• Een duivelskind dat een spoor van destructie achterlaat

    Een duivelskind dat een spoor van destructie achterlaat

    Nim is een vodje. Ze werkt in een snackbar en stinkt naar mayo en frituurvet, tot ze wordt opgepikt door Alfred Schöne, bankier, die het vrije, vunzige niet schuwt, evenals zijn zoon, Alfa. Ze wordt als een hond uit het asiel gehaald en komt in aanraking met boeken en muziek, opera, dans, een andere cultuur en dompelt zich erin onder. Nim wordt danseres en gaat later met Alfa werken, die een beroemde choreograaf wordt. Ze leert andere mannen kennen, vooral oudere mannen met wie ze seks heeft. 

    Het verhaal begint in 1988 in Amsterdam. Alfred Schöne bezoekt kunstschilder De Zwart in zijn atelier waar hij werkt aan een portret van zijn vrouw. Als de dan 18-jarige Nim binnenkomt met in haar kielzog de veel oudere man, arts, die De Gnoom wordt genoemd, raakt de sfeer tussen de drie mannen gespannen. Alleen Nim reageert ongedwongen en lijkt te genieten van alle aandacht. Ze dartelt rond in een geel balletpakje en zit model voor De Zwart. Ze ontdekt de housemuziek door De Zwart en raakt in de ban van die muziek.  

    Berlijn en New York

    Vier jaar later, in 1992 gaat het verhaal verder in Berlijn waar Nim woont met De Zwart die topfotograaf is geworden. Nim wil dansen en niets anders dan dat tot ‘she loses the plot’. Seks, drugs en house, techno-rock is wat haar beheerst en gaande houdt. 
    In september 2001 gaat ze in New York wonen. De dreiging van 9/11 is voelbaar maar wordt nergens benoemd, behalve in de titel nonplaats / nul en opmerkingen als ‘het vliegtuig is het ultieme vervoermiddel, de belangrijkste technologische ontwikkeling sinds tijden.’ Of zoals in een brief van Dune, een activiste met een baret die later Nims geliefde wordt. ‘Details op straat vervaagden, ik zag alleen de geometrische patronen van de skyline boven me. De verschillende hoogtes van de gebouwen die naar de hemel reikten. Voor- en achtergrond, texturen, materialen leken te trillen in hun materialiteit, de stenen schoven over elkaar heen en perforeerden elkaar en het glas flikkerde in de reflectie van de zon.’ Het is een ijkpunt in de tijd. 

    Nim ontmoet een jong meisje en realiseert zich haar eenzaamheid, vindt een one-night-stand en daalt af in haar herinneringen. ‘Waar te beginnen met het zoeken van betekenis? Ze wil niet dat alles betekenis heeft, ze wil dat er dingen zijn die zinloos zijn, die gebeuren zonder dat zij daar beter van wordt.’

    Ze denkt terug aan de ‘Lulu’ avonden. ‘Lulu’ was een discotheek in een kelder in Brooklyn waar ze per ongeluk langsloopt en naar binnengaat. ‘[…] we bewogen zonder haperen tussen de witte normies in hoodie en spijkerbroek en Ibizagladjakkers met zonnebril in het haar. Hier dronken ze manhattans en skinny bitches, tot op de tong bezweet, hier dansten ze op de soepele sexy housemuziek die toen vooruitstrevend voelde maar nu goedkoop en oppervlakkig lijkt, alsof ze tussen de simpele drums uit de computer naar vrije ruimte zochten in een leven dat hard en veel en vol was.’

    Lockdown en #Metoo

    In het vierde hoofdstuk gaat het verhaal verder in 2008 in Londen. Er wordt vanuit een heel ander perspectief, door een portier in een discotheek, een andere kant van Nim beschreven. De vrouw (of man?) is geboeid door de verschijning van Nim, die zich Pandora laat noemen, een koosnaampje van Alfa. Ineens zien we Nim door de ogen van haar omgeving. Het is een sterke wending in het verhaal, de lezer krijgt een completer beeld van haar. Het verhaal eindigt in 2020 met verwijzingen naar de pandemie.

    Tijdens lockdown wonen Nim en Dune in een appartement, ze hebben een hond genomen om naar buiten te mogen. Nim schrijft een lange email aan Alfa. Haar eerste en langste lover, zoals ze tegen hem praat en haar herinneringen met hem deelt, drijft de gedachte boven dat Alfa een verpersoonlijking is van #Metoo. Wat hij met zijn danseressen uitspookte was niet mals. Maar het raakt Nim niet, niet echt: ‘Je krijste dat ik je leven heb verwoest. Ik vind het toch nodig om te benadrukken dat je dat van mij niet hebt verwoest. Hooguit moeilijk gemaakt, maar ik kan me niet voorstellen dat één persoon of gebeurtenis die pakweg tachtig jaar voorgoed kan bepalen. Ik krabbel weer op, vind mezelf opnieuw uit – Ik heb mezelf honderd keer opnieuw uitgevonden – en daar zijn dan weer andere moeilijkheden op de weg.’

