De 42ste Nacht van de Poëzie ligt weer achter ons. Twintig nachtdichters, een handvol spetterende entr’actes en tal van andere activiteiten werden in een uitverkochte grote zaal TivoliVredenburg met overgave omarmd en beleden door meer dan 1500 poëzieliefhebbers.
Als Esther Naomi Perquin, die samen met Piet Piryns het publiek door de Nacht leidt, de zaal begroet met ‘Lieve nachtdieren’ – dan weet je dat het is begonnen: dat wonderlijk intieme evenement van woorden en mensen, taal en muziek, dat naarmate het later wordt meer en meer verbindt. Logisch en bezwerend voor wie er onderdeel van is, niet uit te leggen aan wie het heeft gemist.
Dat poëzie, actualiteit en engagement hand in hand gaan was al langer duidelijk. Onthutsende ontwikkelingen doen zich onophoudelijk voor op het wereldtoneel en deze klinken in de voordrachten door. Paul Demets neemt zijn gehoor mee in een relaas over een voorgenomen reis naar de brandhaard: “Ik wou de trein naar Gaza nemen”; verbluffend is dat zelfs voor zoiets poëzie zich overtuigend leent. Froukje van der Ploeg dicht over femicide: ’87 procent van je gevaar woont in huis, zit op je bank’.
In de ban van poëzie
Twintig dichters, in meer dan een opzicht divers en inclusief, betraden deze Nacht het podium onder het motto van ‘overal smelt het, zwelt het, glimt het – nu gaan de dingen weer beginnen’. Een regel van Judith Herzberg die betrekking heeft op de lente, maar niemand vond het erg dat dit in oktober als inswinger aan beide zijden van het podium prijkte.
Judith Herzberg (1934) zelf was voor de tiende maal present tijdens de Nacht. Ze zette de zaal aan het denken met haar opsomming van wat allemaal kan worden beschouwd als vormen van gekte. ’tegen poezen praten, ja – maar ook: hopen, en wanhoop net zo goed, is een vorm van gekte’.
Uitgeverij C.J. Aarts en uitgeverij Masjenka
Een andere dichteres hield het publiek een spiegel voor door te stellen dat dit leven ‘lelijk maar dragelijk’ is, onder verwijzing naar protestkunst op de pleinen van Europa ‘met een glaasje gin voor wie het kan gebruiken’. Charlotte Van den Broeck, werkelijk nog maar pas moeder geworden, draagt het gedicht ‘Postpartum beach’ voor met daarin de regels: ‘pas geopende / stug-rood bebloste vrouwen / in hun plotsklaps lege vel blubberende / bloedverliezende vrouwen’.
Muisstil is het in de vol bezette zaal wanneer een dichter ze met zijn voordracht in de ban houdt. Daarentegen moet van sommige entr’actes gezegd worden dat het – dreunende – geluidsvolume soms veel te hard stond. Misschien goed om in de late Nacht mensen wakker te schudden, maar nu ontvluchtten velen de zaal uit vrees voor bonkende hoofdpijn of zelfs gehoorschade.
Voorbij de Nacht
Het wordt leger in de zaal als het later wordt. Maar de intense sfeer van verbondenheid geldt nog meer voor hen die tot het eind toe blijven. Tot slot is er het prachtige optreden van debutante Lin An Phoa, aangekondigd als ‘grand dessert’ van de Nacht. Ook zij vertolkte geëngageerde poëzie en bevestigt het bestaansrecht van depressieve tienerpoëzie: (‘we hadden geen stijl, wel een streefgewicht’) maar geeft er vervolgens blijk van zelf inmiddels een nieuw stadium te hebben bereikt als dichteres, met haar gedicht: ‘Op een dag zullen we het ons anders herinneren’:
‘we zullen het weer met elkaar eens zijn
dan zullen we doen alsof we altijd al met onze armen ingehaakt
de straat op gingen met vlaggen en een stuk bezorgkarton
waarop we na lang nadenken schreven: nee!’
Tom Lanoye tijdens de Nacht van de Poëzie
Traditie van de Nacht is dat de dichter die als laatste optreedt volgend jaar het spits mag afbijten. We zullen ons Lin An Phoa dan zeker herinneren – en toch zal een en ander dan weer anders zijn. Zoals in deze Nacht, toen er een meer dan exuberante toegift volgde door Tom Lanoye die het publiek middels zijn brandnieuwe ‘Reinaard’-bewerking in ronkende vertelling en hoge versnelling meenam naar de Middeleeuwen. Waarna omstreeks half vier de laatste nachtgangers het donker van Utrecht betraden, vergezeld door poëzie tot ver na thuiskomst.
