• Papieren vluchtelingen

    Papieren vluchtelingen

    De vluchtelingenstromen en migratiebewegingen over de hele wereld zijn zichtbaar in de kunst van de laatste jaren. Al snel nadat in 2015 vloten gammele bootjes de Middellandse Zee en eindeloze drommen ontheemden op Griekse en Italiaanse eilanden dagelijks de journaals vulden, confronteerden theatermensen, musici, filmers, schrijvers, zangers en beeldend kunstenaars hun publiek met onontkoombare vragen. Ik was er vaak van onder de indruk, maar voelde ook argwaan. Werd soms niet al te gemakzuchtig meegelift op een actualiteit die veel publiek trekt? Misbruikt een enkele kunstenaar de migratiecrisis om zichzelf en zijn werk in de kijker te zetten? Maar: ik ben zelf ook niet afwezig in mijn manier van kijken. ‘Beauty is in the eye of the beholder’, inderdaad. ‘History’ ook.

    De afgelopen zomer bezocht ik in Den Bosch de installatie Uncertain Journey van de Japanse Chiharu Shiota. Een overrompelende ervaring, die verbeeldt hoe we als individuen, waar ook ter wereld, uiteindelijk aan dezelfde levensdraden hangen. Bloedrode. Ik weet niet zeker of de bootjes waaruit ze omhoog rijzen verwijzen naar de massale volksbewegingen van deze jaren, maar voor mij voelde het wel zo. Enkele weken daarna stond ik op de expositie Paper Art in Apeldoorn voor een landkaart van Zuid-Amerika, samengesteld uit honderden uiterst dunne papieren draadjes. Aan de wand ertegenover een stoet mensen die met dezelfde techniek was uitgebeeld. Ik heb niet veel met papierkunst: knap; wat een eindeloos geduld; zoiets denk ik vaak. Tot ik zag dat deze werken, getiteld Uncertain routes (bijna net zo als het werk van Shiota) en Via dolorosa, zoveel meer waren dan knappe weefsels. Maakster Miriam Londoño, een Colombiaanse migrante, laat thema en artistiek medium samenvallen. Ineens herkende ik in die eindeloze tere draden van papierpulp de kwetsbaarheid van vluchtelingen.

    Maar er gebeurde nog iets. Is het alleen mijn persoonlijke betrokkenheid bij vluchtelingen die maakt dat het onderwerp zo onontkoombaar is? Het lijkt me overal waar ik kijk en luister voor de voeten te worden geworpen. Zouden anderen dat ook zo ervaren? Is het geen hype, die overtrekt? Die vraag kwam bij me op omdat ik in de dagen tussen de exposities het boek Europeana (uit 2011) van Patrik Ourednik las. Een bijna impressionistische ideeëngeschiedenis van de 20ste eeuw. Ourednik laat alle interpretaties aan de lezer over door alleen nevenschikkende zinnen te gebruiken (ze beginnen bijna allemaal met ‘En…’), maar toch ga je zelf verbanden leggen. Ik was er een beetje van ondersteboven. En toch liep de schrijver een deukje op toen er, staande voor die Via dolorosa, ineens door me heen flitste: Ourednik besteedt geen woord aan vluchtelingen. En ik herinnerde me het verzet tegen noodopvang voor Syriërs in de afgelopen jaren, toen hun aantal nog lang niet de omvang had bereikt van die uit het voormalige Joegoslavië in de vroege jaren ’90. Waren we die alweer vergeten? Waren ze bij Ourednik in 2001 alweer ‘weg’? Zijn 2015 en 2016 over tien jaar weer ‘weg’? Een hiaat in ‘the eye of the beholder?’

     

     

  • Wachten op Godot aan de Moldau

    Wachten op Godot aan de Moldau

    De knorrige bejaarde Viktor Dyk probeert vanaf een bankje in een Praags park met zijn stok een kettingschallebijter (een kever) weg te slaan. Plotseling staat ‘een jong persoon van het vrouwelijk geslacht’ voor hem om de weg naar de Academie van Beeldende Kunsten te vragen. Die is vlakbij, maar de pesterige Dyk stuurt haar de verkeerde kant op. Later in de roman zal inspecteur Vilém Lebeda een zaak op zijn bureau krijgen van een jong meisje dat is aangerand. Hij gelooft haar niet als ze zegt dat het is gebeurd in een straat die helemaal niet leidde naar de Academie waarnaar ze beweerde op weg te zijn. Wat had ze daar te zoeken?

