• Alles geschreven…

    Alles geschreven…

    Recensie door Peter Samuel

    De zesde roman van Gerrit Brand draagt als titel Cinemascope. De naamgeving duidt ontegenzeggelijk op de inhoud, die met het produceren van een film heeft te maken. Cinemascope is een in 1953 door de Amerikaanse filmmaatschappij 20th Century Fox geïntroduceerd systeem van extra-brede beelden van een bioscoopfilm. Ook het boekomslag van Sven Schriever tekent het cinemascopische karakter: de gestileerde afbeelding doet denken aan Jacques Tati’s Monsieur Hulot. Zwembad met brunette in bikini op de rand, brede zonnehoed op het hoofd, bruine Porsche nadrukkelijk in beeld, op de achtergrond lichte heuvels van Zuidfrans landschap. De illustratie is in kaarsrechte lijnen geconstrueerd, zoals dit ook het geval is met de omslag van de heruitgave van Een heel nieuw leven (uit 2011), eveneens een roman van de hand van de in 1956 in Zwolle geboren en in Groningen woonachtige schrijver.

    Roadtrip

    Gerrit Brands tweede roman Een heel nieuw leven is een satire op het bedrijfsleven in de economische crisis aan het begin van de 21e eeuw. De heruitgave hiervan en Cinemascope zijn in hardcover door Uitgeverij Nobelman uitgebracht. Eens was er sprake van dat Een heel nieuw leven zou worden verfilmd, hetgeen echter tot nu toe niet is gebeurd. De inspiratie om Cinemascope te schrijven heeft Brand opgedaan in coronatijd, al toerende langs de Côte d’Azur. Hij kwam onder meer in Sanary-sur-Mer terecht, plaats aan de Middellandse zeekust in de Provence, ten zuidoosten van Marseille. In de jaren dertig van de vorige eeuw was Sanary een toevluchtsoord voor veel intellectuelen. Duitse en Oostenrijkse schrijvers, onder anderen Bertold Brecht, Thomas Mann, Stefan en Arnold Zweig, zochten er hun heil om aan Hitlers nationaal-socialisme te ontkomen. Ook Engelse schrijvers verbleven er ooit, waaronder Aldous Huxley en D. H. Lawrence.

    Filmscript

    Cinemascope is geen satire, maar wel een soort vervolg op Een heel nieuw leven. Aan de Rivièra toevend, ontwikkelde de schrijver zijn verhaal, bedoeld als scenario voor de verfilming van Een heel nieuw leven. Met een trits personages is Cinemascope daaruit voortgekomen, zich afspelend in 2020. Hoofdpersoon is Henry, een scenarioschrijver, die van filmproducent George de opdracht krijgt om vanuit diens riante villa met zwembad aan de Franse kust aan het filmscript te werken. Henry’s vroegere vriendin Charlotte blijkt al jaren de echtgenote van George te zijn, zonder dat Henry dit wist. Bovendien heeft zij een dochter, die de verhoudingen nog iets complexer maken. Onder dit gegeven van liefde, verwachtingen en het verstrijken van de jaren ontstaan verwikkelingen, die de afloop voor de lezer spannend houden.

    Bemiddeld

    Cinemascope is een pageturner, waarin de namen van Herman Brood en filmproducent Matthijs van Heijningen, om enkele voorbeelden te noemen, niet ontbreken. Daarbij hadden wellicht die van Willem Duys en Jan des Bouvrie gevoegd kunnen worden, niet direct filmfiguren, wel Nederlanders uit bemiddelde kringen, eens residerend in het zonnige Zuid-Frankrijk, zoals filmmaker George uit het boek daarvan een sprekend voorbeeld is. Hij bezit een chique villa in Frankrijk, woont in Baarn, dat met Paleis Soestdijk en koningin Juliana bekend staat als koninklijke residentie, en rijdt rond in een Porsche. Hij rookt sigaren en nipt graag van een cognacje. Kortom, de man van het goede leven beschikt kennelijk over de nodige pecunia, want zelfs van een eigen Cessna-vliegtuigje om van Frankrijk richting huis in Nederland en vice versa te vliegen, is hij niet gespeend.

