• Weidse landschappen, bekraste zielen

    Weidse landschappen, bekraste zielen

    Hoeveel leed kan een mens in zijn leven hebben? Wat is het ergst denkbare verdriet, en hoe kan je dat dragen? Emily Ruskovich gaat de confrontatie met deze vragen aan in haar roman Idaho, die zich afspeelt in het hoge noorden van de gelijknamige dunbevolkte Amerikaanse staat. Het decor is alleszins prachtig: weidse landschappen, dichte naaldbossen, imposante bergen, slechts hier en daar een afgelegen huis waar stugge, teruggetrokken mensen leven: ‘De wildernis gaat almaar door, de ene bergketen na de andere, geordend en machtig, in lagen afgetekend tegen de hemel.’ Zo maken we kennis met Ann, een pianolerares die met Wade op een bergtop woont. Haar man is een stuk ouder en leidt aan geheugenverlies, een symptoom van vroegtijdige dementie. Maar dat probleem vormt niet echt de kern van dit boek, dat eigenlijk over Wade’s verleden handelt: zijn eerste vrouw Jenny zit levenslang in de gevangenis wegens de moord op hun dochter May. Alsof dat nog niet erg genoeg was, verdween Mays zusje June terwijl hun vader hulp ging zoeken. Ze zou nooit worden teruggevonden.

    Ruskovich deinst er niet voor terug om ook de minder fraaie kanten van haar geliefde Idaho te tonen, zoals de enge white supremacists die vlak bij Ann en Wade het hoofdkwartier van de Aryan Nations bemannen: het is een streek waar niemand ervan opkijkt als je een hakenkruis op de rug van je hand hebt laten tatoeëren. Ook het kille, onmenselijke Amerikaanse gevangenissysteem krijgt een veeg uit de pan: het is bepaald geen pretje om in de bajes van Sage Hill te zitten (‘Haar duimdikke matras ruikt naar urine en tranen’).

    Ruskovich is een oud-leerling van de gerenommeerde Iowa Writers’ Workshop. Nu valt er wel wat te discussiëren over het werkelijke nut van zulke workshops – hoeveel écht grote schrijvers leerden daar het vak? – maar dit boek komt te geconstrueerd over, met de typische verteltechnieken die we bijvoorbeeld kennen van de alomtegenwoordige televisieseries die stilaan de norm lijken te bepalen op het gebied van fictie: wisselende standpunten, cliffhangers, gedoseerd vrijgegeven informatie waarmee de spanning zo lang mogelijk wordt opgevoerd, tijdsprongen die de chronologie van het verhaal door elkaar halen en talloze subplots. Verder schuwt Ruskovich geen grote woorden voor heftige emoties. In Amerikaans proza zie je dat wel vaker, maar voor Europese lezers komt het al snel klef over (‘Ik hou al van je sinds ik je voor de eerste keer zag…’). Of zijn Europeanen bevooroordeeld en kunnen we juist moeilijk overweg met spontane uitingen van emoties? Hier speelt waarschijnlijk een cultuurverschil mee.

    Een andere belangrijke verhaallijn is de diepe vriendschap tussen Jenny en haar celgenote Elizabeth, die na een ernstig incident niet meer naar de poëzieles mag. Geen nood: Jenny gaat wel in haar plaats en neemt Elizabeths gedichten mee. Het heeft wel iets ontroerends, al zullen sommige lezers de idee van poëzie als balsem voor de ziel die het beste in mensen naar boven brengt waarschijnlijk hopeloos naïef vinden. Er spreekt zeker een diep geloof in de goedaardigheid van de mens uit die zelfs doet denken aan de diepe empathie waarmee Truman Capote moordenaar Perry Edward Smith benaderde in zijn bekende boek In Cold Blood. In Idaho ondergaan personages de vreselijkste rampspoed, maar richten ze zich op kleine dingen om verder te kunnen leven, als drenkelingen die zich vastklampen aan wrakhout. Of dat een hoopvolle of deprimerende boodschap is, moet u zelf uitmaken, maar de nieuwe Great American Novel waar zo naar wordt uitgekeken, heeft Ruskovich (nog) niet geschreven.

