• In het land van de gefrituurde chocoladetaart

    In het land van de gefrituurde chocoladetaart

    Paul Theroux schrijft zoals hij reist: hij heeft een begin- en eindpunt, en een vervoermiddel (vaak de trein, hier de auto) en de route dicteert zijn verhaal. Dit keer blijft hij dicht bij huis: in 4 seizoenen doorkruist hij het Zuiden van de Verenigde Staten.

    Het Zuiden, dat is Deltablues en gegrilde chilikip, moerassen katoenvelden, meerval en barbecue, maar ook slavernij, Ku Klux Clan en rassenrellen en het Amerikaanse broertje van apartheid: segregation. Het land van Uncle Ben en Bill Clinton. Het Zuiden, dat is met geheven pink met pinkring nippen aan cocktails op de veranda’s van witte landhuizen. Het Zuiden, dat is ook wonen in verwaarloosde huisvestingsprojecten in grotendeels ontvolkte stadjes. Meer dan 20% van de inwoners overleven op ontwikkelingslandniveau, zonder fatsoenlijke gezondheidszorg of onderwijs voor de kinderen.

    Paul Theroux (zelf een ‘noorderling´ uit Boston) wilde dat eigensoortige continent binnen zijn eigen vaderland nader leren kennen en reed van Arkansas en Mississippi naar Alabama en Carolina en keek rond in steden, dorpen en gehuchten met namen als Greensboro, Marion, Little Rock en Speed. Hij bezocht gospelkerkdiensten, bluesfestivals en wapenbeurzen, en sliep in mottige motels die allemaal in handen leken van leden van de Indiase familie Patel. Hij schoof aan tafel met goedwillende idealisten, zwaarmoedige hulpverleners en bij de ‘Southern’ schrijfster Mary Ward Brown, met haar 95 jaar nog scherp als een scheermes. Ze is zelf liefdevol opgevoed door een zwarte dienstmeid en vindt de slavernij een schande en racisme iets voor de dommen. Maar toch. En haar vriend, Randall Curb, een uitermate belezen en internationaal gewaardeerde literatuurkenner waar Theroux een paar keer langs gaat, lijkt het daar ondanks zijn verlichte denkbeelden mee eens. Hij klaagt over de zwarten die in zijn district de meerderheid van de raadszetels en bestuurlijke posten bezetten.

    Meerval en katoen
    Stug voortreizend en -schrijvend probeert Theroux de complexe problematiek van het Zuiden in kaart te brengen. De erfenis van de slavernij, racisme, raciale achterdocht en de maatschappelijk nog steeds acceptabele variant daarvan, ‘segregatie’, is daar een deel van. Scholen die pas in de jaren 90 gemengd werden, dorpen die nog steeds ‘blank’ zijn, restaurants waar ’s zondags de blanken hun maaltijd afhalen bij de achterdeur, terwijl zwarte families tafelen aan de voorkant. Nabestaanden van zowel daders als slachtoffer van een lynchpartij die decennia later nog steeds bij elkaar om de hoek wonen. Onwrikbaar gestolde achterdocht en wrok, woede en frustratie.

    De mensen die Theroux ontmoet zijn dan weer onverwacht warm, gastvrij, relaxed en behulpzaam. Iedereen neemt de tijd om bij een portie gegrilde meerval met koolsla zijn verhaal te doen. In die verhalen komt beetje bij beetje de complexe problematiek van het Zuiden tot leven. Economisch ontwricht door globalisering en sociaal verlamd door rassenwaan en slavernij. Ook nu nog wonen totaal verarmde zwarten op grote lappen grond die onbebouwd blijven. Zoals de directrice van een welzijnsprogramma zegt: ‘In de Afro-Amerikaanse gemeenschap is het doel om te bezitten en niet om bezit te zijn,’ – van de bank, bij voorbeeld. En dus verliezen ze de strijd in de steeds grootschaliger landbouw, terwijl de zegeningen van de industriële revolutie al weer zijn overgewaaid. Vietnam concurreerde de meervalkwekerijen uit de markt en China de katoenvelden (waar door mechanisatie toch al bijna niemand meer werk vindt). Elektronicafabrieken werden overgenomen en uitgebouwd door Japanners, maar verhuisden uiteindelijk naar overzee, of over de grens naar Mexico. Het landschap waar Theroux doorheen rijdt is dan ook deels lieflijk, deels verwilderd en deels het decor voor een postindustriële rampenfilm. Leegstand, verval en spookdorpen. Motels waarvan niet duidelijk is of ze nog open zijn, bewoond door mensen die uit hun huis zijn gezet.

