• Schierbeek in de oorlog en andere zeer lezenswaardige bijdragen

    Schierbeek in de oorlog en andere zeer lezenswaardige bijdragen

    In deze tweede editie (2019) van De Parelduiker een bijdrage over de oorlogsjaren van Bert Schierbeek door Graa Boomsma, auteur, criticus, schrijfdocent en biograaf van Schierbeek. Bert Schierbeek (1918-1996) behoorde tot de Vijftigers en was schrijver van romans, verhalen, toneelstukken, essays en gedichten. Zijn boek, Het boek Ik (1951), wordt wel beschouwd als het eerste Nederlandse experimentele prozaboek.

    Tot zijn verrassing vond Boomsma in het Literatuurmuseum de oorlogsdagboeken van Schierbeek die vanaf april 1942 de illegaliteit in ging. Boomsma meent dat het verhaal over de Vijftigers, ‘stuk voor stuk getekend door de Tweede Wereldoorlog’ nog steeds niet volledig verteld is. Hierbij ook denkend aan de literaire rel in 2017 die ontstond nadat Wim Hazeu (biograaf Lucebert) ontdekte dat Lucebert zich in 1943 vrijwillig voor de Arbeidsinzet in Duitsland meldde en zich in zijn brieven antisemitisch uitliet.

    In het jaar dat Schierbeek in het verzet ging, meldden twee jongens van zeventien en achttien jaar (de latere Hans Andreus en Lucebert) zich bij de Duitsers: ‘De hopeloos verdwaalde jongens meenden zich te moeten melden voor het Oostfront,’ schrijft Boomsma. In 1948 raken Schierbeek en Lucebert bevriend met elkaar. Schierbeek die wist dat Lucebert de kant van de bezetter had gekozen, zei daar later over: ‘Lucebert stond heel anders in de oorlog’. Wat een fijne nuancering was van een verkeerde keuze maken.

    Schrijver door de oorlog

    De titel van de te verwachten biografie, Niemand is waterdicht komt van  een uitspraak van Schierbeek in zijn dagboeken. Hij schrijft over het moment dat leden van zijn verzetsgroep worden opgepakt en hij moet onderduiken, omdat: ‘Niemand is waterdicht, als de duimschroeven worden aangedraaid kan de grootste held doorslaan.’ Boomsma schrijft dat Schierbeek zonder de oorlog waarschijnlijk geen schrijver zou zijn geworden. Het fusilleren van negentien verzetslieden uit zijn groep, was de directe aanleiding een roman te schrijven. In iets meer dan een half jaar schrijft Schierbeek een roman die in de herfst van dat jaar wordt uitgegeven: Terreur tegen terreur. ‘(…) een traditionele roman in de geest van André Malraux en Du Perron, [die] laat zien hoe goed Bert was ingevoerd in het Amsterdamse verzet en de geallieerde oorlog tegen Duitsland.’
    Het fijn geschreven stuk is rijkelijk geillustreerd met beeldmateriaal uit het leven van Schierbeek. Een biografie om naar uit te kijken.

    Portret Anton Bakels

    Een ander biografisch project is gewijd aan de anarchist en uitgever Anton Bakels door de in Canada woonachtige Bart De Cort. Anton Bakels (1989-1964) behoorde tot de groep Amsterdamse bohème en was uitgever. Hij kende vele kunstenaars en schrijvers waaronder Joseph Roth. Een man die met zijn conversatie het vermogen had ‘om een havenkroeg om te toveren tot een literair café.’ Volgens De Cort een man die gedoemd was uit de literaire geschiedenisboeken te blijven, deels dankzij zichzelf omdat hij nooit op de voorgrond trad, maar die een leven leidde dat interessant genoeg was om een biografisch portret aan te wijden.

    Essay vanuit Praag

    Van Chrétien Breukers een essay over Praag waar de schrijver sinds 2017 woonachtig is. Een essay over de Tsjechische cultuur, zichzelf, Kafka en de Tsjechische schrijver, en in Nederland vrijwel onbekende, Paul Leppin (1878-1945). Breukers’ kennismaking met Praag die hij voor hij er ging wonen ‘Met de moeder van mijn dochters […] al een keer of acht [had] bezocht’ voert door de literaire cultuur, langs Duitstalige schrijvers, en zijn eigen veroveringen en ontdekkingen van de stad. Uitkomend bij Paul Leppin, een ‘intercultureel’ schrijft Breukers. ‘Daarom heeft hij natuurlijk heel veel geleden: wie bij verschillende groepen hoort, is nergens thuis.’ Praag leren kennen aan de hand van het essay van Breukers is een interessante kennismaking met de stad en zijn Duitstalige schrijvers, en met de schrijver zelf.
    Verder in deze editie onder meer een teruggevonden verslag van Gerard van het Reve uit 1946 over het Tegelse Passiespel, bezorgd door Niels Bokhove. In de rubrieken  ‘Laagwater’ Wat las Juliana? door Marco Entrop en ‘De Laatste Pagina’ over Peter van Gestel, 1937-2019 door Paul Arnoldussen.
    Voor wie zich om de literatuur bekommert en het huidige literaire beeld gespiegeld wil zien aan het rijke literaire verleden doet er goed aan De Parelduiker te lezen.

