• Zoektocht naar een Rus

    Zoektocht naar een Rus

    Roy Jacobsen (Oslo, 1954) schrijft romans, korte verhalen en kinderboeken en wordt gezien als een van de belangrijkste auteurs van Noorwegen. Ogen van de Rigel is het derde deel van een trilogie. De vorige delen zijn: De onzichtbaren en Witte zee. Alle drie de boeken spelen zich (gedeeltelijk) af op het kleine eiland Barrøy, een fictief, bewoond eiland waar de bewoners het harde dagelijkse leven aan den lijve ondervinden. Jacobsen baseert zich op de dagelijkse realiteit van de Noorse eilandbewoners. De drie delen zijn los van elkaar te lezen.

    Ogen van de Rigel speelt zich af in 1946, vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog waarin Noorwegen zwaar heeft geleden onder de nazidictatuur. Hoofdpersoon is Ingrid Marie Barrøy. In deel twee van de trilogie heeft ze kennis gemaakt met Alexander, een Rus die op het eiland aanspoelde nadat het Duitse schip de Rigel, waarop hij als krijgsgevangene werd vervoerd, voor de kust van het eiland verging. Ingrid heeft hem verzorgd en beschermd tegen de Duitsers en de collaborateurs.

    Ze heeft een dochter van tien maanden, Kaja, die steeds meer gaat lijken op Alexander, die inmiddels van het eiland vertrokken is omdat hij terug wilde naar Rusland. Het is een gevaarlijke tocht en Ingrid weet niet of hij het heeft overleefd. Ze besluit hem achterna te gaan, samen met Kaja.
    Wat volgt is een beschrijving van deze reis dwars door Noorwegen, grotendeels te voet, waarbij Ingrid dezelfde route probeert te volgen als Alexander. Onderweg ontmoet ze veel mensen die ze allemaal naar hem vraagt. Sommigen weten niets, anderen willen niets zeggen of geven vage antwoorden. Iedereen reageert op de ogen van Kaja die sprekend op die van Alexander lijken. De halsstarrige Ingrid vervolgt haar tocht, want ze is er heilig van overtuigd dat Alexander nog leeft en op haar wacht.

    Wantrouwen

    De reden waarom veel mensen afwijzend zijn op de vragen van Ingrid heeft alles te maken met de manier waarop veel Noren gecollaboreerd hebben met de Duitsers tijdens de oorlog. Met andere woorden: wie kun je nog vertrouwen? Ingrid merkt wel dat ze met een aantal mensen te maken krijgt die in de oorlog een dubieuze rol hebben gespeeld.
    Op een gegeven moment komt ze terecht bij vader en dochter Hermann en Mariann. Na veel duwen en trekken willen zij wel iets over Alexander vertellen, hoewel er dan nog steeds raadsels overblijven. Dat stimuleert Ingrid om door te gaan met haar zoektocht. Uiteindelijk arriveert ze bij een oudere man, Henrik, die vertelt dat Alexander een poos bij hem op de boerderij heeft verbleven. Hij vertelt ook dat Alexander een vriendin en een kind heeft in Rusland.

    Na nog een aantal ontmoetingen en treinreizen door Noorwegen om informatie te verzamelen gaat ze ten langen leste onverrichterzake terug naar Barrøy. Daar komt Mariann haar opzoeken en Ingrid hoort van haar dat ook zij met Alexander heeft geslapen in de tijd dat hij bij haar en haar vader in huis was. Daarmee eindigt deze roman, nogal abrupt. In het nawoord wordt nog verteld dat Alexander in Rusland als landverrader werd beschouwd en dat hij naar een werkkamp in Siberië is overgebracht, waarna elk spoor van hem doodloopt.

