• Het zwaard en de pen

    Het zwaard en de pen

    Tijdens de Spaanse Burgeroorlog organiseerde de republiek in 1937 een congres waar schrijvers hun steun konden betuigen aan de goede zaak en in ruil gefêteerd werden op copieuze maaltijden en uitjes naar het front. Er was ook een aantal Nederlandse schrijvers van de partij zoals Jef Last en de inmiddels vergeten Johan Brouwer. Patrick Bassant heeft dit congres als uitgangspunt genomen voor zijn nieuwe roman Vlinder in de inktpot waarin hij tien pagina’s aan bronnen heeft weten samen te vatten tot een vlot geschreven verzameling weetjes en anekdotes over de weg van het zwaard en de pen.

    In de jaren dertig stond de Spaanse Burgeroorlog sterk in de belangstelling van de Europese intelligentsia, met als bekendste literaire vruchten Hemingway’s For Whom de Bell Tolls (1940) en George Orwells Homage to Catalonia (1938), waarin hij  zowel zijn ervaringen als republikeins frontsoldaat tegen de fascisten beschrijft als de gevechten tijdens zijn verlof in Barcelona waar communisten trotskisten, anarchisten en andere splintergroeperingen elkaar beschoten– een burgeroorlog in een burgeroorlog.

    In Nederland schreven Henriëtte Roland Holst, Albert Helman, Menno ter Braak, Jef Last en Johan Brouwer over het gewapende conflict tussen de prille republiek en de opstandelingen onder leiding van Franco. Roland Holst als dichter, Helman en Brouwer als correspondent, Ter Braak als intellectueel en Jef Last als soldaat aan republikeinse zijde. In de jaren zeventig werd er nog over de oorlog gedicht door vooraanstaande Nederlandse dichters, maar bekende Nederlandse romans zijn er niet over verschenen. Opmerkelijk want heel wat Nederlanders hebben hun Nederlanderschap opgegeven om in Spanje te gaan vechten en als eerste treffen tussen communisme en fascisme spreekt de oorlog zeker tot de verbeelding. Een boeiend decor voor een historische roman dus.

    Van Picasso tot Ivens

    In de proloog maken we kennis met Johan Brouwer (1898-1943) die zich nadrukkelijk profileert als sceptische buitenstaander, de academicus, die tijdens de schrijversconventie op een nogal neerbuigende toon zijn licht laat schijnen op zijn collega’s. Dan gaan we een half jaar terug in de tijd en wordt de andere hoofdpersoon geïntroduceerd, het verzonnen personage Pit.

    Pit is een eenvoudige Amsterdamse jongen (hart op de tong, recht door zee) die geen werk kan vinden, zoals zovelen in het Nederland van Colijn. Dan treft hij een oude vriend die fotograaf is geworden en hem op sleeptouw neemt als Arbeiders-Fotograaf. Al snel is er een confrontatie met NSB’ers die zijn camera stukslaan. Pit besluit meteen om het fascisme te gaan bevechten in Spanje, omdat de camera als wapen niet opgewassen blijkt tegen geweld. Iemand die zo snel tot zo’n ingrijpende beslissing komt is ofwel heel impulsief of de schrijver is er niet helemaal in geslaagd om het rijpingsproces van dit idee adequaat weer te geven.

    Dat impulsiviteit een kenmerkende karaktertrek van Pit is, komt later in de roman niet tot uiting. Pit is niet zozeer fotograaf voor de goede zaak, maar vooral de lens die Bassant gebruikt om een stoet aan historische personen in de roman te kunnen portretteren. Wanneer Pit op weg naar Spanje tijdens de wereldtentoonstelling in Parijs Picasso ontmoet die aan de Guernica werkt, wordt hij verliefd op diens minnares Dora Maar. Er is grappig bedoeld gehakkel en verlegenheid, maar geen impulsiviteit. Pit gedraagt zich als een ridder van de ronde tafel en bezingt haar droevige oogopslag. Bassant maakt vooral van de gelegenheid gebruik om Fernhout, cameraman van Joris Ivens en in deze roman de beschermengel van Pit, een college kunstgeschiedenis te laten geven.

