• Typische Bernhardroman waar geen normaal mens in voorkomt

    Typische Bernhardroman waar geen normaal mens in voorkomt

    Dertig jaar na zijn dood krijgt de Oostenrijkse toneel- en prozaschrijver Thomas Bernhard (1931-1989) het nog steeds voor elkaar dat Duitstalige kwaliteitskranten er met liefde het zoveelste herdenkingsartikel aan besteden. En dat voor een auteur die in zijn boeken en interviews een nietsontziende minachting jegens de Oostenrijkse cultuur aan de dag legde. Daarbovenop komt nog een groot wantrouwen jegens de medemens en een grote voorliefde voor het kluizenaarschap. Het cultiveren van deze houding heeft hem echter geen windeieren gelegd. Zijn verzameld oeuvre is inmiddels in tweeëntwintig fraai gebonden delen uitgegeven en wereldwijd wordt hij in vele talen uitgebracht. Hoewel de toneelstukken van Bernhard in de jaren zeventig en tachtig veelvuldig werden opgevoerd in Nederland, werd zijn prozawerk minder vertaald dan dat van bijvoorbeeld Günther Grass en Peter Handke. Gelukkig is daar nu wat aan gedaan; in korte tijd zijn er een aantal vertalingen van hem uitgegeven, waaronder de roman Houthakken. Een afrekening uit 1984.

    Typische Bernhardroman

    Houthakken is een typische Bernhardroman. Niet omdat er geen normaal mens in voorkomt, maar omdat de inhoud niet uitmaakt, al het leesplezier moet uit zijn stijl komen. Het is grotendeels een monoloog van een naamloze ik-verteller, gebaseerd op waarnemingen, herinneringen en losgewoelde ergernissen tijdens een zogeheten ‘kunstzinnige’ avondmaaltijd ten huize van het culturele echtpaar Auersberger in Wenen. Ooit, in een ver verleden, was hij daar kind aan huis. De uitnodiging voor dat etentje heeft hij tegen zijn zin aangenomen op de dag dat hij vernam van de zelfdoding – bij Thomas Bernhard is zelfmoord nooit ver weg – van een gemeenschappelijke vriendin uit het artistieke milieu. Enigszins wrokkig hierover moeten hij en de overige gasten ook nog eens tot na middernacht op het diner wachten, daar de eregast van de avond, een acteur van het Weense Burgtheater, vanwege zijn vertolking van het personage Ekdal in Ibsens De wilde eend pas veel later arriveert.

    Dat juist een acteur in de spotlights staat, wekt geen verbazing, want dit boek gehoorzaamt – zoals veel van Bernhards romans – aan de wetten van het toneel. De personages, waarvan sommigen naamloos blijven, worden geen wezens van vlees en bloed maar worden door overdrijving van de onbetrouwbare ik-verteller, overbelicht. Er heerst eenheid van plaats, handeling en tijd. De ik-verteller zit het grootste deel van het boek in het halfduister in een ‘oorfauteuil’, gescheiden van de andere aanwezigen. In de misschien vier, vijf uren dat dit verhaal kent, ziet de ik-verteller kans 255 pagina’s non-stop claustrofobisch in vaak lange, complexe zinnen bij elkaar te filosoferen, op een wijze die bedwelmend werkt. Dit boek openbaart zich tot een heuse pageturner; niet uit nieuwsgierigheid hoe een en ander afloopt, maar omdat je gekluisterd raakt aan de stijl van deze groteske, rapsodische jeremiade.

    Monoloog zonder begin of einde

    De monoloog in Houthakken kent geen begin of einde en bovenal geen nuancering, maar is zichzelf genoeg. Het verhaal is slechts decorum, een excuus om een keten aan gedachten te laten ontkiemen. Zoals een kettingroker de ene sigaret met de andere aansteekt, zo wordt hier de ene gedachte aan de andere geregen. In een bezwerende stijl die zonder meer maniëristisch is te noemen. De geperfectioneerde stijl is de ware inhoud waaraan alles is opgeofferd. De lezer bevindt zich nergens midden in een verhaal, maar voortdurend in het ritme van Bernhards stijl. Dat rechtvaardigt het feit dat dit boek geen witregel, geen alinea, kortom geen pauzemoment heeft. De monoloog die op het retorische middel van de hyperbool drijft, en waarvan de zinnen onderkoeld en helder gecomponeerd zijn, is geheel ingebed in een navertelde constructie. De daarmee bewerkstelligde eenheid van vertelperspectief, is een constante bij Bernhard. De lezer stuit voortdurend op de veelvuldig herhaalde frase, ‘dacht ik in de oorfauteuil’, waardoor men beseft dat alles door de ik-verteller achteraf is beschreven.

    Ritmische compositie

    Dit schept niet alleen een zakelijke afstand tot het subjectieve en compromisloze van het verslag, maar verleent ook aan de tekst een gelijkmatig patroon. Er ontwikkelt zich zodoende een ritmische compositie. Daarbij reflecteert de ik-verteller ook vaak van het particuliere naar het algemene, waardoor het een filosofische vorm krijgt.
    In een boek met een grote eenheid van stijl mag nagenoeg iedere zin typerend heten: ‘We weten al tientallen jaren dat iemand die ons nastaat een lachwekkend iemand is, maar pas na tientallen jaren zien we het ineens, dacht ik in de oorfauteuil’.
    De tekst met al zijn rijkdom aan herhaling van woorden en zinsflarden kent een grote muzikaliteit. Het zal geen toeval zijn dat in deze vertelling Ravels Bolero op de draaitafel wordt gelegd, een compositie die zich eveneens kenmerkt door een bezwerende herhaling van het ritme. Al flakkert aan het eind wel iets van een verhelderend inzicht, vertolkt door de ‘Burgacteur’ die zich inmiddels aan de nodige glazen wijn te goed heeft gedaan. Hij stelt de kunstmatigheid van de cultuur tegenover het ideaal van de natuur: ‘De natuur in gaan en in die natuur niets dan echt en voor altijd thuis te zijn, dat zou hij als het hoogste geluk ervaren. Het bos ingaan, diep het bos in, zei de Burgacteur je helemaal aan het bos overgeven, dat is het altijd geweest, de gedachte niets anders dan zelf natuur te zijn. Bos, bomen, houthakken, dat is het altijd geweest’.

    Komische vertelling in groteske stijl

    Dit moment van inzicht bezegelt ook de afloop van het kunstzinnige avondmaal, want weldra vertrekken de gasten. Eenmaal in de buitenlucht vat de ik-verteller het plan op om over de kunstzinnige avondmaaltijd te schrijven en wel ‘meteen en direct en meteen en meteen, voor het te laat is.’ Of je intussen het teruggaan tot de natuur als een boodschap mag zien, valt te betwijfelen. De verteltrant van de onbetrouwbare, welbespraakte verteller is namelijk zonder meer ironiserend. Hij past een frequent gebruik van cursief gedrukte woorden toe, bij wijze van het citeren van iemand die de ik-verteller op de hak neemt. Houthakken is in weerwil van zijn stroom aan pessimisme en negativiteit een door en door komische vertelling in een groteske stijl, met hier en daar passages die aan slapstick raken. Het staat vol zinnen waarvan je popelt ze aan anderen voor te lezen. Bernhard geeft de indruk enkel voor jou en nog een handjevol outsiders te schrijven.

    Ofschoon de polemisch ingestelde ik-verteller onmiskenbaar nietsontziend met anderen afrekent, haalt hij ook zichzelf bij tijd en wijle naar beneden: ‘We verwijten al deze lieden alles wat maar onuitstaanbaar en weerzinwekkend is en zijn misschien nog wel veel onuitstaanbaarder en weerzinwekkender dan zij’. Hij pendelt tussen eerlijkheid en onbetrouwbaarheid, maar stuit overal op pijnlijke conclusies, waarin wat hij eens bewonderde het hevig moet ontgelden. Maar werkelijk fnuikend is de vaststelling dat eraan ontsnappen een illusie is. Het bezetene van zijn redenering schiet door naar het absurde. In zijn overdrijving fabriceert de ik-verteller haast als vanzelf nieuwe opeengestapelde woorden: ‘Wenen is een vreselijke genieënvernietigingsmachine (…) een ontstellende talentenvermorzelingsinstelling’.