    Vaag

    De roman geeft prachtige beschrijvingen van de natuur waar Ingrid doorheen loopt; het lijkt Jacobsen soms meer om die beschrijvingen te gaan dan om zijn personage. Hij kent het land met zijn afwisselende landschappen goed en kan dat mooi weergeven. De verhaallijn is wel heel erg dun: de drijfveer van Ingrid om Alexander te zoeken. Is ze nou zo koppig of zo eenzaam, of is ze geestesziek, dat ze de Rus achterna gaat? Wat wil ze nu eigenlijk te weten komen? Dat hij alleen van haar houdt? Dat hij bij haar wil zijn? Waarom is hij dan weggegaan? En waarom gaat ze terug naar Barrøy? Baalt ze ervan dat Alexander een ander heeft/had? Is ze teleurgesteld, boos, verdrietig, wat? Door alles wat Ingrid meemaakt merk je wel dat er iets met haar is, maar niet wat. Ze blijft een uitermate vaag personage, van wie je de drijfveren niet kunt achterhalen.

    In een schetsboek houdt Ingrid bij wie ze onderweg ontmoet en ze maakt wat aantekeningen en schetsen van de natuur. Dat ze dat doet wordt steeds weer genoemd, maar wat daar de functie van is blijft ook ongewis. In een verhaal wil je je graag inleven in en meeleven met de hoofdpersonages. In Ogen van de Rigel krijg je daar de kans niet voor. De roman geeft te weinig antwoorden op de vragen die zowel Ingrid als de lezer zich stellen, waardoor het lezen ervan erg onbevredigend is. Het boek lijkt veel op een streekroman zoals we die in een stereotype voor ogen hebben. Er wordt heel veel beschreven, maar weinig essentieels verteld. Wellicht dat Jacobsen daarom zo beroemd is in Noorwegen: hij is lyrisch over het land.

     

     

  • Dit boek hangt van ontmoetingen aan elkaar met een reden

    Dit boek hangt van ontmoetingen aan elkaar met een reden

    Alternatieve feiten, of uiteindelijk toch iets anders? Daar begint het mee in het in 2009 voor het eerst in het Nederlands verschenen, uit drie gedeelten bestaande Hässelby van de Noorse schrijver Johan Harstad. De toon is gezet: een man stapt resoluut de weg op. Of: ‘Mijn vader werd geschept toen hij de straat wilde oversteken, door een vrachtwagen die te hard reed’. Het gevolg is hetzelfde: ‘Het inwonertal van Zweden is zojuist met één gedaald’. Een droogkomische, wat sneue opmerking die kenmerkend is voor Hässelby, Harstads tweede boek, vóór zijn grootse Max, Mischa & het Tet-offensief, waarvoor hij in 2018 de Europese Literatuurprijs kreeg en dat geweldig vertaald werd door Edith Koenders en Paula Stevens. Stevens vertaalde ook Hässelby.

    Bertil Åberg, de vader van de ik-figuur Albert Åberg in het boek, is overleden. Zijn vader hield op een gegeven moment op vader te zijn, hij wilde zijn maatje zijn. Ze woonden in Hässelby, een betonnen voorstad van Stockholm, tot Albert naar Hong Kong vertrekt, omdat hij geen maatje wil zijn. Toevallig loopt hij Helmut Aldman tegen het lijf die hem vraagt zijn tolk te zijn als hij in Hong Kong grote delen van de Star Wars-producten wil opkopen om naar Duitsland te verschepen. Deze actie loopt op niets uit en Aldman blijkt opeens van de aardbodem verdwenen te zijn. Dat levert enkele detectiveachtige passages op over bijvoorbeeld een cliché-achtige man in regenjas middenin de nacht in de gang van het hotel.

