• Een roman vol weemoed en melancholie

    Een roman vol weemoed en melancholie

    De Franse schrijver Patrick Modiano werd in eigen land al fel gelauwerd met onder meer de prestigieuze Prix Goncourt, voor hij in 2014 internationale erkenning kreeg met de Nobelprijs voor de literatuur. Modiano’s werk draait veelal rond hetzelfde thema: de zoektocht naar zijn eigen verleden en herinneringen van toen. In zijn jeugd werd hij nogal aan zijn lot overgelaten door zijn ouders en zocht hij zijn toevlucht in boeken en verhalen. De ondertoon van zijn werk is steevast melancholisch en het meeste speelt zich af in de straten van Parijs. In zijn nieuwste roman De danseres is dat niet anders.

    In De danseres staat Modiano’s grote thema ‘zoeken’ opnieuw centraal. Het is een samenbrengen van losse beelden en herinneringen uit het verleden om betekenis te geven aan het bestaan. Hij probeert verschillende puzzelstukjes op zijn plaats te laten vallen en zo in het reine te komen met zichzelf. Hoofdpersonage is een jonge man, een schrijver van teksten, die ronddwaalt in Parijs in de late jaren vijftig van de vorige eeuw. Op zoek naar een kamer, komt hij via zijn louche huisbaas Serge Verzini, in contact met een danseres. Deze woont samen met haar zoontje Pierre en huisgenoot Hovine. Al vrij snel ontwikkelt het hoofdpersonage een fascinatie voor de danseres, die met vaste structuren en een strenge discipline grip tracht te krijgen op haar leven. Zo probeert ze ook de demonen uit haar verleden te verjagen. De relatie tussen de ik-persoon en de danseres blijft onduidelijk. Ze maken samen lange en stilzwijgende wandelingen door de straten van Parijs, hij haalt Pierre af van school en speelt oppas als de danseres moet oefenen of zich inlaat met de beau-monde van Parijs als Béjart, Noerejev en anderen. Het verhaal eindigt niet echt, maar is een aaneenschakeling van herinneringen aan die tijd.

    Parijs

    Ook in De danseres drijft het handelsmerk van Modiano boven: hij schetst het Parijs van toen in een rustige, gedempte, bedroefde sfeer, vol weemoed en melancholie. Tegelijkertijd wordt het boek nooit zwaar en zorgt hij voor een soort ongrijpbare lichtheid. De danseres telt honderd pagina’s, is ingedeeld in korte hoofdstukken en kent veel witruimtes. Sfeerschepping staat duidelijk centraal. Het personage van Pierre, het zoontje van de danseres, toont duidelijke verwijzingen naar Modiano’s eigen jeugd: een afwezige moeder en een onkenbare vader die zich bezighield met louche praktijken. Hetzelfde kan gezegd worden van de danseres zelf: net zoals Modiano wordt ze belaagd door spoken uit het verleden. Het dansen trekt haar uit het moeras, geeft zin en structuur aan haar leven. Misschien is dat wat de hoofdfiguur zo bewondert in haar.

    De ik-figuur graaft diep in het geheugen en tracht verstopte herinneringen naar boven te halen. Vaak is het niet duidelijk of het wel herinneringen zijn, dan wel verzinsels of dromen. Er hangt een soort van nevel rond het geheel. Wel duidelijk is dat de oerbron van alles het mistige Parijs is. Met alle vage en halve herinneringen lijkt het wel of er een zwart-witfilm wordt afgespeeld in de straten van de wereldstad, bevolkt met bijzondere, weemoedige personages.  De ik-figuur blijft de hele tijd een soort van mysterieuze schim, die via zijn herinneringen op zoek gaat naar meetpunten in zijn leven. Hij tracht zin te geven aan zijn verleden en na te gaan wie hij werkelijk is.

    Dat hij zijn flarden van herinneringen ook vaak zelf in twijfelt trekt, is onderdeel van zijn bestaan. Alles is in de vergetelheid geraakt , maar onderhuids blijft een weemoedig verlangen aanwezig naar vroeger. In de openingsbladzijden noemt hij Parijs onherkenbaar door de vele toeristen die met hun koffertjes door de straten lopen en zorgen voor onrust. Typisch voor Modiano is ook dat het bij die sfeerbeelden en halve herinneringen blijft. De zoektocht lijkt eeuwig verder te gaan.  De danseres mag gerust de exponent genoemd worden van zijn werk. Vintage Modiano, een mix van lichtheid en melancholie en het mysterieuze zoeken naar betekenis in het verleden en Parijs.