    Lezers van de roman Cinemascope van Gerrit Brand kunnen tevreden zijn. De auteur laat zichzelf tegen het einde van zijn boek zeggen, ‘dat hij alles geschreven had wat er te schrijven viel … dat alle romans die hij geschreven heeft op hetzelfde neerkomen’.
    Zouden meer schrijvers dat beseffen, zou de wereld een hoop slechte boeken bespaard blijven. Cinemascope is geen hoogdravende literatuur, maar vlot geschreven, in recht-toe recht-aan stijl, daarmee goed leesbaar. Nederlandse vakantiegangers naar het Franse zuiden – Route du Soleil – zullen zich in beschrijvingen van Arles, St. Tropez en Marseille herkennen, maar of zij zich ook met de leefstijl in de verhaallijn identificeren?

     

     

  • Een tocht vol avontuur en ontdekkingen

    Een tocht vol avontuur en ontdekkingen

    Recensie door Peter Samuel

    In het besef dat de aarde rond was, groeide ruim vijf eeuwen geleden de drang om naar onbekende, verre landen te zoeken meer en meer. Dáár moesten de rijkdommen voor het oprapen liggen. De eerste die volledig om de aarde voer en daarna als eerste Europeaan de Stille Oceaan overstak, was de Portugees Ferdinand Magellaan (1480-1521). Vóór hem was de in Genua geboren Christoffel Columbus in 1492 via een westelijke route al op een continent gestuit. Op zoek naar een handelsweg met Azië landde hij op de kust van Amerika. De vraag bleef of Indië vanuit Europa via een westerse doorvaart kon worden bereikt. Gezagvoerder Magellaan vertrok in 1519 met een vloot van vijf schepen vanuit Spanje in de richting van de Indische archipel. Het verslag van de Italiaanse edelman Antonio Pigafetta, onder de titel De reis van de Spanjaarden naar de Molukken (door Théo Buckinx in het Nederlands vertaald), vertolkt Magellaans tocht tot een avontuur vol ontdekkingen en wetenswaardigheden, bijvoorbeeld ‘dat de koning van Portugal in het geheim al tien jaar van Maluku (= de Molukken) had geprofiteerd, zonder dat de koning van Spanje dit wist’.

    Ontdekkingstochten

    Ontdekken en verkennen van onbekende streken op aarde zit in de aard van de mens. Nieuwsgierigheid naar plekken waar niemand eerder was, is al eeuwenlang de drang van ontdekkingsreizigers. De Venetiaan Marco Polo (1254-1324) verkende tussen 1271 en 1295 de zijderoute naar China en grote delen van West-Azië. Wie kent niet de naam van Columbus (1451-1506), die verschillende expedities naar de Caraïben ondernam. Hij legde in 1492 aan in de Nieuwe Wereld, hoewel hij nooit voet aan wal zette in Noord-Amerika. De Portugees Vasco da Gama (1469-1524) behoorde in zijn lange carrière als ontdekkingsreiziger tot de eersten die de Afrikaanse kaap rondden om zo naar Indië te varen. De Nederlander Abel Tasman (1603-1659) staat te boek als ontdekker van Nieuw-Zeeland en Tasmanië. Hij was in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie en kreeg opdracht om Nieuw-Holland (het huidige Australië) te onderzoeken. Hiervan was de westkust al eerder door Nederlanders ontdekt. De VOC hoopte op handel met en exploitatie van dit zuidelijke continent.