    En zo gaat het door: in Spanje ontmoet hij de fotografe Gerda Taro die samen met Robert Capa hun beroemde oorlogsfoto’s schieten, verder de schrijver Hemingway – Hem voor Pit – die samen met regisseur Joris Ivens aan de film Spaanse aarde werkt, en natuurlijk Jef Last die als kapitein aan het Republikeinse front zijn Spaanse beschouwingen en brieven schreef. Allemaal vinden ze hem aardig en nemen ze hem in vertrouwen, al heeft Pit geen idee wie die mensen precies zijn en wat ze voorstellen. Handig, want kan de schrijver dat allemaal uitleggen.

    Character building

    Aan de ene kant is het knap dat Bassant al deze personen in zijn roman een plek heeft weten te geven. Ook is het boek beslist heel leerzaam, niet alleen om te weten welke sterren een rol speelden in de Spaanse Burgeroorlog, maar ook om de ingewikkelde politieke intriges aan republikeinse kant beter te begrijpen. Maar dat maakt een boek nog geen goede roman. In een roman heeft de hoofdpersoon doorgaans bepaalde drijfveren, waarvan de belangrijkste de roman tot het slot moeten dragen. Bij Pit ontbreken die grotendeels, vooral die van de lange adem.

    Met -gefrustreerde- drijfveren hangt een gevoelsleven samen. Maar omdat die drijfveren ontbreken, komt dat gevoelsleven ook niet van de grond. Pit blijft een wat onnozele buitenstaander wiens beslissingen geen ander doel dienen om de volgende bekendheid het boek in te loodsen. Soms is deze vlakheid zelfs pijnlijk. Wanneer Pits kameraad in zijn armen doodbloedt, leidt dit nauwelijks tot een emotionele respons, en denkt hij er in de rest van het verhaal geen enkele keer aan terug.

    Johan Brouwer speelt als personage een minder grote rol, maar heeft meer diepgang dan Pit. Brouwer wordt gepresenteerd als Nietzscheaan die zijn eigen moraal wil creëren. Tegen de tijdsgeest in wil hij de burgeroorlog objectief en dus van beide verslaan. Een interessant gegeven dat bij Bassant echter niet tot een geloofwaardig (innerlijk) conflict leidt. Aan het eind van het schrijverscongres, laat Bassant Brouwer toch instorten. Deze crisis komt zo onverwacht en de uitwerking ervan is zo over the top dat het ronduit potsierlijk is.

    Schelmenroman

    Dan nog kan een roman overtuigen omdat het plot centraal staat; het avontuur, de verwikkelingen. De schrijfstijl doet inderdaad aan een jongensboek denken. Triomfantelijke lachjes spelen om lippen, er zijn heetgebakerde kameraden, een Rotterdamse journalist is ‘voor een kakkerlak best aangenaam gezelschap’, aangevuld met een sloot aan kwalificaties als leepzuiger, bleekpoeier, en ketelbink. En Hemingway barst regelmatig uit in Kapitein-Haddockachtige scheldkanonnades: ‘Goeiemegranes! Een aanslag op het vrije woord! Vuile Moorse stuipenkoppen, achterlijke rechtse galftrekkers! Ze vrezen mijn speech, die katholieke ongeletterde smeerotsers. Goskrommeneie, zo denken ze dus met me om te gaan! Ongeletterde bokkenezen!’

    Maar in een jongensboek moet er wel altijd een schat worden gevonden, een moord opgelost of een verrader ontmaskerd. Niet alleen ontbreekt een centraal probleem, vragen oproepen om spanning in het verhaal te houden lukt ook niet echt. Vragen worden  meteen beantwoord (eerdergenoemde tik van NSB’er en Pit gaat naar Spanje) of wordt er eerst het antwoord gegeven om later met de vraag te komen (Pits camera valt tijdens het doorkruisen van de Pyreneeën in een ravijn, hij stelt honderd pagina’s later de vraag of dat wel een ongeluk was wanneer de totalitaire controledrang van de communistische partij aan de orde komt. De lezer weet genoeg), en worden veel vragen helemaal niet beantwoord (losse eindjes).

