• Fotosynthese 11 – Gluurder

    Fotosynthese 11 – Gluurder

    Klik op de foto om de achtergrond te zien.


    In één scène werd de film Le Charme discrets de la bourgeoisie (1972) van Luis Buñuel samengevat. Ik meen aan het einde. Meer dan 40 jaar geleden zag ik die. Een groep mensen loopt over een weg in de richting van de camera. Ze lopen, er gebeurt verder niets. Het gaat om de manier waaróp ze lopen, verdeeld over de breedte van de weg, alleen maar met zichzelf bezig, onderlinge desinteresse, geen enkel persoonlijk contact. Het sociale onvermogen van de bourgeoisie.
    In 2000 werd het honderdste geboortejaar van Buñuel herdacht. Er werd mooi over hem gesproken: ‘Buñuel was een groot Spanjaard, hij was een getuige en profeet van zijn tijd.’ Dat was praten achteraf. Zijn films stonden lang op een zwarte lijst in Spanje, hij werd gezien als een uitlokker van schandalen. Maar hij toonde slechts de waanzin van de beschaving.

    Deze foto doet me denken aan die film. Er staan mensen te wachten, nette mensen zo te zien. De man rechts heeft zijn aktetas neergezet en hijst zijn broek op. Of de vrouw die daarnaast staat bij hem hoort, betwijfel ik. De vrouw midden in het beeld vestigt de aandacht op zich, wellicht onbedoeld. Lange vrouw, lange jurk, hoge hakken. Gaan ze naar een bruiloft? De vrouw rechts heeft een cadeau onder haar arm, er staat een plantje op de grond. Met elkaar vormen die mensen geen groep. Ze staan op een kade, een schip ligt aangemeerd.
    De fotograaf hoort er niet bij. Hij of zij staat achter een raam, de vage strepen in het beeld zijn vermoedelijk van opwaaiende vitrage. Hij bespiedt. Staat er een verdachte bij dat groepje dat geen groepje is, moet iemand in de gaten gehouden worden? De fotograaf houdt zich onzichtbaar.

    Mijn oma woonde twee hoog in Rotterdam en buiten bij het raam van de woonkamer hing een spionnetje, zo’n spiegel waarmee je vanuit de kamer kon zien wie er voor de deur stond. Als er gebeld werd rende ik naar het raam, hield me onzichtbaar voor degene die had aangebeld en bracht al fluisterend verslag uit: ‘Hij draagt een grote hoed, ik kan zijn gezicht niet zien…’ Ik waakte ervoor niet te lang in het spiegeltje te kijken uit angst opgemerkt te worden. Iemand via een spiegel bekijken dat doe je niet.
    Het was in de tijd dat ik mijn eerste detectives las. Bespieden was toen een eenvoudige zaak: een man in een lange jas en een hoed op stond de krant te lezen. Af en toe liet hij de krant zakken.
    Als je betrapt wordt op bespieden ben je een gluurder. Als je bespied wordt door iemand die je na aan het hart ligt, voelt dat als verraad.
    De Hongaarse schrijver Péter Esterházy schreef de roman Harmonia Caelistis (2004), een verhaal over de geschiedenis van zijn familie waarin zijn vader geschetst werd als een man uit één stuk. Even na de publicatie van dit boek werden onverwacht de staatsarchieven geopend. Toen hij in een dossier las over zijn familie herkende hij het handschrift van zijn vader. Die was al vanaf 1956, de Hongaarse opstand, een verklikker. Verraden worden door je vader is als een dreun in je gezicht, zo moet Esterházy dat gevoeld hebben. Hij schreef direct daarna een nieuwe roman: Verbeterde editie.

