• Een coldcase met terugwerkende kracht uit het jaar 1625

    Een coldcase met terugwerkende kracht uit het jaar 1625

    Een cold case is een onopgelost ernstig misdrijf. In de roman Het proces van Sören Qvist, van Janet Lewis uit 1947, wordt een moord gepleegd die weliswaar op het moment zelf ontraadseld lijkt, maar waarvan de oplossing achteraf op foutieve conclusies blijkt te berusten. Al tijdens het proces werd er sterk getwijfeld aan de juistheid van de veroordeling, maar indirect bewijs gaf de doorslag. Het betreft hier een cold case met terugwerkende kracht dus. En een waargebeurd verhaal, ingrediënten die lezers kennelijk blijven boeien, gezien het feit dat dit boek alsnog in het Nederlands is uitgegeven. 

    De in veler ogen ten onrechte (en niet alleen in Nederland) onbekende Amerikaanse schrijfster Janet Lewis heeft op twee jaar na de hele twintigste eeuw meegemaakt. Ze schreef naast poëzie en korte verhalen ook novellen. Op aanraden van haar eveneens schrijvende echtgenoot zocht ze voor haar schrijverschap inspiratie in een negentiende-eeuws wetboek genaamd Famous Cases of Circumstantial Evidence van Samuel M. Phillips. Op basis van enkele waargebeurde ‘cases’ uit dat boek  schreef ze drie novellen, waarin ze vooral het falen van gerechtigheid door overmatig vertrouwen op indirect of vermoedelijk bewijs (presumptive proof) aan de kaak stelde. Het proces van Sören Qvist, volgend op  De vrouw van Martin Guerre zijn inmiddels in een mooie vertaling van Paul van der Lecq verschenen. De derde novelle, The Ghost of Monsieur Scarron, zal ongetwijfeld volgen.

    Openbare zitting van de rechtbank

    De setting is de eerste helft van de zeventiende eeuw, Jutland, Denemarken. De middeleeuwen lijken nog niet voorbij, een verlichtere vorm van geloof heeft heidense gebruiken niet helemaal verdrongen: heksen bestaan misschien nog en zijn in samenspraak met de duivel ‘gek op het kwaad dat ze aanrichten’, ze kunnen buiten de deur gehouden worden door rozemarijn of wijnruit en onheil kan verjaagd worden door een lijsterbes geplukt op de avond voor Hemelvaartsdag. 

    Lewis heeft veel aandacht voor sfeertekeningen; kleding, natuur en eten worden in kleuren en geuren, vaak poëtisch weergegeven: ‘(…) wel verschenen er witte sterren aan de zachtblauwe hemel. Toen het blauw zich verdiepte tot paars en het paars begon te vervagen, maar lichtgevend werd en transparant, vormden die sterren clusters en zwermen die tintelden als rijp. Uit de vijver verrees een nevel en op de bladeren en het gras verzamelde zich de dauw.’ Haar gedetailleerde beschrijvingen maken dat je als lezer weliswaar scherp mee kan kijken, maar tegelijkertijd toeschouwer blijft. Ze lijkt geen beroep te willen doen op ons inlevingsvermogen. Op geen enkel moment heb je de neiging je te identificeren met één van de hoofdpersonages. Je bent getuige van een zaak en ziet hoe het net zich geleidelijk en onvermijdelijk om de aangeklaagde sluit.

    Innerlijk duel tussen God en de duivel

    In een vredige Jutlandse parochie in 1625 ontspint zich een vreemde strijd tussen twee mannen die elkaars tegenpolen blijken te zijn. De alom gewaardeerde, rechtschapen, wijze dominee Sören Qvist botst met een ‘onbenul’, de kwaadaardige, luie en brutale knecht Niels. In theorie is een duel tussen deze twee onbestaanbaar. Toch slaat de vlam in de pan omdat de dominee één zwakke plek heeft: hij heeft last van woede-uitbarstingen met fysiek geweld die weliswaar niet zonder aanleiding ontstaan, maar die hij niet kan beheersen. Zijn aversie tegenover Niels interpreteert hij als een beproeving van God, waardoor hij zijn razernij moet leren meesteren.