    Echt spannend wil het daarom niet worden, maar dat wordt gecompenseerd door het gevoel dat je aanwezig bent op alle belangrijke podia in aanwezigheid van belangrijke mensen en allerlei sappige anekdotes en leuke historische weetjes te horen krijgt. Zoals het ware verhaal achter de beroemde foto van Capa waarin van dichtbij het moment te zien is waarop een soldaat door een kogel wordt getroffen.

    Er zijn schrijvers van historische romans die het verleden vooral als decor gebruiken om de hoofdpersoon psychologisch uit te diepen, een mooie liefdesgeschiedenis uit de doeken te doen of een schelmenroman te presenteren waarbij historische gebeurtenissen en personen hooguit op de achtergrond een rol spelen, anderen schuwen het grote gebaar niet en voorzien historische kopstukken van een binnenwereld om hun invloedrijke leven van een psychologische context te voorzien.
    Bassant wil het allemaal, en dat is veel. De roman kapseist onder zijn eigen gewicht omdat de hoofdpersonen niet de spanwijdte krijgen om al die anekdotes en faits divers te kunnen dragen. De eerste grote Nederlandse roman over de Spaande Burgeroorlog is Vlinders in de inktpot dan ook niet geworden.

     

     

  • Recensie 'Wij' – Elvis Peeters

    ‘De buitenwereld leek grauw als het leven van mijn vader.’

    Door Patrick Bassant

    Ik herinner me de eerste stickertjes met ‘WARNING EXPLICIT LYRICS’ op cd’s. Tipper Gore, de vrouw van toenmalig vice-president Al, had ‘family values’, ? Christelijke wel te verstaan ? hoog in het vaandel staan en probeerde de Amerikaanse jeugd te beschermen tegen de geile en boze negers die in gangster-style rapten over geweld en gratuite seks, tegen de langharige blanke griezels die volstrekt onverstaanbare dingen brulden over Satan in combinatie met willekeurige slierten darm. Het lijkt wel een eeuwigheid geleden dat wij ons daar druk om maakten. ‘Wij’ was in dezen Ice T vanuit een of andere ghetto in LA en ik op een keurige middelbare school nabij Amsterdam.

    Deze recensie begint al met ‘ik herinner me.’ Ik ben gewoon op basis van mijn leeftijd (31 jaar) niet in staat mij te identificeren met de pubers die de hoofdrol spelen in het nieuwe boek van Elvis Peeters. Op de kaft zit een stickertje ‘WAARSCHUWING EXPLICIETE ROMAN’ waardoor ik moest grinniken en dacht aan 1992, toen ikzelf ongeveer de leeftijd had van de personages in dit boek. Dat komt dan goed uit, zou je denken, dan zit het met die identificatie wel snor. Alleen, Wij is geen normale Bildungsroman over de verwarrende en onzekere puberteit.

    Wij is een snoeiharde, meedogenloze motherfucker van een boek. Acht jongeren zetten zich af tegen de volwassen wereld waar ze nog geen deel van mogen uitmaken, ontdekken hun seksualiteit en vervelen zich te pletter. Tot dusver niets bijzonders. Maar deze jongeren zetten zich af, ontdekken en vervelen zich met een intensiteit die zo ver gaat dat de rillingen over je rug lopen. Peeters heeft de sadistische wreedheid en het nihilisme van de jeugd uitvergroot tot angstaanjagende proporties. En tegelijkertijd hóóp je dat hij het opgeblazen heeft, dat het fictie is, dat Peeters’ fantasie met hem op de loop is gegaan. Want ergens spoken de krantenberichten door je hoofd waarin soortgelijke gebeurtenissen worden vermeld.

    Vier jongens, vier meisjes vormen een geheim clubje, compleet met verlaten schuur waar nooit pottenkijkers komen. Ze gebruiken deze schuur aanvankelijk als plek om zich af te sluiten van de wereld. Later beginnen ze elkaars lichamen te ontdekken en is de schuur hun experimenteerplek. Daarna is de schuur de uitvalsbasis voor hun gewelddadige penetratie van de buitenwereld. Ze beginnen met spelletjes als ‘raad eens wat ik in een van je holtes stop’, en het ontspoort richting sadisme, prostitutie en vermoorden-zonder-een-moordenaar-te-zijn.