    Gelezen als sleutelroman

    Uit de nihilistische werkelijkheid ensceneert Bernhard zonder meer een komedie, of beter, een tragi-komedie. Hierin is hij verwant aan Samuel Beckett. Niet voor niets draagt een boek over Thomas Bernhard een citaat van hemzelf als titel ‘Es ist alles lächerlich, wenn man an den Tod denkt’. In de grootste misantropen verschuilen zich niet zelden de grootste moralisten. Bernhard staat wat dat betreft ook in het voetspoor van de Oostenrijkse dichter en pamflettist Karl Kraus.
    Ofschoon men omtrent de ik-verteller weinig te weten komt, rijst uit zijn herinneringen wel het beeld op van een in de jaren vijftig moeizaam gedebuteerde dichter. Deze werkte zich op in artistieke kringen, zoog zichzelf zo vol tot hij genoeg had om zichzelf overeind te houden en elders zijn schrijversloopbaan gestalte kon geven. Parallellen met Bernhards beginnende schreden op het schrijverspad liggen voor het oprapen. Evenals de toespelingen op bestaande figuren in dit boek, dat bij verschijning als een sleutelroman werd gelezen en een schandaal ontketende. De componist Gerhard Lampersberg zag zich naar zijn smaak al te duidelijk geportretteerd in de snobistische en voortdurend dronken Auersberger. Hij spande een rechtszaak aan tegen publicatie van het boek. Met het gevolg dat Holzffällen – Eine Erregung één van Bernhards best verkopende titels werd.

    Om Bernhard in een Nederlandse context te plaatsen, is hij te vergelijken met W.F. Hermans, voor wie rancune ook de motor van een productief schrijverschap was. Vanwege het allesbepalende van zijn geperfectioneerde stijl gold Bernhard, net als Gerard Reve – waarmee hij zeker ook te vergelijken valt -, als schier onvertaalbaar. Maar deze, als een voortdenderende trein lezende vertaling, ontkracht deze mythe volledig. Dat kunnen beide vertalers op hun conto schrijven. Dan te bedenken dat uit dezelfde jaren tachtig nog twee boeken dateren die zich qua stijl en niveau met Houthakken kunnen meten, te weten Der Untergeher en Auslöschung. Eveneens boeken die de potentie hebben vanwege hun overdonderende stijl je compleet van de sokken te blazen. In een ideale wereld zouden ook deze twee boeken in het Nederlands worden overgezet. Want in deze tijd is er behoefte aan troost. Al was het maar door te menen dat het leven pas echt ondragelijk zou zijn als Thomas Bernhard ons geen reden gaf erom te lachen.

  • Een teruggevonden sieraad

    Een teruggevonden sieraad

    Kristine Bilkau (1974) beschrijft in haar roman Een liefde, in gedachten de liefdesgeschiedenis van Antonia Weber (‘Toni’) en Edgar Janssen die zich in de jaren zestig afspeelde in Flensburg, een klein kustplaatsje aan de Oostzee.
    Het verhaal wordt verteld door de naamloze dochter die na de dood van haar moeder Toni het huis leegruimt. Zij vindt aantekenschriftjes en bundeltjes met oude brieven ‘geordend naar mannen.’ Het lijkt erop dat de moeder het zo voor haar vooraf heeft gesorteerd. Als een detective reconstrueert de dochter het leven van haar moeder.

    Voor haar moeder was Edgar de belangrijkste man in haar leven. Het is een ‘liefde die van zo korte duur was geweest en voor mijn moeder toch haar leven lang was gebleven.’ Ze verwoordt het zo: ‘Ik verlangde naar Toni en Edgar, naar hun geluk, naar hun gezamenlijke toekomst, die er eens was geweest. Naar die twee mensen die Toni en Edgar waren geweest. Ik wou dat ik die tijd van hen beiden kon terughalen, ergens vandaan, om hem aan mijn moeder terug te kunnen geven. Als een verloren gewaand sieraad, dat altijd gemist en nooit vergeten was. Hier, dit heb ik voor jou gevonden, het is van jou.’

    Heden en verleden
    Het boek bevat twee belangrijke verhaallijnen die afwisselend worden gevolgd. Het ‘heden’ van de dochter gaat over het leegruimen van de woning van haar moeder, haar werkzaamheden – ze is bezig met het inrichten van een tentoonstelling over een Finse schilderes – en de verhouding met haar eigen puberdochter Hanna.  Het ‘verleden’ bevat de geschiedenis van Toni en Edgar.

    In september 1964 is Toni is 22 jaar. Ze woont bij een hospita. Edgar woont nog bij zijn ouders. Ze dromen van een gezamenlijke toekomst. Edgar kan voor zijn werk naar Hongkong. Hij zal eerst gaan en als hij daar wat heeft opgebouwd Toni een vliegticket sturen. Na een paar jaar stuurt Edgar een telegram vanuit Hongkong: ‘Zeg alsjeblieft woning en werk op – hef huishouden op – prepareer alles voor vertrek in mei – vliegbiljet volgt. Alle liefs je Edgar’. Toni zegt haar baan op, pakt haar spullen in grote zeevrachtkisten en wacht tot het vliegticket komt…
    Maar het ticket komt maar niet. Communicatie is in die tijd niet eenvoudig – brieven zijn ruim drie weken onderweg en bellen is omslachtig en duur. Na eindeloos wachten verbreekt ze de verloving en ze kiest voor een eigen leven. Maar Edgar vergeet ze nooit.

    De dochter wil uiteindelijk de oude Edgar ontmoeten en hem vertellen dat haar moeder is overleden. En belangrijker, antwoorden krijgen over de ‘blinde vlek’ in de liefdesgeschiedenis tussen hem en haar moeder, antwoorden krijgen op de vragen waarop haar moeder haar nooit antwoord heeft gegeven. Zo probeert ze de keuzes die haar moeder maakte in haar leven te duiden.

    Voor haar moeder beschrijft ze – in gedachten – de ontmoeting: ‘Toen begon hij over jou te vertellen. Zijn herinneringen kwamen overeen met de jouwe. Hij had het over jouw kleine kamertje in onderhuur, de muziek die hij met je geluisterd had, en ook over de hospita, van wie hij de naam niet meer wist.’

    Helene Schjerfbeck
    De dochter is bezig met het inrichten van een tentoonstelling over de Finse schilderes Helene Schjerfbeck. Zij schilderde o.a. moeders en kinderen. Bij het aanschouwen van haar schilderijen denkt de dochter aan haar eigen dochter (schilderij De genezende) en aan haar moeder (Zelfportret met zilveren achtergrond). Schjerfbecks portretten uit de laatste jaren verbeelden de laatste fase van het oud worden, eenzaamheid en dood. Zo stelt de dochter zich voor wat haar moeder in haar laatste eenzame levensjaren gevoeld moet hebben.

    Bij een van de schilderijen hangt het citaat ‘Eenzaamheid en schilderen – daarin wil ik wel geloven.’ Een tweede citaat: ‘Ik zou aan het raam aan mijn straat willen zitten en geloven dat eenieder die langsloopt een leven heeft, gelukkig of ongelukkig, maar diep.’ De dochter verbindt deze schilderijen en citaten aan het leven van haar moeder: ‘En toen was mijn moeder het die aan het raam zat, oud, een beetje moe, die naar buiten keek naar de jongeren, die terugblikte op haar eigen leven /…/’.  Zo probeert ze zich voor te stellen hoe haar moeder als jonge vrouw was geweest en wie ze was geworden, ‘maar het kon altijd alleen maar een uitsnede blijven, verhalen door mij bedacht.’

    In dit verband is het aardig om te vermelden dat in 2007 het Gemeentemuseum Den Haag een tentoonstelling over Helene Schjerfbeck inrichtte. Over haar portretten schrijft het museum: ‘Haar hele carrière maakt Schjerfbeck zelfportretten. Hoe ouder ze wordt, hoe geïsoleerder ze raakt; het enige model dat nog gemakkelijk voor handen is, is ze zelf. Haar latere portretten geven dan ook blijk van een confronterende zelfanalyse. In de periode 1939-1945, de laatste jaren voor haar dood, maakt ze haar meest indrukwekkende serie portretten, waarin ze met ontluisterende eerlijkheid haar eigen lichamelijke aftakeling heeft vastgelegd.’

