• Het korte, volle leven van Paul van Ostaijen

    Het korte, volle leven van Paul van Ostaijen

    ‘Ruim twintig jaar al duikt Paul van Ostaijen met enige regelmaat op in mijn bestaan.’ Aldus begint Matthijs de Ridder het nawoord van zijn biografie over de Vlaamse dichter, die als ondertitel ‘De dichter die de wereld wilde veranderen’ heeft meegekregen. Die tijdsspanne toont aan hoe grondig De Ridder te werk is gegaan. Het resultaat is ernaar, want hij geeft de lezer een zeer gedetailleerd beeld van het leven van de grote vernieuwer van de Vlaamse poëzie.

    Het verhaal begint in het Antwerpen van vlak voor de eeuwwisseling, bij de geboorte van Pol van Ostaijen in 1896. De wijze waarop Matthijs de Ridder het Antwerpen van deze tijd tot leven brengt is een waar genot voor de lezer. We volgen Pol in zijn jeugd en schooljaren. Een begaafd leerling is hij bepaald niet en op jonge leeftijd wisselt hij het schoolleven al in voor een baan als klerk bij de gemeente. De drang om een grote rol te gaan spelen in de Vlaamse letteren manifesteert zich echter al vroeg. Pol wil de dichter van zijn generatie worden. Het duurt na deze vroege jaren van Pol (zijn originele naam, ‘per ongeluk’ vernoemd naar Koning Leopold I zo valt ergens te lezen, dus veranderde hij zijn naam in Paul), nog enkele honderden bladzijden voor we aankomen bij Music-Hall, zijn debuut uit 1916, waarmee hij de gangbare begrippen van de kunst aan het wankelen brengt. De oorlog had duidelijk een nieuwe tijd ingeleid, en Music-Hall is daarvan een manifestatie.

    In het eerste deel worden veel vrienden en medeoprichters van literaire tijdschriften aangehaald, tijdschriften die vaak een kort leven beschoren zijn. Het grote aantal namen maakt het verhaal soms moeilijk te volgen. Daarnaast zijn er veel passages die niet direct relevant zijn. Dat Paul van Ostaijen mogelijk bij een bokswedstrijd aanwezig was en daar misschien een bespreking aan heeft gewijd hoeft geen drie bladzijden te kosten. Zo zijn er meer passages die korter of in een voetnoot afgehandeld hadden kunnen worden.

    Eerste Wereldoorlog

    Van Ostaijen heeft duidelijk het heilige vuur om de literatuur een flinke optater te geven, maar hij mist nog de juiste structuur om dat echt waar te maken. Natuurlijk breekt ook de Eerste Wereldoorlog uit in 1914, en na een korte maar hevige strijd valt Antwerpen. De oorlog wordt slechts sporadisch genoemd, maar op de achtergrond is deze altijd aanwezig. Door de taalstrijd krijgt de oorlog nog extra betekenis. Het Frans voert op alle gebieden de boventoon zodat de positie van het Vlaams nog bevochten moet worden. Er zijn elementen binnen de Vlaamse beweging die voor hun strijd steun hopen te krijgen van de Duitse bezetter. De rol van Van Ostaijen hierin is onduidelijk, maar zijn medewerking aan de Duitsgezinde Vlaamsche Gazet is er wel mede de oorzaak van dat hij na de oorlog wordt veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf. Uiteindelijk zal hij nooit in de gevangenis belanden. Aan het eind van de oorlog verschijnt zijn tweede bundel Het Sienjaal (1918).

    Berlijn

    Na de oorlog gaat Paul naar Berlijn met zijn nieuwe vriendin Emma Clément, beter bekend als Emmeken. De stad zelf lonkt, maar Paul is ook op de vlucht voor het gerecht vanwege zijn veroordeling. In Berlijn komt hij in aanraking met het nachtleven in de grote stad, de jazz, de clubs. Het zal zijn weerslag vinden in bundels als Bezette Stad (1921) en Feesten van Angst en Pijn (1921, maar postuum gepubliceerd). Om zijn hectische leven en zijn complete toewijding aan de poëzie vol te houden raakt hij steeds meer afhankelijk van de cocaïne. In 1921 keert hij terug naar Antwerpen, korte tijd later gevolgd door Emmeken. Hun knipperlichtrelatie is dan al een aflopende zaak en eindigt definitief als zij met iemand anders trouwt.