    Verslag van een ooggetuige

    Ferdinand Magellaan probeerde met steun van de Spaanse koning in 1519 via een zuidwestelijke route in de Grote of Stille Oceaan te komen. Hij slaagde in zijn opzet, hoewel vier schepen en het grootste deel van de bemanningen in hun reis naar de Molukken omkwamen. Zelf werd de gezagvoerder op een van de eilanden door een giftige pijl geraakt, waardoor Magellaan voortijdig het leven verloor. Dagboekanier Antonio Pigafetta overleefde de gehele reis. Met een scherp oog voor gebeurtenissen aan boord, voor onbekende landschappen en de daar levende volkeren hanteerde hij zijn pen. De zo getrouw mogelijke vertaling biedt een betrouwbaar beeld, hoewel de oorspronkelijke schrijver Pigafetta geen groot stilist was. Het relaas kan zelfs wat ‘droogstoppelig’ worden genoemd, al blijft de spanning in het verloop van de reis de lezer vasthouden. Dit geldt zeker voor geïnteresseerden in (ontdekkings-)reizen, die leidden naar eilanden waar bijvoorbeeld ‘mannen en vrouwen niet langer zijn dan een el en zulke grote oren hebben dat ze één daarvan tot hun bed maken en zich met het andere toedekken’ .

    De fraai verzorgde uitgave van Athenaeum-Polak & Van Gennep, herdruk van Magalhães’ reis om de wereld (Verslag van een ooggetuige) uit 2001, beslaat 156 bladzijden en is voorzien van drieëntwintig illustraties (voornamelijk afbeeldingen van eilanden) en een nawoord van de vertaler. In de kantlijnen van het boek staan op iedere pagina bij de alinea’s korte mededelingen over de tekstinhoud. Een zestigtal noten achterin verstrekt aanvullende uitleg of verklaring.

     

     

  • Mens in de oorlog

    Mens in de oorlog

    Recensie door Peter Samuel

    De roman Grijze bijen van Andrej Koerkov gaat – uiterst aktueel – wél, en tegelijkertijd níet over de Russische ‘militaire operatie’ in Oekraïne. Zo duidt president Poetin immers zijn oorlogsinvasie aan: als een operatie. Romanpersonage Sergej Sergejitsj houdt zich van die strijd, zijnde een regelrechte oorlog, afzijdig. Deze innemende 49-jarige, vroegtijdig gepensioneerde woont in Mala Starohradivka, een dorp in de Donbas dat in zogeheten grijs gebied ligt. Spookdorp in een kilometerslang niemandsland, brede strook tussen de frontlinies van het Oekraïense leger en die van de separatisten.

    In zekere nacht is er een bom op de dorpskerk gevallen, waarna alle inwoners er vandoor zijn gegaan. Naar familie, naar separatisten, naar andere vluchters. Sergej blijft alleen achter, samen met Pasjka, een pestkop annex klasgenoot uit zijn jeugd, die een straat verderop woont. Met als roepnaam ‘Grijze’ voert Sergejitsj regelmatig gesprekken met zijn vriendvijand, soms met wodka overgoten, soms ook voorzien van gitzwarte humor.
    De overige straten van het dorp zijn uitgestorven, vol kapotte huizen. Aanhoudend geknal, overvliegende projectielen en soms inslaande granaatscherven verstoren Sergej niet in zijn bestaan.

    Uitgestorven omgeving

    Waar Sergej zich volstrekt op de vlakte houdt, geeft de gaande oorlog toch vorm aan zijn leven. Zijn vrouw heeft hem na de eerste bommen in de steek gelaten en hun vierjarige dochtertje meegenomen. ‘Misschien ben ik daar zelf ook schuldig aan geweest?’, vraagt Sergej Sergejitsj zich wel eens af. De enige familie die overblijft, is zijn bijenfamilie. Zijn dagelijkse routine op de plek waar eigenlijk geen leven meer is, bestaat uit zorg voor zichzelf en vooral ook voor zijn bijen. De toegewijde bijenhouder probeert zich warm te houden als de stroom weer eens uitvalt en verzamelt etenswaren, ondanks alles in samenwerking met zijn dorpsgenoot. In het uitgestorven landschap heerst een beklemmende sfeer, dreiging van sluipschutters is voelbaar. Oorlogsverschrikkingen vertonen zich in de vorm van een gesneuvelde soldaat, die Sergej onder een ijzige sneeuwlaag begraaft. Hij sluit vriendschap met een jonge Oekraïense soldaat – Petro – die hem een granaat verschaft om zich in geval van nood te verdedigen.