Foto’s: Reinder Storm
De Nachtdichters van dit jaar waren: Judith Herzberg, Yentl van Stokkum, Tom Lanoye, Charlotte Van den Broeck, Pim Lammers, Sophia Blyden, Sasja Janssen, Neeltje Maria Min, Asmae Amaddaou, Sytse Jansma, Lieke Marsman, Marc Reugebrink, Yasmin Namavar, Froukje van der Ploeg, Gustaaf Peek, Bob Vanden Broeck, Paul Demets, Jan Baeke, Lin An Phoa en Peer Wittenbols.
Dit voorjaar werd Paul Demets gelauwerd met de Grote Poëzieprijs voor zijn bundel De schaamsoort, Briefgedichten aan Guido Gezelle. Hij had niet verwacht dat deze bundel, omdat het toch wel een echt Vlaamse bundel was geworden, in Nederland zou opvallen. ‘Toen hij de longlist bereikte dacht ik, wauw, ze hebben hem gezien. En dan komt de shortlist, en je denkt, geweldig. Ja, en dan viel ik echt van mijn stoel.’
Paul Demets (1966) debuteerde in 1999 met de bundel De papegaaienziekte, maar zijn eigenlijke debuut, Het web van omtrek, waar hij aan schreef tussen 1988 en 1993, verscheen in 2021. Uitgangspunt van deze bundel was het werk van kunstenaar Roger Raveel (1921– 2013). Als ongepubliceerd werk kreeg het in 1993 een eervolle vermelding van de Prijs voor Letterkunde van Oost-Vlaanderen. Dat er wel meer werk in de la blijft liggen leek voor lange tijd een gewoonte van de dichter. Wel publiceerde hij geregeld in literaire bladen zoals Het Liegend Konijn, maar van een bundel samenstellen kwam het vaak niet.
Op donderdag 2 juli, een van de warmste dagen van deze zomer, bezocht ik dichter Paul Demets in het monumentale pand waarin de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (KASK) gevestigd is en waar hij lector is.
Het KASK-café, waar we hadden afgesproken, is vanwege vakantie gesloten. We zullen uitwijken naar zijn werkkamer, maar eerst een ijsje. Kom, zegt Demets, dan trakteer ik op ijs. We gaan naar de achterzijde van de academie waar buiten een ijscowagen staat om kandidaat-studenten die deze dagen toelatingsgesprekken hebben, enige verkoeling te bieden. We passeren collega’s die hij enthousiast kond doet van de uit Nederland gekomen interviewer voor Literair Nederland. Als we door de monumentale gangen naar zijn werkkamer lopen, onze voetstappen ruisend over de oude vloeren, onderbroken door het openduwen van klapdeuren, vertelt Demets, vaderlijk glunderend, dat zijn jongste dochter net aan deze academie haar master grafisch ontwerp-illustratie heeft behaald.
In zijn werkkamer op de eerste verdieping nemen we plaats aan een tafel. Stapels papieren waar je kijkt, twee computerschermen, posters aan de muur, (waaronder een van filmmaker Chantal Akerman, waarover later meer), volgepakte boekenplanken, waartussen, zo wijst Demets me, het volledige werk van de Vlaamse dichter Guido Gezelle staat.
We spreken over het ontstaan van De schaamsoort, over de cesuur in zijn leven en over het benaderen van de werkelijkheid via de kunst of via de werkelijkheid zelf. En dan zijn er nog al die bundels die uit een la komen, of er in blijven liggen, het maken van poëziefilms en dat de politiek er tussendoor schemert.
Hoe was het om deze prijs te winnen?
Lachend: ‘Gelukkig had ik die dag daarop al terug les, ik had niet veel tijd om naast mijn schoenen te lopen. Dat zit misschien ook niet zo in mijn aard.’ Dan, ernstiger, ‘Het geeft wel een diep gevoel van geluk en vooral een soort vertrouwen om door te gaan.’
