• Een roman vol weemoed en melancholie

    Een roman vol weemoed en melancholie

    De Franse schrijver Patrick Modiano werd in eigen land al fel gelauwerd met onder meer de prestigieuze Prix Goncourt, voor hij in 2014 internationale erkenning kreeg met de Nobelprijs voor de literatuur. Modiano’s werk draait veelal rond hetzelfde thema: de zoektocht naar zijn eigen verleden en herinneringen van toen. In zijn jeugd werd hij nogal aan zijn lot overgelaten door zijn ouders en zocht hij zijn toevlucht in boeken en verhalen. De ondertoon van zijn werk is steevast melancholisch en het meeste speelt zich af in de straten van Parijs. In zijn nieuwste roman De danseres is dat niet anders.

    In De danseres staat Modiano’s grote thema ‘zoeken’ opnieuw centraal. Het is een samenbrengen van losse beelden en herinneringen uit het verleden om betekenis te geven aan het bestaan. Hij probeert verschillende puzzelstukjes op zijn plaats te laten vallen en zo in het reine te komen met zichzelf. Hoofdpersonage is een jonge man, een schrijver van teksten, die ronddwaalt in Parijs in de late jaren vijftig van de vorige eeuw. Op zoek naar een kamer, komt hij via zijn louche huisbaas Serge Verzini, in contact met een danseres. Deze woont samen met haar zoontje Pierre en huisgenoot Hovine. Al vrij snel ontwikkelt het hoofdpersonage een fascinatie voor de danseres, die met vaste structuren en een strenge discipline grip tracht te krijgen op haar leven. Zo probeert ze ook de demonen uit haar verleden te verjagen. De relatie tussen de ik-persoon en de danseres blijft onduidelijk. Ze maken samen lange en stilzwijgende wandelingen door de straten van Parijs, hij haalt Pierre af van school en speelt oppas als de danseres moet oefenen of zich inlaat met de beau-monde van Parijs als Béjart, Noerejev en anderen. Het verhaal eindigt niet echt, maar is een aaneenschakeling van herinneringen aan die tijd.

    Parijs

    Ook in De danseres drijft het handelsmerk van Modiano boven: hij schetst het Parijs van toen in een rustige, gedempte, bedroefde sfeer, vol weemoed en melancholie. Tegelijkertijd wordt het boek nooit zwaar en zorgt hij voor een soort ongrijpbare lichtheid. De danseres telt honderd pagina’s, is ingedeeld in korte hoofdstukken en kent veel witruimtes. Sfeerschepping staat duidelijk centraal. Het personage van Pierre, het zoontje van de danseres, toont duidelijke verwijzingen naar Modiano’s eigen jeugd: een afwezige moeder en een onkenbare vader die zich bezighield met louche praktijken. Hetzelfde kan gezegd worden van de danseres zelf: net zoals Modiano wordt ze belaagd door spoken uit het verleden. Het dansen trekt haar uit het moeras, geeft zin en structuur aan haar leven. Misschien is dat wat de hoofdfiguur zo bewondert in haar.

    De ik-figuur graaft diep in het geheugen en tracht verstopte herinneringen naar boven te halen. Vaak is het niet duidelijk of het wel herinneringen zijn, dan wel verzinsels of dromen. Er hangt een soort van nevel rond het geheel. Wel duidelijk is dat de oerbron van alles het mistige Parijs is. Met alle vage en halve herinneringen lijkt het wel of er een zwart-witfilm wordt afgespeeld in de straten van de wereldstad, bevolkt met bijzondere, weemoedige personages.  De ik-figuur blijft de hele tijd een soort van mysterieuze schim, die via zijn herinneringen op zoek gaat naar meetpunten in zijn leven. Hij tracht zin te geven aan zijn verleden en na te gaan wie hij werkelijk is.

    Dat hij zijn flarden van herinneringen ook vaak zelf in twijfelt trekt, is onderdeel van zijn bestaan. Alles is in de vergetelheid geraakt , maar onderhuids blijft een weemoedig verlangen aanwezig naar vroeger. In de openingsbladzijden noemt hij Parijs onherkenbaar door de vele toeristen die met hun koffertjes door de straten lopen en zorgen voor onrust. Typisch voor Modiano is ook dat het bij die sfeerbeelden en halve herinneringen blijft. De zoektocht lijkt eeuwig verder te gaan.  De danseres mag gerust de exponent genoemd worden van zijn werk. Vintage Modiano, een mix van lichtheid en melancholie en het mysterieuze zoeken naar betekenis in het verleden en Parijs.

     

     

  • Over leugens en verwerking

    Over leugens en verwerking

    Kan je het verleden opnieuw uitvinden? Of beter nog: kan een traumatische ervaring ervoor zorgen dat je voor jezelf een volledig fictieve geschiedenis verzint? Dat is een vraag die Julian Barnes al trachtte te beantwoorden in The Sense of an Ending en ook Paul Gellings  probeert hierop een antwoord te formuleren in Terug naar de Stichtstraat en als motto gebruikt hij dan ook een quote uit Barnes’ roman. Gellings is bekend als dichter en vertaler, maar heeft ondertussen toch ook al tien romans op zijn palmares.  Net als in de vorige boeken Zuidelijke wandeling en Zomer van Icarus  speelt Gellings’ nieuwste zich af in de Rivierenbuurt in Amsterdam.

    Het verleden aangepast

    De ik-figuur keert terug naar de straat waar hij als kind is opgegroeid. Een oude vriendin, Maud Eijlander, vraagt hem om samen langs te gaan bij hun oude buurman Chris Bloemhart, die filmbeelden heeft uit hun jeugd. De verteller is tekenaar van beroep en schetst aan de hand van tekeningen zijn jeugd terug. Hoewel hij lang niet meer in Amsterdam is geweest, komen de herinneringen sterk naar boven en krijgt alles door zijn tekentalent visueel gestalte. Hij heeft wel een probleem met de versie van de geschiedenis van Chris Bloemhart, die beweert de eerste bewoner te zijn van de Stichtstraat. De ik-figuur denkt daar anders over. Steeds meer is hij ervan overtuigd dat Bloemhart zijn verleden heeft aangepast. Aangezien de oorlog in het spel was, zou een trauma aan de grondslag hiervan kunnen liggen.

