• Lawaaidichter en lawaaimakers

    ‘Radeloos’ en ‘betoverd’ zijn te sterke woorden voor de nieuwste bundel van Pat Donnez. Maar de tegenstelling tussen beide uitdrukkingen is wel passend: de lezer is lichtelijk verward, maar toch ook gefascineerd door wat hem wordt voorgeschoteld. En niet altijd ten voordele. De gedichten in Radeloos en betoverd lijken op het eerste gezicht onderhoudend maar zijn verrassend confronterend; de dichter brengt zijn woorden op overtuigende wijze over het voetlicht. Alleen in vorm en stijl laat hij het afweten.

    Gedachtenflarden
    Schrijver en radiomaker Donnez heeft zijn bundel in drie hoofdstukken onderverdeeld: liefde, taal en leven. Uit de benoeming van deze delen spreekt het grote gebaar, dat tegelijkertijd kenmerkend is voor de toon van de gedichten die erin staan. De verzen zijn onmiskenbaar als gedachtenflarden op papier gezet, waarna er nog een lichte hand van verzorgende esthetiek overheen is gegaan. Er is nauwelijks rijm, het spaarzame enjambement giet de tekst in een poëzie-achtige vorm en de afloop is vrijwel altijd een ontknoping met een twist.

    In de liefdessectie, onder de titel ‘Ex amore’, wordt het woord gegeven aan een gepijnigde minnaar die zijn verloren liefde herinnert en bezingt. De machteloze stem laat zich horen in weemoed, verlangen en vooral rancune.

    Vraagje

    Je zegt dat ik ons contract heb verbroken
    en de stilte die om ons hing
    Maar ging je uiteindelijk daarom weg
    of was je gewoonweg
    horendol
    zoals is gebleken toen je met die
    kobold
    op de proppen kwam

    Onevenwichtig
    Dat liegt er niet om. Is de dichter bewust op zoek gegaan naar een vorm van middenrijm met de woorden ‘horendol’ en ‘kobold’? Een geforceerde keuze, want beide begrippen lijken in hun wezensvreemdheid geheel te zijn verdwaald in deze regels. Het zal de kracht van de overdrijving zijn die hij heeft willen laten klinken, met als resultaat een soort luidruchtige poëzie die Donnez door de hele bundel heen laat horen. Hier slaat de dichter wild om zich heen, terwijl hij een pagina verder in heel wat fijnere bewoordingen zijn gevoel uitstort. In Ga niet lief en zonder wrok zomaar van me heen vindt hij het onverdraaglijk om zonder verbaal geweld uit elkaar te gaan. Een strofe die qua klank en ritme, nog afgezien van de meeslepende inhoud, heel goed op zichzelf kan staan:

    Ga niet lief en zonder wrok zomaar van me heen
    Oude liefde moet furieus en ziedend doven
    Raas, raas, of beter hak dat blok nu van je been

    Lawaaimakers
    De gedichten in het tweede deel hebben alles met taal van doen. Hier vindt de wat gekunstelde vormgeving een inhoudelijke bron, zoals in het gedicht Stiltemanifest. Donnez laat, met veel gevoel voor actualiteit, weten hoe we hedendaagse lawaaimakers de mond kunnen snoeren. Ons ‘zaligmakend zwijgen’ zal de sfeer ten goede doen keren:

    Weerloze weekdieren aller landen
    Nu er geen stilte meer is
    laten wij het kabaal dan stalken
    Het dazen en het razen een koekje
    van eigen deeg geven

    Tijd voor een nauwelijks hoorbare
    maar absoluut onoorbare kakofonie
    van gelispel en gewhisper
    We bezetten deze plek
    met lege wimpels en plakkaten
    Toeters en bellen
    blijven achterwege
    We slaan hiaten in hun aangeregen
    kladderadatsch van
    gebrul en gebral

    We krijgen ze monddood met
    ons zaligmakend zwijgen

    Ironie en humor
    De ironie wil dat juist deze dichter het kabaal aanwendt om gehoord te worden. Het is opnieuw die opgewonden toon die wordt toegepast om de woorden kracht bij te zetten, in de ‘kladderadatsch van gebrul en gebral’. Maar ironie en humor zijn dan ook volop aanwezig in deze bundel. Donnez is een observator met een grote eigenwaan, maar ook een flinke dosis zelfspot. Opvallend genoeg is zijn vertrekpunt vrijwel altijd de ik-vorm. Die spottende houding kan tegelijkertijd omslaan in venijnige afkeer, zoals in het gedicht Schuwstress tot uiting komt. Het is een onsymphatiek vers in zowel klank als betekenis en in het geheel niet als grap op te vatten:

    Op de trein zit bij het raam een jonge vent
    met talent voor ADHD
    Hij wiebelwobbelt contrapuntisch
    met de kadans op het spoor
    Vrijwel de hele rit kijkt-ie naar buiten
    Als we zijn gearriveerd wacht
    hij tot de laatste man om
    uit te stappen
    Ik heb me verborgen
    achter een reclamebord en
    zie nu ook zijn gezicht
    Het lijkt op een met aambeien
    dichtgeplakte kont
    Eerlijk, was ik zijn plaats
    ik nam de auto
    Veel relaxter

    Geen nuance
    Nogmaals, dat liegt er niet om. Een dergelijk schrijfsel opnemen in een dichtbundel getuigt van een zelfingenomenheid die, samen met nog een aantal andere verzen, de impact van deze uitgave direct doet kantelen. Ook hier lijkt de actualiteit een grote rol te spelen in de beleving van de dichter: de hooghartige profilering van de medemens krijgt een dermate cynisch karakter dat een vergelijking met het huidige maatschappelijke klimaat voor de hand ligt.

    Donnez gebruikt grote woorden, heeft een dubieuze opvatting over humor en is kort gezegd een lawaaiige dichter. Zijn hoekige en bonkige verzen ontberen iedere vorm van nuance: de dichter probeert veel te zeggen maar de woorden willen maar niet vloeien. De sporadisch aanwezige schoonheid in de taal wordt overdonderd door een breed palet aan bombastische grootspraak. Als een schaduwbokser, die constant op zijn hoede denkt te moeten zijn, probeert hij de juiste poëtische snaar te raken. Nu en dan haalt hij uit om met een ferme klap zijn woorden de ruimte in te slingeren.