     

  • Een ondoorgrondelijk verhaal 

    Een ondoorgrondelijk verhaal 

    Wanneer een schrijver, die je graag leest en van wie je enkele goede boeken hebt gelezen, een nieuw boek publiceert, ben je daar benieuwd naar. In het verleden waren dat van Coetzee Wereld en Wandel van Michael K en In ongenade, stuk voor stuk mooie boeken. Vooral In ongenade is een aangrijpend verhaal en prachtig geschreven.

    De schooldagen van Jezus is een vervolg op het in 2013 verschenen De kinderjaren van Jezus. De ontvangst van De kinderjaren van Jezus was gemengd: niet direct te begrijpen en met vele indirecte en directe verwijzingen naar filosofisch gedachtegoed. Dat wetende begin je met enige schroom te lezen. Maar eerst iets over de verhaallijn van De Kinderjaren van Jezus.

    De kinderjaren van Jezus
    Dit boek gaat over de vlucht over zee van de vijfjarige David en de 45 jarige Simon naar een Spaanstalig land. Ze krijgen een nieuwe naam en nieuwe persoonsgegevens, hun persoonlijke geschiedenis moeten ze achter laten. Op de boot ontfermt Simon zich over David, werpt zich op als zijn pleegvader. David had een brief van zijn moeder bij zich, maar is die kwijt geraakt. Simon belooft David in het land van aankomst een moeder te zullen zoeken voor hem. Hij vindt die uiteindelijk in Ines.
    David blijkt een bijzonder kind, dat zich niet gemakkelijk schikt; hij loopt uit de pas, is eigenwijs, eigengereid en zoekt steeds de confrontatie met Simon, hoe jong hij ook is.

    De schooldagen van Jezus
    Ines, Simon en David zijn weer op de vlucht, nu voor de onderwijsinspectie, omdat ze David van school houden. Ze zijn op zoek naar onderwijs dat beter past bij David. Uiteindelijk komen ze terecht in Estrella. Maar in die stad is geen ‘normaal’ onderwijs, er zijn slechts twee opleidingsinstituten, een muziekacademie en een dansacademie. David wil naar geen van beiden, maar wordt tot een keus gedwongen; dan kiest hij voor de dansacademie waar hij vooral leert over het verband tussen sterren en dansen. Hij leert cijfers – de 1, de 2 en de 3 – dansen. Het dansonderwijs is erop gericht de ziel van de leerlingen in contact te brengen met de beweging van het universum. Die bewegingen manifesteren zich in getallen die zich bevinden tussen de sterren en die door middel van dans kunnen neerdalen in het hier en nu. Deze filosofie is volstrekt onbegrijpelijk, net zoals veel andere gebeurtenissen in het boek.

    Neem het volgende voorbeeld. De dansacademie wordt geleid door een echtpaar waarvan de mooie, door vele mannen begeerde vrouw Ana Magdalena (what’s in a name) een relatie blijkt te hebben met de conciërge van het naastgelegen museum, Dimitri geheten. Deze Dimitri is een merkwaardig personage die rondhangt bij de dansacademie om maar een glimp van zijn minnares te kunnen opvangen. Hij is zeer geliefd bij de leerlingen en ook David mag hem graag. Wanneer Ana Magdalena dood wordt gevonden, blijkt zij te zijn vermoord door Dimitri. Hij weigert te zeggen waarom hij dat heeft gedaan en wordt veroordeeld tot levenslange dwangarbeid in de zoutmijnen. Deze moord vindt halverwege het boek plaats en domineert de tweede helft van het boek, waarin Dimitri meer en meer bizarre trekken vertoont. Zo probeert hij Simon in te schakelen om zijn eigen straatje schoon te vegen (aanvankelijk weigert hij, later doet Simon wat hem gevraagd wordt). Ook weet Dimitri, wanneer hij onderzocht wordt in het psychiatrisch ziekenhuis, te ontsnappen en zoekt hij regelmatig David op. Maar bij al deze gebeurtenissen is voor de lezer niet helder welke betekenis die hebben. Wat moet hij denken van die Dimitri? Welke rol speelt hij in het verhaal? Waarom vermoordt hij Ana Magdalena?