    Gellings schetst het beeld van het naoorlogse Amsterdam in een zeer tekenende stijl. De – vandaag zeer begeerde – buurt van Amsterdam-Zuid, achter de Rai, de Rivierenbuurt krijgt opnieuw vorm in de tekeningen van de verteller. Heel bijzonder is de mijmerende vertelstijl waarin de ik-figuur vandaag terugblikt op zijn jeugd en probeert zijn herinneringen te visualiseren. Iedereen beleefde de oorlog op zijn manier en de beelden die bovenkomen stroken niet met de waarheden die Bloemhart poneert. Gellings graaft verder in het verleden, in de herinneringen en verhalen van buren en ouders en reconstrueert aan de hand daarvan de ware toedracht. Niet alleen het eigen verleden wordt gereconstrueerd, maar ook dat van de buren en andere bewoners van de buurt. De mysteries worden stap voor stap ontrafeld en de puzzelstukjes vallen pas op het einde helemaal in elkaar. De auteur laat uitschijnen dat het liegen van Bloemhart niet zomaar vrijblijvend is: het is zijn manier om een persoonlijk drama en trauma te maskeren en verder te kunnen gaan met het leven.

    Serene vertelling

    Gellings voert verschillende personages op, maar de ik-verteller staat natuurlijk centraal. De wijze waarop de lezer samen met dat personage in het verleden en de herinneringen duikt, zorgt ervoor dat hij zich makkelijk met hem kan identificeren. Door het ik-perspectief te gebruiken twijfelt de lezer samen met de ik-verteller aan het verhaal van Bloemhart. Ook dit personage wordt uitstekend uitgediept en druppelsgewijs toont de auteur de beweegredenen van Bloemharts leugens. Naast de goed uitgewerkte personages, is de sfeer van zijn vertelling de grootste troef. De lezer wordt helemaal meegenomen en ondergedompeld in het Amsterdam van net na de oorlog en krijgt een haarscherp beeld van het leven in de Stichtstraat. Hij roept het moeilijke herstel van na de oorlog op waarin elkeen op zijn eigen manier probeert om te gaan met zijn oorlogservaringen. Hij weet hierin mooi te schetsen hoe dit voor de een al veel moeilijker verloopt dan voor de ander. Tegen de achtergrond van dit alles houdt Paul Gellings de toon heel sereen. Nergens klinken echte verwijten door, niemand wordt veroordeeld. Ondanks alle leugens en maskeringen tracht hij een waarheidsgetrouw beeld te schetsen van een moeilijke periode in het leven van de gewone mens. De roman lijkt een mix te zijn van memoires, oorlogsverhaal en whodunnit, maar finaal is het een mooie melancholische vertelling en herleving van het verleden. De poëtische vertelstijl blijft een handelsmerk van Paul Gellings en dat maakt de leeservaring zoveel dieper.

     

     

  • Buiten zijn beroemde hoofdwerk is dit de enige fictie die tijdens zijn leven verscheen

    Buiten zijn beroemde hoofdwerk is dit de enige fictie die tijdens zijn leven verscheen

    Marcel Prousts debuut Les plaisirs et les jours verscheen in 1896, toen hij net vijfentwintig was. Pas tien jaar later begon hij  aan zijn romancyclus Op zoek naar de verloren Tijd. Te laat om die te voltooien voor hij op 18 november 1922 zijn laatste adem uitblies. Ter ere van Prousts honderdjarige sterfdag gaf uitgeverij IJzer Prousts eerste publicatie, vertaald als Lusten en dagen (2022) in een integrale vertaling uit. Behalve zijn beroemde hoofdwerk is dit debuut zijn enige fictie die tijdens zijn leven het licht zag. Niets wees er bij verschijning op dat de auteur ooit gelabeld zou worden als een der grootsten van de twintigste eeuw. De verkoopcijfers van het in luxe uitgave verschenen boek nog het minst, want die waren bedroevend. Toen Proust eind 1919 de Prix de Goncourt kreeg voor In de schaduw van de bloeiende meisjes, het tweede deel van zijn romancyclus, keerde het tij en was hij op slag beroemd.

    Niet alleen de oorspronkelijke illustraties van Madeleine Lemaire en de partituren van de cyclus Les portraits de peintres voor piano van Reynaldo Hahn zijn in deze Nederlandse uitgave opgenomen, als bonus biedt deze uitgave ook een cd met een opname van vier door Lineke Lever uitgevoerde pianoverklankingen van Prousts gedichten over de schilders Albert Cuyp, Paulus Potter, Antoine Watteau en Antoon van Dyck. Met de toen nog achttienjarige componist Reynaldo Hahn had Proust een liefdesverhouding. 

    Veelzijdig debuut

    Ook staan er vier gedichten over de componisten Chopin, Gluck, Mozart en Schumann in. Evoceert Proust in de schildersportretten hun schilderijen, in die over de componisten gebruikt hij metrum als eerbetoon aan de muziek, terwijl woorden de stemming vastleggen. Met recht typeert men dit debuut met zijn korte verhalen, schetsen, poëzie, handgeschilderde illustraties en partituren als ‘hybride’. De jonge Proust schreef ze in een tijd dat hij zich als rechtenstudent verveelde en in plaats van zich te herpakken voor examens, liever de Parijse salons frequenteerde. Tussen de artiesten en grandes dames observeerde hij het soort publiek dat hij tien jaar later zou portretteren in zijn hoofdwerk. Sommige van deze verhalen waarin hij de lezer rondleidt door de high-society kringen van het fin-de-siècle, wist hij in kleinere tijdschriften gepubliceerd te krijgen. In deze werkjes van de korte baan zien we Proust bezig met het aanscherpen, het verfijnen van zijn gevoeligheden, en het spelen met stijl en inhoud.

    Toch liet hij zijn verzamelde indrukken nog geruime tijd gisten, gezien de jaren die er tussen zijn debuut en hoofdwerk zaten. Een aanzet tot een roman bleef liggen, waarna hij zich toelegde op essayistische stukken. In die tijd las hij schrijvers als Thomas Carlyle, Ralph Waldo Emerson en John Ruskin. Laatstgenoemde, van wie hij ook werk in het Frans vertaalde, scherpte en verfijnde zijn theorieën over kunst en de rol van de kunstenaar in de samenleving. Dit debuut is zijn enige fictiewerk dat tijdens zijn leven werd gepubliceerd en hoewel hij het aanvankelijk als onrijp afdeed, begon hij het naderhand enigszins te waarderen.

