• Fotosynthese 24 – Kippendichteres uit Massachussetts

    Fotosynthese 24 – Kippendichteres uit Massachussetts

     

    Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrondfoto in zijn geheel.


    Sander Kollaard won de Libris Literatuurprijs 2020 met Uit het leven van een hond. Toen ik deze roman over het baasje van hond Schurk las, gingen mijn gedachten uit naar andere boeken met een prominente rol voor een hond. Reizen met Charley van John Steinbeck, Flush van Virginia Woolf, De staart van Patricia de Martelaere, Het complete Rekelboek van Koos van Zomeren, en Mijn leven met Tikker van Jan Siebelink. Er waren jaren dat ik dieren uit de geschiedenis en de literatuur verzamelde in een schriftje. Alleen paarden en honden – je moet ergens een grens trekken. Mijn schriftje groeide uit tot een indrukwekkende mini-encyclopedie, maar alle inspanning die ik erin heb gestoken bleek verspilde energie toen het door internet steeds makkelijker werd om lijsten en collecties aan te leggen.

    Het schriftje is al decennia kwijt en bij lezing van Kollaards boek smoorde ik mijn  neiging om de opsomming hierboven uit te breiden onmiddellijk in de kiem. Toch bracht deze foto opnieuw en met weemoed mijn oude ‘hobby’ in herinnering. Nee, kippen heb ik nooit verzameld. Buiten de honden en paarden zijn er in de marge van mijn geheugen alleen anekdotische dieren blijven hangen. De kat Hodge van Johnson waarvoor zijn baasje  (volgens zijn biograaf James Boswell), speciaal oesters ging kopen. En de goudvis die Gabriele d’Annunzio in een hotel aantrof en Adolphus doopte. Toen hij later vernam dat de vis het loodje had gelegd liet hij hem in de tuin van het hotel begraven om er even later zijn tranen op de laatste rustplaats te komen plengen. D’Annuzio schijnt trouwens boeken te hebben laten drukken op rubber zodat hij ze kon lezen als hij gezellig met zijn eigen goudvis in bad ging.

    Excentriek geval

    De foto verhaalt van een nog excentrieker geval. De kippen vielen me meteen op, en toen ik in het bijschrift las dat het hier ging om ‘the chicken poet of Massachussetts’, kon ik mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. Een kippendichter? Ik moest denken aan Gerrit Komrij, die graag vertelde dat hij in 1944 in een kippenhok was geboren waarin zijn ouders voor luchtaanvallen waren weggekropen. Maar zijn gedichten zijn niet vergeven van hoenderachtigen. De kippendichter blijkt Nancy Luce te heten. Wikipedia keurt haar een intrigerend lemma waardig, alleen in het Engels én – hoe merkwaardig – in het Arabisch. Nancy Luce (1811-1890) werd geboren op het eiland Martha’s Vineyard, ten zuiden van Cape Cod, dat een paar honderd jaar extreem veel doven telde. Is er over de hele wereld één op de zesduizend mensen doof, op dit eiland was het er één op de honderdvijftien. Dat hadden de Vineyarders te danken aan een voorvader die de aandoening generaties lang in zijn genen doorgaf. De doven leerden met elkaar communiceren door een geheel eigen gebarentaal te ontwikkelen.

    De gelovige gemeenschap op het eiland kende grote gezinnen, maar de ouders van Nancy, Philip en Anna, hadden het door hun zwakke gezondheid bij één dochter moeten houden. Toen Nancy een eind in de twintig  was waren haar ouders zo verzwakt dat ze in haar eentje hun boerenbedrijfje voortzette. Zoveel stelde dat niet voor: ze hield kippen, molk een koe en een geit en verbouwde groenten. Ik ken ook een foto van die boerderij: die was, inclusief woongedeelte, niet groter dan een schuurtje. Toen haar beide ouders kort na elkaar stierven probeerden buurtbewoners haar onder curatele te laten stellen wegens krankzinnigheid. Waarschijnlijk zat daar hebzucht achter: (boeren roken een kans om hun erf uit te breiden met het perceel van wijlen Nancy’s ouders), want volgens de geraadpleegde arts was Nancy voldoende compos mentis. (Nancy’s biograaf Walter Teller veronderstelde dat ze aan neurasthenie, een zenuwzwakte, moet hebben geleden).