    Andrej Koerkov, geboren in Leningrad en bekend schrijver van Oekraïne, maakte kort na de Russische annexatie van de Krim en het begin van de oorlog met Oekraïne drie reizen door de Donbas, waartoe Donetsk, Loehansk en de grijze zone behoren. In zijn roman weet hij daardoor een levensechte wereld op te roepen, waarin angst van de bevolking voor oorlog en dood langzaam in een soort apathie overgaat. Hij beschrijft geen militaire operaties, maar verhaalt over doodgewone mensen, die ondanks de oorlog proberen zo onopgemerkt mogelijk door te leven. Zijn verhaal uit 2018, in 2022 door Arie van der Ent in het Nederlands vertaald en uitgegeven door Prometheus Amsterdam, beslaat 368 pagina’s in hoofdstukken, genummerd van 1 tot en met 74. De geschiedenis die zich in de uitgave afspeelt, is niet los te zien, noch los te lezen van het nieuws dat thans dagelijks via de media op ons afkomt.

    Zieke bijen

    Sergej ploetert dag in dag uit in zijn ontheemde dorpje. Soms in een onbuigzame Oekraïense houding, dan weer onverschillig, maar beslist ook wel onverzettelijk. Zijn leven verandert als hij naar het vreedzamer zuiden, naar de Krim reist. Hij hoopt zijn bijen daar een ‘fijne vakantie’ te bieden. Hij loopt er echter tegen de nodige problemen bij grensposten aan, waardoor ook zijn geliefde bijen in gevaar komen.
    Na betrekkelijk korte tijd in de Krim aan de lastige ‘thuisreis’ begonnen, wordt een van zijn bijenkasten door de Russen in beslag genomen. Hij krijgt deze terug, maar zijn bijen zijn grijs geworden. Om aantasting van de gezonde bijen te voorkomen, schermt hij ze van hun kasten af.
    Kunnen zijn bijen aan de oorlog ontsnappen? Kan Sergej aan de oorlog ontsnappen? Als hij uit een droom ontwaakt, hoort hij zijn geliefde bijen zoemen. Sergej weet ten slotte dat iemand hem en zijn bijen opwacht.

    Koerkov’s verhaal eindigt tamelijk open, de uitkomst is daarmee enigszins onbevredigend. Na het lezen van Grijze bijen blijft een bizarre tegenstelling bestaan. Enerzijds dit boeiende proza van een auteur die een tamelijk rustige hoofdpersoon, die soms droomt, dan weer in zijn realiteit leeft, ten voeten uittekent. Daar tegenover staat dat, sinds het boek is verschenen, zich in werkelijkheid een steeds gruwelijker oorlog ontwikkelt. Andrej Koerkov weet door zijn stijl – niet al te veel opsmuk, niet bepaald spectaculair – niettemin de aandacht in 74 hoofdstukken vast te houden. Dit komt mede door de impact van de waanzin in Oekraïne, die actueler is dan ooit. Zijn boek laat dan ook op virtuoze wijze zien wat het kan betekenen om in tijden van oorlog mens te zijn.

     

  • Relevant, sappig en genuanceerd

    Relevant, sappig en genuanceerd

    Recensie door Peter Samuel

    In zijn nawoord begint essayist en historicus Ian Buruma onmiddellijk met een overduidelijke boodschap: ‘Het was niet mijn bedoeling om Kawashima Yoshiko, Felix Kersten en Friedrich Weinreb te veroordelen omdat ze slechte mensen zouden zijn. Daarvoor is het te laat’.

    Genoemde hoofdpersonen in De fantasten lijken op het eerste oog nauwelijks iets met elkaar gemeen te hebben, maar toch. Het ‘Oosterse Juweel’ (bijnaam van Mantsjoeprinses Yoshiko), de ‘magische Boeddha’ (bijnaam van Himmlers privémasseur Kersten) en de Joodse immigrant, van de gelijknamige affaire (Weinreb) brachten ieder op hun beurt tijdgenoten en historici op een dwaalspoor. Zij maakten door in hun eigen verhalen te geloven bedrog tot zelfbedrog. Buruma is er uitstekend in geslaagd om hun levens, waarin de Tweede Wereldoorlog een hoofdrol speelt, met elkaar in verbinding te brengen.