    Snobisme van Parijse samenleving

    Niettemin bleef dit debuut ook nadat Proust tot de onsterfelijke schrijvers was gaan behoren, in de schaduw van zijn bloeiende reputatie staan. André Gide was de eerste die wees op de vele parallellen tussen dit eerste boek en zijn grote meesterwerk. De hoofdmotieven daarin liggen al uitgezaaid in Lusten en dagen. Zoals de onbestendige subjectiviteit van liefde, dood en ziekte, de gehechtheid aan de moeder, het snobisme van de Parijse samenleving en het verband tussen temporele en mentale verandering. Een zeer aanzienlijk hoofdingrediënt, de onwillekeurige herinnering en de daardoor opgelegde structuur aan het schrijven, komt in deze eersteling echter nog niet aan bod. 

    Opvallend is zijn pessimistische begrip van liefde en de onvolmaakte benadering van het verlangen naar het ideaal. ‘De ongelukkige liefde maakt het ons niet alleen onmogelijk het geluk te ervaren, zij verhindert ons ook nog de leegte ervan te ontdekken.’ De verhalen analyseren en reflecteren het komen en gaan van liefdes, illusies en dromen, evenals onze herinneringen eraan. Er is een vermakelijke hommage aan Flaubert in de vorm van een verhaal met dezelfde hoofdpersonages uit diens satirische boek Bouvard en Pécuchet. Proust houdt in het stuk Mondaine aspiraties en passie voor muziek bij Bouvard en Pécuchet vast aan de geest en vorm van Flaubert en plaatst het duo in zijn eigen tijd.  

    Stillistische overdaad

    Lusten en Dagen kent een stilistische overdaad die kan vermoeien. Het meest verrassende treft men in de afdeling Weemoedig omzien -Tijdgekleurde verzinsels (Les regrets – rêveries couleur du temps). Dit bouquet van dertig dromerige prozateksten, meer beeldend dan vertellend en zwaar sensitief getoonzet, staat tussen ‘echte’ prozagedichten en verhaaltjes in. Sfeerbeelden, hooguit door een summiere verhaallijn bijeengehouden. Geen zelfstandig naamwoord lijkt veilig voor aanhechting van een of meerdere adjectieven, maar de grammaticale structuur van inversie, die vertragend werkt en zodoende de tijd geeft het meegedeelde op kracht te laten komen, maakt veel goed. 

    De laatste passage uit de rêverie Tuilerieën roept een beladen sfeer á la Carel Willink op. ‘Maar de lucht is betrokken, het gaat regenen. De vijvers, waarin geen azuur meer blinkt, lijken wezenloze ogen of vazen vol tranen.’ De jonge Proust wist goed welk reflecterend en herkauwend leven voor hem was weggelegd, getuige het slot van ‘Relikwieën’. ’Haar meest wezenlijke schoonheid was misschien in mijn verlangen. Zij heeft haar leven geleefd, maar ik heb het, als enige misschien, gedroomd.’ Rêverie XXII Werkelijke aanwezigheid verhaalt over een vakantie van twee romantische jongemannen in het Zwitserse Engadin, nabij de Italiaanse grens. Op de grens van Duitse en Italiaanse namen, blijkt de volmaakte harmonie tussen platonische en fysieke liefde eens te meer iets wat slechts puur in nimmer beleefde herinneringen kan worden ervaren. Want tussen harde werkelijkheid van de Zwitserse bergen en de verte met zijn Italiaanse valleien, wordt het gemis des te heviger gevoeld. Fysiek blijft de ander immers ‘in het kleed van mijn gemis, in de werkelijkheid van mijn verlangen.’ 

    Gedroomde herinneringen

    Het blijft bij dromen en mijmeringen van liefde met parallellen in een fysieke wereld. Gedroomde herinneringen bevatten meer waarheid dan echte herinneringen. Dat romantische procédé werkte de latere Proust om in de stelling dat de essentie van het werkelijke leven slechts in herinnering kan worden gevat; het heden als een soort ontwaken uit de droom van het verleden, waarin de tijd kan worden opgeheven door het opnieuw ervaren van eens geleefde ogenblikken. 

    In zijn debuut zette Proust al in op de metafoor en verbeelding van de werkelijkheid, maar minder samenhangend, nog niet als spil van zijn schrijfstijl. Het zijn nog dagtripjes in vergelijking tot de wereldreis van Á la Recherche du temps perdu. Lusten en Dagen toont het belang van muziek en schilderkunst voor Proust, maar nog zonder die verheven taak om een equivalent van de allerhoogste belevingen te scheppen. Er worden veel indrukken geabsorbeerd, zonder dat er een structurerend en sturend principe tegenover staat dat er betekenis aan geeft. Wie in Proust geïnteresseerd is, zal dit fraai uitgegeven debuut zeker bekoren. Al is het maar om te zien hoe Proust dacht en schreef toen hij nog niet zo geniaal was om zijn Recherche du temps te schrijven. 



  • Gellings parafraseert de stem van de boze burger

    Gellings parafraseert de stem van de boze burger

    Waarom zouden alleen mooie plekken troost bieden? Dit vraagstuk onderzoekt Mark van Wonderen in zijn boek Treurtrips. Het is een op schrift gestelde reis door Nederland langs vergaderzalen met muren van golfplaat, spuuglelijke snackbars en bowlingcentra. Bitter garniture symphony! Met evenveel verve verwondert Paul Gellings zich over de Enschedese wijk Roombeek, die genadeloos werd weggevaagd door de vuurwerkramp anno 2000. Magnifiek verwoordt de schrijver hoe dit ongeluk tot op heden een open zenuw is in ons collectieve geheugen: ‘Op deze vlakte geen Colosseum of ruïnes als in Knossos. Er wordt een bladzijde omgeslagen, een pagina van beton in een geschiedenisboek.’ In zijn drieluik Steden van Pandora nemen Gellings’ personages nogal wat maatschappelijke verschijnselen de maat, nu eens geslaagd, dan weer misplaatst. En hoewel de verhalen Manchester, Helen en Een vlakte in de stad  los van elkaar lijken te staan, hebben ze alle drie een passieve ik-figuur gemeen. Niet voor niets citeert de auteur in zijn motto Philip Larkin: ‘So. Let me accept the role, and call / myself the circumstances tennis-ball’.