    Naamlijst voor kippen

    Nancy bleef haar verdere leven alleen met haar dieren. Die kregen allemaal een naam. De koe die ze in een achterkamer hield, heette Susannah Allen. Een naamlijst van haar kippen vormt een eigenaardig klankspel dat is weer te geven als een sonnet en vermoedelijk zijn de namen een mengeling van Engels en het dialect van de Wampanoag-indianen die er in Nancy’s tijd nog woonden:

    teedie lete,
    phebea peadeo,
    letoogie tickling,
    jaatie jafy, 

    reanty fyfante,
    speackekey lepurlyo,
    pondy lily,
    kalallyphe roseiekey, 

    tealsay mebloomie,
    levendy ludandy,
    appe kaleanyo, 

    meleany teatolly,
    aterryryree roseendy,
    vailatee pinkoatie.

    Nancy dichtte over de zonden der aarde, over God, over de wonderen der natuur. En over haar kippen. Elke hen die doodging kon rekenen op een grafsteen en een treurdicht met al haar namen en troetelnamen. Zoals in het volgende (vrij vertaalde) fragment over Tweedle-Tedel-Beebe-Pinky. De kip stierf, zo tekent Nancy aan, in haar armen op 19 juni 1871 om kwart over zeven ’s avonds op de leeftijd van vier jaar. 

    Arme lieve hartje,
    Pijn brak haar,
    En ik blijf achter met een gebroken hart
    Zij was mijn eigen hart
    Ze was slimmer dan zomaar iemand
    Ze is ontkomen aan het kwaad dat nog wacht.

    Zij die me hebben gekend, kennen – me – niet – langer,
    Alles komt aan zijn eind
    En zij, en ik, zullen elkaar weerzien in de hemel.

    Selfie avant la lettre

    Haar gedichten werden niet overgeleverd vanwege hoge literaire kwaliteiten maar vanwege de bijzonderheid van de auteur. Nancy zorgde zelf voor die publiciteit. Ze liet van de gedichten dunne boekjes drukken die ze aan voorbijgangers verkocht. Die kwamen in steeds grotere getale en de grafstenen voor de kippen groeiden uit tot een toeristische attractie. Bij die boekjes was ook deze foto van Nancy met haar kippen Ada Queetie en Beauty Linna te koop, een soort selfie avant la lettre. 

    Na haar dood ontfermden bewonderaars zich over haar erfenis. De gedichten, de grafstenen van de kippen, haar brieven en krantenartikelen over het houden van pluimvee, alles is bewaard gebleven in een klein museum in Edgartown op Martha’s Vineyard. Ze zit er zelf ook, een wassen beeld met hoofddoek, zoals op de foto. Iets verderop, in West Tisbury, staat haar eigen zerk, erbovenop een stenen kip. Eromheen kippen en kuikens van steen, plastic en rubber die er jaarlijks op haar sterfdag door toeristen worden neergelegd.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Inchecken met een filosoof

    Inchecken met een filosoof

    Het is aangenaam toeven in het grensgebied van de literatuur en de filosofie, die al minstens sinds de klassieke oudheid een innige, maar soms moeilijke verhouding hebben met elkaar. De helaas veel te jong gestorven Vlaamse schrijfster en filosofe Patricia De Martelaere (1957-2009) voelde zich er als een vis in het water; sinds haar overlijden dienden zich niet echt veel Nederlandstalige auteurs aan die zich graag door de wijsbegeerte laten inspireren. Wittgenstein op de luchthaven, de titel die de onlangs in het Nederlands vertaalde roman van de Duitse journaliste Husch Josten (1969) kreeg, laat vermoeden dat er elders in Europa wel nog vruchtbare kruisbestuivingen plaatsvinden.

    Caren, de hoofdpersoon van deze roman, is een in Londen gevestigde journaliste die na de aanslagen van Parijs een vliegtuig wil nemen naar de Franse hoofdstad. Terwijl ze in Heathrow zit te wachten om aan boord te gaan, wordt haar vlucht geannuleerd wegens een anonieme tip over een aanslag. Caren geraakt in gesprek met een man van middelbare leeftijd die een boek van Ludwig Wittgenstein (1889-1951) zit te lezen. Zo barst een verbaal steekspel los tussen de jachtige, vluchtige journalistiek en de tijdloze filosofie.