    Bundels

    Ondanks de vele details verliest Matthijs de Ridder de grote lijn niet uit het oog. Deze is opgebouwd rond drie belangrijke pijlers: de biografische levensloop van Paul van Ostaijen, zijn liefdesleven en vooral de dichtbundels waar hij zijn faam aan dankt. Opvallend is hoezeer het verhaal vaart en structuur krijgt zodra er een bundel in zicht komt; dat zijn dan ook de beste passages van de biografie. Door een duidelijk beeld te schetsen van de ontstaansgeschiedenis van elke bundel maakt De Ridder ook duidelijk hoe deze allen op zichzelf staan. De poëtische ontwikkeling van Paul van Ostaijen is niet eenlijnig. Music-Hall was vooral qua inhoud revolutionair, wat stijl betreft lag het nog altijd in het verlengde van de traditionele poëzie. In zijn tweede bundel Het Sienjaal kiest hij steeds meer voor het woord als bouwsteen. Daarna gaat de typografie een grote rol spelen, zoals in Bezette Stad. En dan zijn er natuurlijk zijn nagelaten gedichten. Heel mooi beschrijft De Ridder de wordingsgeschiedenis van klassiekers als ‘Melopee’ en ‘Marc groet ’s morgens de dingen’: ‘De ‘dingen’ uit de titel van dit laatste gedicht worden in een totaal ander licht gesteld door de blik van een kleine jongen die ’s ochtends door het huis loopt en ze tot leven wekt. […] Voor de duur van het gedicht wordt zelfs de meest cynische lezer ontwapend door dit onweerstaanbaar naïeve perspectief en verleid om het leven van een totaal andere kant te zien.’

    De Ridder geeft de parameters van de tijd zodanig weer dat deze automatisch leiden tot het vernieuwende dichterschap van Paul van Ostaijen. Maar ondanks de herhaalde drang een ‘revolutionaire’ poëzie te schrijven, moet dat vernieuwende toch vooral worden gezocht in vorm en stijl. Inhoudelijk en maatschappelijk blijft de revolutie ver verwijderd.

    Waardering

    Na de publicatie van Bezette Stad lijkt het er steeds meer op dat Van Ostaijen geen aansluiting meer kan vinden in het artistieke milieu van Antwerpen. De bundel wordt matig tot negatief gerecenseerd. Hij voelt zich onbegrepen als kunstenaar en daardoor eenzaam. Zijn plaats tussen de Vlaamse poëzie blijft moeizaam. ‘Iedere keer dat hij zelf zijn nek uitstak om een beweging op te richten, mislukte dit jammerlijk.’ Daarin kunnen we natuurlijk ook de oorzaak zien van het feit dat zijn poëzie, hoe origineel ook, hoezeer aansluitend bij de tijdgeest en hoezeer ook een eeuw later nog steeds aansprekend, toch nooit echt school heeft gemaakt. Het stak Van Ostaijen dat hem nooit een grote literaire prijs ten deel viel. Het zegt ook alles over zijn plek in de Vlaamse poëzie: ondanks al zijn pogingen en de waarde die wij nu in zijn werk zien, bleef hij tijdens zijn leven toch meer een buitenstaander, niettegenstaande zijn vriendschappen met dichters als Gaston Burssens en Wies Moens, en later Eddy du Perron.

    Als langzaamaan de lof voor zijn poëzie begint te groeien en Van Ostaijen de erkenning krijgt dat dankzij hem de moderne poëzie voet aan de grond kreeg, is het al te laat. In 1925 wordt bij hem TBC geconstateerd. Uiteindelijk sterft Paul van Ostaijen op 18 maart 1928 in Sanatorium Miavoye-Le Vallon. Een half jaar later overlijdt ook zijn broer Stan aan TBC, het vierde kind van de ouders Van Ostaijen dat als jongvolwassene sterft aan TBC en het zevende in totaal.

    Ondanks de genoemde tekortkomingen verdient Matthijs de Ridder vooral lof voor deze groots opgezette biografie, een waardevol bezit voor alle fans van Paul van Ostaijen. Een laatste woord verdient de uitgave op zich, want wat is deze biografie voorbeeldig uitgegeven. Alles klopt: het ontwerp, de kleuren, de foto’s, de besproken kunstwerken in de bijlage, het lettertype, het is werkelijk allemaal even prachtig.