    RTL4-gehalte

    Ofschoon de titel anders doet vermoeden, gaat Manchester vooral over een omzwerving als de Odyssee. Deze tocht van Tim Nolte duurt echter slechts een paar weken en gaat geenszins over een listig genie. Ene Priscilla is vermoord in de Vechtstreek, vlakbij Tim. Om duistere redenen weigert de man die inmiddels in De Telegraaf ‘hoofdverdachte Tim N.’ wordt genoemd, zijn DNA af te staan bij de lokale politie. Hij heeft namelijk last van spookbeelden over een oneerlijke rechtsstaat, die koortsachtig op zoek is naar een zondebok: ‘Dat was geen rechter meer. Dat was een televisiedominee. (…) Dat onze rechtsstaat zichzelf niets heeft te verwijten. Dat er een onderzoek zal worden ingesteld. (…) En inderdaad, er wordt alles aan gedaan. Op papier.’ Volkomen overtuigd van de verrotting van het Nederlandse rechtssysteem vlucht Tim naar Rotterdam. 

    In een armoedige hostel treft hij hospita Dorothee aan, een excentriekeling: ‘Een vrouw die ooit een man was geweest of misschien nog wel.’ Hilariteit alom. Bij vlagen trekt de auteur het repertoire van Carlo Boszhard en Irene Moors leeg om bijpersonen te typeren. Zo zegt Dorothee over haar leven als prostituee: ‘Ja, lekker verwennerijtje. Maar een mens wordt oud en van dit bloody hotte weertje krijgt Dorothee migrainetje.’ Zoals de Bijbelse Rachab ooit Israëls spionnen uit Jericho hielp ontsnappen, zwijgt ze over haar verstekeling en zijn nautische vluchtpoging naar Liverpool. In Engeland gaat het geflirt met de commerciële omroep door. Een op sensatie beluste misdaadverslaggever treedt op als hulpsheriff, die met bravoure alle kreuken van justitie moeiteloos gladstrijkt. Oftewel: hij biedt Tim met zijn programma Argus eerherstel. Zijn optreden doet denken aan Peter R. de Vries, die wel vaker populaire dingen roept ten koste van de integriteit van het politieorgaan. In dit verhaal valt daar echter niets tegenin te brengen; een smerige hoofdagent blijkt de dader. Komt dat even goed uit.

    Onschuld en omgekeerd seksisme

    De ironie waarmee Gellings werkt, is ijzersterk. Tim zwerft door Liverpool, profiteert van de Britse spilzucht op straat en ergert zich aan de ‘illegale buitenlanders’ die de stoepen afstruinen. Net als hij. Zelf besteelt hij een Amerikaans gezin dat aan de Mersey dineert, want zij hebben toch geld zat. ‘Pas toen ik geschreeuw hoorde, besefte ik wat ik gedaan had,’ zegt hij nadien. Een prachtig voorbeeld van hoe een schijnheilig persoon zijn criminele gedrag rationaliseert. Als hij geweten had dat hij het ging doen, had hij zichzelf tegengehouden. Aanbeland in Manchester redt de Nederlander zijn nieuwe liefde Lynn van twee kerels, die wederom een soort manwijven zijn. Na een etentje op haar kosten blijkt Lynn ooit verkracht te zijn en daarom gaat ze niet in op de fysieke avances van Tim. Tot de vrouwelijke wispelturigheid de overhand krijgt: ‘Dan, onder het huilen, verandert er ineens iets. (…) van het ene ogenblik op het andere is bij mij alle beschaving en omzichtigheid verdwenen, bij haar alle terughoudendheid en angst.’ Naar de reden van deze ongeloofwaardige omslag blijft het gissen.

    Eenzelfde veranderlijkheid en onvoorspelbaarheid legt Helen aan de dag. Zij is de onbereikbare vrouw in de tweede, gelijknamige vertelling. Haar naam is perfect; de naamloze hoofdpersoon is nog steeds herstellende, aan het ‘helen’, van de verliefdheid op zijn studiegenote. Gellings waagt zich vaker aan woordspelerij, zoals bij de benaming van het café De Gloepe, een klanknabootsing van een stevige slok speciaalbier. De ik-figuur plaatst deze femme fatale aanvankelijk op een voetstuk, als nooit beantwoorde liefde van zijn leven. Naarmate zij zich ‘in trieste avontuurtjes’ verliest ‘met een potente maar foute Congolees’ en met een pizzabakker, stoot de dertiger zijn muze onbarmhartig van haar sokkel. ‘Er was tenslotte altijd iemand met wie ze heimelijk het bed deelde. (…) Ik had het bevrijdende gevoel dat er een gifbeker aan me voorbij was gegaan.’ De bedilzucht tart elke beschrijving, temeer daar de hoofdpersoon stiekem hoopt op een vrijpartij met haar. Die komt er, nadat de wijn rijkelijk vloeide. Hij feliciteert zichzelf met zijn bovenmenselijke bedprestaties: “‘Wat kan jij schreeuwen,’ zei ik. / ‘O, ik heb geen klachten.’ / ‘Mooi.’ / ‘En jij, secretaris?’ \ ‘Slechte vrouwen zijn altijd het beste. Vooral met een slok op.’” 

    Cafépraat versus vat der wijsheid

    Gellings parafraseert in Steden van Pandora de stem van de boze burger. De rechtstaat stapelt blunder op blunder en deugt van geen kant, vrouwen zonder steady echtgenoot zijn eigenlijk een beetje triest en de Randstad is een bolwerk van arrogantie: ‘…in de weer met peperdure lunches in gezelschap van buitenlandse auteurs en toegangskaarten voor het boekenbal, (…) ze konden zich niet voorstellen dat iemand ergens anders op deze aarde kon wonen dan aan een Amsterdamse gracht of achter het Concertgebouw,’ aldus een bijna-pensionado die ’s winters de Chinese Muur, Guatemala of Paaseiland bezoekt en de zomers barbecueënd en wijndrinkend in zijn grote tuin verpoost. 