    Evenals de naasten van de dominee ziet ook de lezer dat de taak die Sören Qvist zichzelf opgelegd heeft niet haalbaar is. Hij zit als bij een spannende film op het puntje van z’n  stoel, hoopt dat de dominee zijn dwaling inziet en een letterlijk verstandige beslissing neemt, dat wil zeggen de knecht ontslaat. Maar al ziet de dominee in dat zijn knecht Niels ‘de zuivere belichaming…van al het kwaad op aarde’ is, hij blijft vol schuldgevoel van zichzelf eisen dat hij deze duivelse verzoeking aan moet kunnen om Gods genade waardig te zijn. 

    Loyaliteitsconflict en morele dilemma’s

    Alle indirecte bewijzen wie de kwelgeest Niels vermoord blijkt te hebben, wijst in de richting van Sören Qvist. De dominee, aanvankelijk overtuigd van zijn onschuld, geeft zich tenslotte over. Niet zo zeer de erkenning van zijn schuld voor de moord doet hem bekennen, maar veeleer de erkenning van zijn morele tekortkomingen om zichzelf te beheersen: ‘Men noeme hem ook wel de tegenspeler. Hij is op mijn pad gekomen, heeft een valstrik gespannen en prompt ben ik daarin verstrikt geraakt.’ Het besef van machteloosheid om het eigen lot te controleren brengt de predikant tot acceptatie van zijn veroordeling en dus tot berusting. Dat lukt zijn naasten, die blijven leven, minder goed. Zijn dochter Anna en haar verloofde, tevens rechter in de zaak Sören Qvist, zijn slachtoffers van een hopeloos loyaliteitsconflict en worden in de val meegetrokken.  

    Wanneer twintig jaar later direct bewijs van de valstrik waarin de dominee gelokt is opduikt, is dit de ultieme, wrange illustratie van het bestaan van morele dilemma’s zonder verlossing. Wat op het eerste gezicht een niet al te ingewikkeld, spannend verhaal in een historische context met wat magische ingrediënten lijkt te zijn, ontpopt zich als een hersenkraker waarmee je als lezer kunt blijven stoeien. Of de schrijfster dat bewust nagestreefd heeft of niet, vragen als ‘wat is rechtvaardigheid?’, ‘welke rol speelt het lot  in een mensenleven?’, ‘wat is goed en wat kwaad?’ zijn onontkoombaar gesteld.

     

  • Ontevreden over een ten goede veranderde echtgenoot

    Ontevreden over een ten goede veranderde echtgenoot

    De titel van het boek De vrouw van Martin Guerre lijkt te suggereren dat de identiteit van de betreffende vrouw er weinig toe doet; haar naam wordt immers niet genoemd. Maar niets is minder waar. Bertrande de Rols krijgt zeer zeker een stem in dit boek uit 1941, dat werd geschreven door de Amerikaanse schrijver en dichter Janet Lewis (1899-1998) en dat werd vertaald door Paul van der Lecq. De vrouw van Martin Guerre is de eerste in een serie van drie novelles waarin Lewis waargebeurde en beruchte rechtszaken beschrijft. De serie wordt gezien als haar meesterwerk binnen een indrukwekkend oeuvre. Het boek werd vanwege de tot de verbeelding sprekende feiten al twee keer verfilmd.

