meeuse stelt dat fictie ons helpt te overleven: ‘Fictie komt tegemoet aan (…) het zoeken naar oplossingen voor ingewikkelde problemen. Daardoor wordt ons gedrag flexibeler en zijn we beter in staat toekomstige problemen op te lossen.’

    Terras lezen is als reizen over de wereld, naar ongekende gebieden waarbij je de verassingen van andere culturen ervaart. En dat alles vanonder de schemerlamp.

    Wie meer wil lezen over vertaalde Chinese literatuur: kijk eens op de website van Sylvia Marijnissen.

    TERRAS #13 China
    Auteur: Onder gastredactie van Silvia Marijnissen
    Uitgeverij: Stichting iwosyg
  • In memoriam Peter van Straaten (1935-2016)

    De man die zei, ‘Zonder tekenen niets te zijn’, is donderdag 8 december jongstleden overleden. Tekenaar Peter van Straaten was al geruime tijd ziek en werd 81 jaar.

    Van Straaten begon zijn carrière in 1958 bij Het Parool als reportagetekenaar. Zijn eerste tekening verscheen op 26 juli 1958. Later begon hij politieke tekeningen te maken. Hij startte in 1968 met de strip ‘Vader & Zoon‘ in Het Parool. Deze politiek getinte strip over een dikke en conservatieve vader in krijtstreep pak en zijn slordige, linksgeoriënteerde zoon was een groot succes en bleef tot in 1987 verschijnen. Een groot deel van zijn leven tekende Peter van Straaten voor Het Parool (1958 -2012) later ook wekelijks voor de Volkskrant en had een geïllustreerde column in het NRC.

    Hij genoot grote bekendheid om zijn politieke prenten die door de humoristische toonzetting, een verfrissende en relativerende werking hadden. Hij had een goed oog voor de kleine ongemakken van alledag. Vooral het klein leed tussen echtelieden wist hij feilloos en treffend uit te beelden in zijn cartoons, steevast voorzien van een beknopt en immer trefzeker onderschrift. Als schrijver publiceerde Van Straaten vanaf 1968 het feuilleton Agnes in Vrij Nederland over het slordige, met witte wijn overgoten en door handtastelijke mannen bevolkte leven van een alleenstaande moeder en haar opgroeiende zoon (gebundeld in twaalf boeken). Van Straaten noemde het zelf ‘een soort edelkitsch’, maar waren evengoed zeer populair. Er was de briefwisseling met Eelke de Jong en Rijk de Gooyer en drie bundels verhalen die hij voor Het Parool schreef. Het kinderboek Een jongen en zijn boom (1998) en een aantal toneelstukken waaronder Een lichte lunch (1987). Alles bij elkaar laat hij een oeuvre van tientallen publicaties en duizenden tekeningen na en is ruim dertig jaar verbonden geweest met uitgeverij De Harmonie, waar hij meer dan 70 titels heeft uitgebracht.

    In 2006 ontving hij de Gouden Ganzenveer en in 2010 werd hem de Jacobus van Looy-prijs toegekend, een prijs voor dubbeltalenten. In 2011 ontving Van Straaten een eredoctoraat aan de Rijksuniversiteit Leiden vanwege de wijze waarop zijn cartoons het menselijk gedrag inzichtelijk maken. Zijn erepromotor, hoogleraar klinische psychologie, Willem van der Does gebruikt al jaren de cartoons van Peter in colleges en in zijn boeken “Zo ben ik nu eenmaal!” en “Dat moet mij weer gebeuren”.

    Van Straatens laatste tekening verscheen dinsdag 2 augustus 2016 in de Volkskrant (Daar lag Engeland). In september van dit jaar ontving hij voor de vijfde maal de Inktspotprijs, prijs voor de beste politieke tekening van het jaar.

    Peter van Straaten was getrouwd met kunstenaar Els Timmerman en heeft een dochter uit een eerder huwelijk.

     

     

    Foto Els Timmerman