    Er lijkt in dit boek geen sprake te zijn van geweld als gevolg van zwarte macabere romantiek ? het geweld van jonge terroristen dat we nog kunnen begrijpen of af kunnen doen als godsdienstwaan. Ook niet als groots en meeslepend gebaar om zich af te zetten tegen de volwassen wereld. De jongeren verantwoorden zich op niet andere wijze dan met ontdekkingslust. Vanuit de verveling, het in warme zomers lamlendig in de schuur bedenken wat ze nu eens uit kunnen proberen, verleggen ze grenzen. ‘Wij houden van de spelletjes die we doen, waarom doen we ze anders?’ (p. 49) Je zou het nihilistisch kunnen noemen, maar de jongeren zelf zullen daar geen genoegen mee nemen. Zij wijzen dit soort etiketten af, zij hebben de zuivere rede van Kant opzijgezet voor de zuivere riedel van de glibberige hiphopper Kanye West. ‘Wij waren jong, niet pervers.’ (p.19)

    Deze door bloed en zaad verbonden groepsleden ‘genoten ervan te zijn wie wij waren, onervaren en onverantwoord’ (p. 24) en nemen wraak op de volwassen wereld die ze niet toelaat omdat ze te jong zouden zijn. Ze bewijzen echter dat ze voor veel volwassen acties helemaal niet te jong zijn ? seks, voortplanting, prostitutie, zwendel en diefstal: ‘We bewogen ons als roofvissen in het water der volwassenen, ze hadden niets door.’ (p. 78)
    Het boek is op z’n best in de onderlinge confrontaties binnen de groep van acht. Als later in het boek een van de jongens zich meer en meer begint te ontpoppen tot loverboy en klein crimineeltje wordt de beslotenheid van de groep opengebroken en wordt het verhaal door de vermenging met de wereld van de volwassen criminelen minder intens en wat ongeloofwaardig. Niet dat de geloofwaardigheid van belang is. Als één van de meisjes sterft na een experiment met een ijspegel, zien de achterblijvers dat als verraad van het meisje, en de schuldvraag (een woord dat niet in hun woordenboek voor zal komen) wordt afgedaan met ‘er viel niets aan te doen, we zouden haar missen’ (p. 85). Zeven jongeren die na de dood van een vriendin besluiten dat er niemand iets te verwijten viel, de schouders ophalen en doorgaan is in elk werkelijk geval ongeloofwaardig, maar binnen dit boek klopt het geheel. Je kan ze cynisch noemen, of autistisch, of psychopathisch, maar eigenlijk gaan ze consequent door waar ze mee bezig waren: ‘Wij deden maar wat, alles waar leven ons toe uitnodigde. … Grote woorden, ik weet het, maar zo voelde het. Niemand van ons had het idee dat hij overdreef.’ (p. 113)

    Het boek eindigt met een scène waarin een hond niet afgemaakt wordt, een ochtend in de schuur waarop men te verveeld was om te neuken en de afsluiter ‘de wereld ligt aan onze voeten.’ Ik weet het niet helemaal zeker, maar misschien is dit een glorieus einde, de afsluiting van twee of drie intensieve puberjaren als rite de passage naar de volwassenheid. Het is mooi geweest, nu gaan we verder.

    Volgens mij schuimt in elk puberlichaam de mogelijkheid ontzettend te ontsporen. Peeters zet acht pubers bij elkaar en laat ze op vreselijke wijze escaleren. Dit boek is zo goed omdat het in zijn overtrokkenheid juist zo realistisch is. Een puber zal altijd grenzen willen verschuiven, heeft een vooralsnog slecht ontwikkeld geweten, en als ze met z’n achten zijn, heb je een kruitvat van jewelste. Elke puber die zich beperkt tot gangbangen in een kelderbox, comazuipen of breezerseks is een lieverdje, als je bij Peeters huiverend leest wat hij of zij ook zou kunnen uitvreten.

    Elvis Peeters, Wij. Podium, 2009. € 16,50.