    In 1539 werden in het Franse dorp Artigues twee elfjarige kinderen met elkaar in de echt verbonden. Tot de dag van het huwelijk had Bertrande de Rols nog nooit een woord gewisseld met Martin Guerre, maar het verbond tussen de beide huizen werd al lange tijd overwogen en als vrijwel onvermijdelijk gezien, zoveel voordeel viel er voor beide families aan te behalen. Na de huwelijksnacht waarin de kinderen roerloos in bed liggen zonder naar elkaar te kijken gaat Bertrande nog een paar jaar terug naar haar ouderlijk huis om op haar veertiende, na de dood van haar moeder, te gaan wonen in het huis van de familie Guerre. Aanvankelijk wordt ze door Martin met rust gelaten en daar is ze dankbaar voor. Wanneer Martin een paar jaar later succesvol op berenjacht is geweest merkt ze dat ze een genegenheid voor hem opvat die zich geleidelijk verdiept tot ‘een gloeiende hartstocht’. Ze baart haar eerste zoon op haar twintigste. Het echtpaar bevindt zich in een bijzondere positie: zolang de vader van Martin leeft, blijft Martin voor de wet een kind en wordt hij door zijn vader ook dienovereenkomstig behandeld. Op een dag pakt hij, wetende dat zijn vader hem dat zeker zou weigeren indien hij het zou vragen, tarwezaad uit de graanschuur van zijn vader om zijn eigen veld mee in te zaaien. Hij bespreekt met Bertrande dat hij veiligheidshalve (zijn vader heeft nogal losse handjes) ‘een tijdje op reis gaat’. Volgens Martin moeten acht dagen voldoende zijn. Zijn afwezigheid duurt uiteindelijk acht jaar.

    Inktzwarte zonde

    In de tussentijd overlijden zowel de moeder als de vader van Martin en wordt Bertrande, die na zoveel tijd niet meer durft te hopen op de terugkeer van haar echtgenoot, hoofd van het huishouden Guerre. Op een dag loopt de oom van Martin tot zijn grote vreugde toch zijn verloren gewaande neef tegen het lijf en doet een man met ‘een steviger postuur, volgroeid en met brede schouders’ zijn intrede bij de familie Guerre. Bertrande en haar zoon moeten eraan wennen dat hun echtgenoot en vader weer is teruggekeerd, alhoewel Bertrande aangenaam verrast is dat haar echtgenoot minder arrogant en kortaf is dan vroeger. Ze raakt opnieuw zwanger en wordt dan beslopen door ‘een vreemde ongerustheid, een angst zo gruwelijk en ongewoon dat ze die zelfs in het diepst van haar hart niet voor zichzelf durfde te erkennen. Stel nu eens dat Martin, die vreemdeling met zijn ruwe baard, niet de echte Martin was, de man die ze vaarwel had gekust op die dag rond het middaguur, aan de rand van het zojuist aangeplante veld? In zo’n geval zou ze een inktzwarte zonde hebben begaan, want haar intuïtie had haar daar toch zeker voor gewaarschuwd?’

    Hoffelijk

    Bertrande, die zich al vanaf haar elfde zonder weerwoord schikt in alles wat er voor haar beslist wordt, besluit zich niet neer te leggen bij de nieuwe situatie, ook al blijkt haar echtgenoot na acht jaar over een aantal kwaliteiten te beschikken waar ze op zich niet ontevreden over is. Hij is welbespraakter, vriendelijk en hoffelijk en reageert verbaasd en teder wanneer ze hem confronteert met haar verdenkingen dat hij een bedrieger is die zich voor haar echtgenoot uitgeeft. Hij doet niet eens moeite om haar beschuldigingen te weerleggen. Van een afstandje gezien zou je bijna kunnen vinden dat Bertrande er qua echtgenoot op vooruit gegaan is, maar Bertrande is ongevoelig voor de nieuwe kwaliteiten van haar echtgenoot; de waarheid is voor haar zwaarwegender. Ondertussen begrijpen de zussen van Bertrande en de pastoor niets van haar twijfels. Ze veronderstellen dat ze door de zwangerschap labiel is. Bertrande weet echter ook de oom van Martin aan het twijfelen te brengen over de identiteit van zijn neef en uiteindelijk komt het dan toch tot een rechtszaak, die er in de zestiende eeuw uiteraard anders aan toe gaat dan nu het geval zou zijn: er wordt hoofdzakelijk een beroep gedaan op getuigenverklaringen.