    ‘Het geheugen en beoordelingsvermogen van de mens zijn niet onfeilbaar…’

    Scherpe analyse en subtiele ironie

    Ian Buruma, geboren op 28 december 1951, is een Nederlandse sinoloog, japanoloog en publicist. Hij wordt geroemd om zijn eruditie en beschouwende publicaties. In 2008 ontving hij de Erasmusprijs, in 2018 de Gouden Ganzeveer. Volgens de jury van de Erasmusprijs wordt het werk van Buruma gevoed door een fascinatie voor de wereld aan gene zijde van de burgerlijke bekrompenheid en door ondogmatisch, kritisch denken. Buruma ziet zichzelf meer als beschouwend schrijver dan als activist. Hij hanteert in zijn schrijfstijl een scherpe analyse, waarin zowel identificatie als distantie een plaats vinden, doordrenkt met subtiele ironie. Al deze kenmerken zijn in De fantasten terug te vinden. Hij heeft het boek in de Engelse taal geschreven, onder de oorspronkelijke titel The Collaborators. De Nederlandse vertaling – onder de kennelijk ‘neutralere’ titel – is van de hand van Arthur Wevers.

    Het centrale thema in het oeuvre van Ian Buruma is de Tweede Wereldoorlog. Hij beluisterde van jongs af aan zijn vaders verhalen die was ondergedoken, opgepakt, bombardementen overleefde en aan executie ontsnapte. Na zijn eerdere werken, waaronder 1945, Biografie van een jaar, lag het voor de hand dat hij voort zou gaan met schrijven over zijn fascinatie voor de Tweede Wereldoorlog, het drama dat hij zelf nooit heeft meegemaakt. In De fantasten weeft hij in tien hoofdstukken de levensverhalen van drie bijzondere, wonderlijke figuren ineen.

    ‘De wonderlijke levens van Kersten, Kawashima en Weinreb bevatten wel elementen die de verhalen van veel collaborateurs kenmerken: hebzucht, idealisme, sensatiezucht, machtshonger, opportunisme en zelfs de niet altijd misplaatste overtuiging dat ze ook iets goeds deden.’

    Historische les

    Om Friedrich Weinreb kon Buruma vanuit zijn wantrouwen over het tijdperk van verzetshelden en collaborateurs sowieso niet heen. Deze Joodse immigrant liet Joden in Den Haag geloven dat hij hen tegen betaling voor deportatie kon behoeden. Uiteindelijk heeft hij een aantal aan de Duitse politie verraden, hetgeen Buruma nauwkeurig weet te verwoorden. De tweede persoon die de schrijver in beeld brengt, Kawashima Yoshiko, gaf hij in The China Lover een bijrol. In De fantasten staat deze beeldschone Chinese prinses centraal. Zij was spionne voor de Japanse geheime dienst, had affaires met hoge officieren, maar doste zich soms ook als man uit. Haar haast mythische status leverde de sluwe heldin, tegelijkertijd verraadster, de bijnaam ‘Mata Hari van het Oosten’ op. Met de derde hoofdpersoon, Felix Kersten, houdt Buruma zich al langer bezig. Hij schreef eerder in krantenartikelen over deze persoonlijke masseur van Heinrich Himmler, als zijnde een voorbeeld van vele oplichters, die tot de achterkamertjes van de macht wisten door te dringen.

    Ian Buruma heeft met De fantasten een historische les over de betrekkelijkheid van identiteit en over de kijk op het verleden geschreven. In zijn analyses, even sappig als genuanceerd, onderscheidt hij op zorgvuldige wijze feiten, waarschijnlijkheden en beweringen. Het boek is een boeiende reconstructie van verhalen over drie verguisde en gemythologiseerde figuren. Engelen of duivels? Leugens of zelfbedrog? Ook in onze tijd zijn dit soort verhalen over collaborateurs c.q. fantasten onmisbaar om te begrijpen hoe gemakkelijk het is om geweld en ongekend lijden door de vingers te zien. Het is een les van en voor alle tijden, die door Ian Buruma in De fantasten op voortreffelijke wijze is gecomponeerd.