    Uiteindelijk ontstaat er door deze vorm binnen de vijf hoofdstukken met verschillende perspectieven een compleet beeld van de vrouw die Nim was en is geworden. Zij is een rond personage, wat niet zozeer valt te zeggen van de bijfiguren, haar lovers, Alfa, zijn vader Schöne, De Gnoom, zelfs De Zwart blijven nogal platte karakters.

    Metafoor van verloren tijd

    Wat is de premisse van deze roman, is het een ode aan de techno en house, muziek? Dance, escapisme van een jeugd. Een toekomst die er niet meer is. Zoals te lezen is in het citaat vooraf van de Mexicaanse schrijfster Valeria Lluiselli uit het Archief van verloren kinderen, […] ‘Misschien ervaren we gewoon een afwezigheid van toekomst, omdat het heden te overweldigend is geworden, en de toekomst daarmee onvoorstelbaar.’ Is Nims leven een metafoor van de verloren tijd? Ze wordt een duivelskind genoemd, ze laat een spoor van destructie achter, alle mannen gaan dood in haar leven, behalve Alfa. Ze is vijftig en kijkt in tijden van Corona terug op haar leven waarin geen toekomst is te vinden.

    De repeterende stijl die op de achterflap wordt gesuggereerd las ik er niet in, maar Bekkering kan schrijven. Met korte zinnen raast ze langs ideeën en gedachten die niet altijd van de grond komen.  Er mist soms specie tussen de bouwstenen, zijn er veel losse flodders, net zoals Nim in het leven een losse flodder bleef. 

     

     

  • Eigenaardigheden

    Eigenaardigheden

    Ik ga naar buiten om zeven sprintjes rond het huizenblok te trekken. Wacht de postbode op achter de deur, als hij het pakje op de stoep legt, kom ik naar buiten. In huis ren ik de twee trappen op en af, op en af, ren twintig rondjes om de bank die in het midden van de kamer staat. We moeten blijven bewegen. Daarna zet ik koffie. En nee hoor, ik voel me niet belachelijk wanneer ik dit doe. Astrid Roemer schreef Over de gekte van een vrouw, ik las het voor het eerst midden jaren tachtig. Een heftig boek, veel vrouwenbloed, waanzin en onbestemde gevoelens van de jonge Surinaamse vrouw, Noenka. Het hele boek is een onbesuisde zoektocht naar eigenheid, eigenheid van alle vrouwen. Het verhaal drijft op de emoties van Noenka. Negen dagen na haar trouwdag verlaat ze haar man, hij verkrachtte haar tijdens de huwelijksnacht. In het dorp kan ze niet blijven, er wordt geroddeld, je verlaat je man niet. Als onderwijzeres komt ze niet meer aan het werk. Bezwerend proza, woekerend. 

    Als haar moeder ziek is gaat Noenka naar haar toe, ‘Zo dichtbij ontmoette ik de dood dat ik haar koele omarming voelde. Ik gooide de bloemen weg die ik meegenomen had. Ook de paternoster en de zilveren trommel met zandkoekjes. Een zuster stond bij haar bed. Ze groette. Ik knikte niet terug. Ik wilde stappen achteruit doen, mijn ogen dichtknijpen, mijn neus, maar een magnetische kracht rukte al mijn zintuigen open. “Mama”, riep ik door het doffe dreunen heen. Ik wilde haar tegenhouden, terugroepen, want ik zag dat ze zich ergens anders bevond dan ik. Ergens waar mensen niet worden toegelaten. Daar waar geen grond is voor de voeten, geen hemel voor het hoofd. Ik pakte haar vast: haar lichaam tegen mij aangedrukt, zacht, teer, licht en koel, als een ruiker bloemen, zonder takken en zonder groen.’

    Deze maand zou Astrid Roemer als eerste de serie ‘Grote schrijvers interview’ in De Balie openen. Ianthe Mosselman, organisator van deze serie zou haar interviewen. Daarom was ik opnieuw begonnen met lezen van Over de gekte en Olga en haar driekwartsmaten. De titel alleen zet al aan tot nadenken. Ik had me verheugd Roemer te horen spreken over haar werk, te ontdekken wat haar gedreven heeft. Over vrouwen die zich een weg banen naar zichzelf, over vrouw zijn. Heftige brokken proza die door alle gelaagdheden heen, iets raken, betekenis vrijgeven. Maar goed, alles is afgezegd, uitgesteld.

    Roemers laatste roman Gebroken wit, werd vorig jaar door Persis Bekkering besproken. Bekkering schreef dat het soms leek of Roemer ‘elke poging tot redactie moet hebben geweigerd’. Die gedachte komt onverwijld als je haar werk leest. Maar ook ‘dat je iets mist als je daar te lang bij blijft hangen’. En ja, het zijn deze eigenaardigheden die het lezen van haar boeken tot een ongekend avontuur maken. Daar moet je je aan overgeven om tot enige essentie te kunnen doordringen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zit binnen en zoekt naar weggevallen geluiden.