Op het moment dat Demets de prijs ontving, had hij ongeveer op de dag af tien jaar geleden een hartstilstand gekregen. Die ochtend was Demets benauwd op de borst en had pijn in zijn arm en bij zijn hals. In plaats van naar de KASK te gaan, reed hij naar het ziekenhuis waar hij met spoed geholpen werd. ’Die prijs had voor mij dus ook iets heel symbolisch. ’ Zijn oudste dochter werd geboren met een hartafwijking en onderging open hartoperaties. In bedekte termen schreef hij daarover in zijn bundel De landsheer van de Lethe
De woorden van Remco Campert, ‘Poëzie is een daad van bevestiging, de bevestiging dat ik leef’ krijgen hier hun eigen betekenis?
‘Absoluut, en ook dat ik niet alleen leef. Die twee aspecten zijn heel belangrijk. Dat ik niet alleen leef, was in mijn dagelijkse bezigheden al belangrijk voor mij. Ik heb altijd lesgegeven, dan leef je niet alleen, dan geef je dingen door, probeer je te enthousiasmeren, te ondersteunen. Na mijn hartoperatie is dat nog belangrijker voor me geworden.’
Is er daarna ook iets veranderd in je poëzie, in hoe je schrijft?
‘De poëzie die ik tot dan toe schreef en publiceerde, kwam vooral uit het hoofd. Maar het lichamelijke aspect is voor mij veel belangrijker geworden. En ook de maatschappelijke betrokkenheid.’
Hoe bedoel je dat precies?
‘Voor mij is het heel gewoon om te kijken naar de werkelijkheid via kunst. De kunst als een soort vlies dat tussen mij en de werkelijkheid staat. Ook via film bijvoorbeeld. Dat speelt nog altijd een rol, maar in sommige bundels kijk ik niet meer via kunst, maar rechtstreeks naar de werkelijkheid. En dat is een nieuw aspect.’
Enkele maanden na zijn operatie, werd Demets door het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen gevraagd als plattelandsdichter. Aanvankelijk voelde hij zich er niet klaar voor om in opdracht te gaan schrijven, maar toen bleek dat hij de vrije hand kreeg in de invulling daarvan, stemde hij toe. ‘Dat vond ik eigenlijk wel fijn. Want om terug te keren naar het citaat van Remco Campert, dat ik niet alleen leef, dat was voor mij ook een heel belangrijk aspect om het te accepteren.’
‘Ik dacht dat dit nu misschien wel de gelegenheid was om even letterlijk uit te zwermen over het platteland. Om te praten over wat de mensen op het platteland bezighoudt, wat hen drijft en ontgoochelt. Aan verkiezingsresultaten in heel Europa is te zien dat er veel breuklijnen in de samenleving komen bloot te liggen, één van die breuklijnen is tussen stad en platteland. Het klimaat gaat mij al ruim twintig jaar ter harte en ik zat dan ook met die achtergrond aan de keukentafel bij landbouwers. Sommige gezinnen zitten al jaren in de problemen. Dan heeft zo’n veevoederbedrijf gezegd, weet je, we sluiten een deal. Wij bouwen twee stallen voor je. Stop met gemengde landbouw, alleen nog varkens. En in plaats van 30 varkens, 300 of meer. Plots blijken die landbouwers werknemers van het veevoederbedrijf op hun eigen boerderij te zijn. Ze zeiden mij ook wel dat ik anders denk dan zij. En dat is natuurlijk ook zo.’
Wat kan de betekenis van kunst en poëzie in deze tijd zijn?
‘Kunst en poëzie zullen de wereld niet kunnen redden vrees ik, maar bieden wel andere perspectieven vanuit de meerduidigheid. Dat is iets waar ik zelf van hou in literatuur, poëzie en kunst. Dat het mij aan het denken zet en zich niet in zijn onmiddellijkheid aan me meedeelt. Ik heb graag dat ik uitgedaagd word. Dus dat vind ik wel belangrijk voor mijn eigen werk, dat iemand ernaar teruggrijpt en nog eens leest en misschien andere dingen ziet. Die openheid van interpretatie vind ik wel belangrijk.’
Wat betekent Gezelle voor jou?
‘Hij heeft mij gevormd en heeft grote indruk op mij gemaakt. Want zijn stem is zo uniek dat je dat onmogelijk kunt proberen na te bootsen.’