     

  • De Parelduiker 2015/1

    De Parelduiker 2015/1

    Aandacht voor Hans Keilsons eerste jaren in Nederland als Duits vluchteling en hoe hij zijn brood verdiende als tekstschrijver voor een reclamebureau. Ook aandacht  voor de Italiaanse jaren van Arthur van Schendel en zijn dochter Corinna (Kennie in de dagboeken van Frida Vogels). Wam de Moor wordt herdacht in de rubriek De laatste pagina. En wat te denken van een foto waarop de Duitse acteur Heinz Rühmann staat, samen met de Nederlandse acteur Jan Teuling. En een nieuwe serie, Groningse schrijvers. Dit alles weer geïllustreerd met prachtig beeldmateriaal.

    Onlangs In de ban van de tegenstander van Hans Keilson (1909-2011) gelezen. Verstilde literatuur, welke in eerste instantie door een uitgever werd geweigerd. Dat het een blijver van grote betekenis voor de wereldliteratuur zou worden, had deze er toen niet aan afgezien. Later kwam het wel goed met dat boek, maar pas in 2010, nadat een recensent van de New York Times de schrijver een genie noemde, ging de wereld als een gek (virtueel) met de toen 100 jarige Keilson op de loop.
    Keilson was in eerste instantie medicus en daarna pas schrijver. Hij schreef omdat hij als medicus oprecht geïnteresseerd was in de wereld van de ander, vriend of vijand. Het mooie is dat mensen als Keilson hun sporen nalaten gaandeweg hun zoektocht door het leven.
    Cultuurhistoricus Sjoerd van Faassen deed onderzoek naar de schrijver achter het pseudoniem Benjamin Cooper. Cooper werkte tussen 1938 en 1939 in opdracht voor het Amsterdamse reclamebureau Co-op 2. Deze produceerde een aantal gelegenheidsboekjes waarin teksten van verschillende schrijvers werden samengebracht door deze Benjamin Cooper.

    Hans Keilson bleek één van de schrijvers achter dit pseudoniem. De andere schrijver was Gerd Klaass, eveneens uit Duitsland gevlucht. Klaass en Keilson woonden in hetzelfde pension aan de Anna Vondelstraat in Amsterdam. Het gaat om zes publicaties waarvan één op volledige verantwoording berust van Klaass en één op Klaass en Keilson samen. Voor de overige vier was Keilson verantwoordelijk. De onderwerpen waren even uiteenlopend als illuster, zoals: Hendrik Colijn, Erasmus, Comenius en de vrede (met teksten van de paus, Krishnamurti, Mahatma Gandhi en Henriette Roland Holst). Volgens Van Faassen geen Exil-literatuur maar wel met een licht ideologische lading gepresenteerd. Naast een compleet beeld van de zes uitgaven, schetst Van Faassen een biografisch beeld van Keilson, Klaass, reclamebureau Co-op 2, eigenaar Paul Guermonprez en zijn illustratoren.

    In Schrijvers uit het land van koolzaad en aardgas (1) opent Herman Sandman de serie Groningse schrijvers, met een beschrijving van de provincie (veen- klei- en zandgrond) en het literaire verleden en de toekomst: een poëtisch leeg landschap dat (volgens Sandman) juist door die leegte inspireert en iets met je doet. Zo was hij ooit bij dichter Rutger Kopland op bezoek en begreep welk een invloed het uitzicht van Koplands schrijfkamertje, op zijn werk had. Veertig jaar had de dichter met uitzicht op hetzelfde stukje grond vanuit zijn raam, zitten schrijven. ‘Dit uitzicht was mede verantwoordelijk voor veertien bundels (…). Dat uitzicht, daar zat bijna copyright op.’

    Het is een prachtig spectrum aan schrijvers die naar Groningen trokken of er juist van weg gingen (Max Dendermonde, J.B. Charles en Bert Schierbeek, Belcampo, W.F. Hermans) en schrijvers die boeken, geïnspireerd op de Groningse cultuur schreven (Tessa de Loo’s Meander (1986) en De nieuwe man (2003) van Thomas Rosenboom). En wellicht had de Franse schrijver Georges Simenon zijn Maigret in Delfzijl bedacht. En daarbij dan die foto waarop de Europese vertolkers van Maigret te zien zijn bij de onthulling van het standbeeld van Maigret in 1966. Waaronder Heinz Rühmann (1902-1994) en Jan Teuling. Rühmann, waarvan de naam waarschijnlijk per abuis als Ruehman gespeld is, was het prototype van de ontwapende ‘kleine man’, in al zijn rollen. Mooi deze ‘kleine man’ hier te zien opduiken. Groningse schrijvers, een mooie kroniek waarvan nog twee delen zullen volgen.

    Dina Aristodemo, Italiaans letterkundige en publicist brengt de jaren dat Arthur van Schendel, met vrouw en dochter in Italië verbleef, op een speciale manier onder de aandacht. Het blijkt dat na de dood van Van Schendel er twee Italiaanse romans verschenen waarin episodes van zijn verblijf in Italië (en van zijn dochter) zijn vastgelegd. Het bestaan van deze boeken was tot nu toe onbekend in Nederland. Aristodemo onderzocht de overeenkomsten tussen de bekende biografische gegevens van de Van Schendels, en de beide romans en haar bevinding is: ‘dat we deze romans in de beeldvorming over de Van Schendels niet zonder meer ter zijde kunnen schuiven.’
    Lees en ervaar deze verrijking voor de literair hongerige geest.

    Met dank aan ‘Parelduikers‘ Sjoerd van Faassen, Herman Sandman, Frank Okker, Dina Aristodemo, Hans Olink, Jan Paul Hinrichs en Paul Arnoldussen.