    Krankzinnig

    De vrouw van Martin Guerre is een vertelling die enerzijds heel pastoraal en idyllisch is: ‘Het veld liep schuin af, tot aan het roodbruine kreupelhout. Boven hen hoorden ze het murmelende beekje dat in de zomer tot een krachtige stroom aanzwol, maar nu weer was verschrompeld: het water kabbelde voort aan de voet van de kastanjebomen, omcirkelde het veld, liep onder hen door het struikgewas en vervolgde zijn weg door de smaller wordende vallei.’ Anderzijds is het een verhaal over het volwassen worden van een meisje dat zich wanneer ze jong is schikt naar wat er van haar verlangd wordt, maar dat zich naarmate ze ouder wordt realiseert dat zij in deze twijfelachtige omstandigheden ook iets mag vinden van het leven dat haar opgedrongen wordt. Lewis heeft duidelijk sympathie voor haar personage en beschrijft gedetailleerd wat er in haar omgaat, waarbij er genoeg ruimte blijft voor zowel de optie dat Bertrande het bij het rechte eind heeft als de optie dat ze zich vergist. De verwanten van Martin beschouwen haar inmiddels als krankzinnig en het vereist moed en doorzettingsvermogen van de jonge vrouw om zich niet neer te leggen bij wat er door hen en de pastoor van haar verwacht wordt, ook omdat ze zelf ook regelmatig aan haar eigen waarnemingen twijfelt. Tijdens een logeerpartij bij haar tante is ze bijvoorbeeld een keer zo verward, dat ze meent dat de zon in het westen opkomt. 

    IJzersterk

    De vrouw van Martin Guerre is een mooi en lichtvoetig geschreven verhaal. Niet Martin maar Bertrande heeft de hoofdrol gekregen in deze geschiedenis die daarom ook vanuit haar perspectief verteld wordt. Lewis springt met grote stappen door de tijd tot het moment dat de rechtszaken beginnen en bereikt in combinatie met de idyllische beschrijvingen van het landschap een bijna sprookjesachtig effect. IJzersterk is de alomtegenwoordige twijfel die de lezer in zijn greep houdt. De argumenten van beide partijen zijn zo plausibel dat zowel de waarheid van Bertrande als die van haar tegenpartij mogelijk kunnen zijn. Het boek blijft daarom tot de ontknoping spannend.

     

     

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    IJzersterke thriller met echte mensen

    Het laatste boek van Stewart O’Nan met de wat curieuze titel Laatste avond in de Lobster vroeg om meer van deze schrijver te lezen. Zijn debuutroman Sneeuwengelen kent een soortgelijke ambiance: het is kersttijd, de periode om cadeautjes voor elkaar te kopen en buiten sneeuwt het, maar tegelijk bevinden we ons in een heel andere wereld; niet in die van een lobster restaurant in de staat New York, maar in de omgeving van Pittsburg, waar een jonge vrouw met een pistool om het leven wordt gebracht. De persoon wiens oren dat horen heet Arthur Parkinson, een weerspannige middelbare scholier, die met zijn fanfareorkest oefent voor een optreden in de pauze van een footballwedstrijd. Het meisje, Annie, is ooit oppas bij hen geweest in de tijd dat zijn ouders nog samen waren.

    Door het verhaal in stukjes en beetjes terug te vertellen, weet O’Nan spanning op te bouwen en vast te houden.

    Er komt veel menselijk leed in het boek voor. Vriend Glenn is door Annie buiten de deur gezet omdat hij zich weinig verantwoordelijk voelde voor de opvoeding van hun driejarige dochtertje Tara. Hij woont weer bij zijn ouders en kan het moeilijk verkroppen dat Annie een andere jongen heeft ‘opgeduikeld’, die overigens net zo min verantwoordelijkheid voor het kleine meisje op zich neemt.