  • André Manuel – Boem Deng Tjing

    Door Patrick Bassant 

    Het is boekenweek in Nederland. De periode waarin iedere fanatieke of passieve niet-lezer naar de boekhandel wordt gemanoeuvreerd om een boek te kopen, opdat ze er een boekje voor nop bij krijgen (dat de moeite van het lezen meestal niet waard is). Een larmoyante periode voor elke liefhebber van boeken, omdat je kostbare tijd in de winkel wordt afgesnoept door lieden die hopen genoeg boeken over rotstuinieren en spekkopen bijeen te kunnen scharrelen om maar vooral het gratis Gratis GRATIS!!! meesterwerk van Arthur Japin (met dank aan de Kollektieve Propaganda v/h Nederlandsche Boek) mee te pikken. Zo zijn wij Nederlanders.

    Of, zo zijn zíj Nederlanders. U en ik natuurlijk niet. U en ik zijn lézers (of Vlaming) en wij malen niet om gratis pulp. Sterker nog, wij vinden het leuker om het boekenweekgeschenk twee maanden later voor € 2,- te kopen om dat leuke ouwe kereltje met zijn achenebbisj boekhandeltje een beetje te steunen. Wij zijn trotse lezers die de aankomende dagen dus niet in de buurt van een boekwinkel komen, in de hoop Japin, Brown en Van Rooyen te mijden. Tja, licht elitaire trekjes kun je ons niet ontzeggen. En daar is niets mis mee. Laten we wel wezen, wie moet die andere 51 weken de boekhandel draaiende houden? Precies, ik wil maar zeggen.

    Voor ons is de boekenweek de uitgelezen kans om eens rustig te gaan zoeken in de stoffige hoekjes waar gewervelde bestsellers en ander gepantserd ongedierte niet durven komen.

    Maar we proberen wel in het thema van de boekenweek te blijven – dat moet namelijk van de website. Herinnert u zich nog dat er enkele jaren terug stemmen opgingen om Bob Dylan de Nobelprijs voor Literatuur in de bek te splitsen? Jammer voor Bob dat die mondharmonica in de weg zat, maar het gaat nu even om het idee. Als het thema van de boekenweek ‘Boem Paukeslag/Literatuur en muziek’ is, dan is dit de plaats om een schrijver te omhelzen die eigenlijk tekstschrijver/muzikant, of eigenlijk cabaretier en eigenlijk geen échte schrijver is. (Een échte schrijver is per uitsluiting geen cabaretier of tekstschrijver, laat staan muzikant. Nee, ook Wim de Bie, Rick de Leeuw, Luc de Vos, Maarten van Roozendaal en Piet Hein Donner niet. Een échte schrijver, dat is wat anders. Daarover wellicht een andere keer meer.)

    André Manuel was zanger en multi-instrumentalist van de band Krang en is sinds het verscheiden van die groep solo gegaan. Krang was een van de leukste Nederlandse bands, die zich naast vakkundige muziek en zeer avontuurlijke optredens, vooral de moeite van het volgen waard was door de teksten:

    De bas is die van Mingus
    De gitaar van Perlemoer
    Het is het ritme van de duivel
    En je ruikt z’n ouwe moer
    Blaas driemaal het signaal
    Alle geesten uit de fles
    Het spook kwam op van links
    Met een toetertje vol Jazz

    (De Ketterse fanfare, 1997)

    Manuel heeft een gezond cynische blik op alles om hem heen, op alles waar een tekstschrijver mee te maken krijgt, en weet dat met kwikzilveren associaties te verwoorden in songteksten die de luisteraar bij de nekharen grijpen. Door de hink-stap-sprongmanier van vertellen krijgt Manuel veel voor elkaar: zowel het maken van liedteksten die perfect passen binnen de muziek, en het prikkelen van de luisteraar tot nadenken over wat er gezongen wordt. En dat gaat nu eens niet over het Vondelpark of de Zeeuwse kust, niet over Annabelle en niet over zijn vader, niet over gezellig en niet over heerlijk rustig, maar juist over de andere kant van Nederland, over de ongemakkelijke kanten van de samenleving, over (de moord op) Theo van Gogh, over terrorisme, over waanzin en natuurlijk ook over muziek.