    Maar de tijd van de detectives op de hoek, de verklikkers met hun dossiers, de afluisteraars zoals in de film Das Leben der Anderen, lijkt achter ons te liggen. We worden elk moment bespied, onze verplaatsingen zijn simpel via onze telefoon te traceren, we passeren dagelijks camera’s met gezichtsherkenning. Je hebt daar geen toestemming voor gegeven, je kan je afvragen of je gezicht nog wel van jou is. In China is George Orwell’s 1984 al lang en breed ingehaald. De drone is niet meer het leuke speeltje om de buurman in de tuin op de hoek te filmen, dat kunt u in de documentaire National Bird gaan zien. Ons, aangeprate, gevoel van onveiligheid heeft ons recht op privacy geheel verdrongen.
    Toch staat vandaag de dag een fotograaf nog ouderwets te gluren achter de vitrage. Zoals de voyeuristische Johan Roodenhuis dat deed in Else Böhler, Duits dienstmeisje (1935) van Vestdijk. Vanachter het raam ziet hij haar: ‘…het meisje van Erkelens, dat daar plotseling aankwam, onwezenlijk groot en statig als een koningin [..]. Ik sprong  op en volgde haar zo ver ik kon met de ogen. Mij kon ze niet zien door de vitrage.’
    Op de omslag van dit boek (7e druk, 1976) een tekening van een spionnetje waarin je het dienstmeisje ziet. Liggend, haar hoofd afgewend, de benen wijd, naakt met uitzondering van haar losgeknoopte schort dat elk moment weg kan waaien. Net als Roodenhuis bespied je haar. Je bent een gluurder.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

    Fotograaf: onbekend

     

  • Een moeder die van voetbal houdt

    Een moeder die van voetbal houdt

    ‘Mijn moeder bezat de zeldzame gave steeds de rijkdom der dingen te laten zien’, schrijft Péter Esterházy in Geen kunst, de roman waarin hij zijn moeder, voetbal, de buitenspelregel én het Hongaarse Gouden Elftal uit het begin van de jaren vijftig eert. Geen kunst is niet het eerste boek waarin Esterházy de dood van zijn moeder beschrijft, want het ‘doodschrijven bleek een vruchtbaar schrijversidee’. Wat in Geen kunst echter nieuw is, is dat zijn moeder ook daadwerkelijk overleden is. Haar dood-zijn is niet langer fictie of bedacht, maar een realiteit waarop Esterházy in dit boek grip probeert te krijgen. Door haar opnieuw het leven in te schrijven, door zijn herinneringen aan zijn jeugd, zijn vader en moeder, de naoorlogse politieke ontwikkelingen in Hongarije en het wel en wee rondom het voetbalveld van zich af te schrijven.

    Bij Esterházy thuis waren de rollen een beetje omgedraaid. Hij ging met zijn moeder naar voetbalwedstrijden, terwijl zijn vader met hoofdpijn thuisbleef. Ezerházy’s moeder was de spil waarom alles volgens Geen kunst lijkt te hebben gedraaid. Alhoewel dat misschien anders ook wel zo was geweest, aangezien moeders volgens de Hongaarse schrijver toch eigenlijk per definitie wel een klasse apart zijn: ‘Moeders zijn zo dat ze mammie heten, hun hals en hun schouder, waar we ons hoofd in boren, zijn warm en ze ruiken lekker. Moeders houden zich altijd (immer, wanneer dan ook, etc.) met ons bezig, ze houden ons onophoudelijk in de gaten, en daardoor zijn ze zichtbaar gelukkig. Gelukkig. De kleur van hun ogen is alsof bij betrokken hemel de zon toch zou schitteren.’