    Gellings’ derde vertelling, Een vlakte in de stad, tapt uit een ander vaatje. Dit hoofdstuk betreurt de ‘vervinexisering’ van de Enschedese wijk Roombeek. De verteller vindt dat de panische regelzucht van de Nederlandse planologie doorslaat en ontaardt in kleurloze betonblokken. Liever zou hij zien dat dit stukje Twente zijn karakter behoudt. Hij haalt Willem Wilmink aan om deze overtuiging te bekrachtigen: ‘In de oorlog stond een stad in brand / Op Pathmos, Zwik en Hoogeland: / meer dan een halve eeuw nadien / kun je daarvan nog sporen zien.’

    Zo wint deze verteller de sympathie van de lezer. Met zijn onvoorwaardelijke liefde voor een gebutste en daardoor volmaakte plek bewijst Gellings dat Roombeek zélf een boek waard is: ‘Welke sprookjesverteller heeft hier rondgewaard? Luister naar de klank van de namen en de stad gaat open als een oud verhalenboek.’

     

  • Dystopische roman over de media

    Dystopische roman over de media

    Paul Gellings volgt in De wereld als leugen hetzelfde pad als in zijn voorgaande roman De jacht op de klaproos: beiden zijn sleutelromans. De laatste draaide, zoals een sticker op het omslag aangeeft, ‘omtrent de affaire Tuitjenhorn’, de recent verschenen roman draait rond ‘de werkwijze van redacties van kranten en talkshows’ vermeldt de achterflap.
    Al zou je in eerste instantie denken dat de auteur zijn lezers met mystieke gedachten en beelden De wereld als leugen binnen wil trekken: ‘Ik ben niemand. Niets dus’ en: ‘Ik ervaar voornamelijk leegte’. Al gauw dringt het besef door dat Gellings hier de spot mee drijft; de ik-figuur zit aan tafel bij de talkshow Midnight met Melchior (MMM), waar zojuist iemand ‘een hallucinante, mystieke roman’ heeft besproken, over een zoektocht ‘naar of confrontaties met het transcendente’. Het gaat de auteur niet om mystiek, maar om mystificaties. Niet om een transcendente wereld en ook niet om de echte wereld, maar om de wereld als leugen. Hooguit om trendgevoelige onderwerpen, zoals mystiek.

    Slecht verkopende schrijver

    De ik-figuur heet Milan Hartwich. Hij is aangenomen om een column te schrijven bij een regionaal dagblad, ‘De Klaroen’, een kopblad van het Landelijk Dagblad. De lezer weet meteen al, dat hij aan de kant gezet zal worden; de redactie heeft zogenaamd voor een ander format gekozen. Een bekend verschijnsel zoals onlangs bij radiocolumnist Philip Freriks.
    Behalve columnist is Hartwich ook schrijver van een roman en dichter in het genre ‘over een liefdesnacht met een sfinx van permafrost’. Gellings citeert een volledig voorbeeld van zo’n gedicht, dat het genre Slauerhoff lijkt te parodiëren – namelijk diens gedicht over de dichter die woont in zijn gedichten, waarbij Slauerhoffs ‘stad en woord’ bij Hartwich ‘loods of achterzaal’ zijn geworden. Hoe zot wil je het hebben. 
Dat beide boeken van Milan Hertwich nauwelijks werden besproken en slecht verkochten, zegt – je kunt erop wachten – vooral iets ‘over de pikorde binnen het bolwerk van uitgevers, jury’s, recensenten en andere inteeltplegers’.

    De media


    Ook literaire prijzen en hun jury’s krijgen ervan langs. Herken je in Louise Huppeldepup niet Louise Fresco? Net als het succes van Boek van de Maand bij De Wereld Draait Door, van Trien Uittenbroeck (Griet Op de Beeck?). 
Maar net als je denkt dat je in het personage Myra Melchior, de talkshow-presentatrice, Eva Jinek kunt ontwaren, stapt Jinek zelf het verhaal binnen. Zou Myra Melchior dan mede zijn gebaseerd op Nadia Moussaid? Leuk om proberen te achterhalen, al gaat het daar niet echt om – voorop staat dat de lezer in de maling wordt genomen. Helemaal.
    Toch komen er genoeg ‘echte’ dingen voorbij, zoals het essay De Nieuwe Revisor van Jeroen Brouwers. Achterin het boek zijn ze op een rijtje gezet. Pastiche en echt grijpen in elkaar, als de Ripolinmannetjes op een verfblik.

    Biografie


    Zinnen als ‘Stofgoud viel door de roestende bladerkronen, en de zon legde haar hand in mijn nek’ lijken in eerste instantie het verhaal af te remmen, wat je als lezer zowel positief (moment van reflectie) als negatief (stijlbreuk) kunt ervaren. Maar dan komt de aap uit de mouw. Wanneer Gellings Hartwich op een boekenbal beschrijft: ‘Ik was een wandelende stijlbreuk in mijn vliegeniersjack en spijkerbroek’. Al omschrijft Myra Melchior, met wie hij een one night stand heeft, het als ‘bestudeerde nonchalance’. Net als echt en nep grijpen ook stijl en stijlloosheid in elkaar.
 Melchior verzoekt Hartwich een biografie over haar te schrijven, die alle roddels over een affaire tussen haar en Hartwich de kop in moeten drukken. Dat ook dit niets wordt, net als de columns, blijkt uit enkele mooie, sprookjesachtige hoofdstukken over een rodondendronbos en een heks die daar woonde en paart met wolven en beren. Hoofdstukken die – de lezer raadt ook dit snel – het begin van Hartwich biografie van Melchior zijn. Zij is not amused. Met het voorschot (zwart geld van Melchior) vlucht Hartwich per taxi naar het oosten van het land, het sprookjesbos in.

    Dystopie

    Deze mooi vertelde hoofdstukken – die naast het liefdesverhaal vol seks, drugs, rock ‘n’ roll en de vileine satire op het literaire leven staan – nuanceren het toch wel al te eendimensionale verhaal. Een verhaal dat geplaatst kan worden in de traditie van de dystopische roman, zoals Fahrenheit 451 van Ray Bradbury, die Gellings trouwens ook noemt. 
Hoe kom je nu verder. Daarvoor zou je bij een ideeënroman moeten zijn, met minder clichématig uitgewerkte personages (het heroïnehoertje dat op de achterbank slaapt van Hartwichs auto). Maar daaraan ontbreekt in dit boek misschien de vaart. De keus is aan de lezer.