    Ontmoetingen en verdwijningen

    De volgende ontmoeting – het boek hangt van ontmoetingen aan elkaar, en dat heeft een reden – staat op stapel. Albert ontmoet Leni in het Parc du Luxembourg in Parijs. Leni komt uit München waar ze ‘kunstgeschiedenis of filosofie of een geheel eigen mix van die twee had gestudeerd’. Opvallend is dat vertaalster Paula Stevens razendsnel en knap van idioom wisselt wanneer de vader van Leni, Anton, spreekt, je hóórt het Duits tussen de regels door.
    Dan volgt een essayachtig stukje over beeldend kunstenaar Yves Klein. Een inlasje dat kenmerkend is voor Harstad. Net zoals hij politiek getinte passages inlast die we ook uit Max, Mischa & het Tet-offensief kennen. In dit geval onder meer over de grote stakingen uit 1986 in Parijs. Na het stukje over Klein roept Harstad met even groot gemak een sprookjesachtige sfeer op: ‘Ik ging liggen met mijn rugzak over mijn hoofd (…). En toen landde een groot blad op mijn gezicht, het werd donker en ik viel in slaap’. 

    Af en toe sijpelen er zinnetjes door die, met de verdwijning van Aldman en de semi-verdwijning van Albert in het achterhoofd, je op scherp zetten: ‘Op dat moment waren we [Albert, Leni en nog enkele vrienden, EvS] sowieso al met verschillende noorderzonnen vetrokken’. Er staat de lezer dus nog was te wachten!
    De reeks ontmoetingen en verdwijningen zet zich voort. Nu met een vreemde man in een dunne, grijze regenjas (waar hebben we die eerder gezien?) met drie vlekken op de zoom. Albert verdenkt hem ervan dat hij hem volgt, maar op een dag is hij ‘als door de aarde verzwolgen’.

    Het gewone leven neemt weer zijn gangetje, de stakingen zijn voorbij. Albert gaat met zijn vriendin Leni veelvuldig naar de bioscoop en – net als in de andere boeken van Harstad – de films die ze zien worden bij name genoemd en soms kort beschreven; ook dit is niet zonder bedoeling. Dan gaat het bergafwaarts tussen Albert en Leni. De reden is, dat Albert met zijn hoofd toch weer terug was in Hässelby. Tot zover het eerste deel van het boek.

    De wolf buiten de deur houden

    In het tweede deel zetten de ‘verdwijningen’ zich voort. ‘Toen kwam Catharina. Uit Skåne’. Een moederfiguur. ‘Het duurde twee jaar voordat ik begreep dat ze niet zomaar was weggewaaid met de wind’. Als de wind die eerder een groot blad op Alberts gezicht had doen waaien. Vijf jaar later ‘verdween’ ook Alberts vader. Dat wil zeggen, hij overleed in het ziekenhuis, al dan niet resoluut de weg opgestapt of aangereden door een vrachtwagen die te hard reed. Het voelt voor Albert of hij hém verliet. Harstad neemt bij zulke situaties de clichés in boeken van een wat minder literair niveau op de hak: ‘Er hingen zware, grijze wolken boven de stad en het zou vanavond weleens kunnen gaan sneeuwen, regenen, moeilijk te zeggen. Het kon ook zijn dat er niets gebeurde. Maar dat gaf niet’. 

    Een manier van verdwijnen is ook door niet aanwezig te zijn, zoals Gustav Myrbäck, die op nummer 32 woont in de flat waar Albert een appartement heeft. Al jaren is hij niet gezien, hoewel hij wel stipt de huur schijnt te betalen. Tot Albert en zijn vriend Åke hem in de metro zien. Het blijkt de man te zijn die hij in Disko (dé disco) in Parijs had ontmoet. Dat wil zeggen: hij had gezien dat Myrbäck iemand verkrachtte en had niets daartegen ondernomen. ‘Nu kon ik de wolf niet meer buiten de deur houden’. Hier krijgt het boek een beklemmende, donkere sfeer en wordt méér dan een verhaal enkel in woorden; er komen tekeningen en foto’s bij. Waarschijnlijk gemaakt door Harstad, die ook het omslag van de Nederlandse uitgave ontwierp. 