    Marcelle Sauvageot
    In haar moeders boekenkast vindt de dochter het boek Commentaar van Marcelle Sauvageot. Het boekje uit 1933 bevat de innerlijke monoloog van een zieke jonge vrouw die een brief krijgt van de man met wie ze zou gaan trouwen, maar die haar nu laat weten dat hij met een andere vrouw verder gaat. De dochter: ‘Ik begon te lezen, bewoog me voort langs de sporen van mijn moeder.’ Haar moeder heeft allerlei passages onderstreept, alsof zij zich herkende in de tekst. Iemand had voor haar de juiste woorden gevonden. ‘Het is afgelopen: je hebt niets meer te verwachten en toch blijf je daar eindeloos lang staan, wetend dat er niets meer zal komen.’

    Een liefde, in gedachten heeft een motto dat uit dit boek afkomstig is. Een fragment: ‘Als u zin hebt om een hele dag kringetjes in het water te spugen, zal de vrouw die van u houdt een hele dag zwijgend blijven toekijken hoe u kringetjes in het water maakt /…/ Zeg eens eerlijk, had u naast mij staan toekijken hoe ik kringetjes in het water maakte?’

    Meerdere generaties
    Bilkau beschrijft in haar boek meerdere generaties moeder en dochter, allemaal vanuit het perspectief van de dochter. Herkenbare overeenkomsten, zoals een losser wordende band en de kleine en grote ergernissen. Maar ook de verschillen. De een had naar vrijheid gezocht (Toni), de ander naar bestendigheid verlangd (de dochter). En haar dochter verlangde weer naar vrijheid (Hanna).

    Het is knap hoe Bilkau door o.a. de kunst van Schjerfbeck te gebruiken, het verhaalheden van de dochter verbindt met het verleden van haar moeder.

    Een liefde, in gedachten is een boeiend boek over de liefdesgeschiedenis van Toni en Edgar.
    Het boek geeft ook een mooi tijdsbeeld van de jaren zestig, vooral van de positie van de vrouw. De lezer van nu zal de keuzes en de afwachtende houding van Toni niet altijd begrijpen. Ergernis over het niet zelf in actie komen, het blijven toekijken hoe een ander ‘kringetjes in het water’ maakt.

    Kristine Bilkau (Hamburg, 1974) werkt als journaliste voor verschillende tijdschriften. In 2009 won zij het stipendium van het gerenommeerde Literarische Colloquium Berlin. Haar debuutroman De gelukkigen (2015) werd o.a. bekroond met de Hamburger Förderpreis für Literatur.

     

  • Ontvoerd in Irak

    Ontvoerd in Irak

    Sherko Fatah is in 1964 geboren, in voormalig Oost-Berlijn, uit een Duitse moeder en een Irakese vader. In 1975 emigreerde het gezin naar West-Duitsland. Dit is Fatah’s derde roman die in het Nederlands is vertaald. Evenals zijn vorige boeken speelt ook dit verhaal in het Midden-Oosten.

    Wanneer de Duitse avonturier en verzamelaar Albert en zijn Irakese tolk Osama, op reis door het Noorden van Irak, even hun terreinwagen parkeren om te pauzeren, worden ze binnen enkele minuten met een zak over hun hoofd in een andere auto geduwd. Vanaf dat moment neemt hun leven een andere wending: ze zijn nu geld waard, worden ‘doorverkocht’ aan andere groeperingen en worden op steeds andere plekken in het land vastgehouden. Ze worden gezien als ‘indringers’, ‘kruisvaarders’, ‘Amerikanen’ en ‘ketters die het ware geloof onteren’.

    Albert en Osama
    In het boek staat de relatie tussen Albert en Osama centraal en dan vooral hoe die zich ontwikkelt in het verloop van hun ontvoering. Het zijn geen vrienden, eerder lotgenoten die proberen vrienden te worden. Albert gaat nogal doelloos door het leven. Waarom hij precies in Irak is, wat hij daar doet, blijft lange tijd onduidelijk en wordt eigenlijk nooit helemaal duidelijk. Ergens in het boek wordt gezegd dat hij zijn reis te danken heeft aan een journalistenvereniging die hem een beurs heeft gegeven voor een reportage over museumplunderingen in het land. Maar op een gegeven moment blijkt hij een archeologische verzamelaar te zijn, die cultuurschatten wil beschermen en behoeden voor vernieling. Zijn tolk Osama heeft contacten met musea, kent daar mensen en probeert Albert te helpen met dat werk.
    Osama is een Irakees, spreekt de taal van de ontvoerders, reist veel met buitenlanders door Irak en heeft daardoor veel contacten.

    Verschillen in waarneming
    Vanuit hun verschillende culturele achtergronden nemen Albert en Osama niet hetzelfde waar; dat komt onder meer doordat Albert is opgegroeid in het Westen, in Duitsland, en zich een vreemde voelt in Irak, het land waar Osama zich thuis voelt. Hoewel de meeste Irakezen de Amerikanen, Engelsen en andere ‘indringers’ haten, geldt dat niet voor Osama. Hij werkt met hen samen, maar Irakezen die met buitenlanders samenwerken worden al snel van verraad beschuldigd, zo ook Osama. Dat maakt zijn positie moeilijk: sommige Irakezen wantrouwen hem maar hij heeft ook vrienden en connecties die hem gunstig gezind zijn. Albert heeft daar niet veel oog voor en hoopt toch vooral dat Osama hem kan redden uit handen van hun ontvoerders.

    De relatie tussen Albert en Osama wordt breed uitgemeten; ze wisselen herinneringen uit tijdens hun gevangenschap, maar komen niet dichter bij elkaar. ‘Ik weet niet wie je bent’ zegt Osama tegen Albert en dat geldt omgekeerd eigenlijk ook.

    Vrienden of lotgenoten?
    Intrigerend in de relatie tussen Albert en Osama is de vraag waarom het niet lukt om vrienden te worden. Het zijn de vele verschillen in cultureel opzicht die hun vriendschap in de weg staan. Je zou mogen verwachten dat gezien de bijzondere omstandigheden waarin de mannen terecht zijn gekomen, hun band hechter zou worden. Dat gebeurt evenwel niet omdat beiden de diverse gebeurtenissen die ze meemaken verschillend waarnemen en interpreteren. Cruciaal in dat verband is hun ontsnapping: ze zijn het eens geworden over het juiste moment, maar eenmaal ontsnapt gaat ieder zijns weegs. Osama komt dan een oude vriend tegen die hem wil helpen onder de voorwaarde dat hij zich niet om de Duitser bekommert. Osama weigert en gaat terug naar Albert omdat hij begaan is met hem. Niettemin lukt het ook dan niet om dichter tot elkaar te komen.

    Dit breed uitgesponnen verhaal kan maar tot op zekere hoogte boeien. Dat komt omdat er veel beschreven wordt dat wel met de ontvoering te maken heeft, maar geen betekenis heeft voor de relatie tussen Albert en Osama. Zo is er relatief veel aandacht voor de ontberingen die de ontvoerden lijden, voor de plekken waar ze worden vastgehouden, voor hun transport naar weer een andere plek, voor de mogelijkheden om al dan niet te vluchten. In verhouding tot het centrale thema van het boek, de verschillen in perceptie tussen Albert en Osama en het verloop van hun vriendschap, is die verhouding onevenwichtig. Dat is jammer.