    Pioniers en bluesrevival
    Hoe kan dit ooit nog wat worden, vraag je je af. Ook Theroux gaat wanhopig op zoek naar hoop: hij zoekt mensen op die in hun nadagen nog een hulporganisatie hebben opgezet, en mensen die actief zijn in sociaal werk, vaak verbonden met een van de vele kerken. Opvallend: ze richten zich op onmiddellijke noden (doktersrekening, voedselpakket, kapotte koelkast) en vooral op huisvesting, van opknapbeurt tot leeftijdbestendige sociale nieuwbouw. Het schoolsysteem, sociale zekerheid, omscholing naar nieuw werk, er wordt wel eens naar verwezen, maar het lijkt nauwelijks aanwezig – op de bijstand na, die geen garantie biedt voor een fatsoenlijk leven, inclusief opleiding en ontwikkeling, voor kinderen, of zelfs maar het overeind houden van een afbladderend en verkruimelend huis. En dan zijn er nog de idealistische avonturiers van elders die neerstrijken in halfverlaten dorpen en daar iets met kringloopwinkels opzetten, of een atelier voor fietsen met frames van lokale bamboe. Goed bedoeld, maar niet waar het ‘eigen volk’ op zit te wachten. Uiteindelijk lijkt Theroux een begin te zien van iets dat de goede kant op gaat. Hij spreekt een burgemeester die trots is dat hij het plaatselijke bluesfestivalletje weer tot leven heeft weten te wekken. En hij trekt een paar dagen op met een kleine maar groeiende groep zwarten die een boerderij is begonnen. Dat valt niet mee, want banken doen moeilijk over hun kredietaanvragen en het Zuiden behoort tot de ‘bankarme gebieden’. Maar toch: de pioniers van een nieuwe generatie lijken het te kunnen gaan redden en – tja, wie weet, hoop je mee met de schrijver.

    Vreemde achtergrond
    Theroux citeert collega-schrijver, Nobelprijswinnaar en ex-vriend V.S. Naipaul die zei dat de reiziger iemand is ‘die zichzelf definieert tegen een vreemde achtergrond.’ Wat de vraag oproept hoe hij zichzelf dan wel niet definieert in dit boek. Allereerst als een harde werker. Theroux pakt aan en pakt door, al een heel oeuvre lang: van noord naar zuid door Afrika  (Dark Star Safari), de hele omtrek van de Middellandse zee (Pillars of Hercules), of van Engeland naar Japan per trein en weer terug (The great railway bazar). Hij houdt niet van half werk. Ook hier niet. Het diepe Zuiden heeft veel te bieden, en soms en beetje té veel. Onder meer een overzicht van alle eerdere reisboeken over het Zuiden; een overzicht van ‘het Zuiden’ in de literatuur in het algemeen, niet één maar drie beschrijvingen van een wapenbeursbezoek. En heel intermezzo over (zijn afrekening met) William Faulkner, de grote romancier van het Zuiden, en ook nog eens een complete verhandeling over het N-woord (nigger) en de complexe politieke correctheidscultus daaromheen. Theroux definieert zich ook als goede observator en luisteraar die gewone mensen portretteert in hun uitzonderlijkheid: een kapper en een advocaat die ook dominee zijn. De sociaal werker en haar timide collega, die de ex-vrouw was van Muddy Waters. De geestelijk ontspoorde Vietnam-veteraan en de Irakese steengroeve-eigenaar. Theroux definieert zichzelf als literator en ook dat soms een beetje al te nadrukkelijk; vooral ook als hij stilistisch uithaalt: ‘Het voorjaar was ook een prisma van vochtige geuren die uitstraalden in een regenboog van aroma’s; er school hoop in die lentewasemingen – een overgang van de onwerkelijke geurloze, neusknijpende winterkou.’ Wat u zegt. Gelukkig houdt hij het meestal bij een meer journalistieke stijl. En dan zijn er nog de bijna obsessieve herhalingen van sommige thema´s, die een zekere drammerigheid oproepen. Wel tien keer verklaart Theroux geschokt te zijn dat in zijn eigen Amerika mensen leven als in ontwikkelingslanden. En al even vaak vertelt hij dat er honderden miljoenen dollars van Washington naar Afrika gaan, maar dat naar het Zuiden niet wordt omgekeken. De Clinton-foundation is een van die rijke organisaties die ver weg goed doen, maar voorbij gaan aan hun eigen thuisland (Bill Clinton kwam uit Littlle Rock). Veel interessanter dan de meningen van de schrijver zijn de verhalen van de mensen die hij aan het woord laat. En daarvan heeft Het diepe Zuiden er veel te bieden.