    Fake of niet

    In het derde deel van het boek is Albert opgenomen in het Karolinska Ziekenhuis. Er komt bezoek dat óók weer verdwijnt. De politie komt en gaat alle verdwijningen onderzoeken waarbij Albert volgens hen betrokken was. Ondertussen ontsnapt hij uit het Karolinska Ziekenhuis en gaat naar München, niet toevallig de stad van Leni. Hier voelt hij zich een vluchteling, ziet Leni en maakt een afspraak met haar. Ook komt hij erachter dat Aldmann er een Star Wars-speelgoedwinkel heeft; dit was dus de stad waar hij alles naartoe heeft verscheept. Hij hééft een winkel, en hij leeft.

    Op dit punt gekomen blijkt alles fake: Aldman ontkent met Albert in Hong Kong te zijn geweest, Leni’s vader is wél directeur van BMW, al ontkende hij dat op verzoek van Leni (ze was bang dat ze qua milieu niet bij elkaar pasten). Hässelby is wel een mooie voorstad van Stockholm, al had Albert dat nooit zo gezien. Of is het toch iets anders dan fake? Er zou ongetwijfeld een andere rode lijn dan enkel ‘verdwijningen’ in het verhaal kunnen zitten en toch tot dezelfde conclusie komen: dat dit een rijk boek is, zoals alles wat Harstad daarna schreef. Maar op de een of andere manier geeft juist deze rode lijn aan waar Harstad mee speelt: het is als de boven- en de onderkant van een schilderij uit de barokperiode. Aan de onderkant speelt het dagelijkse leven zich af en aan de bovenkant de waandenkbeelden, in het geval van dit boek die van een psychiatrische patiënt.

    Boven en onderkant

    De verdwijningen vormen de verbinding tussen boven- en onderkant. Verdwijningen van personages, van politieke ideologieën en van de jeugd (gesymboliseerd door sprookjesachtige passages, een vader die maatje in plaats van vader wil zijn). De werkelijkheid van de onderkant wordt gespiegeld door een verhaal dat zich in de bovenkant afspeelt. In de verbeelding, in eerste instantie in boeken die worden aangehaald, popmuziek die wordt beluisterd, films die worden bekeken (Brazil, The Return of the Jedi, The Empire Strikes Back). In de donkere wolken die steeds meer de sfeer van het boek gaan bepalen. 

    En tenslotte in de synchroniciteit die in het boek als hint wordt gegeven. Een idee van psychiater Jung: ‘Alles hield verband met elkaar, je kon de verschillende brokstukken onmogelijk van elkaar scheiden, niets werd meer beperkt door de causaliteit’, of: ‘de gelijkenissen tussen gelijktijdige gebeurtenissen’.  Zo zie je dan achter al die verdwijningen andere verdwijningen, zoals de verdwijning van een schoolklas in Japan, of recent van de Chinese zakenman Jack Ma die in ongenade was gevallen, en zoveel meer. Ja, Hässelby is een rijk boek van één van de grootste Noorse schrijvers van dit moment.

     

     

  • Vluchten in je fantasie

    Vluchten in je fantasie

    De Noorse schrijfster Herbjørg Wassmo (1942) debuteerde in 1972 met de dichtbundel Vingeslag. In 1981 brak ze met de Tora-trilogie door als auteur. Inmiddels heeft Wassmo ruim een dozijn boeken op haar naam staan die in verschillende landen bestsellers werden. Ook ontving zij meerdere onderscheidingen. Het huis met de blinde serre is het eerste deel van de bekroonde reeks over het meisje Tora. Onlangs verscheen het opnieuw in een kleine uitgave in de Colibri-bibliotheek.