     

  • De jaagster

    De jaagster

    De afgelopen week ben ik gefascineerd geraakt door het fenomeen de jacht. Niet uit mezelf, alhoewel ik door de landschappelijke context, altijd wel romantische noties bij het jagen heb. Toch – door mijn vroeg-volwassen geworden pacifisme, begonnen in de jaren ’80 – waren wapens en alles wat daarmee te maken heeft, geweld, oorlog, wapenhandel, en zo voorts, niet bepaald iets waar ik affiniteit mee kreeg. Dat werd flink op de proef gesteld door het boek Buit. Een jachtjaar (2016) door Pauline de Bok. Nomen est omen. De schrijfster lijkt een voorliefde voor morbide onderwerpen te hebben. Ze schreef eerder al over doodsberichten en begraafplaatsen. En over ontheemden. Ik begrijp haar fascinatie wel. En dus ook de stap die ze vorig jaar zette om een jaar lang te verblijven in haar omgebouwde koeienstal in het voormalige Oost-Duitsland.

    Samen met haar man, Boom (!) geheten, komt ze al jaren op deze plek. Maar nu wil ze er alle seizoenen meemaken. En ook als jager, met jagersakte op zak. Het boek is een verslag van een langzaam vergroeien met deze nieuwe omgeving – natuur, wild, weer, Duitsers, jagers – al merkt De Bok dat ze een buitenstaander zal blijven. En toch is dit wat ze wil. Een mooi, maar ook wel weer wrang existentieel principe. De outsider die niet anders kan zijn dan dat, maar toch ook zoekt naar aansluiting bij een inheemse gemeenschap. De schrijfster heeft zelfs de vluchtelingen uit Syrië door de velden van Mecklenburg-Vorpommern zien lopen. De buitenstaander die nog meer ontheemde mensen voorbij ziet trekken. En vlakbij haar onderkomen en haar jachtgebied lag de grens tussen Oost- en West-Duitsland. Ook al heeft De Bok zich vrijwillig teruggetrokken uit het stadse, drukke leven, nieuwe en oude sporen van de geschiedenis lopen om haar heen.

    Ik zag een paar maanden terug op televisie ster-kok Jamie Oliver zichzelf de opdracht geven om zelf een dier te doden dat hij zelf zou villen, slachten, bereiden en opeten. Hij sneed de keel van de geit met zichtbaar afgrijzen door. Maar, stelde hij, wat is er puurder en oprechter en natuurlijker dan dit? Ook Pauline de Bok vertelt in geuren en kleuren over de regels en de verschillende methodes van de jacht. Het aanzitten, schieten, slachten (ontweiden) en bereiden van het dier. De drijfjacht. Het jagen om te eten en het jagen om de wildstand te beheersen. En ook de aarzelingen en overpeinzingen die een modern mens – net als ik onthecht van de natuur en haar wetten, balend van een kapotte laptop, snel naar Berlijn! – heeft als het aankomt op deze essentiële zaken van leven en dood. Fascinerend. Snel haar roman De jaagster (2014) bestellen en lezen.

     

     

  • Een tussenwereld

    Een tussenwereld

    In de nieuwe roman van Pauline de Bok plaatst de auteur consequent twee dingen tegenover en naast elkaar: de mannenwereld van de jacht en de modewereld van Luise (één van de hoofdpersonen), oud en jong, heden en verleden, Oost- en West-Europa, de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog, verzet tegen kernenergie toen en megastallen nu, een dagpauwoog en poes Tijger in doodsnood die aan hun lot worden overgelaten, natuur en cultuur en alles wat daartussen zit. Vrouwen die verzeild raken in de nachtclub van een Zwitsers hotel, in de mannenwereld van de jacht, in de Zone waar het boek zich afspeelt. Dat wil zeggen het grensgebied tussen Oost- en West-Duitsland, in – symbolisch – een tussenwereld die niet zwart-wit is, maar de grijstinten vertoont als van de steenachtige rugtekening van een everzwijn.

    Om en om wordt het levensverhaal verteld van de ruim 80-jarige Luise Zingg, die een dubbelleven leidde als spionne en een Stasi-officier liefhad, en Merel Alvarez, een jonge vrouw van Nederlandse afkomst met ouders die actief waren in het verzet tegen de komst van een kernreactor in Gorleben. Luise Zingg pachtte een jachtrevier aan de Schwarze Laake. Merel, die na de dood van haar moeder weer in de oude vertrouwde buurt is neergestreken om aan een scriptie te werken, raakt geïnteresseerd in Luises leven. Ze hoort mensen uit, maar ‘het lijkt of iedereen de lust tot roddelen vergaat zodra Luise Zingg ter sprake komt.’ Zoals ze qua woonoord dichterbij haar ouders wil komen, zo wil ze Luise ook naderbij komen; ze besluit te leren jagen. Luise meent alleen dat de jager in haar is gestorven: ‘Ik heb hem al doodverklaard toen het IJzeren Gordijn werd afgebroken. Voor mij is hij mét de Zone in het moeras verdwenen, ik wilde hem zo snel mogelijk vergeten. En nu is hij onverhoeds toch weer opgestaan.’

    Het jagen staat symbool voor de jacht op het verleden, op de spoken uit zowel de Tweede Wereldoorlog als de Koude Oorlog. De symboliek van het jagen kennen we ook uit De Boks eerdere roman Blankow of het verlangen naar Heimat (2006), waarin de personages jagen op het wild rond Blankow én op verhalen van overlevenden uit de Tweede Wereldoorlog. Iets soortgelijks is in deze roman het geval. Merels interesse in een vrouwelijke jager groeit hier uit tot interesse in het dossier van Luise Zingg in het Stasi-archief. In dezelfde tijd dat Merel het dossier leest, worden de herinneringen van Luise met de dag levendiger. Zowel aan de Tweede Wereldoorlog en de Stasi-tijd als aan de jacht.

    Het dwingendste gedeelte uit deze roman is een passage over de zoon van Luise, Lothar. Ook meteen het gedeelte waarin je je als lezer overigens het meest kunt inleven, want dat is niet over de hele linie van het boek het geval. Lothar schiet een drachtig zwijn dood. Lothars vader, Holger, is woedend, maar dit neemt Lothar niet. Hij wijst zijn vader op de daden die hij in de Tweede Wereldoorlog heeft verricht: het ‘omleggen van mensen.’ Lothar is bang dat de bloeddorstigheid van zijn vader erfelijk is: ‘Er schuilt een beest in mij, een beest waarover ik niets te zeggen heb.’
    Dat laatste kun je je afvragen: kun je het beest in jezelf niet beteugelen? Luise vindt ook dat er niets valt te vergoelijken. Daarin zijn ze het eens.

    De auteur geeft de lezer van deze ideeënroman dergelijke wezenlijke vragen mee. Die over ‘de grote jacht’ in de Tweede Wereldoorlog (de jacht en moord op de joden) kan de lezer er zelf bij denken. In die zin valt de tweede roman van Pauline de Bok te vergelijken met het familie-epos De stamhouder van Alexander Münninghoff. Op die manier past het verhaal in het huidige tijdsgewricht, waarin de aandacht inmiddels ook uitgaat naar de daders.

     

    De jaagster

    Auteur: Pauline de Bok
    Verschenen bij: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 288
    Prijs: € 21,99

  • Oogst week 9

    Door Carolien Lohmeijer

    Een vage heimwee naar het Odessa van Poesjkin, Babel of Paustovskij. Dat voel je als je deze schrijvers leest. Veel onbekender is de joods-Russische schrijver Vladimir Zjabotinski, maar hij hoort zeker in dit rijtje thuis. Hij schreef Afscheid van Odessa, lange tijd vergeten, nu weer beschikbaar.
    Vertaler Otto Boele: ‘Het is een onverbloemde lofzang op de stad, een eerbetoon aan het bonte en multi-etnische Odessa van het late keizerrijk, maar het geheel is doortrokken van een melancholieke toon die is ingegeven door de wetenschap dat juist dit Odessa anno 1936 onherroepelijk is verdwenen.’ Lees het essay van Boele en u weet naar welk boek u op zoek bent.
    Afscheid van Odessa, Vladimir Zjabotinski, vertaling Otto Boele en Inge van Gemert, 240 pagina’s, Uitgeverij Wereldbibliotheek, € 19,95

     

    De jaagster ‘Hééééhóóó, zwellen de stemmen van de drijvers aan en ik hoor ze met stokken in het struikgewas slaan. Dan slaan de honden vervaarlijk aan, een zwijn krijst en gilt, de drijvers schreeuwen. Vuren ze aan? Waarschuwen ze? Het krijsen gaat door merg en been, minutenlang hoor ik niets dan dat woeste uitstoten van oergeluiden, en ik beeld me in dat alle schutters vol ontzag meeluisteren. Dan ineens houdt het op. En het is eindeloos stiller dan daarvoor.’ (Pauline de Bok in De Jager).