     

  • Oogst week 47 (2018)

    Zijnsvariaties. Verbovelden

    Gelijktijdig met de uitreiking van de eerste Sybren Poletprijs, -een oeuvreprijs van een Nederlandstalige auteur die schrijft in de geest van Polets werk– is vorige week de bundel Zijnsvariaties Verbovelden van Sybren Polet verschenen.

    Zijnsvariaties Verbovelden is een bundel die is samengesteld uit handgeschreven versies van voltooide gedichten die postuum gevonden werden en nog niet eerder gepubliceerd zijn. Als eerbetoon aan de dichter geven de Polet-Stichting en Uitgeverij Wereldbibliotheek deze bundel uit met facsimiles van het handschrift en de door Elice de Gier en Laurens Ham bezorgde tekst.

    Vorige week, op 18 november 2018, werd de Sybren Poletprijs 2018 uitgereikt aan dichter, roman- en theaterschrijver Peter Verhelst. Vanaf nu wordt de prijs elke drie jaar uitgereikt.

    Polet zelf zou blij geweest zijn met deze winnaar. De jury haalt in het juryrapport zìjn woorden die hij over het werk van Verhelst schreef in Crito, ik ben de literatuur nog een haan schuldig, een bundel notities uit 1986:

    open of opengewerkte structuren als uitvalbases naar zich uitdijende periferieën, permanente overschrijdingen van eerder, door anderen of zelf gestelde, grenzen, het ontkennen van te centralistische uitgangspunten via middelpuntvliedende constellaties nadát – vaak tevergeefs – een centrum gezocht werd of centra werden ontworpen.’

     

    Zijnsvariaties. Verbovelden
    Auteur: Sybren Polet
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek (2018)

    Wat doen wij hier?

    De Amerikaanse schrijfster Marilynne Robinson (1943) zal op 15 december 2018 de openinglezing houden op de Nexus-conferentie ‘The Battle Between Good and Evil’.

    Robinson, filosoof, theoloog en professor Creative writing en bekend van o.a. van de romans Gilead, Thuis en Lila, wordt als een van de meest toonaangevende religieuze denkers van onze tijd beschouwd.

    Haar meest recente boek is Wat doen wij hier? ‘In een roerige tijd waarin we volgens Marilynne Robinson tussen links en rechts heen en weer worden gesleurd in een draaikolk, vraagt ze zich af wat het betekent om mens te zijn.
    Dankzij haar kennis van theologie, geschiedenis en literatuur brengt zij een verloren verleden in verband met het heden, en schenkt zij aandacht aan grote levensvragen als: waarom bestaan wij, hoe moeten wij leven? In prachtig proza pleit ze voor het omarmen van de ideeën van grote denkers, en reflecteert ze op het hedendaagse politieke klimaat en op geweten, geloof, geluk, liefde, schoonheid en wat het betekent om te leven.’

     

    Wat doen wij hier?
    Auteur: Marilynne Robinson
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2018)

    De wereld als leugen

    Paul Gellings vertelt op zijn website waar zijn nieuwe boek De wereld als leugen over gaat:

    ‘Allereerst is het de geschiedenis van Milan Hartwich, een niet al te succesvolle schrijver-journalist, die per ongeluk met Nederlands populairste talkshowpresentatrice Myra Melchior een romance op en na het boekenbal beleeft. Omdat zij daarna iets heeft uit te leggen aan de roddelpers besluit ze hem maar tot haar biograaf te bombarderen. Volgt een spel van aanhalen en afstoten en uiteindelijk een wonderlijke biografie die Myra’s woede wekt en Milan zelfs op niet mis te verstane bedreigingen komt te staan. Hij beseft dat er in zijn geval geen scheidslijn meer loopt tussen bovenwereld en onderwereld en dat hij een passend antwoord moet zien te vinden op zijn netelige situatie.
    Daarnaast is deze roman een satire op het opportunisme van redacties van kranten en talkshows en op de vervlakking en verplatting van de letteren als gevolg van mediabemoeienis. Met name schrijver Tijl Kramer, collega-columnist en kroegmakker van Milan, stelt deze verschijnselen vlijmscherp aan de kaak. Tijl is een soort grote broer, een mentor, die Milan geregeld aan het denken zet en hem ook probeert te behoeden voor het wespennest waarin Milan zich heeft gestoken door zich met iemand als Myra Melchior in te laten.
    Een derde laag bestaat uit een sprookje dat, zoals wel vaker onder mijn pen gebeurt, een geheimzinnig eigen leven gaat leiden…’

    De wereld als leugen
    Auteur: Paul Gellings
    Uitgeverij: Uitgeverij Passage (2018)

    Revisor 21

    Tot slot aandacht voor Revisor nummer 21, waarin nieuw werk is verschenen van Alejandra Costamagna, Elisabeth Tonnard, Gilles van der Loo, Jens Meijen, Victor Frölke, Merel van Slobbe, Jilt Jorritsma, Han van der Vegt, Nikki Giovanni, Mathijs Deen, Miek Zwamborn, Roman Helinski en Marieke Lucas Rijneveld.

    Revisor 21
    Auteur: Revisor
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Modiano’s spel met de lezer

    Modiano’s spel met de lezer

    Aan het einde van het derde seizoen van Netflix’ successerie Fargo zegt één van de hoofdpersonen: ‘The past is unpredictable. Which of us can say what actually occurred, and what is simply a rumour, misinformation or opinion?’ Daaraan zou je de herinnering kunnen toevoegen. Wie weet immers nog wat ergens precies is gebeurd, als het uit het geheugen moet worden opgediept?

    Wie een herinnering navertelt zal bovendien vrijwel altijd, bewust of onbewust, proberen deze een beetje mooier te maken dan die in feite is. Weinigen zullen nooit een verhaal een beetje aangedikt hebben zodat het een net wat spannender en indrukwekkender avontuur lijkt dan het in werkelijkheid was. Daar komt nog bij dat een verhaal, dat doorgaans een volgorde is van logisch achter elkaar gelegen elementen waar een gedachte achter lijkt te zitten, per definitie de realiteit geweld aan doet. Die heeft namelijk altijd iets onlogisch: er is geen vooropgezet plan voor de werkelijkheid. We kunnen de werkelijkheid pas achteraf (proberen te) ordenen.