     

     

  • Brengschuld en haalboete

    Brengschuld en haalboete

    Recensie door Peter Samuel

    In zijn nieuwe roman Brengschuld beschrijft auteur Jan Siebelink een maatschappelijk verschijnsel, dat tot de ondergang van de kwekerij uit zijn succesboek Knielen op een bed violen leidt. Jan Geurt Siebelink, geboren op 13 februari 1938, groeide als Gelderse bloemkwekerszoon op in een streng godsdienstig gezin. Het protestantse milieu vormt zonder twijfel de basis voor zijn schrijverswerk. De streek rond zijn geboorteplaats Velp is voor hem kennelijk een broedplaats vol frustraties. In een sfeer van doem en machteloosheid creëert hij met Brengschuld een deerniswekkend verhaal over schuld en boete.

    Aan zijn meesterwerk Knielen op een bed violen, dat hem de AKO-literatuurprijs en uiteindelijk de Ridderorde van de Nederlandse Leeuw opleverde, voegt de 84-jarige schrijver een puzzelstuk uit zijn jeugd toe. Waar het monstersucces bijna drie keer zoveel pagina’s beslaat (paperback, 446 blz.) als de fraaie hardcover Brengschuld (173 blz.), keert Siebelink terug naar de familie Sievez uit Knielen op een bed violen. Hij voegt als het ware een nieuw hoofdstuk toe. Hans en Margje Sievez zijn hardwerkende ouders in hun bloeiende kwekerij, die het belangrijk vinden dat hun zonen Ruben en Tom het beter krijgen dan de ouders zelf.

    Tennishal

    Werd in Knielen op een bed violen het geloof van vader Hans, onder invloed van een strenggelovige groepering, als oorzaak voor de teloorgang van het familiebedrijf gezien, in Brengschuld werpt een andere gebeurtenis zicht op de ondergang van wat eens een bloeiend bloemenparadijsje was. De bouw van een grote tennishal verstoort het alledaags bestaan van het kwekersgezin, hoewel hun vroegtijdig gestorven buurman, tevens huurbaas – zoon Ruben mocht de huishuur telkens contant in een enveloppe langsbrengen – daar later, via een nagelaten epistel, anders over bleek te oordelen.

    In plaats van de later ontdekte garantie dat zij zonder probleem in hun huis konden blijven wonen, moesten de Sievez’ door geldgebrek een deel van hun grond verkopen. Waar zoon Ruben buiten medeweten van zijn ouders een andere buurman om financiële hulp vroeg, bleek deze bemiddelde aannemer een louche sujet. Hij liet geen beloofde kleine manege, maar een reusachtige sporthal op het door hem verworven stukje grond neerzetten. Vele sporters en bezoekers van wedstrijden bedierven daarmee grondig het leven en werk van de kwekersfamilie. Hoe het mogelijk is geweest om zo’n groot bouwwerk ter plaatse te realiseren, laat auteur Siebelink in het midden. De aannemer heeft mogelijke regels ter zake van een vergunning kennelijk weten te omzeilen. Verwerpelijk, niettemin een vaker in onze maatschappij voorkomend verschijnsel. Rijken trekken immers regelmatig aan het langste eind. Eigenlijk zou dit de ‘patserachtige’ aannemer een fikse ‘haalboete’ moeten bezorgen, al was het maar om de ‘brengschuld’ te vereffenen.

    Herkenbaar decor

    Na het afronden van de kweekschool was Jan Siebelink ruim drie decennia leraar Nederlands en Frans op een middelbare school. Als schrijver was hij niet te stuiten. Sinds 1975 verscheen een waslijst van bijna vijftig boeken van zijn hand. Vaak is het decor in zijn verhalen eender door terugkerende elementen. In de roman Brengschuld blijken gebeurtenissen anders, al zijn de personages dezelfde als in Knielen op een bed violen. Hardwerkende ouders, een vader in de ban van het geloof, waarmee hij een wig drijft tussen de gezinsleden, en een oudste zoon die probeert het gezin bijeen te houden. De leden van de familie Sievez – vader Hans, moeder Margje, zoon Ruben en zijn jongere broer Tom – lijden ieder op hun eigen manier onder de gebeurtenissen en doen ieder hun best om tot oplossingen te komen.