    Zo indrukwekkend kan het zijn. Auteur Pauline de Bok heeft met kennis van en ervaring in de jacht (zij heeft een Duitse jachtakte) de roman De jaagster geschreven waarin de levens van twee vrouwen met elkaar verstrengeld raken. Decor is het Duitse platteland, met als achtergrond de spoken uit de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog.
    De jaagster, Pauline de Bok, Atlas Contact, 288 pagina’s, € 21,99

     

    9789492037008.imgBewondering en verbazing dwong Bettine Vriesenkoop af  toen zij in 1982 in China won van Chinese wereldtoppers tafeltennis. Ze ging in China wonen en werken en raakte gefascineerd door dat enorme land. Inmiddels verzorgt zij lezingen over China waarbij ze haar eigen ervaring koppelt aan de actualiteit. En ze schrijft. In haar laatste boek Dochters van Mulan gaat zij in op de rol van de vrouw in de Chinese samenleving. Hoe profileren zij zich, hebben ze invloed, kunnen en willen ze China veranderen? De ondertitel van haar boek doet veronderstellen dat het antwoord op die laatste vraag ‘ja’ is. Ook de flaptekst doet dat vermoeden bevestigen: ‘haar gesprekspartners bekritiseren de verstokte rolpatronen in gezin en samenleving, het ongebreidelde consumentisme en de leugens van markt en staat in het moderne China.’
    Dochters van Mulan, Hoe vrouwen China veranderen, Bettine Vriesenkoop, Uitgeverij Brandt, 288 pagina’s, € 17,50

     

    omslag-Huub-Beurskens-Wachten-op-een-vriend-e1424894758328Tot slot het mooi vormgegeven boek van Huub Beurskens, beeldend kunstenaar, dichter, vertaler, en schrijver. Dat alles van een omvangrijk oeuvre. Onlangs is zijn nieuwe roman Wachten op een vriend  verschenen, waarin twee oude vrienden elkaar na jaren weer onverwachts treffen. De vraag is of ze de vriendschap van vroeger weer voorgoed kunnen opbouwen.
    Wachten op een vriend, Huub Beurskens, 208 pagina’s, Uitgeverij Koppernik, € 17,50

  • Vertaalproblemen – Pauline de Bok

    Pauline de Bok is de vertaler van Leven met het pistool op tafel (Arbeit und Struktur) van Wolfgang Herrndorf.
    Literair Nederland vroeg haar naar de lastigste problemen bij het vertalen van dit boek en naar haar oplossingen.

     

    Wat is een boek vertalen? Neem Arbeit und Struktur van Wolfgang Herrndorf. Dat is je vol verve maandenlang op 444 bladzijdes vol vertaalproblemen storten, met de vasthoudendheid van een terriër. Totdat Leven met het pistool op tafel. Een Berlijns dagboek er ligt. Waarmee ik meteen het eerste vertaalprobleem bij de hoorns heb: de boektitel simpelweg vertalen levert lang niet altijd een goede titel op voor een Nederlands lezerspubliek. Arbeid en structuur, of Werk en structuur, nee, dat zou niks worden met de verkoop. Uiteindelijk is het overigens de uitgever die de knoop doorhakt, hij moet het boek verkopen.

    Goed, 444 bladzijdes vertaalproblemen dus. Waarvan de grootste nooit écht op te lossen zijn. Maar je moet iets doen, dus je maakt een keuze, of je slaat er ten einde raad een slag naar. En je troost je met de gedachte dat elke vertaling voorlopig is. Maar hoe waar dat ook is, je draait je er ook een rad mee voor ogen, uiteindelijk wordt er namelijk één versie gedrukt. Dat is de definitieve. Nog wel, tenminste. Bij een digitale versie is daar de facto al veel minder sprake van.
    Vaak kan de schrijver je ook niet verder helpen, hij begrijpt je probleem niet, omdat hij niet weet wat vertalen is. Heus, dat komt voor, en vaker dan menigeen denkt. Of hij kan je niet verder helpen omdat hij dood is. Zoals Wolfgang Herrndorf.

    Toen ik Herrndorfs eerste kassucces Tsjik vertaalde leefde hij nog, al had hij al een hersenoperatie, chemokuur en opname in de psychiatrie achter de rug. En ook zijn sterfdatum – statistisch gezien – al in zijn agenda gezet. Hij hield zich overeind met werken en met structuur in zijn leven. En met een pistool, zodat hij er altijd zelf een eind aan kon maken.
    Omdat ik hem niet lastig wilde vallen met mijn lijstje vragen, stuurde ik het naar zijn redacteur, en gaf ook nog twee foutjes in de Duitse tekst door. Herrndorf antwoordde zelf: ‘Cristiano Ronaldo, verdammt. Hätte ich allerdings bemerken müssen.’ Hij had de voornaam van zijn voetbalheld met een h geschreven.
    Later heb ik gekeken of hij die dag, 13 mei 2011, iets op zijn blog had geschreven. Niets, ik voel een lichte teleurstelling. Alsof we bijna een moment hadden gedeeld. Zijn tweede mail, die hij schreef toen hij hoorde dat Tsjik op de shortlist voor de Europese Literatuurprijs stond, kreeg ik op 1 februari 2012 kort na elven ’s avonds. Die dag had hij wel iets in zijn blog geschreven, ’s middags om 16:05 uur. We zijn dan al op bladzijde 300 van de brontekst.

    ’s Ochtends had hij in het ziekenhuis per ongeluk de fax in handen gekregen – van de ene specialist aan de andere – met de uitslag van zijn laatste MRI. Die schrijft hij letterlijk over in zijn blog. De oncologische, radiologische termen gaan nog, die zijn met wat internetspeurwerk vaak nog wel te vinden, al blijft het erin geslopen Engels natuurlijk verraderlijk. Maar wat te doen met ‘verplumpte Hirnoberfläche’, ‘log geworden hersenoppervlak’? Al te letterlijk, klinkt niet, maar vooral: hoe zeggen Nederlandse specialisten dat in vredesnaam? Ik mail het Integraal Kankercentrum Nederland of ze de medische passages van de vertaling op fouten en eigenaardigheden willen doorlezen. Ik heb geluk: ze hebben een onderzoeker, Vincent Ho, die goed is in Duits en in hersentumoren, en die het leuk vindt om te doen. Zo’n hersenoppervlak noemen ze trouwens ‘gezwollen’.

    Zo wemelt het in het weblog van verschillende jargons en stijlen. Schrijft Herrndorf over Thomas Mann, dan neigt hij naar Mann-zinnen. Schrijft hij over voetbal, dan klinkt hij als een voetbalcommentator, en over zijn ziekte schrijft hij alsof hij oncoloog, radioloog of radiotherapeut is. Hij noemt allerlei onbekende namen zonder uitleg, schrijft in telegramstijl, leeft zijn voorliefde voor lijstjes uit, veegt de vloer aan met schrijvers of bewondert ze gul. Wenst de Duitse BN’ers – BD’ers, dus eigenlijk, maar zo heet dat daar niet – naar de hel en vaart uit tegen hypnotiseurs, kokovoristen, darmreinigers en andere zelfbenoemde hersenkankergenezers. En draagt zijn lot met opgeheven hoofd.
    En als hij krankzinnig is, schrijft hij krankzinnig.
    Dat kost me veel hoofdbrekens: beweeg ik me met mijn vertaalkeuzes wel in het spoor van zijn waanzin of begrijp ik hem gewoon verkeerd? Wie zal het zeggen. Tegelijkertijd hóúd ik van die passages. De mooiste om te vertalen zijn die van zijn desoriëntatie, in zijn stad, in zijn taal, in zijn denken, in zijn stemmingen. Zo aangrijpend zijn ze dat ik er liefst elke dag naar terug zou keren, om er nog een beetje aan te schaven, nog preciezer, nog onontkoombaarder, nog dichter bij wat ik denk dat hij wil beschrijven. Terug naar de avonden waarop Herrndorf, ‘de Grote Navigator’, de ‘briljante strateeg’, verdwaalt in zijn eigen buurt. En meteen de draak met zichzelf steekt, als was hij de held in een tweederangs krimi. Of naar de gelukzalige dag dat hij de wereldformule heeft gevonden en er zijn vrienden kond van gaat doen…