    De 12-jarige Tora woont rond 1955 met haar moeder in een vissersdorpje in het noorden van Noorwegen. Met een enorm inlevingsvermogen beschrijft Wassmo het leven van dit meisje dat 10 jaar na de oorlog nog steeds ‘dat moffenjong’ blijft. Tora is geboren uit een relatie tussen een vissermeisje en een Duitse officier en in het dorp waar ze woont wordt zij uitgescholden en buiten gesloten. Van haar willoze, getraumatiseerde moeder hoeft zij geen steun of liefde te verwachten. Tora’s moeder is hertrouwd met een werkloze alcoholist die in de gevangenis heeft gezeten. Terwijl moeder hard werkt op de visafslag en als schoonmaakster, misbruikt haar stiefvader Tora. Tora durft niemand in vertrouwen te nemen. Het verdriet en de eenzaamheid van dit meisje zijn aangrijpend en invoelbaar beschreven. Vooral het gevoel van onveiligheid zowel thuis als in het dorp overheerst en is beklemmend.
    De macht die stiefvader Hendrik over haar heeft is alles overheersend.
    ‘Toen had ze begrepen dat Hendrik de sterkste was.’ (10) ‘En Tora wist dat de sterkste de dienst uitmaakte en altijd gelijk had. Het was belangrijk om te weten wie de sterkste was. Hendrik was de sterkste.’(26)
    Hendriks dreigende aanwezigheid maakt Tora’s leven ondraaglijk. Altijd let hij op haar en ze leert zich zelfs aan in zijn bijzijn alleen het het allernoodzakelijkste te eten. Alleen zijn blik al doet haar knoeien met haar eten en hem in woede uitbarsten. Maar het ergste is het misbruik. ‘Handen. Handen die in het donker kwamen. Dat was het gevaarlijkste.’(10)

    Tora wordt steeds zwijgzamer en ze bezwijkt bijna onder de schuldgevoelens. Heel langzaam verliest ze alle contact met haar omgeving. Haar enige ontsnapping zijn haar fantasie en de wereld in haar boeken. Een ander lichtpuntje in haar zwarte leven is haar tante Rakel. Deze zus van haar moeder is ongewild kinderloos en biedt Tora warmte. Al snakt Tora naar de liefde van haar ongrijpbare moeder en niet die van haar tante. Daarom fantaseert Tora vaak dat Rakel haar echte moeder is. Net zoals ze droomt over een vader in het verre Berlijn en het leven van haar mooie lerares op school.

    Het huis met de blinde serre is een zwaar boek, maar het wordt nergens naargeestig. De beklemming knijpt je keel af en toe dicht. Dat komt vooral door Wassmo’s schrijfstijl; als knap vertelster suggereert ze meer dan ze benoemt. Ook de rake, intense beschrijvingen van het rauwe Noorse leven in een kleine gesloten gemeenschap dragen bij aan die beklemming. Als lezer kruip je dicht op de huid, of beter gezegd zelfs onder de huid, van meisje Tora en dat maakt dat je wilt weten of zij het redt. Dat is een voordeel van deze heruitgave: de overige delen uit de trilogie zijn al verschenen zijn, lang wachten op het antwoord hoeft dus niet.

     

  • Een boek over onzichtbaarheid

    Een boek over onzichtbaarheid

    Recensie door Juliette van Wersch

    Mattias is geboren in 1969, precies in de nacht dat Buzz Aldrin zijn eerste stap op de maan zette. Niet Neil Armstrong, maar Buzz Aldrin is Mattias’ held: de tweede man, de man achter en in de schaduw van Armstrong. Zo onopvallend wil Mattias ook door het leven gaan. Al lukt dat niet altijd. En dan zijn de gevolgen groot.

    Hij leidt het gewenste rustige bestaan, totdat in zeer korte tijd zijn vriendin bij hem weggaat en het tuiniersbedrijf waar hij werkt failliet gaat. ‘Ze haalde haar spullen weg, haar meubels, liet de wereld krimpen en maakte de kamers groter.’ Wat doe je dan? Als je niets meer hebt? Mattias stemt toe om met z’n beste vriend, die hem al jaren bij z’n band wil hebben, mee te gaan voor een optreden op de Faeröer. Na een wilde oversteek wordt hij wakker op een verlaten weg, doorweekt van de regen, met bloed aan zijn handen en een heleboel geld op zak. Vanaf dan zal zijn leven nooit meer hetzelfde worden.