    De schrijfstijl van Siebelink is soepel, zijn verhaallijn in Brengschuld is ontroerend, aangrijpend en indringend tegelijk. Een mooie zin luidt bijvoorbeeld: ‘Zijn broer, in de loop van zijn leven, was de verjaardag als een lichtzinnige aangelegenheid gaan zien’. In andere woorden, een roman om in één adem uit te lezen.

     

     

  • Van de Zuiderkerk de Zandstraat in

    Van de Zuiderkerk de Zandstraat in

    Recensie door Peter Samuel

    Wandelen is een ideale manier om een (grote) stad goed te leren kennen. Hannah Bakx en Roos Hamelink geven met hun eerste boek Amsterdam in 10.000 stappen een historisch inkijkje in de hoofdstad met tien wandelingen, elk tussen zes en acht kilometer lang. Ondanks vele vormen van al dan niet elektrische vervoermiddelen wordt in deze tijd nog altijd volop gewandeld. Jong en oud stappen erop los, corona of geen corona. Solo, in kleine kring, in sportief verband, tijdens georganiseerde vierdaagsen. Mensen die zich te voet voortbewegen, is dat een barbaarse bezigheid? Nee, het is uitermate gezond voor lijf en leden!

    Wandelgidsen zijn er dan ook diverse, onder meer over de hoofdstad van Nederland. In Dwalen door Amsterdam legt Simon Carmiggelt met subtiele ironie en melancholie menselijke tekorten messcherp bloot. Dit boek beschrijft vijftien rondwandelingen in Groot Amsterdam, waaronder vier stadse tochten. Wandelen buiten de binnenstad van Amsterdamschetst lange afstandsroutes, die op de kaart op een bord spaghetti lijken. Een wandelgids voor Amsterdammers, die denken Amsterdam te kennen. Andere uitgaven zijn Amsterdam acht keer anders, negen wandelingen kriskras door de stad in Amsterdam door! Gijs&Floor en 111 plekken in Amsterdam die je gezien moet hebben. Al deze uitgaven werpen een blik op de stad, ieder volgens een eigen invalshoek.

    Wie Amsterdam in 10.000 stappen leest, komt achtereenvolgens door het Centrum, Oud-West, Plantage, De Pijp & Rivierenbuurt, Zuid, Noord, Bos en Lommer & De Baarsjes, Oost, Nieuw-West en Bijlmer. Via deze beschreven stadswijken, eventueel in de praktijk volgens aangegeven routebeschrijving gelopen, komen wandelaars van alle leeftijden aan hun trekken, van jong(er) tot oud en van geboren hoofdstedeling tot nieuwkomer in de stad. Stappend door Amsterdam, stad begonnen als dam in de Amstel, kunnen liefhebbers van elders uit Nederland eveneens volop van de verhalen over Amsterdams rijke historie genieten.

    Grachtenstad

    Aan moerasland ontworsteld wordt grachtenstad Amsterdam wel het ‘Venetië van het Noorden’ genoemd. Gebouwen en kademuren van de grachten zijn op houten palen gebouwd. De ezelsbrug voor het exacte aantal steunpilaren onder het stadhuis van Jacob van Campen, het huidige Paleis op de Dam, komt uiteraard in beeld. Zo ook de ‘Amsterdamse School’, de nooit saaie bouwstijl met grote aandacht voor vormgeving en details als baksteen en rode dakpannen. ‘Het Schip’ van een eeuw geleden als hoogtepunt. De verzamelplaats aan het Spui die aan Amsterdamse kwajongens doet herinneren. Met standbeeld het ‘Lieverdje’, het historisch herkenningspunt voor alle Mokumse bengels.

    Wandelend door de stadswijken komt de lezer veel van Mokums verleden tegen. De verpauperde Nieuwmarktbuurt met zijn ‘Nieuwmarktrellen’. De Overtoom, om schuitje te varen en theetje te drinken. Paviljoen 3 voor degenen die psychisch gestoord waren. Het ‘Wassenaar in West’ en de ‘Magere Brug’, de ‘Stopera’ en de Portugese Synagoge. Het Scheepvaartmuseum, dat op 2.300 palen leunt. De temperamentvolle tsaar Peter de Grote, die naar verluidt flinke klappen zou hebben uitgedeeld.