    Ik verdwaal in die passages, maar ik moet voort, de ‘Quantenradierer’ wacht op een fatsoenlijke vertaling – ik ben weer op woordniveau aangeland. Het Nederlands heeft er geen eigen term voor. Uitwijken naar het Engels dan maar? Dat doet Herrndorf ook niet. Maar Quantenradierer heeft op het moment dat ik dit schrijf tenminste 2.510 hits op Google. Mijn Nederlandse kandidaat ‘quantumwisser’ heeft er maar één: in 1999, in NRC Handelsblad. En dan geeft de Dikke Van Dale als spelling ook nog eens ‘kwantum’. Dan maar liever Engels? Of toch iets dat bijna een neologisme is? Ach wat! Het wordt ‘kwantumwisser’. Soms wil je even een bokkensprong maken in zo’n woud van een tekst. Herrndorf zou het me zeker niet euvel hebben geduid. Sterker nog, ik denk dat hij er zich om had verkneukeld. Soms moet je de moed hebben om op je bek te gaan. Maar voor ik zover ben, heb ik me ingegraven in de kwantummechanica. Ik kan het natuurkundelokaal van meer dan veertig jaar geleden haast weer ruiken.

    De grootste vraag gedurende al die maanden bleef: maak ik er iets meer een boek van of blijf ik zo dicht mogelijk bij het genre weblog? Laat ik fouten, onduidelijkheden, niet bedoelde woordherhalingen, razendsnel op het scherm gesmeten zinnen, moeizame constructies – ook in het Duits – voor wat ze zijn? Of polijst ik ze een beetje? Dat gebeurt vaak bij vertalingen, een beetje polijsten, om de schrijver te ontzien, maar vooral om jezelf als vertaler te ontzien – als je iets lelijks met iets lelijks vertaalt, krijg jíj het namelijk op je brood, want welke lezer haalt er nou de brontekst bij?
    De twee redacteuren van het boek Arbeit und Struktur schrijven in hun nawoord dat Herrndorf hun had verzocht de tekst na zijn dood kritisch door te lezen en te redigeren, en ze stellen vast (in de derde persoon): ‘Veel te doen hadden ze daarbij niet.’ Wat voor mij als vertaler de keuze duidelijk maakt: het boek moest het karakter van een weblog behouden. Die opdracht heb ik mijzelf als vertaler met veel liefde en plezier gegeven.

    Pauline de Bok

    Pauline de Bok is schrijver en vertaler.

    www.paulinedebok.nl

  • ‘De toekomst is afgeschaft’

    Wat doe je als de statistieken je niet meer dan een paar maanden, hooguit een paar jaar geven? Dan probeer je aan de artsen je houdbaarheidsdatum te ontlokken en alle overbodigheden uit je nog korte leven te bannen. In het geval van Wolfgang Herrndorf, bij wie in 2010 een hersentumor wordt ontdekt, komt dat neer op maar één ding: schrijven, schrijven en nog eens schrijven. Met rust, orde en regelmaat als nieuw devies schrijft Herrndorf in korte tijd de succesroman Tsjik, Sand en (het onvoltooid gebleven) Bilder deiner großen Liebe.

    Daarnaast werkte de auteur vrijwel dagelijks zijn weblog bij, waarvan Leven met het pistool op tafel de gepolijste versie is. Herrndorf riep zijn blog in het leven om zijn vrienden op de hoogte te houden van zijn dagelijkse leven, van de bezoeken aan het ziekenhuis en zijn gemoedstoestand. Om te voorkomen dat hij steeds hetzelfde zou moeten vertellen en daarmee kostbare tijd zou verliezen:

    ‘Alle paniek is altijd alleen te wijten aan de gedachte aan verloren werktijd.’

    Arbeit und struktur ontsteeg zijn puur informatieve status echter algauw en groeide uit tot het meest gelezen online dagboek van Duitsland, zeker na het succes van Tsjik.

    En nu ligt daar dan de Nederlandse vertaling van Pauline de Bok. Leven met het pistool op tafel bestaat uit dagboekfragmenten van verschillende lengte en een langere terugblik in tien delen, waarin Herrndorf probeert uit te leggen wat de ziekte met hem doet. Met in het achterhoofd dat Herrndorf al niet meer leeft – hij beroofde zich op 26 augustus 2013 van het leven door zich met een pistool door het hoofd te schieten – leest dit blog in eerste instantie als een wat morbide voyeurisme. De innerlijke ramptoerist in de lezer wordt aangesproken. Het blijkt moeilijk een waardeoordeel te verbinden aan iets dat zo intiem is, aan iets dat zo veelomvattend is als een hersentumor. Hoe kun je kritiek hebben op een terminaal zieke?

    Die veranderde houding ten aanzien van hemzelf heeft Herrndorf heel goed door: hij doet er dan ook alles aan om het medelijden te omzeilen. Vrienden bij wie hij het medelijden in de stem hoort aan de telefoon bant hij resoluut uit zijn leven. Nergens speelt hij de zielige patiënt, hij probeert zichzelf zoveel mogelijk te objectiveren en als studieobject te zien. Wanneer hij buiten de grafieken begint te vallen – omdat hij het lang ‘volhoudt’ – vindt hij dat duidelijk moeilijk:

    ‘Een prognose is er niet, een algemene statistiek ook niet meer. Na drie operaties, twee bestralingen, drie verschillende chemo’s ben je je eigen statistiek. Drie jaar geleden nog was ik een minuscuul puntje in een puntenwolk, zuivere wiskunde, geen individu, dat beviel me. Nu weet ik het niet meer. Niemand weet het.’

    De geruststellende kaders van het verloop van zijn ziekte vallen weg, hij heeft geen zekerheden meer. En dat is moeilijk voor iemand die er steeds minder heeft: als zelfs de taal ‘kapot begint te gaan’, wordt Herrndorf onrustig. Slechts het pistool op tafel, of zoals hij zelf zegt ‘zijn exitstrategie’, kalmeert hem. Dat is de enige manier waarop hij om kan gaan met een falend oriëntatievermogen, een haperend spraakvermogen en een veranderend karakter. Daarover is Herrndorf bijzonder eerlijk, wat één van de grote verdiensten van dit boek is: hoewel hij zich er soms voor schaamt, vertelt hij precies wat hem overkomt, hoe hij steeds meer afhankelijk wordt van de mensen om hem heen – en zich daardoor steeds meer in een sociaal isolement plaatst. We gaan volledig mee in de verwarring en frustratie van een verkankerd brein. Indrukwekkend is de scène – vergezeld van beeldmateriaal – waarin Herrndorf al zijn dagboeken van de afgelopen twintig jaar in bad gooit. Niet alleen de ziekte, maar ook de schrijver zelf is bezig zichzelf uit te wissen.

    Wat Leven met het pistool op tafel – buiten die verbluffende inkijk in de ziekte – zo lezenswaardig maakt, is de humor waarvan het boek doorspekt is. Herrndorf gaat laconiek om met de tumor en observeert zijn eigen gedrag met verbazing:

    ‘En steeds weer vergeet ik die kwestie met de dood. [Het is] een grap die ik mezelf elke tien minuten kan vertellen en waarvan de pointe altijd weer verrassend is.’

    Of:

    ‘Ik ben niet bang voor de dood, wel panisch voor de belastingaangifte.’

    Deze geweldig relativerende humor redt niet alleen Herrndorf, maar in zekere zin ook het boek. Zonder zouden de ervaringen van een terminaal zieke moeilijk te verteren zijn en bijzonder confronterend worden. Je zou kunnen zeggen dat het de exitstrategie voor de lezer is. En die is nodig in dit blog, dat zoals gezegd eigenlijk puur ter informatie diende en voor Herrndorf een middel was grip te krijgen op de realiteit. Sommige passages over medicijngebruik en behandelmethodes voeren vrij ver en worden opsommerig en remmen ‘het verhaal’.