     

     

  • Wat dit boek doet

    Wat dit boek doet

    Ik verlang wel eens naar het spreekwoordelijke pakje sigaretten halen. De straat uitlopen, een zolderkamer betrekken. Dagen van waarnemen, verwonderen over de dingen, dat noteren. Wie droomt daar soms niet van? En nee, het is geen vlucht, het is de mogelijkheid van een nieuw leven. Omdat ik dat wel nooit zou doen, houd ik het bij de verhalen van eenlingen. Romans van Emmanuel Bove, Patrick Modiano, Walging van Sartre, verhalen van Biesheuvel. Met personages die om hun bevreemdende levens een grote aantrekkingskracht uitoefenen. Zo las ik een kleine roman waarin de verteller terugblikt op zijn achttienjarige zelf. Als jongeman werkte hij tijdelijk bij een boekhandelaar, schreef synopsissen voor een filmproducent, woonde op kamers in een statig huis van pandjesbaas Dzinballe aan de IJsselkade in Zutphen. Om grip op zijn leven te krijgen, leest hij romans die spelen in Amsterdam, Aalst, Petersburg of Parijs. (‘Maar nooit in Zutphen.’)

    Nieuwsgierig naar verhalen achter namen, zoekt hij in het stadsarchief de naam van zijn huisbaas. In 1902 schreef de eerste Dzinballe uit Malschwitz Duitsland, zich in Zutphen in. Ik lees dat Malschwitz tussen Berlijn en Dresden ligt, gebied van de Sorben een West-Slavisch volk met een eigen taal en cultuur. De Sorbische naam voor Malschwitz, is Malešecy, dat aan drie kanten begrensd wordt door water. Kenmerk van een goed boek is dat ze nieuwsgierig maken naar dingen waarvan je niet het geringste vermoeden had dit te willen weten. Elke pagina leidt naar een zweem van een verhaal dat daar achterligt. Op zijn kamer vindt hij een koffertje met naaktfoto’s in de sfeer van ‘Freikörper’ met de inscriptie ROA. Hij achterhaalt wie er achter die initialen zit, gaat op onderzoek uit naar de vrouwen die zich hebben laten fotograferen. Sommigen herkent hij, een buurvrouw, de tante van een vriendin, de vriendin zelf. Hij stopt er weer mee omdat hij zichzelf belachelijk maakt door ze te bespioneren. 

    Er zijn oude krantenberichten die hij in boeken vindt. Als er op een ochtend een Duitse jongen, Wendigo Krause in de IJssel verdrinkt, vlak voor zijn deur, doet dit hem denken aan een krantenartikel over een roofvogel en een snoek uit de Tilsiter Zeitung. De snoek baadt in het zonlicht, de roofvogel duikt erop af, slaat zijn klauwen in het vlees. De snoek echter weegt 20 kilo. ‘De snoek duikt onder en neemt de rover met zich mee in het voor de gevederde bewoner der lucht zo vreemde element en blijft geruime tijd met hem onder water. De strijd was echter voor beide noodlottig, want het duurde niet lang of twee doden dreven op de oppervlakte van het water.’

    Een ander krantenartikel gaat over Plennie Lawrence Wingo. Tijdens de grote Depressie maakte deze Texaan met behulp van achteruitkijkspiegels achteruitlopend een reis om de wereld. Toen hij de oostkust van Amerika bereikte zaten zijn kuiten aan de voorkant van zijn benen. Uit een van die krantenberichten valt een kleine sleutel met vier namen, Pelgrim, Scheerder, Léautaud (wie denkt nu niet aan de Franse schrijver Paul Leautaud?). Die namen zetten weer aan tot een volgende zoektocht. ‘Als deze namen, zo voelde het, op mijn weg kwamen, mét de verhalen die eraan vastzaten, hóórden ze bij mij.’

    Elk antwoord roept een nieuwe vraag op is het adagio in dit boek. De naam van de verdronken jongen, Wendigo Krause, blijkt een samenstelling te zijn van Panthera Krause, dj en producer, ‘Wendigo’ is een nummer van zijn album, ‘It’s a Business doing pleasure with you’. Voor ik het weet, luister ik naar techno muziek, als bevindt zich daarin een antwoord op een niet gestelde vraag. Dat doet dit boek met je.

    Tussendoor doet de verteller, die niemand minder dan de schrijver zelf is, een bekentenis, ‘Als ik overlees wat ik geschreven heb, zie ik hoezeer ik met mijn ziel onder de arm liep, bijna als een permanente gemoedstoestand. Door mijn aantekeningen van toen heen bladerend, lees ik pathetisch getoonzette citaten als: “want zie: er zijn altijd mensen, die wel weten, waar ze naartoe moeten, al verbeelden ze zich dit maar.”’ Ja, het gevoel dat jij als enige het verkeerde spoor volgt. Deze kleine roman zit vol verhalen, synopsissen van levens, dat je er maar een kunt leven, de rest verbeelding is. Intrigerend boek, een aanzet tot iets.