    De moeder van Esterházy praat altijd over voetbal, ademt voetbal, is voetbal en volgens Geen kunst ook  een belangrijke succesfactor van het Hongaarse voetbalteam uit de jaren vijftig. Sterspelers zoals Ferenc Puskás, Nándi Hidegkuti en József Bozsik; Esterházy’s moeder lijkt ze allemaal rond haar vinger te hebben gewonden. Zij kende Puskás en Bozsik van kinds af aan en wist volgens Esterházy toen ze hen als kleine jochies voor het eerst zag voetballen al dat ze een van ’s werelds wonderen aanschouwde: ‘ook toen waren zij niet slechts aan het spelen, ze creëerden het spel’. Het begin van een levenslange liefde, want er zou niets bestaan waar Esterházy’s moeder met meer hartstocht aan gehecht zou zijn dan aan het voetbalspel. Niet aan haar man of haar kinderen en zelfs niet aan de sterspelers zelf. Waarmee ze ook niet zomaar een vriendschappelijke relatie kon onderhouden, aangezien een Hongaarse vrouw niet bevriend is met mannen, ‘ze veracht ze, of ze aanbidt ze, of ze dresseert ze, of dit alles tegelijk.’

    Dat ze daar meesterlijk in was, lijkt de boodschap van Geen kunst te zijn. Dat is althans de boodschap die ik er als lezer in lees, en dat is mijn goed recht want Esterházy kent de lezer nadrukkelijk de rol van medeauteur toe, blijkt uit het voorwoord van vertaler Györgyi Dandoy bij de Nederlandse vertaling.
    Die rol van medeauteur kan het nodige van de lezer kan vragen, zeker als deze zelf niet voor de talige springerigheid zou kiezen waaraan Esterházy wel verknocht is. Zijn zinnen zijn buitensporig lang. Tussen haakjes gezette gedachten kunnen zomaar twaalf regels lang kan zijn, met het risico dat de van komma tot komma lezende lezer onderweg afdwaalt. Een titel van een paragraaf kan volledig onderdeel zijn van een zin die van de ene paragraaf plompverloren in de daaropvolgende doorloopt. Het maakt Geen kunst bij tijd en wijle lastig leesvoer, maar de onvoorwaardelijke liefde van een zoon voor zijn moeder, die je niet alleen tussen die lastige regels doorleest, maar op elke pagina van dit boek, maakt veel goed.

    Péter Esterházy beschouwde het als een groot geschenk uit de hemel dat hij samen met zijn moeder ouder mocht worden. En met haar van het geluk mocht proeven, want ondanks alle tegenslagen in haar leven is de schrijver overtuigd dat zijn moeder in de kern gelukkig was. ‘Je zou kunnen zeggen dat mijn moeder haar leven lang voortdurend op de vlucht was geweest. Je kunt het ook zo zeggen dat ze voortdurend gelukkig was geweest.

    De schrijver overleefde zijn moeder niet heel lang. Hij overleed in 2016 en liet een omvangrijk oeuvre na, waarvan verschillende titels in het Nederlands zijn verschenen, waaronder Reis naar het einde van het strafschopgebied. Een boek dat je misschien al alleen omwille van de titel zou moeten kopen. Vooral als je nog meer wilt genieten van Esterházy’s liefde voor het voetbalspel. Ik verwacht dat ook zijn moeder daar wel weer in langs zal komen.

     

  • Oogst week 23

    Aan een onbekende god

    Hoofdpersoon Joseph Wayne vertrekt naar de Salinas Vallei in Californië, een streek met een overweldigend mooie natuur waar auteur Steinbeck als kind zelf heeft gewoond. Onder de grote eikenboom bouwt hij een huis. Joseph verbeeldt zich dat de geest van zijn vader in de boom woont. Ook zijn broers komen naar de boerderij. Alles gaat voorspoedig, totdat de regen uitblijft. Zal Joseph ondanks de droogte trouw blijven aan zijn land? Ook als hij daarvoor een hoge prijs moet betalen? ‘Een intense en zintuiglijke roman vol natuurbeleving en mystiek.’

    Uitgeverij Bint bestaat nog geen jaar, maar heeft mooie plannen. In de reeks Bint Klassiek verschenen eerder de romans De kern van de zaak van Graham Greene en Thérèse van François Mauriac. Daar is nu dus Aan een onbekende god bijgekomen van John Steinbeck. De reeks zal worden uitgebreid met titels van o.a.Stefan Zweig, Isaac Bashevis Singer en Czesław Miłosz.