    Carens hele leven lijkt te worden gedomineerd door toeval. Als bij wonder is ze telkens in de buurt bij elke grote aanslag: het WTC in 1993, vanzelfsprekend 9/11, de Boston Marathon in 2013, Charlie Hebdo, noem maar op. En het houdt niet op: naarmate het gesprek vordert, ontwikkelt zich een bizarre samenloop van omstandigheden die steeds verder op de spits wordt gedreven. Iets te veel toeval om nog geloofwaardig te zijn? Ja, maar dat is precies de bedoeling. Want Wittgenstein, zoals Caren de onbekende man is gaan noemen, legt zijn gesprekspartner op de rooster en dwingt haar om grondig na te denken over de betekenis van toeval (‘Leg me eens uit, zei hij, waarom u niet meer in toeval gelooft’) en de functie van verhalen. Het effect is bevreemdend. Ben je als lezer in een val getrapt? Heb je je laten beetnemen door de ‘leugen’ van de fictie?

    Caren reageert een beetje defensief: ‘Soms gebeuren er dingen die zich niet simpelweg met toeval laten verklaren.’ Dat is begrijpelijk, want zoals in elk mensenleven is willekeurig, wreed toeval – bijvoorbeeld een aanslag – moeilijk te aanvaarden, sluit het zingeving en een hoger doel vaak uit en dwingt het om te berusten in een chaotische, absurde werkelijkheid.

    Zo is er het verhaal van de bankier die op 10 september 2001 zijn kantoor in het World Trade Center ontruimt, maar twee maanden later sterft in een vliegtuigcrash. Het is Wittgensteins taak om Caren te confronteren met die werkelijkheid en het feit dat we daar een verhaal mee construeren: ‘Hebben zulke spookachtige situaties een betekenis, zit er een plan achter of is het universum één enkele zinloze chaos van gebeurtenissen? Het toeval is triviaal nietwaar? We leggen liever verbanden tussen feiten in ons leven omdat we er dan een betekenis in kunnen ontdekken. Dus plakken mensen alles wat hen overkomt aan elkaar tot een narratief, tot hun levensloop, hun identiteit.’

    Met haar jachtige stijl, strakke tempo en variatie tussen langere en zeer korte zinnen recreëert Josten de angstige sfeer en het paranoïde klimaat dat Europa op het hoogtepunt van de aanslagengolf in zijn greep hield en stilaan weer lijkt te zijn overgewaaid: ‘De nasleep van elke aanslag was enkel een voorspel van de volgende ernstige esacalatie van de verschrikking. Terreur als wedstrijd in de media.’

    En dan is er nog Carens niet bepaald rimpelloze liefdesleven: zij schippert tussen de mysterieuze Ben, die zelf openlijk van (minstens) twee walletjes eet, en persfotograaf Julien, die ook al een gezin heeft. Met Ben lijkt alles ogenschijnlijk goed te zijn geregeld: ‘Ze wilden geen alledaagsheid en geen halfslachtige afspraken, ze wilden geen sleur en geen onvermijdelijk hun leven binnensluipende leugens, geen geklets over compromissen die dat niet waren omdat een van de twee eigenlijk toegaf en dat op een gegeven moment alsnog betreurde, en ze wilden niet dat passie zou omslaan in beklemming, hartstocht in verveling of plichtsbesef.’ Dat het niet zo simpel is, beseft Caren zelf ook wel: ‘Hoeveel mensen zijn er niet ongelukkig met hun gepasteuriseerde tweezaamheid, hun schijnheilige constructies?’

    Niet alleen in het geval van de liefde, maar zeker ook na een aanslag is zingeving een heikele zaak. Net dan biedt fictie een uitweg, een mogelijkheid om naar een diepere waarheid te tasten die buiten het bereik ligt van non-fictie of journalistiek, hoe diepgravend die ook zijn. Al wil dat niet zeggen dat dit boek pasklare antwoorden biedt, want die zijn er eenvoudigweg niet: de ongrijpbare realiteit heeft immers de neiging om als los zand door je vingers te glippen wanneer je er vat op probeert te krijgen. Maar ook dat is een belangrijk inzicht. ‘Ik weet slechts één ding: dat ik niets weet,’ zei Sokrates immers al.