     

     

    Een naderend begin van iets nieuws / Hans Heesen / 122 blz. / Uitgeverij IJzer


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

  • De zomerboeken van Ingrid van der Graaf

    De zomerboeken van Ingrid van der Graaf

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Ingrid van der Graaf neemt de volgende boeken mee:

    Merijn de Boer, De saamhorigheidsgroep
    Maxim Osipov, De wereld is niet stuk te krijgen
    Patrick Modiano, Een jeugd
    Walter J.C. Murray, Copsford
    Jente Posthuma, Waar ik liever niet aan denk
     

    Vanaf zijn verhalenbundel Nestvlieders heb ik alles van Merijn de Boer gelezen, alleen aan zijn vierde, zijn meest omvangrijke De saamhorigheidsgroep was ik nog niet toegekomen. De Boer hanteert een humor in zijn boeken die je niet vaak tegenkomt. Maxim Osipov wordt wel vergeleken met Tsjechov en Boelgakov, ook hij is arts en schrijft. Dertien verhalen met van die heerlijke Russische onderwerpen; ziekte, dood, verraad. Een jeugd van Patrick Modiano had ik al langer liggen, elke zin van deze schrijver is een verhaal op zich, dat wordt mooie zinnen lezen. Van Walter J.C. Murray had ik nog nooit gehoord, tot ik in het tweede boek van Raynor Winn las waarin veel natuurbeschrijvingen voorkomen, vermengd met de strijd om te overleven, dat zij gevraagd was een voorwoord bij een herdruk van Copsford (1948) te schrijven. Ook Winn trok zich terug op het platteland met haar man in een vervallen boerderij, net als Murray. Waar ik liever niet aan denk van Jente Posthuma gaat over een broer, zus relatie, de broer sterft. Dat interesseert mij bovenmate, broer, zus relaties in de literatuur.

     

    Lees hier meer van en over Ingrid van der Graaf

     

  • Dolle koeien

    Dolle koeien

    Vorige week woensdag was een enorm opwindende dag waardoor ik alle inperkende leefregels van het afgelopen jaar gewoon vergat. De boekwinkels gingen open! Te kunnen staan voor metershoge en verstrekkende boekenwand vol kleurige kaften, strak in het gelid. Er langs te lopen, er hier en daar een uit te trekken, het doorbladeren, de geur van drukinkt, terugzetten. Boeken zijn zoveel meer dan leesmateriaal. Dan langs de boekentafels, bedachtzaam elke titel lezend, schrijversnaam registrerend, soms achterflap erbij nemend, want eigenlijk ken je het boek, is het fysieke contact enkel een bevestiging van hun bestaan. Toen belde ik voor een afspraak, kreeg een tijdslot van een half uur en kon de volgende dag gelijk komen. De opwinding was buitengewoon. Aan een ieder die voorbij mijn huis kwam liet ik weten: ‘Ik heb een afspraakje! Morgen, bij de boekhandel!’ Ik voelde me als een van die koeien die de hele winter op stal hebben gestaan.

    Als die na de winter weer naar buiten mogen, denderen ze met stampende poten over het veld, springen een gat in de lucht. Ze maken ongewone capriolen, werpen zich op de aarde, rollen zich om en springen weer op. Een uitzinnige bende. Opeens vond ik het spannend, zo’n afspraakje met de boekhandel. Zou ik me kunnen gedragen, geen boekstapels omver stoten, dozen van tafels laten glijden. Mijn rugzak kon ik beter niet om doen. En zouden ze me niet teveel achterna zitten daar tussen de boeken, er moest natuurlijk wel wat verkocht worden. Misschien moet ik een lijstje van titels maken, die bij binnenkomst afgeven, terwijl ik tussen de boeken scharrelde zouden zij ze voor me opzoeken en klaarleggen. Nee, wacht even, nu raak ik in de war, zo was het eerst. Het leek ineens wat teveel gevraagd. Ik, alleen in een boekenwinkel. Maar voor ik me zou bedenken, stapte ik op mijn fiets, was nog bijna te laat.

    Onderweg dacht ik, ‘Portemonnee?, Ja’. ‘Ojee, mondkapje?’ Ha, in jaszak, wel een gebruikte maar vooruit. Had ik niet meer tassen moeten meenemen (alsof ik vergeten aardappelen op het land ging rapen). Halverwege haalde ik een man met vettige haren op een rammelende fiets in. Even later reed hij mij achterop, vertraagde tot hij naast me fietste. Voor hij iets kon zeggen, riep ik, ‘Ik heb al een afspraakje’. Trapte gejaagd voort, nam de brug over de IJssel. Onder het poortje naast de boekwinkel, kwam een man me tegemoet, sprekend Wim Boevink van ‘Klein verslag’. Hij zeulde met twee volle tassen. Ik dacht, ‘Hij is me voor geweest’. Bezweet en met rood hoofd stond ik voor de boekwinkel, enigszins teleurgesteld dat de deur niet openzwaaide, iemand riep, ‘Daar bent u dan. Kom binnen’. Goed, eenmaal binnen, met mondkapje en ontsmette handen, haastte ik me langs schappen, rommelde in dozen. Nog steeds bezweet stapelde ik boeken op mijn arm alsof er iets te winnen was, stond binnen een half uur weer buiten met Patrick Modiano, A.S. Byatt, A.M. Homes, Elizabeth Jane Howard en Tove Ditlevsen. 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een verhaal, vergeet soms haar mondkapje.