    Wat zou muziek kunnen doen, als je nergens over zingt? ‘Klinkt als parels in de inkt/
    Zo goed alsof het duifje ringt/ Zo goed als of het zwijgen klinkt/ Maakt geen zak uit wat je zingt (Popster, 1998). Nee, ook popmuziek heeft wel degelijk iets te vertellen. Muziek (en dat wist Paul “Boem Paukeslag” van Ostaijen net zo goed als André “Boem deng Tjing” Manuel) is een volwassen kunstvorm en is dus zeer geschikt om meningen in te verwoorden, vragen te stellen en je ontzettend boos te maken. En er is genoeg om je boos te maken (ook al krijg je dat idee niet als je naar Lange Frans en Baas B. luistert), en dat is wat Manuel op intelligente manier in zijn liedteksten wil vertellen.

    Dit land z’n laatste benen
    Heeft z’n beste tijd gehad
    En al wat ons nog rest
    Dat is het graven van een gat
    De kranen moeten lopen
    Voor ’t gemene weltevree
    Trek de vinger uit de dijken
    Geef het land weer aan de zee

    Laat het water stijgen
    Alle lippen barstend droog
    Te plat de oppervlakkigheid
    Het peil moet weer omhoog

    Geen ark mag er getrokken
    En geen vlot wordt hier gebouwd
    Eert voor eens de hand die voedt
    Het water zo vertrouwd

    En zelf zal ik de laatste zijn
    Ik spied en vergewis
    Of iedereen daadwerkelijk
    Ook echt verzopen is (Vinger, 1998)

    Tijdens het lezen van deze teksten merk je al snel dat Manuel niet de zoveelste protestzanger à la ‘of ik al dan niet te min ben’, maar in z’n eentje een stormtroep tegen maatschappelijke desinteresse vormt (Hef ut glas en striek de vlagge/ op ons dode vaderland, Hef ut glas 2006). Voor rust en vrede moet je elders zijn. Nederland is een puinhoop en Manuel weet de zere plekken haarfijn te vinden.

    Naast vilein observator van Nederlandse Toestanden, is André Manuel ook zeker een taalliefhebber. Om mij volstrekt onbekende redenen zingt hij zijn laatste drie platen in het Twents. Tja, waarom? Manuel is zo goed dat ik zijn teksten desnoods uit het Neder-Kirgizisch zal trachten te vertalen, maar eigenlijk baal ik er wel een beetje van. Twents is niet volstrekt onbegrijpelijk (een beetje wel, hoor) maar fijn luisteren is anders. Ach, sektarisch als Twentenaren graag willen zijn, vinden ze het vast geen probleem als ik (uit Amsterdam) mij hoofdzakelijk beperkt tot de teksten in het Schoon-Nederlands…

    Taalliefhebber dus. Waarom is volgens mij Manuel de plaats van ‘Schrijver van de week’ waard? Omdat Manuel zich op een dichterlijke wijze bewust is van de woorden die hij gebruikt, omdat hij op een maniakale manier met schrijven en taal bezig is.

    Ik ben een zoon van het lied
    En een kind van het akkoord
    Ben een junkie van de taal
    En verslaafd aan het woord
    Pers het bloed uit m’n vingers
    Spuit m’n armen vol inkt
    Ik jaag de taal door m’n lichaam
    Totdat het lekker klinkt

    Ben een dief van de geest
    Ik leef met losse handen
    Ben een junkie die de taal
    Op z’n tong moet voelen branden
    Ik snuif me door de boeken
    En ik slik elk woord
    Ik hol achter de feiten aan
    Totdat ik heb gescoord

    (Junkie van de taal, 1998)

    Het is de volstrekt onvermijdbare manier waarop Manuel muziek en teksten tot één geheel weet te smeden, die maakt dat je hem ook daadwerkelijk gelooft. En geloven in literatuur, of in popmuziek (of afwasmiddel), dat is een zeer complexe procedure. Nee, ik geloof niet dat Manuel Nederland het liefst ziet verzuipen. Nee, de situatie is niet zo uitzichtloos als Manuel zingt. Nee, een kogel in het hoofd van De Gewone Nederlander of de Kale Messias brengt geen oplossing. Maar de urgentie waaruit hij zingt, maakt wel degelijk duidelijk dat het rusten op onze lauweren geen soelaas brengt. We moeten te allen tijde opletten wat er om ons
    heen gebeurt. En dat moeten we zelf doen. Dan kunnen we niemand vertrouwen. Niet de politicus die ons bezweert dat alles onder controle is en niet de rockzanger die zingt dat