‘In 2010 vroeg Gwy Mandelinck ((1937-2024), oprichter poëziefestival Watou Iv/dG ) aan dichters, onder wie aan mij, om een gedicht te schrijven gebaseerd op het leven en werk van Gezelle. Ik vond het een boeiende uitdaging want ik kende het werk van Gezelle, waarmee ik niet durf te beweren dat ik het toen al volledig gelezen had. Zijn poëzie kende ik, maar die andere kant, de bijna krijgshaftige voor het katholicisme strijdende polemist Gezelle kende ik niet. Dat was wel interessant. Maar ook zijn ecologisch bewustzijn, al was dat bij hem ook ideologisch gekleurd. Zijn allereerste gedicht ‘De Mandelbeke’, daar zit iets heel kritisch in over de oprukkende industrialisering. Dat, en zijn bekommernis om de natuur hebben mij opnieuw voor zijn werk gewonnen en zorgde veertien jaar geleden voor het begin van De schaamsoort.’
Heb je je weleens een voorstelling gemaakt hoe Gezelle zou kunnen reageren?
‘Ja, absoluut. Ik heb hem, een man uit de negentiende eeuw, zeker niet willen bekritiseren want dat zou wel heel oneerlijk zijn. Maar ik had hem weleens willen horen over bijvoorbeeld de educatieve context. Die had hij in Roeselare, in zijn school waar hij lesgaf. Dat blijkt uit de briefwisseling. Hij verzamelde een groepje jongeren rond zich en zette die aan om poëzie te schrijven. Wat ik ook doe, maar bij hem had dat een ideologische reden. Want hij schreef letterlijk in een brief: gebruik Vlaamse woorden, want dat is belangrijk. We moeten het Vlaams emanciperen. Dat soort emancipatie is mij totaal vreemd. Ik geef geen les om op ideologisch vlak invloed uit te oefenen en al zeker niet om Vlaanderen groter te maken. Dat zou niet werken, want mijn studenten komen uit alle windstreken. En dat vind ik alleen maar fijn.’
In zijn bundel is er volgens Demets één facet van Gezelle onbelicht gebleven, ook omdat in een bundel nu eenmaal niet alles past, en dat is de openheid van geest die Gezelle ook had. Daarom maakte hij samen met oud-filmstudent Hooman Jeddy de poëziefilm Zie, zie, zie. Het werd een hommage aan Gezelle, aan wie hij was en hoe hij schreef.
‘Daarin hebben we een ontmoeting tussen de westerse katholieke cultuur en de oosterse Perzische cultuur filmisch gerealiseerd. Gezelle kende de Perzische poëzie die hij via een bisschop leerde kennen in een Engelse vertaling. Dat wijst op zijn intellectuele nieuwsgierigheid.’
De bundel bestaat uit zeven afdelingen met elk als titel een van de zeven hoofdzonden. In de afdeling Gula (woede) schrijf je over de fatale ontgroening van Sanda Dia in 2016. ‘Ja, dat heeft mij heel erg beziggehouden. En die studentenclub Reuzegom uit Leuven, waar ik zelf gestudeerd heb. In het begin van de cyclus schets ik mijzelf en het studentenleven. Omdat ik mij niet superieur wilde opstellen, zo van: wat hebben die jongens toch gedaan en ik was beter en anders.’
‘Het is een verhaal waarin alleen maar verliezers zijn. Op de eerste plaats omdat die jongen er niet meer is. Maar ook die jongens die erbij betrokken zijn in de vorm van ongeremd groepsgedrag. Hoe ze verder en verder zijn gegaan tot het fout moest lopen. Ik heb het proces intens gevolgd en heb ook de verslagen gelezen. Wat heel dubbelzinnig is zoals je het ervaart. Ik bekijk het ook van twee kanten. Het zal je zoon maar zijn die daarbij betrokken was geraakt. En anderzijds de ouders van die jongen en dan het hele advocatengedoe natuurlijk. Hoe ze zoveel mogelijk die jongens die erbij betrokken waren, probeerden te beschermen.’
‘Wat mij ook wel raakte, is de juridische taal die gebruikt wordt en die bijna ontmenselijkt. Ik denk dat juristen zullen zeggen, dat is nu eenmaal eigen aan juridische taal, maar dat heb ik toch ook wel een plaats willen geven in die cyclus gedichten. Ik wou laten zien hoe identitair denken tot tribalisme kan leiden.’
Ben je al met iets nieuws bezig?