    Het zijn ongunstige persoonlijke omstandigheden, die tenslotte tot de dood van Annie leiden. De lezer, die daarover in het eerste hoofdstuk is ingelicht, wordt door O’Nan bij de lurven gegrepen, overdonderd met sterke dialogen en rake typeringen zoals van Annie met haar driftbuien en Arthur met zijn softdruggebruik, gedetailleerde beschrijvingen zoals van banen van licht die een lege kamer verdelen of van Annie die voor de spiegel staat en zich na haar werk opmaakt voor een etentje met haar vroegere vriend Glenn.

    ‘Ze klemt een elastiek tussen haar tanden en trekt het haar met beide handen naar achteren, maar daarna laat ze het alle kanten op vallen. Glenn houdt ervan als ze het lang draagt.’

    De onzekerheid van Annie over een mogelijk vervolg van de relatie wordt door haar eenzame moeder aangewakkerd.

    Een mooie bijrol is weggelegd voor zus Astrid, die in Europa verblijft en door de telefoon haar broer Arthur trans-Atlantisch commentaar geeft op de weinig actieve rol die hij in het gezin vervult, hetgeen hem later door de psychiater uit zijn hoofd wordt gepraat.

    Ook de manier waarop het evangelische geloof wordt beschreven, waar Glenn zich in zijn wanhoop aan vast probeert te houden nadat alles hem naar zijn idee is afgenomen, is zeer overtuigend.

    De scènes en de perspectieven wisselen elkaar in snel tempo af, waardoor het idee ontstaat dat je naar een film zit te kijken. Die is inderdaad uitgebracht in 2007 en in Nederland als dvd in 2008. De kijker zal daarin een prachtig beeld zien waarin Glenn in de sneeuw een engel uitbeeldt en dat ik verkozen zou hebben boven de huidige omslag.

    Het beeld dat overblijft nadat de kruitdamp is opgetrokken, is dat van een puberale jongeman die het allemaal niet zo goed weet en die noch de dood van Tara en Annie, noch de diepe kloof tussen zijn ouders weet te plaatsen. Adembenemend zoals O’Nan ons dat overbrengt.

    Sneeuwengelen

    Auteur: Stewart O’Nan
    Vertaald door: Paul van der Lecq
    Verschenen bij: uitgeverij Cossee
    Prijs: € 19,90

  • Recensie door: Karel Wasch

    Wie het boek Wij drieën van Julia Blackburn wil lezen moet wel wat gewend zijn. De autobiografie van deze schrijfster is een mengeling geworden van bizarre dagboekfragmenten, herinneringen en flarden van brieven.
    Daarnaast zijn er in cursief veel dromen opgenomen van de schrijfster. Julia Blackburn publiceerde eerder zes romans waarvan er twee werden genomineerd voor de prestigieuze Orange Prize.

    Thomas Blackburn(1916-1977), de vader van Julia, is een van de drie hoofdrolspelers in het drama. Hij was een redelijk bekende dichter, hoewel hij nooit echt doorbrak in Engeland. Om in zijn onderhoud te voorzien gaf hij les aan een school en later colleges in Engelse literatuur. Er is iets mis met deze man, dat hebben we vrij snel in de gaten. Julia geeft in het hoofdstuk Een etentje in het begin van het verhaal een beeld van haar vader. Inmiddels is hij gescheiden van haar moeder en woont hij bij zijn derde vrouw:
    (…)Mijn vader doemt op en ik hoor zijn venijnige hoest. Hij opent de deur. Hij ziet bleek door de pillen en de katers. Zijn bril staat op het puntje van zijn neus en hij kijkt er met een scheve glimlach overheen, een glimlach die al scheef is sinds hij een eeuwigheid geleden over een hoog en puntig hek klom en met zijn bovenlip achter een van de spijlen bleef haken.(…)Wat volgt is een ‘etentje’ dat ongelofelijk uit de hand loopt. Er zijn twee andere echtparen uitgenodigd en Thomas Blackburn gaat als een bezetene drinken. Hierna scheldt hij op alles en iedereen. (…)’Jullie zijn een stel hypocriete zeikerds!’ zegt hij tegen zijn gasten. Het gezelschap verlaat gegeneerd het huisje. Julia is niet verbaasd of gegeneerd. Ze is er gewoon aan gewend dat haar vader zich in gezelschap zo gedraagt.