    Ook de namen van de personages roepen vragen op. Zo is de jonge David de Jezus uit de titel en verwijst die naam naar de voorvader van Jezus, maar zijn verdere overeenkomsten moeilijk te vinden. Zo is Ines, zijn pleegmoeder, nog maagd, maar daar houdt iedere overeenkomst met Maria op. Ines speelt overigens geen grote rol in het verhaal; dat concentreert zich vooral op de verhouding tussen Simon en David. De pragmatische en rationele Simon heeft grote moeite de eigenwijze David op te voeden. David heeft een sterk karakter en neemt niet alles wat Simon hem voorhoudt voor waar aan. ‘Hij, Simon, beschouwt zichzelf als een verstandige, rationele man die de jongen een verstandige, rationele toelichting geeft op waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Maar zijn de behoeften van een kinderziel meer gebaat bij zijn droge preekjes dan bij de fantastische kost die op de academie wordt voorgezet? Waarom zou je hem deze kostbare jaren niet laten doorbrengen met het dansen van de getallen en het een worden met de sterren, (…) en wachten tot verstand en rede komen als de tijd er rijp voor is?’

    Simon begrijpt David steeds minder. David ontdekt door het dansen de ziel, waar Simon vertrouwt op de rede. Misschien is dat wel wat Coetzee wil vertellen: het belang van het onderscheid tussen lichaam en geest, tussen emotie en ratio. Maar dat doet hij op zo’n ingewikkelde manier dat het gissen blijft en het leesplezier eronder lijdt. Schrijven kan Coetzee wel maar doordat het verhaal zo ondoorgrondelijk blijft kan het niet plezieren.

    In de loop van het boek groeien de pragmatische en rationele Simon en emotionele en lichamelijke David steeds verder uit elkaar, hoewel Simon er alles aan doet om zijn pleegzoon te begrijpen.
    Aan het eind van het boek zien we weer een voorzichtige toenadering tussen die twee, wanneer Simon dansles neemt: ‘Met zijn armen uitgestoken, zijn ogen dicht, schuifelt hij traag in een kring rond. Boven de horizon komt de eerste ster op.’

    Waardering
    De vele verwijzingen – al dan niet direct – naar bijbelse gebeurtenissen en filosofische ideeën maken het boek lastig te begrijpen. Het is een mysterieus verhaal, dat een grondige kennis van filosofie en religie vraagt. Simon probeert, net als de lezer, te begrijpen wat er allemaal gebeurt maar lijkt daar ook niet in te slagen. Het boek laat de lezer in verwarring achter, helaas.

     

     

  • Oogst week 36

    Een ongeduldig verlangen. Herinneringen

    De eerste pagina’s van Een ongeduldig verlangen nodigen direct uit om door te lezen. Willem Nijholt komt na een stormachtige tocht in Nederland aan. Nog gekleed in zijn tropengoed stapt hij samen met zijn broertje naar buiten, het dek op.

    Maar al meteen merkten we hoe de ijzige winterkou ons heftig in de klauwen greep, ons liet kleumen in onze dunne, lichte tropenkleren, ons liet glibberen op het gladde, met een laag ijzel bedekte dek, ons kon laten neerkletteren. Hoe alles wat je handen aanraakten onmiddellijk vast zou vriezen als je geen wanten of handschoenen aanhad. En Jan en ik hadden handschoen noch want, muts noch winterkleding.’ 

    Maar: ‘We hadden het gehaald! De Jap was verslagen. Wij, kinderen, hadden in Indië jaren van honger meegemaakt, dagelijks onder bewaking van de Jappen op onze knieën moeten liggen hakken in de keiharde tropische grond, onder de koperen ploert, met een geweer in de rug en geschreeuw aan je kop.