‘Ja, en dat heeft ook met dat catharsismoment uit 2015 te maken. De jaren daaraan voorafgaand was ik niet zo bezig met publiceren in bundelvorm. Ik publiceerde zo nu en dan in tijdschriften zoals Het Liegend Konijn. Verder recenseerde ik vooral poëzie, theater en beeldende kunst, wat ik nog altijd graag doe. Mathematisch gezien zijn er vanaf het begin in 1989, toen ik echt aan een bundel begon te werken, ruim 23 jaar waarin ik niets gepubliceerd heb, maar wel in stilte verder heb geschreven.’
‘Na mijn operaties waren er gesprekken met een psychologe. Ze vroeg wat ik tot nu toe in mijn leven had gedaan en wat ik anders zou willen doen. Er waren oudere patiënten die met werken wilden stoppen of een grote reis wilden maken. Maar ik dacht, ik ga gewoon verder met waar ik mee bezig ben: lesgeven, schrijven en recenseren. Op één kwam nog meer aandacht aan mijn gezin besteden. En als tweede dacht ik dat ik misschien wel iets meer wilde nalaten dan hier en daar wat verspreide gedichten.’
Sindsdien is Demets werk uit de lade aan het halen. Er zijn al meerdere bundels verschenen, al is het niet zo dat die afgewerkt klaar lagen.
‘Dat zou wel heel erg romantisch zijn, dat ik maar een lade open hoef te trekken en er rolt een bundel uit. Niet alles blijkt bij hernieuwde kennismaking geschikt om mee verder te gaan. Ik moet mij kunnen terugvinden in wat ik eerder geschreven heb, of ik laat het voorgoed in de lade.’
‘Mijn nieuwe bundel, Moederkoren die in oktober zal verschijnen, zit wat in de lijn van via kunst naar de wereld kijken. Ik ben er jaren mee bezig geweest. Maar hij is tegelijk ook heel lichamelijk en persoonlijk. Deze bundel is uit het werk van Chantal Akerman ontstaan. Ik gebruik haar werk als een soort canvas waarop ik dan mijn eigen wereld projecteer.’
Paul Demets is op 31 oktober een van de eregasten tijdens het Nederlands Poëziefilm Festival 2025 te Zutphen. Tijdens het festival zal er een ruime selectie van films, gebaseerd op zijn gedichten, vertoond worden.
In het najaar van 2022 verscheen De hartvinger van Paul Demets, sluitstuk van een trilogie waarvan de eerdere delen het jaar daarvoor zijn uitgebracht bij dezelfde uitgever. Een bundel die in meerdere opzichten niet op zichzelf staat. De Vlaamse dichter heeft zich laten inspireren door de schilderijen van stadsgenoot Raoul De Keyser; beiden op hun beurt weer door de Franse filosoof Jacques Derrida. Pas in het vrij uitvoerige nawoord geeft de dichter uitleg daarover. Wellicht was de bundel toegankelijker geweest als die uitleg voorin had gestaan. Voor het overige is de opbouw zeer overzichtelijk. De in totaal negenenveertig gedichten – alle zonder titel – zijn verdeeld over zeven cycli van gelijke lengte. Daarvan hebben alleen het eerste en het laatste onderdeel geen verwijzingen naar specifieke schilderijen. Alle andere gedichten wel. Niet verweven in de tekst, maar onderaan vermeld als in de catalogus van een tentoonstelling, zakelijk bijna; naam, jaartal, vindplaats. Sowieso verdient het aanbeveling een en ander van De Keysers werk op te zoeken op internet. Zijn schilderijen zijn niet de obligate kunstwerken die dankzij allerhande beelddragers – van kalender tot koektrommel, van paraplu tot schooletui – bij een groot publiek bekend zijn. Al helemaal niet bij mensen die naar eigen zeggen ‘niets met kunst hebben’.
Ruimte tussen woord en beeld
Wie bekend is met begrippen als deconstructivisme, postmodernisme, semiotiek, weet enigszins in welke hoek hij het zoeken moet. Wie die termen niet kent, komt met een natuurlijke basishouding van ‘ik snap het niet’ echter ook een heel eind. Want dat is waar het – kort door de bocht – om draait: dat wat ons ontsnapt, juist als wij – waarnemer, kijker, lezer – denken het te pakken te hebben.