    Aan een onbekende god
    Auteur: John Steinbeck
    Uitgeverij: Uitgeverij Bint

    Geen kunst

    Peter Esterházy (1950-2016) is een van de belangrijkste hedendaagse Hongaarse literaire auteurs. Maar volgens hem was hij ‘allereerst voetballer en pas daarna schrijver’. Hij had het van geen vreemde. Zijn vader voetbalde, een van zijn broers kwam uit voor het Hongaarse elftal en over zijn moeder zei hij: ‘Voetbal is haar hele leven, in het hoofd van mijn moeder heeft de wereld de vorm aangenomen van een voetbalveld.’

    In Geen kunst brengt hij zijn gestorven moeder tot leven. Hij gaat met haar het gesprek aan, over voetbal, over het gezin en over Hongarije in de jaren vijftig. Steeds vertelt ze nieuwe verhalen.

    Peter Esterházy is vooral bekend geworden met zijn postmoderne familiekroniek Harmonia Caelestis (2000), twee jaar nadat zijn vader was gestorven. Het moest een ode zijn, maar in het jaar dat zijn boek verscheen ontdekte hij dat zijn vader vanaf 1957 informant was geweest voor de Hongaarse geheime dienst en dat hijzelf door zijn vader was bespioneerd.

    Geen kunst
    Auteur: Péter Esterházy
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers

    Ongebaande paden

    Sylvain Tesson is een man die van extremen houdt en daar over schrijft. In Zes maanden in de Siberische wouden beschrijft hij hoe het is om als kluizenaar te leven, in een hut bij het Baikalmeer midden in het Siberische bos. In Berezina, met Napoleon in de zijspan volgt hij op de motor het winterse, terugtrekkende spoor van Napoleon en zijn Grande Armée nadat het, dan exact 200 jaar geleden, door tsaar Alexander I is verslagen.

    Een van die avonturen kostte Tesson bijna het leven. Hij beloofde zichzelf dat hij dwars door Frankrijk zou gaan lopen als hij voldoende zou herstellen. Dat deed hij en in augustus 2015 begon hij in het uiterste zuidoosten van Frankrijk aan een wandeling die hem ver wegbracht van de bewoonde wereld en onze alomtegenwoordige technologie. Zijn tocht voerde, door de zelfopgelegde restrictie dat hij alleen over onverharde wegen mocht lopen, dwars door de ongerepte natuur, over soms nauwelijks begaanbaar terrein en langs barre uithoeken. Een kleine drie maanden later eindigde zijn voetreis aan de noordwestkust.

    Ongebaande paden
    Auteur: Sylvain Tesson
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers

    De familie Mann

    De familie Mann is het tragische verhaal van een gezin dat volledig wordt beheerst door de literaire roem van de vader, Thomas Mann. Maar in De familie Mann draait het echt om de familie Mann. Niet allèèn maar over de beroemde schrijver uit het gezin.

    Aan een familie wordt het staatsburgerschap ontnomen. “Onwaardig om Duitsers te zijn’”schrijven de kranten. In december 1936 worden de Manns beschouwd als “schadelijke elementen in de samenleving”. De familie woont dan drie jaar in het buitenland. Drie jaar heeft Thomas Mann geaarzeld en geweifeld, nu heeft hij eindelijk “zijn hart gewassen” zoals hij het noemt, zich openlijk uitgesproken voor de emigratie en zich daarmee tegen het Hitler-regime gekeerd. Zijn familie heeft reikhalzend uitgezien en op hem ingepraat, agressief zoals dochter Erika, duidelijk zoals zoon Klaus, of zacht en beslist zoals zoon Golo en echtgenote Katia.

     

    Auteur: Tilmann Lahme
    Uitgeverij: uitgeverij De Arbeiderspers