  • Op zoek naar de verloren tijd maar dan anders

    Op zoek naar de verloren tijd maar dan anders

    Wat weten we nu van de dood. Willen de doden echt herinnerd worden, zoals we plegen te denken, of smachten ze naar vergetelheid en rust. Waarom kan het ons wat schelen hoe we na de dood herinnerd worden, wat is überhaupt een herinnering. Wie dit soort vragen niet schuwt moet De aanwezigheid van de doden van Emmanuel Berl beslist lezen. In een meanderende mijmering langs zijn leven probeert hij hartstochtelijk tegenstrijdigheden met elkaar te verzoenen. Présence des morts dateert uit 1956. Pas dit jaar is dit boek onder de titel, De aanwezigheid van de doden in het Nederlands uitgebracht – vertaald, geannoteerd en voorzien van een uitvoerig nawoord door Maarten Elzinga.

    Dodenboek

    De aantekeningen, maar zeker het nawoord zijn beslist geen overbodig luxe voor de Nederlandse lezer van deze vierenzestig jaar oude tekst. Niet voor iedereen klinkt de naam Emmanuel Berl (1892-1976) bekend in de oren en de periode waaraan hij in zijn boek refereert, vooral de eerste helft van de negentiende eeuw, mag wel wat toegelicht worden. Maarten Elzinga doet dit vakkundig, vol begrip en empathie. Hij is sinds twintig jaar de vaste vertaler van Patrick Modiano. Het is trouwens vermoedelijk via Modiano, die de vierentachtigjarige Berl in 1976 aan een Interrogatoire onderworpen heeft, dat Elzinga bij Berl is terecht gekomen. In zijn nawoord borduurt hij voort op dit boek van Modiano, het werk van Berl en licht ze toe. In zekere zin had het ook een voorwoord kunnen zijn – de lezer kwam dan wat beter beslagen ten ijs. Maar kreeg wellicht dan niet zo navoelbaar het tastende karakter van Berls parcours door het labyrint van zijn geheugen mee. 

    Allemaal tijdelijke passagiers

    Emmanuel Berl (1892-1976), geboren in een welgesteld, Joods-Frans, bourgeois milieu, behoorde tot de intellectuele elite en was bevriend met menig beroemdheid van zijn tijd (o.a. Proust, Malraux, Colette, Mitterrand). Als journalist, essayist en politiek denker deed hij verslag van dat roerige tijdperk. Zijn verzoenend pacifisme, onpartijdigheid en het te allen tijde opzoeken van een dialoog hebben niet altijd goed voor hem uitgepakt. In de tweede helft van de twintigste eeuw heeft hij zich uit de schijnwerpers teruggetrokken en zich uitsluitend gewijd aan het schrijven van autobiografische literaire non-fictie.
    Echter zijn voor Berl autobiografische elementen slechts aanleiding om op existentiële vragen een diepte-analyse en een ijzeren logica los te laten. Zo ook in De aanwezigheid van de doden.

    Aan de vooravond van een zware operatie kan de schrijver niet anders dan nadenken over de dood en de doden die hij gekend heeft. Daarbij laat hij als het ware ook zijn geheugen een chirurgische ingreep ondergaan, waarbij herinneringen laagje voor laagje ontleed en in verschillende categorieën gesorteerd worden. Hij realiseert zich dat er doden zijn die vrij spoorloos lijken te zijn verdwenen, terwijl anderen tot een extract gereduceerd zijn van wat  ze – misschien maar even en onder bepaalde omstandigheden – geweest zijn. Er zijn ook doden, die blijven spoken. Komt dit misschien omdat hun leven onverwacht is afgebroken en zij hun lot niet hebben mogen voltooien? 

    Waarom verschillen de doden zo van elkaar. Volgens Berl komt dat ‘doordat mijn geheugen mijn verleden niet bewaart, maar het constant schift en omvormt’. Wat overblijft, zijn niet ‘de dingen zelf, maar hun symbolen, en niet de reis,[…], maar alleen het logboek’. Dat is de ‘de onstuitbare vluchtigheid van alle dingen’.

    Eeuwige pendelbeweging

    Hoe moet je met de doden omgaan. Moet je ze herdenken of met rust laten. Willen de doden wel herdacht worden, of ervaren ze het als een tactloze verstoring van hun rust? Vergetelheid brengt misschien wel de sereniteit en vrijheid, die je als levende nooit hebt. Wat je als levende ook doet, het kan altijd als ‘verraad’ bestempeld worden, met schuldgevoel als gevolg. Antwoorden blijven ambigu en roepen onmiddellijk een zwerm nieuwe vragen op. 

    De titel van het boek is daar een mooie illustratie van. Zijn doden niet per definitie juist de afwezigen? Bij nader inzien hangt het af van de invalshoek, niets blijkt eenduidig of standvastig. Elk concept heeft een tegenpool die de ander neutraliseert en waartussen je heen en weer gekaatst wordt. Alles is met elkaar verbonden, fluctueert en beïnvloedt elkaar en leidt per definitie tot een paradox. Dit besef drijft Berl tot wanhoop.