Alles wat wij waarnemen, benoemen, menen te begrijpen is wat het is, en tegelijk toch ook niet. Tenminste niet zo definitief als wij doorgaans aannemen. Een stoel is volgens Derrida enkel een stoel in vergelijking met andere voorwerpen waarop je níet kunt zitten. Veel hangt af – en Demets en De Keyser volgen hem daarin – van de context, van wat zich rondom het woord, rondom het ding afspeelt. Het enige dat wel onthouden moet worden, en waarvan Demets nadrukkelijk melding maakt op de achterflap, is ‘parergon’, het begrip waarmee Derrida de ruimte tussen woord en beeld aanduidt. Over die ruimte – die gerust kan worden opgevat als vrije ruimte, speelruimte – gaat het in deze gedichten, alsook in de doeken van De Keyser. Noch de dichter, noch de schilder laat zich wat dat betreft dwingen tot een vastomlijnde eenduidigheid.
‘Als iemand me zei dat die lijn de krijtlijn op het voetbalveld was, dan zei ik dat het iets anders was. Als iemand me zei dat het iets anders was, zei ik: het is de krijtlijn op het voetbalveld. Het is hetzelfde en het is niet hetzelfde.’ Zo omschrijft De Keyser zelf die notie van vrije ruimte. In de laatste cyclus van de bundel, waarin Demets meermaals verwijst naar de Twin Towers en Guantanamo Bay, staat het zo:
‘Als ik een schilderij aanval, dan is dat de vrijheid die ik neem.’
Er is verf. Ze zal over de dingen strijken.
Oog voor het accident. Onophoudelijk toont de televisie. Wij allen zijn getuigen.
De werkelijkheid wijkt terug achter het verschijnen. Hier kan geen zonlicht bij.
We worden gedicteerd. ‘Er zijn meerdere einden.’ We kunnen niet zelf beslissen.
Een kaal verslag van een gebeurtenis die bij velen nog vers op het netvlies staat en weinig aan de verbeelding overlaat. Tegelijk is niets wat het lijkt in dit gedicht en wordt de lezer op uiterst verwarrende wijze in het ongewisse gelaten omtrent de vraag of wij nu wel of niet vrij zijn, of wij nu wel of niet invloed hebben op deze werkelijkheid, en in hoeverre wij dader zijn of slechts passieve getuigen van wat wij waarnemen.
Hoeveel ruimte, hoeveel vrijheid, en waartoe?
Dergelijke vragen worden in meerdere gedichten gesteld, in uiteenlopende bewoordingen en telkens ook anders van toon en emotie. Zoals bijvoorbeeld in de zesde cyclus:
‘We moeten recht doen aan het verschil. Maar wie is hier wie? Wat is wat?
Glaasje Sancerre?
Elk woord is een supplement van het argument, aldus Jacques.’
Welbeschouwd speelt veel – en idealiter zo veel mogelijk – van ons leven zich af in die ruimte tussen woord en beeld; tussen wat vastligt en wat mogelijk ook anders kan. Wat zou er anders te hopen en te dromen overblijven? Vooral waar het leven schier onleefbaar is en de mens nood heeft aan alternatieven, een visioen dat het mogelijk ook anders kan. Misschien, ooit.
Daarmee is de door Derrida opgeworpen notie van het ‘parergon’ geen academische kwestie meer, en gaat het bij lange na niet enkel over taal, kunst, woord en beeld. Zonder die ruimte zouden wij als eendimensionale wezens met onszelf samenvallen; punten zonder lijnen die ergens heen gaan. Er zou geen fantasie zijn, geen gedroom, geen hoop op transformatie. Die ruimte hebben we nodig om van de ene vorm van zijn naar de andere te geraken. Zo niet, dan zijn we gedoemd aan de lopende band van een volledig voorgeprogrammeerd leven te staan, als personages uit George Orwells 1984, of erger. Terwijl veel in deze gedichten juist gaat over transformatie, over wèl groeien, wèl veranderen, wèl mens zijn met huid en haar.
Ouderwets hoffelijk
Er zijn nogal wat gedichten geschreven over kunstenaars en kunstwerken. Auden over Brueghel, Shelley over Da Vinci, Plath over De Chirico, Ginzberg over Cézanne. In alle gevallen met enige, of een behoorlijke afstand tussen gedicht en kunstwerk. Zelden waren dichter en kunstenaar tijdgenoten van elkaar. Nog zeldzamer zijn de gevallen waarbij ze elkaar hebben gekend.