    Al met al is Leven met het pistool op tafel geen boek dat je binnen een paar dagen uitleest, al lijken de fragmenten daar in eerste instantie wel toe uit te nodigen. Wij kunnen de tijd nemen, hoeven niet zo manisch te werk te gaan als Herrndorf. Hoe cliché het ook moge klinken, er zit een kern van waarheid in het carpe diem. Laten we een voorbeeld nemen aan het leven van Herrndorf, dat na de diagnose steeds meer de moeite waard werd:

    ‘Een jaar in de hel, maar ook een geweldig jaar. Gemiddeld nauwelijks gelukkiger of ongelukkiger dan voor de diagnose, alleen slaat het naar beide kanten verder uit. Alles bij elkaar misschien zelfs een beetje gelukkiger dan vroeger, omdat ik leef zoals ik altijd had moeten leven. En nooit gedaan heb, behalve misschien als kind.’

     


  • Literaire avonturenroman met een scherp randje

    Literaire avonturenroman met een scherp randje

    Door Niels Nijborg

    Onlangs verscheen bij uitgeverij Cossee het laatste boek van Sherko Fatah De dief van Bagdad (Ein weisses Land). Eerder werd We gaan als het donker wordt (Das dunkle Schiff) uitgegeven. De vermelding van dit boek in 2008 op de shortlist van de Deutsche Buchpreis veroorzaakte Fatahs internationale doorbraak. De schrijver groeide op in Oost-Duitsland en vertrok later naar West-Berlijn, waar hij nog steeds woont. Hij is de zoon van een Koerdische vader en een Duitse moeder. Een Duitse schrijver die al in meerdere boeken voor een decor in het Midden-Oosten koos. De dief van Bagdad is een Bildungsroman (en een zoektocht naar moraal) waarin de avonturen worden verteld van een Iraanse straatjongen die vooruit wil komen in de wereld. Het resultaat is een fascinerende roman die je na de laatste bladzijde laat zitten met een aantal knagende vragen.

    De hoofdfiguur in De dief van Bagdad is Anwar. Als straatjongen in Bagdad in de jaren dertig van de vorige eeuw komt hij in contact met een rijke Joodse familie. Via de zoon van de familie maakt hij kennis met het communisme en via de dochter maakt hij kennis met de liefde. Maar Anwar wil meer. Hij streeft ernaar opgenomen te worden in de kringen van de rijken en machtigen. Hij ontmoet de roverhoofdman Malik van wie hij het inbrekersvak leert. Nu is hij in staat om de huizen van de rijken te betreden zonder opgemerkt te worden, maar dit vervult niet zijn verlangen om als gelijkwaardige te worden beschouwd. Dat is zijn doel. En niets is belangrijker voor hem dan dat.

    Ondertussen schildert Fatah een prachtig beeld van Bagdad in de jaren dertig. Een overvloed aan details brengen de stad tot leven voor de lezer. Hier beginnen de avonturen van Anwar. Anwar gaat op reis, zijn leven staat regelmatig op het spel en uiteindelijk komt hij weer thuis, de klassieke verhaallijn van een avonturenroman. In die zin is de titel niet slecht gekozen door de vertaalster. Net als de held uit 1001 nacht gaat ook Anwar op avontuur.

    Voordat hij vertrekt raakt hij betrokken bij verschillende complotten in Bagdad. Hij speelt een rol bij een aantal historische gebeurtenissen, maar begrijpt noch het belang, noch de consequenties ervan. Bagdad in de jaren dertig is een broeinest van politieke intriges en Anwar bevindt zich in het middelpunt. Hij spioneert voor zowel Malik de dief, als voor de nationalistische militair Nidal, als voor de Joodse communisten. Irak had na de Eerste Wereldoorlog een zekere mate van zelfstandigheid, maar feitelijk hielden de Engelsen, na het aflopen van hun mandaat in 1921, nog een dikke vinger in de pap vanwege de olie. Uiteindelijk leidt dit tot een staatsgreep in 1941 van nationalistische militairen met steun van Duitsland en de Grootmoefti van Jeruzalem. In Bagdad wordt een groot deel van de Joodse bevolking vermoord tijdens de coup. De Joodse bevolking had zich verbonden aan de Engelsen omdat zij op die manier een eigen land hoopten te verwerven. Het Arabische antisemitisme is in tegenstelling tot het Europese antisemitisme grotendeels gebaseerd op een territoriaal conflict met de Joodse bevolking. Anwar begrijpt niet dat hij medeverantwoordelijk is voor de problemen van zijn Joodse vrienden, dat zijn keuzes politieke en sociale consequenties hebben. Het enige doel dat hij heeft, is vooruitkomen in de wereld. Fatahs hoofdfiguur heeft geen moreel kompas omdat hij nooit heeft geleerd dat zijn acties gevolgen kunnen hebben voor anderen. De keuzes die Anwar maakt, maakt hij niet uit kwaadaardigheid. Hij heeft ook niet door dat hij zich door anderen laat gebruiken. Anwar komt op de lezer over als een sympathieke, naïeve hoofdpersoon.

    De opstand in Bagdad wordt onderdrukt door de Engelsen. Anwar vertrekt in het gevolg van de Grootmoefti van Jeruzalem naar Duitsland. Deze Grootmoefti is een figuur die werkelijk heeft bestaan. Een virulente Jodenhater die door de Duitsers gretig werd ingezet voor propagandadoeleinden. Later speelde hij een belangrijke rol in het mogelijk maken van een legioen bestaande uit Moslims dat onder andere aan het oostfront heeft gevochten. De historische figuren en gebeurtenissen uit het boek zijn door Fatah uit en te na onderzocht om ervoor te zorgen dat zijn verzonnen hoofdfiguur zo goed mogelijk is ingebed in de waarheid. Uiteindelijk is het avontuur van de verzonnen figuur Anwar net zo ongelofelijk als van vele historische personages uit die tijd. Door zijn verhaal ‘Erdung’ te geven, een historisch verantwoorde achtergrond, zoals Fatah vertelt in een uitzending van De Avonden van de VPRO (17 oktober 2012), wordt Anwar geloofwaardig. Het levert in ieder geval prachtige scènes op, zoals die waarin de hotelgasten onverstoorbaar doorgaan met hun gesprekken in de schuilkelder van het luxehotel tijdens een luchtaanval op Berlijn.

    Als Anwar wordt ingezet als soldaat aan het oostfront wordt het voor de lezer steeds moeilijker om hem zijn naïviteit te vergeven. Enerzijds doet hij wat nodig is om te overleven, maar anderzijds zijn de dingen die hij doet wreed en genadeloos. In een oorlogssituatie is het normaal dat ethiek en moraal naar de achtergrond verschuiven, eigenlijk de normale houding van Anwar. Vanaf het begin van het boek krijgen de daden, de keuzes van Anwar steeds vergaander consequenties. In een oorlog vecht je voor je leven, maar kan je het iemand vergeven dat hij in vredestijd zonder moraal functioneert? Bij nader inzien bekruipt de lezer het gevoel dat Anwar toch minder sympathiek is dan eerst gedacht. De gevolgen van zijn naïviteit zijn te wreed, te erg.
    Bij Anwars terugkeer in Bagdad, weten we dat we te maken hebben met meer dan een avonturenroman. De auteur heeft ons begeleid tijdens een zoektocht naar moraal, de Bildung van een persoon. De vraag is of dit ook duidelijk is voor Anwar. Anwar is te allen tijden een overlever en vertelt ons zonder het zelf te weten iets over moraal in woelige tijden. Hoe verder we komen in het boek, hoe ongemakkelijker we ons gaan voelen over zijn daden en keuzes. En misschien, aan het eind van het boek, voelt Anwar dat zelf ook.