    Een schrijver vertelt echter altijd een verhaal. Hij of zij doet dat, uitzonderingen daargelaten, door een logische plot te verzinnen waarin de personages meebewegen in een avontuur in een door de schrijver als scheppergod gecreëerd universum.  De realiteit van romans heeft dus doorgaans wél een vooropgezet plan.

    Patrick Modiano is een schrijver die het –letterlijk– obscure verleden onderzoekt en wiens hoofdpersonen ‘tevergeefs naar de sporen van verdwenen mensen zoeken. (…) [H]et geheugen wordt steeds opnieuw ondervraagd en [het] schiet steeds weer tekort’, zoals romanist en Modianokenner Manet van Montfrans het verwoordt.

    Modiano vraagt zich af hoe je een (jeugd)herinnering kunt navertellen zonder de gebeurtenis zelf geweld aan te doen, en wat ons geheugen nu eigenlijk vermag. Het interessante aan de Nobelprijswinnaar van 2014 is dat hij erin slaagt de lezer te doen geloven dat hij werkelijk de herinneringen opschrijft zoals ze zich in z’n hoofd bevinden. Dat wil zeggen: herinneringen die met twijfels zijn omgeven. Hij is niet zeker over hoe het met deze of gene afloopt of hoe het met hemzelf afliep in die bepaalde herinnering. Over zijn werken ligt, kortom, altijd een sluier van onduidelijkheid omdat herinneringen dat nu eenmaal zijn. ‘Het lijkt erop dat ons geheugen soms een proces doormaakt dat vergelijkbaar is met dat van polaroidfoto’s.’, zoals hij schrijft in één van de verhalen die Querido nu heeft gebundeld in de Nederlandse vertaling.  Herinneringen vergelen, verbleken. Uiteindelijk blijven alleen vage contouren over.

    Die bundel is uitgegeven onder de titel ‘Trilogie van een beginnend schrijverschap’ en de romans ‘Verdaagd verdriet’, ‘Bloemen en puin’ en ‘Hondenlente’ zijn erin vervat. De eerste en derde verschenen overigens ook in een door Modiano zelf samengestelde en zo genoemde ‘ruggengraat’ van zijn oeuvre in 2013. Onduidelijk is of het ook de bedoeling is van Modiano dat ‘Bloemen en puin’ ertussen staat, maar feit is dat de drie boeken goed bij elkaar passen. Ze gaan in ieder geval stuk voor stuk over een ik-figuur die verhaalt over de sporadische aanwezigheid van zijn moeder en vader, de veelal obscure zaakjes waarin zij en hun vrienden zijn verwikkeld en mistige herinneringen aan bijna vergeten vrienden. Het beginnende schrijverschap komt eigenlijk niet zo heel erg naar voren, en is ook niet het belangrijkste.

    Problematisch wordt het wel als de verschillende boeken niet meer zo gemakkelijk te onderscheiden zijn en de lezer niet meer weet of een bepaalde figuur nu ook al in de vorige romans opdraafde. In simpele bewoordingen is dat verwarrend. Tegelijkertijd lijkt de schrijver ook een ingewikkeld spel met de lezer te spelen. Door verschillende figuren terloops terug te laten keren in de geschiedenis van ogenschijnlijk dezelfde hoofdfiguur beleeft de lezer als het ware precies wat de schrijver probeert te beschrijven. Een soort terugkerende déjà-vu, gecreëerd door Modiano als scheppergod.

    Zo zijn de boeken precies wat ze proberen te beschrijven en leidt Modiano de lezer om de tuin. Het bundelen van drie soortgelijke verhalen schijnt daarmee een interessant nieuw licht op zijn oeuvre. Het verleden is dus zeker onvoorspelbaar, al is dat iets minder het geval voor de schrijver zelf.

     

     

     

     

  • Oogst week 21

    Astronaut

    Met geboortejaar 1994 is Pieter Kranenborg niet alleen een van de jongste debutanten bij zijn uitgever, maar in het hele literaire veld. Kranenborg, die in 2015 de Aanmoedingsbeurs bij Hollands Maandblad kreeg toegekend, publiceerde o.m. in Tirade en Hollands Maandblad. In zijn verhalen gaat het om beweging. Een van de verhalen begint met: ‘Mijn vader is een astronaut, ik heb een buurmeisje gehad dat ’s nachts Debussy speelde, en mijn broer woont in Zweden. Een van de drie dingen is niet waar. Waar zal ik mee beginnen?’
    Klinkt goed.

    Astronaut
    Auteur: Pieter Kranenborg
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.

    Zondagavondbuurt

    Het duurt even voor de juiste gegevens gevonden zijn op de site van Uitgeverij Passage – misschien is een update een keer een idee? Schrijver en dichter Paul Gellings komt nu met een verhalenbundel die, volgens de flaptekst/uitgeverssite, doordrenkt van een aan Gellings’ eerdere werk verwante, dromerige, melancholieke sfeer, waarin de humor niet geschuwd wordt. Van leraren die wel erg intiem zijn met hun leerlingen tot gewelddadige buschauffeurs tot een wellustige tante die haar jonge neefje het bed in lokt, het belooft een fijne absurde rit te worden.

    Zondagavondbuurt
    Auteur: Paul Gellings
    Uitgeverij: Passage, Uitgeverij

    De Tanimbar-legende

    De kleurrijkste uitgeverij van Nederland – aldus In de Knipscheer zelf – komt met een heruitgave van deze in 1992 verschenen oorlogsroman van schrijver Aya Zikken. En dat is goed, want als er een onderwerp nooit verjaart, dan is dat WO2 en diens nasleep. In deze belangrijke roman klinkt het geweten van een natie door die in zal moeten zien dat haar koloniale dromen grotendeels op een illusie hebben berust.