Paul Demets en Raoul De Keyser kenden elkaar wel. Zelfs hadden zij vanaf hun eerste ontmoeting in 2000 in de bibliotheek van Deinze – hun beider geboortestad – regelmatig contact. Een naar vriendschap neigende omgang die Demets liefdevol beschrijft in het uitgebreide nawoord. Waarom aan deze ontmoetingen in 2005 – het jaar dat het manuscript van De hartvinger werd voltooid – een einde kwam, wordt niet vermeld. Helaas, zou men haast denken. Aangestoken door de serene integriteit van deze vriendschap, is dat woord echter niet op z’n plaats. Het past hier om te accepteren en te respecteren dat Demets zelf bepaalt wat hij erover kwijt wil. Zoals De Keyser op zijn beurt bepaalde wat hij wel en niet met de dichter wenste te delen als het ging om zijn werk. Daarmee ademt het relaas van deze vriendschap – en vermoedelijk ook de vriendschap zelf – een aangenaam soort hoffelijkheid die heden ten dage zeldzaam is en die daardoor ietwat ouderwets overkomt, maar juist daarom niet minder charmant.
Zonder veel van de persoonlijke kanten van deze vriendschap prijs te geven, heeft Demets wel de essentie weten te destilleren van wat hen beiden bewoog en dreef in hun kunstenaarschap. Wat met Derrida in het achterhoofd – het eeuwige getwijfel, het nooit zeker weten, achter elke verwijzing weer een volgend raadsel moeten ontdekken – bepaald geen sinecure is. Dat geeft aan hun beider werk een zuiverheid die krachtig is en tegelijk ontwapenend kwetsbaar. Alsof gedicht en schilderij tezamen het product zijn van een intiem, symbiotisch proces. Vooral daar waar het gedicht is gecomponeerd rond een citaat van de schilder. Zoals bijvoorbeeld het zesde gedicht uit de laatste cyclus.
‘Ik heb wel vaker dingen overgeschilderd.’
De huid, de dichtheid. De trilling, de hapering. De textuur die vertakt. Willen schenden. Het licht uit balans gebrachte evenwicht.
Woordresten, listig, mij te vlug af. Spreken over wat zou kunnen zijn met iemand die er niet is. Het roerend eens zijn met die iemand.
Een goed festival, net als goede poëzie, blijft je bij. Vorige maand vond Dichters in de Prinsentuin in de binnenstad van Groningen plaats. In de ruim twee decennia dat dit dichtersfestival bestaat is het uitgegroeid tot een uniek in zijn soort zijnd festival. Het idee werd ooit geïnitieerd door de huidige Dichter des Vaderlands Tsjead Bruinja, die vanuit de behoefte de stad tijdens de zomer in literair opzicht tot leven te brengen en verschillende dichters bij elkaar trommelde. Het concept is in al die jaren onveranderd: verspreid over het weekend wordt tijdens de middagen op het theeveld voorgedragen door gerenommeerde dichters, in de loofgangen van de Prinsentuin treedt een keur van dichters op die net enkele schreden op het dichterspad hebben gezet, zij aan zij met de bekendere dichters. De vrijdag- en zaterdagavond wordt in een theatertje gehouden en kent een meer inhoudelijk programma met interviews en discussies onder dichters.
Face to Face
Voor sommige dichters was optreden in de loofgangen van de Prinsentuin de eerste keer om face to face met publiek te staan. De afstand tussen dichter en luisteraar beslaat soms niet meer dan een halve meter, er wordt naar de dichter voorovergeleund, bijna letterlijk neus tegen neus, en dan moet je maar sterk staan in je voordracht. Tijdens het voordragen in de loofgangen lopen mensen voorbij, blijven of langdurig staan, of lopen halverwege een gedicht weer door. Voor de aankomende dichters was er dan ook een workshop georganiseerd, gegeven door spoken word artiest Babs Gons – zelf ook een van de optredende dichters – om het jonge talent enigszins gevormd de Prinsentuin te laten ingaan. Gons zorgde de eerste middag voor een schitterend optreden. Met elk woord een beeld creërend, zo nu en dan intiem confronterend, met kracht en in perfectie gebracht. Zonder papier om van te lezen, recht uit hoofd en hart, om stil van te worden. Dat de organisatie haar gevraagd heeft jonge dichters in het voordragen te vormen, lijkt dan ook een voor de hand liggende keuze.