    Eigenlijk nog maar kort na het verschijnen van Met bonzend hart, zijn brieven aan Hella Haasse, verschijnt er weer een nieuw boek van Willem Nijholt. In Een ongeduldig verlangen vertelt hij over zijn jeugd in Indië, de tocht naar Nederland en zijn eerste tijd daarna.

    Volgende week een lange recensie!

    Een ongeduldig verlangen. Herinneringen
    Auteur: Willem Nijholt
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    Het Sumatra van Bloem

    Ook over Indonesië, over het eiland Sumatra om precies te zijn, gaat Het Sumatra van Bloem, dat Marion Bloem samen met haar echtgenoot Ivan Wolffers heeft gemaakt. Ze reizen door een overweldigende natuur, langs de smalle Trans Sumatra Highway.
    Ook dit boek is een reis door de tijd, al gaat het hier niet over de auteur zelf, maar over haar familie. Bloem heeft haar leven lang verhalen gehoord o.a. van en over haar grootmoeder en vader. Die verhalen geeft ze door in dit boek.

    Daarnaast bevat het boek prachtige foto’s, maar ook recepten uit de bijzondere keuken van Sumatra.

     

     

    Het Sumatra van Bloem
    Auteur: Marion Bloem
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers

    De schooldagen van Jezus

    Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee behoeft geen betoog. Zijn nieuwe boek, De schooldagen van Jezus (niet te verwarren met zijn boek De kinderjaren van Jezus), gaat over Símon en zijn pleegzoon David.

    De schooldagen van Jezus toont ons een vader die zijn kijk op de wereld baseert op logica en feiten, die meer op zijn geest vertrouwt dan op zijn lichaam, en een zoon die in alles het tegenovergestelde lijkt. Maar dan gebeurt er iets in het schoolgebouw dat de hele stad op zijn kop zet. Langzaam ziet Simón in dat er misschien nog een andere kant van het menselijk bestaan is: iets náást denken en ratio. Het lichaam, het gevoel, de dans; iets wat vooralsnog ongrijpbaar voor hem was, maar waar Davíd het levende bewijs van is. Simón zet alles op alles om zijn zoon te kunnen liefhebben en eindelijk te begrijpen.’

     

     

     

    De schooldagen van Jezus
    Auteur: J.M. Coetzee
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Hoe lees ik?

    Op het omslag van Hoe lees ik? van Lidewijde Paris staat al een aantal vragen. ‘Wat wil de schrijver?’ ‘Hoe is de opbouw van het verhaal?’ ‘Weet iemand alles beter?’

    Het is een aanzetje tot de inhoud van het boek. Hoe lees ik? geeft gelukkig niet aan hoe je moet lezen, of wat je uit een boek moet halen. Dat is voor iedereen anders, betoogt Paris, maar toch geeft ze een paar aanwijzingen die elke lezer kunnen helpen een tekst eens anders te lezen. Hoe lees ik? staat vol met dat soort suggesties, aan de hand van zinnen, alinea’s, verhalen en romans. Van de Max Havelaar via De zwarte met het witte hart naar David Mitchell. Het eindigt met allerlei tips voor leesclubs, boekhandelaren, scholen, beginnende schrijvers en alle andere lezers.

     

     

    Hoe lees ik?
    Auteur: Lidewijde Paris
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam
  • Een roman in een roman die maar geen roman wil worden

    Een roman in een roman die maar geen roman wil worden

    Lydia Davis is een veel geprezen schrijfster van (ultra) korte verhalen. In 2013 ontving ze voor haar bundel verzamelde verhalen de Man Booker International Prize. Twintig jaar geleden schreef ze haar eerste en tot nu toe enige roman, die nu heel mooi in het Nederlands is vertaald door Peter Bergsma. Lydia Davies schrijft prachtige zinnen, is een taalkunstenares, maar slaagt er niet in de lezer 250 pagina’s lang te boeien.