     

     

  • Wellust van woorden

    Wellust van woorden

    Benoemen. Dingen om je heen een naam geven. Vastleggen tegen het verdwijnen. Bezweren.
    ‘Almaar meer woorden, waarmee ik het vele niet alleen kan benoemen en opsommen maar ook bedwingen, verkleinen en overzichtelijk maken. Want hoe langer hoe meer zag het ernaar uit dat het in een mensenleven erop aankwam het overzicht te bewaren.’
    Niet toevallig verwijst Leo Pleysier in zijn jongste werk Heel de tijd naar het bekende gedicht van Paul van Ostaijen, Marc groet ’s morgens de dingen, een gedicht dat bij uitstek vanuit een onbevangen, kinderlijk perspectief gaat over het verkennen van de wereld, elke dag opnieuw. Die instelling is Leo Pleysier ook niet vreemd, getuige de woorden: ‘De onbevangenheid van het begin’, uit zijn in 1978 verschenen De razernij der winderige dagen.
    Jeugdherinneringen haalt Pleysier vaak op in zijn teksten en Heel de tijd is hierop geen uitzondering. De Van Ostaijen-verwijzing staat aan het slot van een fragment over de leraar Staf, die hard op weg leek om nog eens bisschop te worden, als niet een fatale ziekte hem de pas had afgesneden. Bitterzoete herinneringen haalt de schrijver in de dop op aan Staf, die hij besluit met ‘Dag Staf. Dag goede maar soms ook lepe en ongemakkelijke Staf. Dag ravenzwartgerokte leraar mijn.’

    Pleysier wil zijn Heel de tijd ook nadrukkelijk plaatsen in een literaire traditie. Het boek opent met een beschrijving van een groepsportret van Vlaamse schrijvers en dichters, van wie de meesten inmiddels al overleden zijn. Het is een vastgelegd moment van een groep literatoren, die evengoed Italiaanse ambtenaren hadden kunnen zijn of Schotse leden van een bridgeclub en die na deze fotosessie ieder huns weegs zijn gegaan. Sommigen heeft de ik zelfs nooit meer gezien. ‘SOMS DENK IK, die Vlaamse schrijvers hier tegen de muur, wat hangen die daar nog te hangen feitelijk? Ik heb toch allang niets meer met ze te maken? Of wel, misschien?’

    De boodschap is duidelijk: het verhaal, of de verhalen die volgen is geen willekeurig verhaal uit de krant, maar een literaire tekst, met (terug)verwijzingen en terugkerende verhaalmotieven, zoals in een symfonie, welke soms reiken tot in vroeger werk van Pleysier, zoals de Brussellaars die tijdens een anti-kruisrakettendemonstratie, waarbij de stad wordt overspoeld door boeren, burgers en buitenlui een uitroep van Venetianen in de mond wordt gelegd die Pleysier ook al als motto gebruikt voor zijn De weg naar Kralingen uit 1981: …poltroni ande arrar (scheer jullie weg, luiaards!)

    Daarnaast haalt hij verstrooid door de tekst ook dichters aan, van wie het werk deel uitmaakt van zijn literaire geheugen en die met zijn teksten door tijd en geografie heen één groot netwerk vormen. Dat daarbij ook de Noord-Ierse dichter Seamus Heaney wordt geciteerd is voor Pleysier en zijn vaste lezers niet meer dan ‘normaal’. Heaney’s werk is letterlijk geworteld in het Ierse landschap, net als dat van Pleysier in de streek van de Belgische Kempen waar hij is opgegroeid en weer is gaan wonen.
    Dat zou bij auteurs van minder kaliber kunnen leiden tot streekgebonden literatuur die het plaatsgebonden anekdotische nauwelijks overstijgt. Maar dat is bij Pleysier in het geheel niet het geval. Bij hem toont zich het universele in de beperking, om de oude Goethe maar eens te parafraseren.
    Met zijn oudere broer ‘onzen Herman’, zit de ik aan tafel, wanneer die een potloodtekening van een uil gaat maken. Herman is daar goed in. Veel gereedschap heeft hij niet nodig: een hard en een zacht potlood, een stukje gom en een puntenslijper.
    Wanneer Herman zich aan het werk zet, blijkt het uiterst secuur werk te zijn. Monnikenwerk zelfs. ‘Welja, want dat vraagt tijd, zegt hij. Daar moet ge zowel tijd en geduld als een vaste hand voor hebben.  (….) Spannend, zeg ik. Heel spannend vind ik het. Al mocht er voor mijn part toch iets meer voortgang in het werk zitten. Niks van, het is een kwestie van gestaag, maar rustig door te werken, zegt onzen Herman.’