Zeventig dichters verdeeld over twee middagen en twee festivalavonden die zo’n tweeduizend bezoekers trokken. Er konden zelfs verzoeknummers worden aangevraagd tijdens de optredens in de loofgangen. Soms verzon de dichter ter plekke een gedicht, of bewerkte een bestaand gedicht (Norbert De Beule kreeg het woord ‘appelmoes’ toegeworpen wat hij verwerkte in een bestaand portret van zijn oma) om aan het verzoek van de bezoeker tegemoet te komen.
De interactie tussen dichter en publiek was inspirerend en oprecht, want wie een voordracht niet bevalt, loopt gewoon door. Langs de tuinen zitten bezoekers op bankjes, wandelen langs het theeveld, blijven staan, gevangen door de poëzie, want het mooie aan dit festival is dat het gratis is. Dit alles tegen een achtergrond van het stadse geroezemoes, stationair draaiende auto’s voor een stoplicht, geroep van jongeren (dronken?) en ronkend overkomende helikopters.
Gevleugelde woorden
Wie door de loofgangen liep, ging op gevleugelde woorden die een eigen leven gingen leiden. Veelvuldig waren opa’s, moeders, liefde en selfiepoëzie tot onderwerp gemaakt.
‘we verdwijnen nooit helemaal de schemer is genoeg’
‘moeders zijn de ware alchemisten’
‘kijk ik heb een typemachien’
‘probeer maar eens een wereld op poten te zetten’
‘ik vond in veren en botten warmte’
‘meisjes op het schoolplein die blij zijn als het pauze is’
‘gaf een zwerfhond voorrang aan een kat’
‘ik zit ook maar vast tussen de spelonken van mijn schedel’
‘de allermooiste reden’
‘naar het land van zeil en tegels’
‘kleuren vluchten uit bloemen’
‘ik zing niet, dit is geen zingen, geen zingen, geen lied’
‘herinneringen moesten worden opgelaten’
‘longen hangen met touwtjes aan zijn ribben’
‘in het handschoenenkastje bewaar ik oude ansichten’
Enkel de dichter
Goede poëzie doet je vergeten waar je bent. De tijd verdwijnt, weg van de Prinsentuin, het geroezemoes. Enkel de dichter wordt gehoord. Zo ging het onder meer bij voordrachten van stadsdichter van Amsterdam Gershwin Bonevacia, die voordroeg uit zijn debuut Ik heb een fiets gekocht. De jonge Obe Alkema verraste met zijn ‘gangbaarheid’ ontwijkende poëzie. Evenals Micha Andriesen die nog schor van de verslaggeving van het North Sea Jazz festival in Rotterdam drie gedichten bracht die voor een aandachtig stilte zorgde. De poëzie van Anne Vegter – die de zondagmiddag op het theeveld afsloot met gedichten uit haar nog te verschijnen bundel – zou je ‘levenswerk’ kunnen noemen, schrijnend en vernieuwend. Zelfbenoemd Plattelandsdichter Paul Demets bracht een laagje engagement in het geheel van selfies en verwerkingspoëzie.
Noodzakelijkheid van poëzie
Wat bijblijft is een uitspraak van de Engelse dichteres Verity Spott in een gesprek met Dean Bowen, Juha Virtanen, Obe Alkema en geleid door Hassnae Bouazza, over hoe geëngageerd poëzie behoort te zijn. Heeft de dichter een plicht om de actualiteit in zijn poëzie te verwerken? Volgens Spott kun je niet een geëngageerd dichter zijn, maar wordt je dat gemaakt door de omstandigheden. Veel dichters schreven vanuit een dictatuur zonde geëngageerde poëzie te willen schrijven. Het was de dictator die hen tot een politiek dichter maakte door ze gevangen te zetten. Een mooie tegenstelling tussen Alkema en Spott is dat Alkema zich niet verplicht voelt in het voetspoor van vroegere dichters te treden, hij creëert als dichter nadrukkelijk zijn eigen weg. Voor Spott was dit ondenkbaar, zij heeft veel gehad aan vroegere dichters en zegt: ‘Of je het nu leuk vindt of niet wij behoren tot die geschiedenis van dichters.’ Haar conclusie was dat als je de geschiedenis wilt wegvagen, een dictatuur om de hoek ligt. Waarmee dit festival een gelaagdheid kreeg die aan poëzie een zekere noodzakelijkheid gaf.