    In dit boek doet de vertelster minutieus verslag van een verloren gegane liefde. Al direct in het begin is duidelijk dat de relatie is verbroken en gaat het verhaal vooral over de obsessie van haar voor haar ex-geliefde. Zij is docente aan een universiteit, waar zij een 12 jongere student ontmoet: ook een dichter, boekenwurm (liefhebber van Faulkner) die in zijn onderhoud voorziet door te werken als pompbediende. Over hem komen we verder weinig te weten: centraal in het verhaal staan de zielenroerselen van haar en de manier waarop zij probeert met de verbroken relatie om te gaan. Zowel vertelster als ex-geliefde hebben geen naam omdat dat niet van belang is voor het verhaal dat Davis wil vertellen. Daarin staat haar obsessie centraal. Het verhaal eindigt wanneer zij erin is geslaagd die te beteugelen.

    Eén van de kenmerken van een roman is de ontwikkeling van een karakter, de loop van een verhaal. In deze ‘roman’  gaat het evenwel vooral om de herinneringen van de vertelster waarmee ze probeert haar verhouding te (re)construeren. Daar  heeft zij veel woorden voor nodig: ze probeert na te gaan wat er in haar is omgegaan, wat ze op diverse momenten in die relatie heeft gedacht, ze loopt alle ruzies na om te achterhalen aan wie het lag, ze twijfelt vaak aan de juistheid van haar herinnering, gaat zich gebeurtenissen inbeelden, etcetera. Als lezer  raak je in verwarring: wat eerst als een feit werd gepresenteerd, blijkt later in haar herinnering misschien toch anders te zijn. Ze gaat relaties aan met andere mannen om zo haar ex-geliefde te kunnen vergelijken. Ondanks dit alles krijgen de twee naamloze hoofdpersonen nauwelijks karakter en van een ontwikkeling is in het verhaal geen sprake. Kauwen en herkauwen en daarmee verwerken, dat is waar we pagina na pagina over lezen.

    Zoals gezegd kan Davis prachtig schrijven; een voorbeeld:

    ‘Nadat hij me zo abrupt had verteld dat het uit was, had ik voor niets anders meer belangstelling. Wat hij me nu aandeed, het feit dat hij niet bij mij was maar bij iemand anders, was een substantie geworden die door mijn hersenen sijpelde, die wegebde, weer oprees, aanwezig was en dan verdwenen, als een geur of smaak. Hij vervaagde een tijdje, en dan was ik me ervan bewust dat hij niet in me was. Dan rees hij plotseling, zonder enige reden, weer op en liet zijn bitterheid overal uitwaaieren en in doordringen.’

    Dat haar taal soms te ver is doorgevoerd , moge blijken uit het volgende citaat:

    ‘Die avond opnieuw op hem te moeten wachten, zonder dat hij kwam, creëerde een donkere ruimte als een grote kamer, een kamer die zich vanuit mijn kamer opende voor de nacht en hem vulde met donkere luchtstromen. Omdat ik niet wist waar hij was, leek de stad groter, en regelrecht mijn kamer binnen te komen: hij was op een of andere plek, en die plek, hoewel mij onbekend, was aanwezig in mijn gedachten en school als iets groots en duister in mijn binnenste. En die plek, die onbekende kamer waar hij was, waar ik me voorstelde dat hij was, met iemand anders, werd ook een deel van hem, zoals ik me hem voorstelde, zodat hij anders werd, hij omvatte die onbekende kamer en ik omvatte die ook, omdat ik hem in die kamer omvatte en die kamer hem.’

    Een tweede laag in het verhaal heeft te maken met het feit dat de hoofdpersoon een roman aan het schrijven is over…een verdwenen liefde! En die roman wil maar niet vlotten, ze is onzeker over de opzet, ze weet niet welke ervaringen ze wel en welke ze niet in die roman wil opnemen. Die onzekerheid wordt gevoed doordat ze onzeker is of haar herinnering de juiste is. Zo haalt ze verschillende van haar telefoontjes aan hem aan, maar weet dan niet meer of het een of meer telefoontjes waren. Ze wil daarover iets in haar roman zeggen en schrijft dan:

    ‘Ik schijn twee verslagen van een van deze telefoontjes en de dagen eromheen te hebben geschreven. Het eerste heb ik net weer opgedoken, en het lijkt minder nauwkeurig en sentimenteler. Ik zeg bijvoorbeeld dat het me pijn deed dat hij me vertelde dat hij met een andere vrouw omging omdat ik hem nog steeds in een hoekje van mijn hart droeg. Nu zit het idee dat mijn hart een hoek zou hebben me dwars, zoals ook andere dingen in de zin me dwarszitten. Ik zei ook dat ik me herinnerde hoe gelukkig het me maakte hem te horen lachen en hem te zien glimlachen, wat beslist niet waar was.’

    Het verwarrende is dat in het verhaal de telefoontjes een betekenis toegedicht krijgen, maar door de afweging of ze opgenomen zouden moeten worden in haar roman komt die betekenis in de lucht te hangen.

    De relatie tussen feit en fictie is erg dun, duidelijk is dat die roman moet gaan over de verdwenen liefde waar het verhaal ook over gaat. Dat brengt je als lezer in de war omdat de waardering van een gebeurtenis tweeledig is: wat in het verhaal gebeurt, sneuvelt in de fictieve roman en andersom. Voeg daarbij dat het verhaal geschreven is vanuit de herinnering van de vertelster die regelmatig twijfelt of ze het zich wel goed herinnert en de verwarring is compleet. Deze constructie maakt het verhaal moeilijk te verteren.

    Het eind van het verhaal wordt gepresenteerd als een roman, maar daarvoor zit er te weinig ontwikkeling in. Het is een monotoon, gedetailleerd en procesmatig beschreven verhaal over het zelfonderzoek van een vrouw met een obsessie.

    Wie van taal houdt, kan zijn of haar hart ophalen. Wie wil worden meegevoerd door een verhaal, kan er beter niet aan beginnen.

     

     

  • Een minder sterk boek

    Een minder sterk boek

    Een nieuwe roman van een schrijver die de Nobelprijs won is per definitie iets bijzonders, en dan ook nog een boek dat eerst in het Nederlands, en dan pas buiten dit land verschijnt. Er zijn er ons teveel reeds ontvallen, van de schrijvers die deze eer toegewoven kregen. We hebben geen José Saramago meer (Nobelprijs 1998), die met lange meanderende zinnen de lezer in een hoek dreef van zijn maatschappijkritische parabels. Dat waren vaak parabels waarin we maar moesten aannemen dat er bijvoorbeeld op een goed moment niemand meer sterft in een land en wat er dan gebeurt. Of dat iedereen in een stad tegelijkertijd blind wordt. Saramago gebruikte grote, bijna ongelooflijke gebeurtenissen en beschreef hoe eenvoudige mensen daarop reageerden. En dat lukte hem.

    De nieuwe roman van J.M. Coetzee, Nobelprijswinnaar in het jaar 2003, lijkt in de titel: De kinderjaren van Jezus te knipogen naar een befaamde titel van Saramago, Het evangelie volgens Jezus Christus. Maar de overeenkomst met het werk van Saramago gaat verder. 

    Waar Saramago het evangelie herinterpreteert volgens een nieuw beschreven levensverhaal van Jezus, houdt Coetzee veel meer afstand en ziet de lezer slechts een zekere analogie in het leven van de jongen David, zijn tijdelijke vader Simon, en zijn aangenomen moeder Ines, en de klassieke ‘Heilige Familie’.

    Simon en David komen in een Spaanstalig land aan, over zee, ze zijn vluchtelingen zonder geschiedenis. David had op de boot nog een brief met meer informatie over zijn ouders, maar die is verdwenen, waarna Simon zich over hem ontfermt. De zoektocht van Simon naar de moeder van David is een belangrijke impuls voor de eerste hoofdstukken van het boek. Simon vindt werk als stuwadoor in de graanhavens en brengt zijn tijd door met socratische vraaggesprekken met zijn collega-stuwadoors en met de jongen, David, maar ook met Ines, de ‘moeder’ die Simon op zeker moment‘herkent’. David ontwikkelt zich mede door deze socratische vraaggesprekken tot een eigenzinnig en intelligent kind. Maar gaandeweg is zijn eigenzinnigheid eerdere verwendheid, en zijn intelligentie lijkt op hol geslagen. Hij rekent en leest ‘anders’ dan gewone kinderen en in de manier waarop Ines en Simon daarop reageren, herkennen we de hedendaagse tijgerouders die iedereen en alles afwijzen die de buitengewone begaafdheid van hun kind niet wenst in te zien. Een collega van Simon waagt zoiets te zeggen en de anders zo rustige Simon voelt een grote woede opkomen.