     

  • Recensie door: Karel Wasch

    Recensie door: Karel Wasch

    Recensie door: Karel Wasch

    Maik Klingenberg, de ik-persoon, zit in het eerste hoofdstuk van het boek bloedend op het politiebureau. Hij vraagt zich af waar Tsjik gebleven is. Dat is de jongen waarmee hij de afgelopen dagen in een gestolen Lada door Duitsland heeft gereden. Dan volgt de terugblik op een absurde reis die hij samen met Andrej Tsjichatsjov, Rus, klasgenoot, zoals Tsjik eigenlijk heet, kriskras door Duitsland heeft ondernomen. De ouders van Maik hebben geld. Moeder is aan de alcohol en Maik treft haar regelmatig in totale beschonkenheid aan. De vader gaat regelmatig op reis met een assistente, zogenaamd om zaken te regelen. In werkelijkheid omdat hij een verhouding met haar heeft. Tsjik daarentegen is een absolute outcast, hij komt vaak straalbezopen op school en woont met zijn ouders in een ‘aso’-flat, waar nog veel meer buitenlanders een goed heenkomen hebben gezocht.

    De vakantie breekt aan en Maik wordt met wat geld achtergelaten om op het huis te passen. Zijn klasgenoten hebben hem de bijnaam Psycho gegeven, nadat hij een absurdistisch verhaal voor de klas heeft voorgelezen. Intussen is zijn moeder naar een afkickkliniek. Maik gaat met Tsjik mee. Daarvòòr heeft hij de mooie Tatjana uit zijn klas proberen te versieren door haar een mooie tekening van Bejoncé te geven voor haar verjaardag.

    Herrndorf is eigenlijk striptekenaar en daardoor is zijn stijl erg plastisch en leest het boek als een trein. Het is niets meer of minder dan een road book in de traditie van On the Road van Kerouac, maar nu zo’n slordige 50 jaar later. Toch zijn de ingrediënten wel degelijk hetzelfde: absurde dialogen, gebrek aan geld, op niets af reizen, alcohol, ontroering en uiteindelijk de sympathie van de lezer voor deze heerlijke nietsnutten. Niet verwonderlijk dat het boek maandenlang in de Duitse boeken-toptien heeft gestaan.

    Vooral Maik komt in de dolle rit naar voren als een bedeesde beschouwelijke jongen, die nog nooit seks heeft gehad en het bijna heeft met het vervuilde zwerversmeisje Isa, dat op een vuilnisbelt leeft en stinkt. Ze krijgt de douchegel van Tsjik cadeau en baadt zich in een meertje en gaat even met de jongens mee. Ze weten zich eigenlijk geen raad met dit vreemde wezen, dat de uiterste consequentie uit het zwerversbestaan heeft getrokken. Zij zijn eigenlijk toch een beetje op vakantie en amateurzwervers. Het is geen gewone vakantie die tragische, komische en ontroerende momenten kent. Ze worden door een antroposofische familie getrakteerd op heerlijk eten. Wel nodig, want ze leefden al een week op koeken en frites. Hun kapriolen met de Lada worden steeds gevaarlijker en ze trekken de aandacht van de politie. maar het mag de pret niet drukken. Herrndorf heeft ons dan al zo genadeloos vermaakt dat het boek niet meer stuk kan.

     

    Tsjik

    Auteur: Wolfgang Herrndorf
    Vertaald door: Pauline de Bok
    Verschenen bij:  Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 255
    Prijs: € 18,90

     

     

  • Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Dit boek leest als een film. De lezer krijgt volop de gelegenheid zich een voorstelling te maken van de beschreven personen, situaties en landschappen. Zo nu en dan wordt de film heen en weer gespoeld waardoor er regelmatig wordt gekeken naar gebeurtenisnsen die eerder hebben plaatsgevonden maar ook naar zaken die nog in het verschiet liggen. Het decor wordt gevormd door de Grensgang, een volksfeest met een optocht langs de grenzen van het provinciestadje Bergenstadt dat nog het best valt te omschrijven als een kruising tussen carnaval en een kermis waarbij ook nog eens nationale gevoelens op de voorgrond treden. Gedurende drie dagen gaan alle remmen los en wordt er uitbundig feest gevierd waarbij bier en schetterende muziek een grote rol spelen. Er waaien veel vlaggen en de rijen zijn vast gesloten.

    Te midden van al dit feestgedruis zoeken de twee hoofdpersonen naar hun evenwicht. Allereerst is er Kerstin Werner, een levenslustige gescheiden vrouw. Zij is de moeder van de puber Daniël en heeft daarnaast de zorg voor haar dementerende moeder op zich genomen. Zij voelt zich aangetrokken tot Thomas Weidmann, de klassenleraar van haar zoon. Thomas is na een cum laude promotie en een aanvankelijk glorievol ogende carrière mislukt als universitair docent en teruggekeerd naar zijn geboortestad. Ook de relatie met zijn vriendin Konstanze is verbroken. Samen met Granitzny, het hoofd van het Stedelijk Lyceum kijkt Thomas naar een voetbalwedstrijd waarbij Granitzny aan Thomas in overweging geeft om plaatsvervangend directeur te worden. Hoewel deze positie een belangrijke salarisverbetering met zich meebrengt vindt Thomas het aanbod toch niet aantrekkelijk. Ook al is hij gedegradeerd tot leraar aan een school in een provinciestadje, toch heeft hij zijn hovaardigheid als geesteswetenschapper nooit afgelegd en verder denkt hij dat het in een doodlopende straat niet bijster belangrijk is om snel vooruit te komen. Na incidenten op school waarbij Kerstin`s zoon Daniël betrokken is voeren Kerstin en Thomas een aantal gesprekken waarbij zij tenslotte toch in de slaapkamer van Thomas terecht komen. Thomas overdenkt hierbij: ‘Als ontgoocheling onvermijdelijk voortvloeit uit het feit dat onze behoeftestructuur en de realiteit zo vreselijk slecht op elkaar zijn afgestemd dan is er veel voor te zeggen om weliswaar niet je heil maar in ieder geval je toevlucht te zoeken in vertraging. Bij voorkeur met zijn tweeën’. Zonder een bericht achter te laten vertrekt Kerstin voor dag en dauw, daarbij Thomas in vertwijfeling achterlatend. Na het ontwaken, denkt hij terug aan de voorafgaande nacht als zijn redding, Weidmann`s redding, en hij betrapt zich erop dat hij vaker, intenser en met meer warmte aan Kerstin denkt dan aan andere vrouwen. Hieraan voorafgaande heeft er al een ontmoeting plaatsgevonden tussen Thomas en Kerstin die, vergezeld door haar vriendin Karin, een bezoek brengt aan een afgelegen zogenaamde parenclub. Iedereen is op zoek naar een zinvolle invulling van het leven en geluk. Uitvoerig wordt de omgeving en de inrichting van de parenclub omschreven en ook de gemoedstoestand van de beide ondeugende dames wordt nauwkeurig geanalyseerd. Het avontuur eindigt met een desillusie en tijdens de terugtocht naar huis wordt er in de auto alleen maar gezwegen en vermijden de vriendinnen elkaar aan te kijken.

    De zorg voor haar moeder wordt Kerstin te zwaar, zij wordt opgenomen in een verpleeghuis waar zij kort daarna overlijdt. Na een rouwperiode van een maand begeeft Kerstin zich opnieuw in het feestgedruis en ontmoet daar Thomas die uiteindelijk toch heeft besloten om de functie van plaatsvervangend schooldirecteur op zich te nemen. Beiden zijn vastbesloten om niet weer opnieuw de kans op geluk door hun vingers te laten glippen. Er is al te veel tijd verspild. Wekenlang was hun verlangen bedolven onder vergeefs getob. Hand in hand betreden zij de hal van Kerstin`s huis.

    Wat vooral opvalt in dit boek zijn de originele en buitengewoon rake formuleringen van de gedachten van de beide hoofdpersonen. Veel minder geslaagd zijn de pogingen om het Duitse dialect om te zetten in een vergelijkbaar Nederlands. Dit kromme taalgebruik had beter achterwege kunnen blijven in een overigens verder voortreffelijke vertaling.

    Weidmanns redding 

    Auteur: Stephan Thome
    Vertaald door: Pauline de Bok
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee (2011)
    Aantal pagina’s: 352
    Prijs: € 19,90