  • De mens als wolf voor zijn medemens

    De mens als wolf voor zijn medemens

    Verleden jaar september vroeg een concertbezoeker zich, na een gitzwart concert door het Koninklijk Concertgebouworkest, af waar de hoop was gebleven. Zij had alleen maar verkeerd, zoals het programmaboekje kopte in ‘de schaduw van Het Sublieme.’ Een Kyrie en een Requiem, een stuk van Varèse en een ironische wals van Ravel waren over haar heen gedenderd. Monolieten hadden gechoqueerd, klankwolken hun bezwerende werk gedaan. Er was geen ontsnappen aan mogelijk geweest.

    Iets soortgelijks overkomt de lezer van de twintig verhalen van de vooral als reisschrijver bekend staande auteur Paul Theroux, die in een vertaling van Auke Leistra zijn verschenen onder de titel De vrouw van de reiziger. Theroux schept een beeld van de mens waarin je niet zou willen berusten, terwijl je ondertussen zoekend bent, of er niet iets achter of in de verhalen verborgen zit wat ontsnapping kan bieden en een beetje licht en lucht geeft. Al is het maar voor even. Als je het boek bijna uit hebt, lijkt er iets te dagen. In het titelverhaal en de verhalen erna.

    Maar voordat je bij die verhalen bent aangekomen, heb je als lezer al heel wat achter de rug. Een wasberenplaag rond het huis van een vader en twee zoons die met de dag erger wordt. ‘Ze nemen het over’, is de angst. Een galeriehoudster die mensen binnen haar invloedssfeer trekt en genoegen schept in hun ondergang. Een Engelse schrijver die in de tijd dat hij in Boston is voor een lezing dreigmailtjes krijgt. Pubers die met een modelspoortje op de muziek van Rip It Up van de Rolling Stones speelgoedvoetgangers dood rijden die staan voor medescholieren en ondertussen in staat zijn een bom te maken, wat ze een gevoel van macht geeft. Een man in Thailand, die omgang heeft met een ladyboy. En zijn collega die zegt: ‘Ik heb het over de vrouwen. Die glimlachjes, dat lievige. Dat is allemaal voor openbare consumptie. Privé is het het tegenovergestelde, alsof ze wraak nemen. Alsof ze ontaard zijn. En niet alleen hier. Ik heb ook een tijdje in Japan gezeten, voor een ander bedrijf. Die lieve geisha’s ontpopten zich thuis als draken.’

    , dood en verderf zaaiend, wraak nemend en genietend van het leed van de ander. Dat zijn enkele thema’s van de verhalen van Theroux. Soms komt het kwaad van buiten zoals bij de wasberenplaag en de dreigmailtjes, en soms komt het van binnenuit. ‘Zo ongeveer om de vier jaar ga ik terug naar mijn dorp, dat niet ver van Bergen ligt. Het is altijd een vreselijk bezoek. Ik word razend als ik zie wat er gebeurd is. Het is zo erg geworden dat ik er bijna niet meer heen durf. De bezoeken maken me van streek, omdat ze mij doen inzien dat ik hypocriet ben. Mijn prachtige dorpje biedt nu onderdak aan Pakistani’s, Indiërs, Afrikanen, Vietnamezen – bruine mensen die hier gekomen zijn als vluchteling, zogenaamd, omdat de Noren zo vriendelijk zijn om ze huizen en uitkeringen te verschaffen.’

    Zulke verhalen zetten aan tot zelfonderzoek. Je moet het kwaad misschien niet willen begrijpen. Alleen al het jezelf afvragen: waar sta ik, wat zou ik doen is al genoeg. Niet berusten, maar ook niet rusten. Misschien is het titelverhaal, De vrouw van de reiziger, daarom zo sterk, omdat het laat zien dat de mens zichzelf is en zichzelf wil zijn.
    De vrouw van … is een bekend fenomeen. Maar in het verhaal is zij het die op een gegeven moment besluit op reis te gaan en onderweg niets van zich te laten horen. Nu is het de man die thuis zit, bang dat er iets met zijn vrouw is gebeurd. De lezer kan sympathie opbrengen voor de vrouw, maar zich ook inleven in de angst van de echtgenoot.

    Niet alle verhalen zijn zo sterk als het titelverhaal en het qua thematiek eraan verwante verhaal De eerste wereld. Soms belooft de spanningsopbouw veel, zoals in het genoemde verhaal Rip It Up, maar is de ontknoping teleurstellend. Soms is het volstrekt onduidelijk waar de schrijver heen wil, zoals in Autostop in Italië. Soms is het taalgebruik te afstandelijk om je het verhaal in te zuigen. Maar de verhalen die wel raken of tot zelfonderzoek aanzetten, maken het lezen van de bundel uiteindelijk de moeite waard. Letterlijk en figuurlijk.


    De vrouw van de reiziger

    Auteur: Paul Theroux
    Vertaald door: Auke Leistra
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 421
    Prijs: € 21.99