    De Tanimbar-legende
    Auteur: Aya Zikken
    Uitgeverij: Uitgeverij In de Knipscheer

    Couperus in de Oriënt

    Ter gelegenheid van de tentoonstelling De Oriënt verkend. Op reis met Louis Couperusen Marius Bauer in het Louis Couperus Museum heeft José Buschman haar Een dandy in de Oriënt. Louis Couperus in Afrika hernieuwd. Met vele onbekende foto’s, recente vondsten en citaten reconstrueert zij Couperus’ tocht door de woestijn.

    De reisboeken van Louis Couperus trokken altijd de aandacht vanwege hun levendigheid, Met Louis Couperus in Afrika uit 1921 vormt hierop de uitzondering. Zes maanden reisde de schrijver door Algerije en Tunesië, de Haagse schilder Marius Bauer bezocht Noord-Afrika een jaar later. Zijn schetsen ademen de oosterse schoonheid die ook Couperus zo kon bekoren. Anders dan bij Bauer lijkt bij Couperus de oriëntaalse vervoering gaandeweg te zijn verdwenen. Was zijn esthetische kijk opgewassen tegen de realiteit van de Franse overheersing, de islam en de armoede?

    Couperus in de Oriënt
    Auteur: José Buschman
    Uitgeverij: Uitgeverij Bas Lubberhuizen
  • Een urgente roman 

    Een urgente roman 

    Het is met De morfinetrilogie van Paul Gellings als met de discussie over de vraag of het glas halfvol of halfleeg is. Wie elk van de drie boeken (Verbrande schepen, Augustusland en De jacht op de klaproos) apart leest, zal geïmponeerd zijn door rake karaktertekeningen. Wie ze echter achter elkaar leest, zal opvallen dat de personages enigermate uitwisselbaar (b)lijken te zijn. Dat komt niet omdat sommige personen in verschillende boeken voorkomen, zoals Esmee, de vrouw met sinustrombose (een ‘kraamhoofd’) uit Augustusland die in De jacht op de klaproos een patiënte blijkt van de hoofdpersoon. Het komt eerder omdat sommige karakters, zoals bijvoorbeeld de twee rechercheurs die in De jacht op de klaproos de vrouw van de overleden patiënt verhoren, wat sjabloonmatig zijn neergezet. Tot die conclusie kom je, als je het glas als halfleeg beschouwt.
    Als je uitgaat van een halfvol glas, zal de lezer er waarschijnlijk niet over vallen en iemand als de stagelopende co-assistente uit De jacht op de klaproos sterk uitgewerkt vinden. Een jonge vrouw die soms tegen de diagnoses van de huisarts van de oude stempel in durft te gaan, slagvaardig is, ambitieuze plannen heeft om hoogleraar te worden, met een ‘toontje van vrouw van de wereld, die het allemaal wel bekeken heeft, die weet wat ze wil en iedereen wel eens verbluft zal doen staan.’

    Alle drie de delen van de trilogie hebben, zoals de overkoepelende titel al zegt, morfine als overeenkomstig thema. De klaproos in het laatste deel slaat op ‘de roos van Morpheus’, het extract van de bloem van de onschuld met zijn ‘nachtelijke, zwarte kanten.’ Niet voor niets wordt in alle boeken wel ergens een citaat van Baudelaire opgevoerd, de schrijver op wie morfine zowel een goede als een slechte uitwerking had. En gejaagd wordt er op een huisarts die met een hoge dosis (andere zeggen: overdosis) morfine het ondraaglijk lijden van één van zijn patiënten wilde verzachten.

    De laatste roman van de trilogie is gebaseerd op de geschiedenis van Nico Tromp, huisarts in Tuitjehorn, in het boek respectievelijk Stefan Mandema en Polderveld genoemd. De geschiedenis is bekend: de terminale kankerpatiënt Theo Spaansen (in het boek Wouter Langedijk) kreeg van zijn bevriende huisarts een hoge dosis morfine en dormicum toegediend. Een stagelopende co-assistente meldde dit bij haar begeleider van het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam. Deze speelde de zaak door aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), die de arts schorste en het Openbaar Ministerie inschakelde. Deze startte een strafrechtelijk onderzoek met als aanklacht: moord. De arts stortte in en pleegde uiteindelijk zelfmoord.
    Een commissie onder leiding van oud-vicepresident Carel Bleichrodt van de Hoge Raad concludeerde dat het AMC terecht de arts niet had verzocht zijn mening te geven. Het betrof ‘een zeer uitzonderlijke situatie.’ Wel werden kanttekeningen geplaatst bij de onderlinge communicatie tussen de instanties en de buitenwereld.

    Gellings weet in deze sleutelroman de gang van zaken op een invoelende en spannende manier te vertellen. De arts wordt geschetst als een gewetensvol man: ‘Geen dienst toch komen.’ Het verhaal ontvouwt zich langzaam, met goed gedoceerde vooruitblikken en toespelingen: ‘Dit is iemand op wie ik kan leunen als het nodig is, dacht ik nog’, aldus Stefan Mandema over co-assistente Anemone van Loenhout. Waarbij kan worden opgemerkt, dat de anemoon in de kankerwereld symbool staat voor hoop op herstel.
    Het wordt de lezer op tal van manieren mogelijk gemaakt je in de situatie van de huisarts in te leven: ‘Toen ik de oprit voor de praktijk opdraaide, besefte ik me met een schok dat me geen enkel detail van de rit was bijgebleven. Alsof de auto mij op eigen kracht naar huis had gebracht, terwijl ik er alleen maar in zat, handen aan het stuur, verder elders.’

    De roman is ten diepste een aanklacht tegen wat Gellings omschrijft als de managers-cultuur van bijvoorbeeld het AMC. Hierin ligt tenslotte nog een overeenkomst met de andere romans uit De morfinetrilogie. Daarin komen personages voor als een vrouw die aan de poten van een collega of een meerdere zaagt, een meerdere die zijn ondergeschikte niet over de situatie hoort en besluiten neemt. Wie herkent het niet: realiteit en (angst)dromen, die elkaar niet alleen in De jacht op de klaproos maar ook in de werkelijkheid afwisselen? Gezien de thematiek in enge en ruime zin (euthanasie en managers-cultuur) heeft deze roman, deze aanklacht een grote urgentie.


    De jacht op de klaproos

    Auteur: Paul Gellings
    Verschenen bij: Uitgeverij Passage
    Aantal pagina’s: 190
    Prijs: € 18,90