    Deze scène zou je ook een metafoor van het schrijven kunnen noemen, en de opmerking van de ‘ik’ als een lichte zelfspot. Want vertragen is inherent aan het willen vastleggen van wat verdwijnt, van woorden en het universum dat ze belichamen, woorden die door Pleysier aan de vergetelheid worden ontrukt, zoals het prachtige ‘nirken’, een geluid dat koeien maken wanneer ze het gegraasde gras aan het verteren zijn.
    Foto’s zijn voor Pleysier ook een vertrekpunt voor zijn verhalen. Naast het schrijversportret, zijn ook een foto van een kleiput en de trouwfoto van zijn ouders zulke ankers voor het geheugen.
    Een opmerking naar aanleiding van vergeelde familiefoto’s geeft mogelijk ook een inzicht in Pleysiers visie op taal(gebruik). Foto’s verbleken door daglicht en ouderdom, stelt hij vast. ‘En van te lang blootgesteld worden aan menselijke blikken gaan ze op den duur helemaal kapot.’
    Maar geldt dat ook niet voor taal? Teveel gebruikte woorden die hun betekenis verliezen, tot clichés verworden? Daarom pakt Pleysier in zijn werk – het geldt voor zijn gehele oeuvre – woorden op die zeldzaam zijn en hun kracht nog niet hebben verloren. Wat te denken van het mooie ‘aflijvig’ i.p.v. gestorven of het even bijzondere ‘nirken’, dat in de Van Dale wordt omschreven als herkauwen. Maar voor Pleysier is dat woord aanleiding om de lezer uit te leggen wat dat woord precies inhoudt, welke sensatie het is om een koe te horen ‘nirken’.
    Literatuurtheoretici als Roman Jakobson en Victor Sjklovski hebben dit procédé ooit beschreven als ‘vervreemding’, een woord zo gebruiken dat het als het ware in een nieuw licht verschijnt en opnieuw betekenis krijgt.

    Het symfonische werk van Leo Pleysier is een ode aan de taal, wellust van het woord.  Kortom een genot.

     

     

  • Het ritme van inkt en witregels

    In een boek uit de jaren tachtig stond een foto van de bibliotheek van Het Vredespaleis in Den Haag. De foto bracht me terug naar mijn tienerjaren. De jaren van boeken en muziekplaten, en later cd’s lenen in de plaatselijke bibliotheek. Op de foto is een bruin interieur te zien, behangen met boekenkasten en lange tafels met het blad rood bekleed. Grote brillen op de neuzen van de aanwezigen, evenals hun oversized truien en jasjes in felle kleuren, groen, blauw en geel. Op de tafels stapels boeken om de lezers heen. Mensen zitten met hun neus in de boeken en pen in de aanslag om notities te maken.

    Geen laptop, smartphone of computer te vinden. Alhoewel, op de flap van het stofomslag van het boek is wel een auteursfoto te vinden: triomfantelijk houdt de schrijver van het boek en bibliothecaris van deze bieb, pen en papier omhoog maar hij leunt wel half op een klein computerscherm met grote bak erachter en een toetsenbord ernaast.  De gebruikers van de bibliotheek moeten het nog doen met pen en papier, maar het Opperwezen van de Collectie staat al wel met één been in de digitale tijd.

    Tien jaar later, halverwege de jaren negentig, toog ik met een hele zware laptop met de fiets en metro naar een gebouw naast het Amsterdams Medisch Centrum, om in het depot van de Universiteitsbibliotheek, op aanvraag, kranten uit de jaren vijftig in te zien, studiemateriaal voor mijn doctoraalscriptie. Het af en toe oprispende, ronkende geluid van de laptop kan ik nog steeds oproepen. Daarop tikte ik mijn doctoraalscriptie, ook al gebruikte ik toen nog geen email om mijn hoofdstukken te versturen. Ik kopieerde de pagina’s en fietste ze naar het faculteitsgebouw. Door mijn vorderingen te kopiëren ontstond een prettige bijkomstigheid: de bladspiegel moest worden opgemaakt, de letter en de lettergrootte moesten gekozen worden. Als het op papier afgedrukt was, keurde ik het als een letterknecht in een zetterij.

    Om hetzelfde grafische plezier schreef ik gedichten. Ik was misschien wel meer bezig met het ritme van inkt en witregel dan met de poëtische inhoud. Het voelde alsof ik een ambacht uitoefende op mijn eigen wijze en op een nieuwe manier: via het scherm van mijn laptop. De visuele poëzie is in die zin het summum van grafisch visueel plezier: letters op een dansende cadans op het papier gezet, nog steeds ongeëvenaard uiteraard te bewonderen in Bezette Stad van Paul van Ostaijen uit 1921. Ik keek net tussen mijn eigen boeken en in de database van mijn boekwinkel: jammer, geen exemplaar van Bezette Stad of Van Ostaijens Verzameld Werk. Gelijk maar even besteld via Boekwinkeltjes.nl. Want het is goed geregeld terug te keren naar je eerste schreden op het pad waarop je nog steeds gaat, zonder te weten waar je uitkomt.