    Vrede sluiten

    Totdat hij, eenmaal terug uit het ziekenhuis en langzaam herstellende, een geheimzinnige dame ziet op haar balkon tegenover zijn appartement, en die hem een mogelijke aanwijzing uit deze impasse lijkt te geven. Is het misschien mogelijk om gemoedsrust te vinden en vrede te sluiten, ook met de doden, wanneer je accepteert dat tegenstrijdigheden inherent aan het leven zijn, er geen stabiele kern of eenduidig antwoord bestaat? 

    Al is Emmanuel Berl geen Patrick Modiano, hij is wel een interessante denker die voor de lezer een dwaaltocht langs boeiende vraagstukken heeft uitgezet. Wanneer die zich er doorheen laat loodsen, komt men wellicht ook tot diepere inzichten.

     

     

  • Modiano’s spel met de lezer

    Modiano’s spel met de lezer

    Aan het einde van het derde seizoen van Netflix’ successerie Fargo zegt één van de hoofdpersonen: ‘The past is unpredictable. Which of us can say what actually occurred, and what is simply a rumour, misinformation or opinion?’ Daaraan zou je de herinnering kunnen toevoegen. Wie weet immers nog wat ergens precies is gebeurd, als het uit het geheugen moet worden opgediept?

    Wie een herinnering navertelt zal bovendien vrijwel altijd, bewust of onbewust, proberen deze een beetje mooier te maken dan die in feite is. Weinigen zullen nooit een verhaal een beetje aangedikt hebben zodat het een net wat spannender en indrukwekkender avontuur lijkt dan het in werkelijkheid was. Daar komt nog bij dat een verhaal, dat doorgaans een volgorde is van logisch achter elkaar gelegen elementen waar een gedachte achter lijkt te zitten, per definitie de realiteit geweld aan doet. Die heeft namelijk altijd iets onlogisch: er is geen vooropgezet plan voor de werkelijkheid. We kunnen de werkelijkheid pas achteraf (proberen te) ordenen.

    Een schrijver vertelt echter altijd een verhaal. Hij of zij doet dat, uitzonderingen daargelaten, door een logische plot te verzinnen waarin de personages meebewegen in een avontuur in een door de schrijver als scheppergod gecreëerd universum.  De realiteit van romans heeft dus doorgaans wél een vooropgezet plan.

    Patrick Modiano is een schrijver die het –letterlijk– obscure verleden onderzoekt en wiens hoofdpersonen ‘tevergeefs naar de sporen van verdwenen mensen zoeken. (…) [H]et geheugen wordt steeds opnieuw ondervraagd en [het] schiet steeds weer tekort’, zoals romanist en Modianokenner Manet van Montfrans het verwoordt.

    Modiano vraagt zich af hoe je een (jeugd)herinnering kunt navertellen zonder de gebeurtenis zelf geweld aan te doen, en wat ons geheugen nu eigenlijk vermag. Het interessante aan de Nobelprijswinnaar van 2014 is dat hij erin slaagt de lezer te doen geloven dat hij werkelijk de herinneringen opschrijft zoals ze zich in z’n hoofd bevinden. Dat wil zeggen: herinneringen die met twijfels zijn omgeven. Hij is niet zeker over hoe het met deze of gene afloopt of hoe het met hemzelf afliep in die bepaalde herinnering. Over zijn werken ligt, kortom, altijd een sluier van onduidelijkheid omdat herinneringen dat nu eenmaal zijn. ‘Het lijkt erop dat ons geheugen soms een proces doormaakt dat vergelijkbaar is met dat van polaroidfoto’s.’, zoals hij schrijft in één van de verhalen die Querido nu heeft gebundeld in de Nederlandse vertaling.  Herinneringen vergelen, verbleken. Uiteindelijk blijven alleen vage contouren over.

    Die bundel is uitgegeven onder de titel ‘Trilogie van een beginnend schrijverschap’ en de romans ‘Verdaagd verdriet’, ‘Bloemen en puin’ en ‘Hondenlente’ zijn erin vervat. De eerste en derde verschenen overigens ook in een door Modiano zelf samengestelde en zo genoemde ‘ruggengraat’ van zijn oeuvre in 2013. Onduidelijk is of het ook de bedoeling is van Modiano dat ‘Bloemen en puin’ ertussen staat, maar feit is dat de drie boeken goed bij elkaar passen. Ze gaan in ieder geval stuk voor stuk over een ik-figuur die verhaalt over de sporadische aanwezigheid van zijn moeder en vader, de veelal obscure zaakjes waarin zij en hun vrienden zijn verwikkeld en mistige herinneringen aan bijna vergeten vrienden. Het beginnende schrijverschap komt eigenlijk niet zo heel erg naar voren, en is ook niet het belangrijkste.