    Het is één van de raadselachtige verwikkelingen in Een afgedane zaak van de Tsjechische schrijver Patrik Ouṙedník. Een roman die de gedaante heeft van een detectiveverhaal, dat de lezer voortdurend het bos instuurt. Allereerst om de overvloed aan verwikkelingen: misdrijven die geen van alle worden opgelost (ondanks de titel Een afgedane zaak). Maar vooral omdat Ouṙedník het speurdersverhaal eigenlijk alleen gebruikt om ons als lezer te pakken te nemen. De roman gaat in wezen over de armoede van onze communicatie, de ontoereikendheid van taal, ja zelfs de zinloosheid van ons bestaan, die we proberen te verbloemen door elkaar verhalen te vertellen. En daarnaast maakt deze roman de balans op van de staat van Tsjechië na de Praagse Lente van 1968, die Ouṙedník als puber in de dop meemaakte. Dat alles in 160, nee: in 190 pagina’s, want het nawoord is in zekere zin deel van de roman. Maar daarover straks.

    Grabbelton
    Patrik Ouṙedník werd in 1957 in Praag geboren. Hij maakte er de illusie mee van een democratisering. Zijn kritische houding daarover werkte zo tegen hem dat hij in 1984 koos voor een vrijwillige ballingschap in Frankrijk. Daar werd hij een succesvol vertaler van Franse literatuur naar het Tsjechisch (Queneau, Beckett, Rabelais) en omgekeerd (o.a. Hrabal). Maar hij ging ook eigen romans publiceren, die stuk voor stuk laten zien hoe sterk hij is beïnvloed door de auteurs van wie hij werk vertaalde.

    Zijn eerste daverende succes werd Europeana uit 2001 – in Nederlandse vertaling verschenen in 2003 met de ondertitel Een zeer korte geschiedenis van de twintigste eeuw – boordevol anekdotes, dat eigenlijk meer gaat over onze omgang met het geheugen dan over de feiten zelf. In 2006 verscheen hier de vertaling van Het geschikte moment over de ondergang van een kolonie van anarchisten en gelukszoekers in Brazilië. In deze beide romans viert het absurdisme al hoogtij, maar dat is helemaal het geval in Een afgedane zaak (in het Tsjechisch Ad Act, schitterend vertaald door Edgar de Bruin).

    Welke leeservaring moet je erop plakken? Een grabbelton van genres, een duizelingwekkend toneel van kantelende ‘waarheden’, sarcasme en satire van de bovenste plank die je soms in schaterlachen doen uitbarsten. Maar bovenal een grenzeloos spel met mogelijkheden en tekortkomingen van taal en communicatie en een uitnodiging aan de lezer om zelf de roman in elkaar te steken.

    Niets
    Wat dat laatste aspect betreft, lezen we halverwege de roman: ‘Lezers! Vindt u dat ons verhaal alle kanten op schiet? Hebt u het gevoel dat er geen beweging in de plot zit? Dat er in het boek dat u in handen hebt al met al niets wezenlijks gebeurt? Wanhoop niet: of de auteur is een ezel, of u: de kansen zijn gelijk.’ En een paar hoofdstukken later: ‘De lezer heeft definitief begrepen dat hij definitief niets zou begrijpen: wat kan zorgen voor een zinvoller slot van een roman (…) We worden geboren in een roman, waarvan de betekenis ons ontgaat, en we verlaten de roman die we nooit hebben begrepen (…) Maar nee hoor: de voorstelling gaat verder, de roman gaat verder, gênant, nutteloos, saai.’

    Inspecteur Lebeda is al net zo’n zonderling figuur als de gemelijke Dyk uit het parkje. Hij heeft een fascinatie voor een moord die veertig jaar oud is en nooit opgelost: ‘Tja, ik heb een zwak voor zulke dingen. Onopgeloste criminele zaken, rebussen, raadsels, schaakproblemen en dergelijke.’ Geheel volgens die liefhebberij van Lebeda bestaat hoofdstuk 1 van Een gedane zaak uit niet meer dan een notatie van een Koningsgambiet uit een schaakpartij uit 1963, die 22 hoofdstukken later twee mogelijke eindes blijkt te kennen. In de ene wint wit, in de andere zwart. Het kan inderdaad alle kanten op, net als de roman zelf.