    Nadat hij zich naar een bushokje gesleept heeft om voor de regen te schuilen, pikt een automobilist hem daar op. Geradbraakt en verkleumd laat hij zich meenemen, in bed stoppen en vervolgens slaapt hij dagen aan één stuk voordat hij een beetje bijkomt. De man die hem heeft opgevangen is dr. Havstein, een psychiater die in een oude fabriek een soort opvanghuis heeft voor mensen die tussen kliniek en maatschappij in staan.

    De vaste bewoners naast Havstein, zijn Anna, Palli, Ennen en later de letterlijk aangespoelde Amerikaanse Carl. Het worden Mattias’ beste vrienden. Stuk voor stuk dragen ze een eigenaardige geschiedenis met zich mee, die langzaam maar zeker ontrafeld en zichtbaar worden. Dat je verleden je achtervolgt, wordt pijnlijk duidelijk gemaakt. Havstein is hun reddingsboei, hoewel hijzelf ook niet helemaal zuiver blijkt te zijn.

    Hoe hecht de groep is, blijkt wanneer één van hen plotseling komt te overlijden. Alsof er molecuul is weggehaald uit de vloeistof die hen bindt en die voor een andere chemische reactie zorgt. Later, wanneer hij met iemand die haar niet heeft gekend, teruggaat naar haar graf merkt diegene op dat ze niet oud is geworden.
    ‘Wat is er gebeurd?’
    ‘Ze is door de bus overreden.’
    ‘Dat spijt me, Mattias.’
    ‘Dat hoeft niet. Ze was dol op bussen. Het had erger gekund.’

    Mattias gaat na de dood van dit meisje weer naar huis. Hij kan zolang in het vakantiehuisje van zijn ouders wonen en werken bij kennissen. Maar hij trekt het niet. Hij mist zijn vrienden en het land. Wanneer hij terugkomt op de Faeroër, hoort hij dat de instelling van Havstein zal moeten sluiten. Het nut ervan wordt door de overheidsinstellingen in twijfel gebracht. Tijdens een nachtelijke klim op een van de mooiste plekken van de Faeroër, krijgt Mattias een ingeving voor een oplossing, zodat ze bij elkaar kunnen blijven en het geluk elders kunnen gaan zoeken. Een reis die al lang in hun fantasie bestaat… ‘als ze je maar vaak genoeg vertellen dat je de werkelijkheid niet kunt overzien, dat je je eigen fantasiewereld verwart met wat algemeen geldig is, dan word je gedwongen om elk idee dat bij je opkomt met dezelfde ernst te overdenken.’ Of ze het zullen redden, weet je niet. Bij aanvang van de reis (of is het weer een vlucht?) is het verhaal afgelopen.

    Buzz Aldrin. heeft iets surrealistisch. Hoe kan het ook anders in dat surrealistische landschap van de Faeroër, waar het altijd lijkt te regenen en je uren op een bus moet wachten. De troostende muziek van The Cardigans die veelvuldig genoemd wordt, past erg goed bij de sfeer in het boek. Met droge humor en zeer fraai en origineel taalgebruik laat Johan Harstad je een verstilde wereld zien, die heel erg tot de verbeelding spreekt. Het is alsof je een sneeuwbol instapt die soms heel hard geschud wordt en soms kalmerend stil is wanneer de opgewaaide vlokjes weer zijn neergedaald. Waar het een lange tijd niet lijkt uit te maken waar je vandaan komt en je geschiedenis kunt vergeten. Opnieuw beginnen. Tot op zekere hoogte.

    Harstads stijl is bewonderenswaardig, vooral de originaliteit waarmee hij de grote thema’s als liefde, dood, gekte en vriendschap weet te specificeren en de geniale wijze waarop hij de eerste landing op de maan weet te verbinden met de existentialistische crisis van een jonge man. Dit is zo’n boek waar ik naar aanleiding van de bespreking van Vrouwen die lezen zijn gevaarlijk op deze site, naar verlangde.