    Problematisch wordt het wel als de verschillende boeken niet meer zo gemakkelijk te onderscheiden zijn en de lezer niet meer weet of een bepaalde figuur nu ook al in de vorige romans opdraafde. In simpele bewoordingen is dat verwarrend. Tegelijkertijd lijkt de schrijver ook een ingewikkeld spel met de lezer te spelen. Door verschillende figuren terloops terug te laten keren in de geschiedenis van ogenschijnlijk dezelfde hoofdfiguur beleeft de lezer als het ware precies wat de schrijver probeert te beschrijven. Een soort terugkerende déjà-vu, gecreëerd door Modiano als scheppergod.

    Zo zijn de boeken precies wat ze proberen te beschrijven en leidt Modiano de lezer om de tuin. Het bundelen van drie soortgelijke verhalen schijnt daarmee een interessant nieuw licht op zijn oeuvre. Het verleden is dus zeker onvoorspelbaar, al is dat iets minder het geval voor de schrijver zelf.

     

     

     

     

  • Voor het eerst in Nederlandse vertaling

    Voor het eerst in Nederlandse vertaling

    De verteller en hoofdpersoon uit Patrick Modiano’s Nachtronde zou volkomen tevreden zijn geweest met een klein dorpje en een oude klokkentoren, zoals hij zegt, maar hij bevindt zich nu eenmaal in Parijs, een stad als een reusachtig Luna-Park, waar hij heen en weer wordt gesleept tussen schiettenten en achtbanen, tussen het Poppentheater en de Sirocco-draaimolens. Dit alles schijnbaar tegen wil en dank: Ik was voor al die dingen niet in de wieg gelegd. Ik had niemand ooit iets gevraagd. Ze waren me komen halen. Dit is wat we over zijn achtergrond te weten komen. Man zonder eigenschappen? Misschien. De persoon die zich schijnbaar willoos door de stad laat voortbewegen is in feite een dubbelspion, een louche verrader, die zich laat inhuren om informatie te verzamelen over groeperingen die elkaar op leven en dood bestrijden: enerzijds gangsters en zwarthandelaars die collaboreren met de Gestapo, anderzijds Franse officieren in het verzet. Nachtronde is de tweede roman van Modiano en tegelijk het tweede deel van zijn ‘oorlogstrilogie’. Het boek verscheen in 1969 voor het eerst als La ronde de nuit, werd niet eerder in het Nederlands vertaald.

    Eind jaren zestig, begin jaren zeventig riep het boek felle emoties op: de schrijver maakt geen onderscheid tussen goed en fout in de oorlog, zijn ‘held’ is een slapjanus zonder moraal die meehelpt bij het roven van joodse bezittingen en zich goed laat betalen om namen en adressen van verzetsmensen te verzamelen. Zijn zulke emoties inmiddels misschien een beetje gedempt? Niets is ‘zwart/wit’ bij Modiano. Je hebt niet meteen in de gaten wat er aan de hand is, wie de centrale personages zijn, wie bij wie hoort, wat er precies wordt gezegd. Zelfs de identiteit van de verteller lijkt onbestemd; hij wordt aangeduid als ‘jongetje’, maar ook als ‘prinses’, hij heet Swing Troubadour, maar ook Lamballe. Mystificaties alom. Ondanks de doodernstige context–bezet Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog–zijn de beschreven incidenten soms frivool. Geen oorlogshandelingen en geweld, maar feestjes, drank en absurde gesprekken. Dat was uitdrukkelijk de bedoeling. We zien het als Modiano ons door de stad voert. Nog een paar stappen. Links het theater Des Ambassadeurs. Er werd Nachtronde opgevoerd, een totaal vergeten operette.

    Bij een operette hoort parodie, voor sommigen is operette niet veel meer dan dat. Als de collaborateurs een feestje geven voor hun volgelingen worden en drankjes, sigaretten en petit-fours gepresenteerd, schaarse goederen in de oorlog. Tot de aanwezigen behoren markies Lionel de Zieff, baron Gaétan de Lussatz, Pols de Helder, Rachid von Rosenheim, Jean-Farouk de Méthode, Ferdinand Poupet, graaf Baruzzi, Micky de Voisins, Emprosine Marousi, barones Lydia Stahl en vele anderen–operettefiguren met bijpassende bezigheden en beroepen: pooier, driftkop, spion, magiër, homoseksueel prostitué, stripteasedanseres, kampioen gewichtheffen, bordeeleigenares, prinses, lesbienne. Ook Hitler doet mee.