    Cellen
    De roman zit ook nog eens vol taalgrappen en hilarische redeneringen die doen denken aan de humor van Hrabal of de dialogen in Wachten op Godot van Samuel Beckett, van wie Ouṙedník, zoals gezegd, werk vertaalde.

    Zo is er de komische beschrijving van Lebedas functie en werk, als hij (pijprokend en psychologiserend heeft hij wat weg van Maigret), lezend in een boek van Ouṙedník, wordt geïntroduceerd. Zijn belangrijkste onderzoek gelden de ‘reclamevijandige en antikapitalistische’ posters overal in de stad, waarachter acties van ‘cellen’ worden vermoed, als Pacifisten Tegen Reclame, Trotskisten Contra de Agressie van het Kapitaal, Vrouwen voor Vrouwen en nog twee andere. Waarna volgt, let op het subtiele ‘onledig’,: ‘Behalve de reclame-uitingen hield Lebeda zich concreet onledig met de verkrachting van een kunstacademiestudente, met twee pogingen tot brandstichting in de plaatselijke bejaardensoos en met een verdachte zelfmoord.’

    Of de bijtende kijk op de Tsjechen wier schrijvers de traditionele handicap hebben dat ze hun boeken serieus nemen. En even verder: ‘Het spuien van jaartallen is in Tsjechië een geslaagde variant op het citeren van niet-bestaande bronnen (…) het getuigt niet alleen van grote intelligentie, maar ook van fervent patriottisme’. En ‘zakkerigheid’(…) is voor de Tsjechen de op één na hoogste ambitie, direct na het organiseren van een vruchtbare collaboratie met uiteenlopende machthebbers en het bouwen van rotstuintjes’.

    ‘Precies’
    Ronduit Beckettiaans tenslotte is een dialoog tussen twee bejaarden uit de soos over de vraag of Tsjechië nu eigenlijk wat is opgeschoten met de democratie:

    ‘Maar vroeger dachten de mensen ten minste na.’
    ‘Denkt u?’
    ‘Er werd min of meer nagedacht.’
    ‘Nou, nagedacht…’
    ‘Het mocht niet, maar ze deden het toch.’
    ‘Ik weet niet of ik het nou direct nadenken zou noemen.’
    ‘Misschien werd er niet nagedacht. Maar ze fantaseerden over van alles en nog wat.’
    ‘Dat gebeurt nu ook.’
    ‘Nu fantaseert niemand meer. Iedereen praat alleen maar.’
    ‘Dat komt door de democratie.’
    ‘Vroeger mocht het niet.’
    ‘Precies.’

    Montenot
    De laatste 25 pagina’s van de roman worden gevormd door een nawoord van ene Jean Montenot. Hij lijkt een gedegen sleutel te geven voor de detective die we hebben gelezen en een waardevolle literaire analyse van de romankunst van Ouṙedník. Tot je bij sommige zinnen het gevoel krijgt dat ze uit de pen van Ouṙedník zelf moeten zijn gevloeid.

    Wie is die Jean Montenot eigenlijk? (een vraag die de uitgever van de Nederlandse vertaling op de achterflap ook stelt). Googelen leidt naar een Franse filosoof, die ook nog gepubliceerd blijkt te hebben. Maar is het een mystificatie? Die vraag heeft blijkbaar lezers van Classé sans suite, de titel waaronder Ad acta in het Frans is uitgekomen, ook bezig gehouden, zoals blijkt uit een artikel in Liberation uit 2012. Ouṙedník zegt erover: ‘Jean Montenot est plus ou moins réel, selon les jours.’ Hij bestaat dus min of meer in werkelijkheid, afhankelijk van de omstandigheden. Er lijkt dan ook alle reden om het nawoord als deel van de totale roman te zien; als één van de genres waarmee Ouṙedník zijn werk uitvoert.

    En mocht u denken dat met bovenstaande de krenten wel uit De afgedane zaak zijn gepikt: niets van dat al. Lees deze roman en laat u meeslepen. En daarna: lees alles van Ouṙedník.

    Wat een schrijver!