    Van Bob Marley noar Da Vinci
    Via Pik Botha noar Sherrif Brown
    Dank wie ut gepeupel
    Veur hun grenzeloos vertrouwn
    Ak toch argens noar verlange
    Ist opt end van de rit
    De Blinde an ut roer
    En Eenoog an ut spit

    (Wit, 2006)

    In 2004 publiceerde uitgeverij Vassallucci André Manuels eerste roman, Het tragische einde van de Nederlanders zoals wij hem kennen.

    Het boek draait om een programma van SBS6, waarin de laatste Nederlander via een democratisch proces van stemmen per SMS een nekschot krijgt. Grote maatschappelijke scherprechters als Midas Dekkers, Theo van Gogh en Prins Bernhard zitten in de jury. In dit boek is het hoofdzakelijk de cabaretier Manuel die het woord voert. De vileine observaties, de tot het bittere einde doorgevoerde redeneringen en de rake klappen die de lezer in het gezicht krijgt: er valt genoeg te lachen in het boek, er valt ook meer dan genoeg denkstof uit te halen, maar een goed boek is het niet. Omdat het de opbouw slordig is, omdat de stijlbeheersing matig is, omdat het overduidelijk een samenraapsel van stukken cabaret, columns en overpeinzingen is, samengehouden door een rood draadje van verwaarloosbare spankracht.

    Manuel zit duidelijk beter in zijn vel als hij een liedtekst maakt.

    – tussen grote aanhalingstekens-openen: En, zoals ondertussen het handelsmerk van uitgeverij Vassallucci begint te worden, wemelt het boek van de fouten. Enkele voorbeelden: ‘De hoeveelheid hagelslag die … beland’, p. 28, ‘Auschwitsz’, p. 44 ‘but I just feel like Jezus’ son’, p. 64, ‘oranje-parafinalia’ p. 67, ‘de geur van verschroeit vlees’ p. 83, ‘We hebben Irak bevrijdt! Waarvan hebben we Irak bevrijdt?’ p. 92, ‘Lary King’ p. 104, ‘Rooseveld’ p. 108, ‘Wat er aan de elektronische muziek niet deugd is wat er aan de metronoom niet deugd.’ p. 175.

    Begrijp me goed: ik heb al eerder gemerkt dat André Manuel een tamelijk problematische omgang heeft met de regels van de Nederlandse spelling en werkwoordsvervoeging. Maar het is de taak van een uitgeverij om die flagrante fouten te verbeteren. De tekstredactie van Vassallucci is schandalig en verwijtbaar volstrekd incompetend. Dit uiteraard geheel terzijde. – aanhalingstekens-sluiten.

    Ik heb hier niet kunnen beschrijven hoe de muziek van Krang of van Manuel solo klinkt. Daarvoor zult u de cd’s op moeten zoeken. Nog een stukje tekst als afsluiting:

    Schiet me maar de ruimte in
    Ik heb het hier nu wel gezien
    Genoeg van al en iedereen
    Ik wil een bol voor mij alleen
    Waar mag niemand weten
    Het zal van mij zijn
    En de bol moet Krang gaan heten

    (…) Maar na verloop van eeuwen
    Zal ik me stierlijk gaan vervelen
    Niemand die me tegenpraat
    De vrede die me tegenstaat
    Ik honger naar de andere kant
    Een slagveld in dit brave land

    Dus neem ik groot een fors besluit
    En nodig ik de mensen uit
    Ik ben niet gek ik ben niet bang
    Ik wil onrust in mijn wereld Krang
    Fuck de wieg op naar het graf
    Stuur een vijand op me af
    He hallo wat leuk val binnen
    Laat de oorlogen beginnen

    (Krang, 1997)

     

     

    André Manuel, Het tragische einde van de Nederlanders zoals wij hem kennen, Amterdam Vassallucci 2004
    André Manuel, Allene, Silvox 143.

    Allebei verkrijgbaar via www.maneman.nl, ook voor data van optredens &c.