    De verteller bevindt zich als dubbelspion tussen twee vuren, hij wil iedereen van dienst zijn maar moet met resultaten komen die  dood en verderf tot gevolg zullen hebben. Door dat besef krijgen de frivoliteiten van de operette wel degelijk scherpe kanten en dringt Modiano door tot vragen die ook vandaag de dag actueel zijn, misschien actueler dan ooit. Op een dag zouden ze me op zo’n manier het vuur aan de schenen leggen dat ik me, om ervan af te zijn, aan mijn beloftes zou moeten houden. De ‘vangst’ zou plaatsvinden. Ik zou eindelijk de benaming van ‘verklikster’ verdienen’. Soms vergeet hij dat hij geen toekomst heeft en dat hij ‘levend uit de nachtmerrie’ tevoorschijn zou kunnen komen. Hij mijmert over een mogelijk baantje als barman in een luxe hotel. Dat beroep is net zo ‘nobel’ als dat van arts of politieman. Achter de bar sta je beschermd, meent hij, en is iedereen je vriend omdat ze iets van je nodig hebben wat je direct kunt verschaffen: cocktails. Je schenkt in wat ze maar willen en na een paar glazen worden ze emotioneel en vragen ze om troost. Hitler smeekt je tussen twee hikken door om vergiffenis.

    Bij de ‘vloeibaarheid’ van Nachtronde past een onbeslist einde. Swing Troubadour ontvlucht Parijs, op de hielen gezeten door zijn opdrachtgevers uit de bende van collaborateurs, ze spelen kat en muis met hem–soms rijden ze vlak achter hem, dan laten ze hem weer een stukje vieren. Langs de weg staan rijen populieren. Eén onhandige beweging zou genoeg zijn. Ik blijf half slapend doorrijden.

  • Zowel de herinnering als het vergeten

    Zowel de herinnering als het vergeten

    Op een brug in Parijs, bij nacht, de mist speelt om de lantaarns, staart een man in de Seine. De foto is gedrukt in nachtblauw en zou een still uit de film Les amants du Pontneuf kunnen zijn, een film in mistflarden, bij nacht opgenomen over twee geliefden die door Parijs zwerven. Het beeld is echter de omslagfoto van Patrick Modiano’s laatste roman Nachtelijk ongeval (Accident Nocturne). Mist wordt in Franse film veelvuldig gebruikt om een sfeer op te roepen waarin ook dat wat er gebeurt niet vastomlijnd en helder omschreven meer kan worden. De ‘nocturne’ uit de Franse titel is ook een door onder meer Chopin ontwikkelde discipline van een wat onomschreven, de nacht evocerend pianostuk. Modiano past in de roman een literair procédé toe waarbij ongewisheid ten dienst staat van het uitmeten van een groot literair thema: dat van de verloren jeugd, de verloren geliefde of de onbenaderbare herinnering.

    Op een nacht wordt de hoofdpersoon in Parijs aangereden door een dame in een zeepgroene Fiat, hij raakt gewond en zij raakt gewond. Ze brengen samen enige tijd door, zwijgend bij een politiebureau en een eerste hulppost. In het ziekenhuis waarin de hoofdpersoon belandt begint een hallicunante tocht naar een door de schok terugkerend verleden. Hij herinnert zich allereerst dat ooit een hond werd doodgereden, op net zo’n nacht, net zo’n weg. De geur van de kliniek brengt hem een ander ongeval in het geheugen, waarbij net zo’n dame betrokken was. “Toen ik die middag de kliniek verliet, volgde ik de Seinekade in de richting van de Pont Grenelle. Ik probeerde me te herinneren wat er indertijd was gebeurd nadat ik bij de zusters was ontwaakt. De kamer met de witte muren waar ik toen lag leek op de kamer in de Mirabeau-kliniek. En de geur van ether was dezelfde als die in het Hôtel-Dieu. Dat kon me helpen bij mijn naspeuringen. Men zegt dat de geuren het verleden het sterkst doen herleven, en die van de ether heeft altijd een merkwaardige uitwerking op me gehad. Voor mij was het bij uitstek de geur van mijn kindertijd, maar doordat hij was verbonden met slapen, terwijl ook de pijn erdoor werd uitgewist, liepen de beelden die hij opriep meteen weer door elkaar. Waarschijnlijk had ik daarom zulke vage herinneringen aan mijn kindertijd. De ether stimuleerde zowel de herinnering als het vergeten.”

    Dit is meteen een cruciale beschrijving van wat Modiano zorgvuldig blijft doen in deze roman, de herinnering even tonen en meteen weer verhullen. De dame werd gechapponeerd door een ‘forsgebouwde vent’ die hem een verklaring laat tekenen en hem nadien een flink bedrag in handen drukt. De hoofdpersoon is juist in die periode in de ban van ene Bouvière, een café-goeroe van wie hij later aan de Seine in een boekenstal de omineuze titels: Het verhullende geheugen en De leugen en de bekentenis vindt. Tijdens die bijeenkomsten leert hij een meisje kennen waarmee hij spreekt over Bouvière en later gaan ze samen naar hotels waar ze steeds ander namen opgeven. Ze is pianodocente, en laat alle studenten hetzelfde stuk instuderen, De Bolero van Hummel. – – Bolero, muziekstuk waarin een eenvoudige melodie eindeloos herhaald wordt. J. N. Hummel beïnvloede Chopin.- In de nocturne die dit boek is worden ‘de nacht evocerende’ delen aaneengesmeed. “Ik vraag me af of ik vlak voor het ongeval soms net Hélène Navachine naar de trein in het Gare du Nord had gebracht. Op den duur knaagt de vergetelheid grote delen van ons leven weg, en soms ook piepkleine tussenliggende stukjes. En door de schimmel op die oude filmrol ontstaan er sprongen in de tijd, zodat gebeurtenissen waar eigenlijk maanden tussen lagen vlak na elkaar of zelfs gelijkertijd lijken te hebben plaatsgevonden.”
    Dit is de essentie van een bepaald soort literatuur: door ons mankerend geheugen gaan zaken verband met elkaar houden, dingen van nu lijken op dingen van vroeger. Je vraagt je af waar je een vrouw van kent (Een liefde in Parijs, Remco Campert) Je blijft op zoek naar een meisje waar je ooit verliefd op werd (Le grande Meaulnes, Alain Fournier).