    Een aantal hoofdstukken verderop wordt de moeder Rosalie de Meric (1916-1999) ten tonele gevoerd. Een flirtzieke schilderes, die bezeten is door sex. Ze schildert half surrealistisch, half abstract, maar verkoopt bijna nooit een doek en heeft een bizarre verhouding met Thomas Blackburn. Midden in de nacht wordt Julia angstig wakker door het geschreeuw van haar ouders. De vader wil steevast de moeder in elkaar slaan. Julia gaat dan uit bed en beschermt haar moeder met haar lichaam. We komen te weten dat Thomas verkeerde antidepressiva slikt om zijn angsten te beteugelen en deze pillen vallen erg slecht in combinatie met alcohol. Hij is alcoholist en deze ‘combi’ leidt tot ongecontroleerde agressieve uitbarstingen. De ouders van Thomas Blackburn waren godsdienstwaanzinnig en de arme Thomas kreeg tegen natte dromen ’s nachts een stalen korset aangemeten om zijn geslacht te beteugelen. Hierdoor raakte Thomas- begrijpelijkerwijze- gefrustreerd.
    Het onherroepelijke gebeurt en na 14 jaar ruzie gaat het echtpaar scheiden. Voor Julia breken nu bizarre jaren aan. Ze blijft bij haar moeder wonen, voor wie ze bang is. Vreemd genoeg veel meer dan voor haar vader. Moeder praat tegen haar steeds over sex en of het jonge meisje het al wil doen of dat ze wil leren zich te bevredigen. Dat is voor een kind als Julia kennelijk bedreigender dan het geweld van haar vader. Er komen commensalen in huis, die moeder stuk voor stuk probeert te verleiden. Ze ziet in Julia een concurrente terwijl Julia niet begrijpt waar het over gaat. Bij de laatste huurder gaat het dan mis. Hij, ene Geoffrey, is schilder, twee maal gescheiden en krijgt een verhouding met Rosalie, maar is heimelijk verliefd op Julia.

    De vader trekt in bij Peggy en deze vrouw heeft een aan heroïne verslaafde zoon, die met een prostituee is getrouwd. ’Hij is getrouwd met een zwarte prostituee, na een voodooceremonie, dus maak je borst maar nat!’
    Thomas beschuldigt de jongen ervan, dat hij geld heeft gestolen van Peggy en uiteindelijk pleegt de jongen zelfmoord. Julia geeft haar studie op na allerhande verhoudingen met mannen en belandt in de armen van de veel oudere Geoffrey, maar hij pleegt zelfmoord. We hebben eigenlijk genoeg ellende over ons gekregen, maar moeten nog door het sterfbed van moeder heen, die iets van sympathie voor haar dochter weet te tonen. De vader is inmiddels ook naar eeuwige jachtvelden verhuisd na een complete overgave aan Koning Alcohol. Dat het met Julia nog betrekkelijk goed afloopt mag een wonder heten. Ze trouwt met een Nederlander en leeft nog lang en gelukkig. Op dit moment is ze in Nederland om haar boek te promoten. Een boek over de gefrustreerde jaren ’50, gevolgd door de te losse jaren ’60 en ’70. En over een weerloos kind dat uiteindelijk eieren voor haar geld kiest en schrijfster wordt. Huiveringwekkend.

    Wij drieën

    Auteur: Julia Blackburn
    Vertaald door: Paul van der Lecq
    Verschijnt bij: Uitgeverij De Bezige Bij (2010)
    Prijs: € 19,90

  • Een smaakvol maal, opgediend onder het waakzaam oog van een gewetensvolle bedrijfsleider

    Een smaakvol maal, opgediend onder het waakzaam oog van een gewetensvolle bedrijfsleider

    Recensie door: Rein Swart

     

    Tijdens de laatste dag van een Lobster-restaurant, onderdeel van een keten en gelegen aan de oostkust van de Verenigde Staten niet ver van New York, volgen we bedrijfsleider Manny Deleon op de voet; vanaf het moment dat hij in een besneeuwde wereld als eerste met de auto aankomt bij zijn restaurant, in een uithoek van een winkelcentrum dichtbij de snelweg. In zijn auto steekt hij nog een hasjpijpje op, voordat hij het restaurant opent en zijn medewerkers verschijnen.