    Co Adriaanse e.a.

    Hippies bekijken in het Vondelpark, een halve eeuw geleden in de ‘summer of love’. John Lennon en Yoko Ono, die ruim vijf decennia terug een week in bed lagen in het Hilton Hotel aan de Apollolaan. Het hotel, waar Herman Brood in de zomer van 2001 van het dak sprong. Wild Romance, de naam van zijn muziekband.
    Voetbalclub ‘De Volewijckers’, met Ajax-tenue, alleen de rode baan voor groen ingewisseld, landskampioen in 1944, ondanks de oorlog. Hannie Tolmeijer speelde er, en Co Adriaanse, namen die niet of nauwelijks meer aan de orde komen. Wel die van Dirk van den Broek, winkelier die met Albert Heijn wedijverde over wie de eerste zelfbedieningswinkel opende, een uit de Verenigde Staten overgewaaid winkelsysteem. Cockel Bockel, het oudste onderwaterhuis op de bodem van de Sloterplas, je moet het maar weten.

    Vorengenoemde items betreffen slechts een greep uit de historisch verantwoorde informatie, die de schrijfsters naast bijvoorbeeld bouwkundige en architectonische aspecten uit de geschiedenis van Amsterdam aan de orde stellen.
    Waar het onmogelijk is om volledig te zijn, is deze wandelgids bijster interessant, zowel voor de Amsterdammer die in de stad is geboren, als voor elke buitenstaander, die de geschiedenis van de hoofdstad nader wil leren kennen. Prettig leesbaar geschreven in tien hoofdstukken, die in willekeurige volgorde kunnen worden gelezen én volgens nauwkeurige routebeschrijving in willekeurige volgorde kunnen worden bewandeld. Of Roos Hamelink en Hannah Bakx met hun debuutboek een jong publiek weten te bereiken, moet de praktijk uitwijzen. Met hún wandelgids is de poging in ieder geval volledig de moeite waard.

    Nota bene 

    Een wandeling door het centrum van  Amsterdam duurt drie uur en telt 9.999 stappen. Gemiddeld 55,55 stappen per minuut, op toeristisch gemak dus. De routebeschrijving langs de talloze markante plekken was perfect, de tekst in de gids interessant, informatief, soms zelfs hilarisch.

    Naast sportieve beweger is recensent liefhebber van literatuur, vooral van alliteraties. Op de Zeedijk werd zijn oog onmiddellijk geraakt door de ‘verf van Vettewinkel’, door Ierse ‘Molly Malone’ en door het Hollandse ‘melkmeisje’. Bij de Sint Olofspoort viel ‘Ommeletterie’ hem taalkundig op. Van de Zuiderkerk de Zandstraat in, waar de boodschap ‘carillon concerten’ luidde. Zo ook ‘kleine kanjer’ in de Tweede Anjelierdwarsstraat nummer 19, tegenover Haasje Over. Over taal gesproken, wat te denken van bakkerij ‘De Drie Graefjes’ en souvenirshop ‘De Drie Monnikjes’ aan de achterzijde van de Nieuwe Kerk. Het zouden zo maar boektitels kunnen zijn. Op de toonbank van de gerenommeerde boekwinkel aan het Spui lag een stapel opvallende gidsen: ‘Amsterdam in 10.000 stappen’.

    ‘Zoals de oceaan de bron is van alle stromen, is in de geschiedenis het ontstaan en de ontwikkeling van alle vormen van wijsheid te vinden’.  Waar stonden die woorden ook al weer?
    De wandeling door de stad aan de hand van Hannah Bakx & Roos Hamelink laat het aan de oplettende wandelaar/lezer over. Die kan ze aan de Oudemanhuispoort 1 letterlijk ontdekken. Naast een andere tekst, die in deze beschouwing geparafraseerd van toepassing is: ‘Wat waar is, waardeer ik. Ik waardeer de auteurs om hun prachtige werk’.