    Coetzee heeft in De kinderjaren van Jezus een wereld geschapen die in veel lijkt op de onze, waar armoede en vluchtelingenbewegingen een plaats hebben, waar gewone mensen een leven moeten opbouwen, en heeft in dit bestaan een drietal figuren geplaatst, een atypische ‘heilige’ familie die in een vrijwel voortdurend vraaggesprek verwikkeld is.

    Coetzee wil enerzijds, door net als Saramago te verwijzen naar het oude en overbekende Christusverhaal dat als basis van onze cultuur geldt, de lezer helpen principiële vragen te stellen over de wereld. Vragen over familieverbanden, verbanden in werk, vragen over angst en vertrouwen. Wie is familie? Wie bloedverwant is of wie kiest voor elkaar te zorgen? Waartoe dient werk, om dat wat gedaan moet worden zo efficiënt mogelijk voor elkaar te krijgen, of om zinnig een dag door te komen? Waartoe moet dit leven leiden? Een vraag die blijft hangen specifiek in het roadmovie-achtige slot van het boek (op de vlucht voor de onderwijsinspectie), maar algemener ook wel door de ontwortelende doelloosheid in de levens van de hoofdfiguren.

    Maar anderzijds lijkt de monsterlijke aandacht voor het kind, van David gewoon een vervelend rotjoch te maken, zijn ‘ouders’ zijn stekeblind. En is dat dan de uiteindelijke portée van deze maatschappijkritische parabel à la Saramago? Dat teveel filosofisch nadenken over getallen en leren lezen aan de hand van Don Quichotte de realiteitszin verweekt? Of moeten we aannemen dat matig doorgronde denkbewegingen de ontstaansgrond van het christendom zijn?

    Coetzee wekt in De kinderjaren van Jezus de indruk op teveel paarden te wedden. Er is een reminiscentie met eerdere grote boeken van hem: de wereld van Michael K. in Wereld en wandel van Michael K. Er is een vergelijking mogelijk met Wachten op de barbaren, maar Coetzee houdt in De kinderjaren van Jezus de spanning niet vol of is halverwege van thema gewisseld. Tot ruim halfweg is de lezer geboeid door de stilistische kracht van Coetzee, zijn sturende afstandelijkheid.  Waar de levens van personages in zijn eerdere boeken echter écht raakten, worden Ines, Simon en David naar het einde toe vooral onbegrijpelijk in hun toch al wonderlijke maar eerst nog fascinerende overtuigingen. Dan wreekt zich de laboratoriumsituatie steeds meer dat de personages geen verleden mogen hebben, er geen logische verklaring lijkt voor veel van hun handelen en we dus teveel maar moeten aannemen. Bijvoorbeeld waarom een cocktail-nippende en tennisspelende rijkere dame in een residence overtuigd raakt voor een armoedig kind te willen zorgen en bovendien in een krot trekt omdat kinderen in de residence niet zouden ‘mogen’. Of waarom Simon werkelijk van David houdt, maar door een afspraak met zich zelf alles goedkeurt wat Ines aan hem verprutst. In deze roman is teveel psychologisch ongefundeerd ten faveure van een filosofische lading die het toch ook niet tot het einde redt.

    Coetzee heeft na een lange min of meer autobiografische reeks prachtboeken in een poging aan te sluiten bij vroeger werk een minder sterk boek afgeleverd.

    Zie ook de recensie van Zomertijd op Literair Nederland