    ‘Het tijdstip is te vroeg en hij is te oud om stoned te zijn – zeker vijfendertig, een dubbele onderkin, een chocoladebruine huid, een weerbarstige sik en bakkebaarden – of misschien is het de stropdas die uit de toon valt als hij de aansteker boven de stalen kop van het pijpje houdt. Hij zou een effectenmakelaar kunnen zijn, of de verkoopmedewerker van een computerwinkel die koffiepauze houdt, als er niet door zijn opengeritste leren jasje een naamspeldje naar buiten zou piepen: MANNY, met daarboven een gegarneerde kreeft.’

    Vlak daarvoor is aan het vlaggetje, dat aan zijn binnenspiegel hangt, al duidelijk geworden dat Manny van Porto-Ricaanse afkomst is. Daarop duidt ook de abuelita die af en toe in het verhaal opduikt; pas na enige tijd werd mij duidelijk dat daarmee zijn grootmoeder werd bedoeld.

    De sfeer is melancholiek op deze laatste dag, vlak voor de kerst, in het restaurant, dat door het hoofdkantoor van de kaart is gehaald. De weersberichten voorspellen nog meer sneeuw, waardoor het onzeker is of er nog klanten zullen komen en Manny zal straks serveerster Jacquie missen, met wie hij een liefdesverhouding heeft gehad. Zijn gevoelens voor haar zijn veel sterker dan voor de zwangere Deena, met wie hij een lat-relatie heeft en voor wie hij nog een kerstcadeautje moet kopen, dat ware aandacht en liefde moet uitdrukken; in de lunchpauze gaat hij naar het winkelcentrum om iets voor haar te zoeken wat daar in de buurt komt.

    De verbroken relatie met Jacquie houdt Manny erg bezig. Als hij in het magazijn is, denkt hij eraan terug dat zij hem daar wel tien keer heeft gekust en zich tegen hem heeft aangedrukt, onder zijn halfgekscherende protest dat ze betrapt konden worden. ‘Een paar van de meest stoffige conservenblikken moeten daar waarschijnlijk nog getuige van zijn geweest; de cocktailconserven en de babymais.’

    Het keukenpersoneel, de mooie gastvrouw Kendra, de barman en de vrouwen die in de bediening werken worden levensecht geportretteerd. De laatste dag kent een aparte dynamiek met allerlei gevoelens die tot ontlading (kunnen) komen. Manny vraagt zich af hoe loyaal zijn medewerkers nog zijn. Hij houdt alles in de gaten, zoals de flessen met sterke drank die opvallend leeg zijn als hij terugkomt uit het winkelcentrum en de barman vertrokken is.

    De toon is ingehouden, de handelingen worden nauwkeurig beschreven met veel oog voor details. Klanten die moeilijk doen krijgen een kaartje waarop ze hun aanmerkingen kunnen invullen.

    Het verhaal staat in de tegenwoordige tijd, waardoor je je erbij waant; je beweegt je voort in de natte schoenen van de bedrijfsleider die plichtmatig de meest vervelende taken verricht.

    Er spreekt een machteloosheid uit, die wellicht samenhangt met de opdracht in het begin van het boek: ‘Voor mijn broer John en voor iedereen die de ploegendiensten draait waar niemand zin in heeft.’ Het lijkt me een schreeuw om lucht in een rigide arbeidssysteem, waar winst over de ruggen van (buitenlandse) werknemers wordt behaald. De onuitgesproken aanklacht ijlde nog een tijd na in mijn hoofd toen ik na een ontroerend en subtiel einde het boek weglegde. Stewart O’Nan smaakt naar meer.