    De roman Nachtelijk ongeval is een sfeervolle uiting van dit thema: wat verloren lijkt is er nog. En voor wie gevoelig is voor de fascinerende werking van het geheugen biedt het boek veel. Voor wie het na een paar keer wel een klein beetje zat wordt wellicht iets te veel: ‘Ik heb [in het aquarium] heel lang naar de vissen achter het glas gekeken. Hun lichtgevende kleuren deden me ergens aan denken. Ik was hier ooit mee naar toegenomen maar ik zou niet hebben kunnen zeggen wanneer dat precies was.’

    Modiano werd voor zover ik weet in Nederland door Rudy Kousbroek ontdekt. Over zijn debuut La Place de l’Étoile schreef hij in zijn Anathema’s I (1969) ‘Het lezen van La Place de l’Étoile is het best te vergelijken met de belevenis om in een ton, die aan de binnenkant van spijkers wordt voorzien, van een berg af te worden gerold.’
    Modiano heeft een ander uitwerking gekregen, de ton is met warme dekens bekleed, je hebt een flesje rum bij de hand en dobbert lekker mijmerend over de Seine.

     

     

    Deze recensie verscheen op 15 november 2004 op deze site en herplaatsten wij naar aanleiding van de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur aan Patrick Modiano op 9 oktober 2014.

    Nachtelijk ongeval is indertijd bij Meulenhoff in 2004 verschenen in een vertaling van Maarten Elzinga.

  • Nobelprijs Literatuur voor Patrick Modiano

    Patrick Modiano (1945) krijgt de Nobelprijs voor de Literatuur 2014. Dat is vandaag bekend gemaakt door het Nobelprijscomité.

    Modiano krijgt de prijs ‘for the art of memory with which he has evoked the most ungraspable human destinies and uncovered the life-world of the occupation‘.

    Op de website van literair tijdschrift Tirade staat een artikel van Manet van Montfrans dat vooral gaat over de roman In het café van de verloren jeugd – ‘In deze roman laat Modiano zijn personages afdalen in de stad onder de stad en net zoals Dante voert hij hen eerst naar het voorgeborchte’ – maar waarin ook veel te lezen is over het leven en achtergrond van Modiano zelf.

    Ook bij Tirade het voorwoord dat Modiano schreef bij Dagboek 1942-1944 van Hélène Berr. (vertaling Marianne Kaas, verschenen bij De Geus)

    Menno Hartman recenseerde in 2004 voor Literair Nederland Modiano’s roman Nachtelijk ongeval.

     

  • Artikel over roman Patrick Modiano

    Op de website van Tirade is zoals aangekondigd de ’topografische analyse’ door Manet van Montfrans van de roman In het café van de verloren jeugd van Patrick Modiano te lezen:

    ‘Halverwege de weg van het ware leven gingen we gehuld in een zwarte melancholie, die doorklonk in zoveel spottende en trieste woorden, in het café van de verloren jeugd.’ Aan dit citaat uit een film van Guy Debord ontleende Patrick Modiano de titel en het motto van zijn recent verschenen roman Dans le café de la jeunesse perdue.2 Het is een vrije variatie op de eerste drie verzen van de Divina Commedia: ‘Op het midden van onze levensweg bevond ik mij in een donker woud, omdat ik van de rechte weg was afgedwaald’. De danteske inslag van Debords film blijkt ook al uit de titel: In girum imus nocte et consumimur igni (Wij dolen rond in de nacht en worden door vuur verteerd).

    Debord (1931-1994) was een van de oprichters van de Internationale situationniste, een kleine politiek-artistieke beweging die zich tegen de opkomende consumptie- en mediamaatschappij keerde, en als wegbereider van mei ’68 optrad. Hij is vooral bekend om zijn kritische beschouwingen in La Société du spectacle (1967) en Commentaires sur la société du spectacle (1988), waarin hij de beeldcultuur als de nieuwe religie van het kapitalisme en de burger als willoze consumptieslaaf afschildert. De Internationale situationniste ontbond zichzelf in 1972. De film In girum … dateert uit 1978 en is een terugblik op de protestbewegingen uit de jaren zestig

    Lees hier verder.