• Moeder en vader: de reconstructie

    Moeder en vader: de reconstructie

    Van zijn vader leerde P.F. Thomése dat mensen door verhalen aan elkaar verbonden zijn, en dat we loze eindjes worden als we niet doorvertellen. De schrijver noemt zich een erfgenaam van verhalen. Nu zijn beide ouders dood en al begraven zijn, reconstrueert hij in Vaderliefde de familiegeschiedenis.
    Net als met Schaduwkind uit 2002, over zijn gestorven dochtertje, begeeft Thomése zich dus in het genre van de literaire biografie. Achterin het boek staan de stambomen van zowel vaders- als moederszijde: de ene reikt zes en de andere vier generaties terug. Vaderliefde wordt echter niet chronologisch maar eerder per onderwerp verteld, in zeven hoofdstukken. Dit geeft ruimte voor inhoudelijke overpeinzingen. Wel blijkt het in de lopende tekst lastig om de familieleden altijd te onderscheiden; je weet soms niet meer welk karakter bij welk verhaal hoort.

    De auteur schrijft heel eerlijk over de moeizame relatie met zijn ouders. ‘Het liefst zou ik mijn moeder negeren’. Maar wanneer hij zich ertoe zet, haalt hij juist postuum kanten van haar naar boven die voorheen een gesloten boek bleven. De moederfiguur, bij leven een raadselachtige schim die nooit over gevoelens sprak, treedt in Vaderliefde meer uit de schaduw. Het zwaartepunt van de familiebiografie ligt echter bij de vader, die een onvervuld leven leidde en vroeg overleed. Over hem schrijft P.F. Thomése met meer mededogen. Ook hun relatie was moeizaam (‘Ik heb nooit goed met hem kunnen praten’). Aan zijn vaders sterfbed doen beiden een uiterste, slechts halfgelukte poging elkaar te bereiken. Het is een van de meest intieme passages van het boek, te vinden in het laatste hoofdstuk.

    Ondanks de persoonlijke aard van het vertelde, blijft de tekst op twee manieren afstandelijk. Allereerst is er de licht ironische en zelfrelativerende toon, die past bij de bezadigde schrijver maar minder bij de ‘nagelaten zoon’. Daarnaast maakt het vocabulaire dat Thomése inzet geregeld een behaagzieke indruk. Formuleringen als ‘funeraire vaklieden’, ‘meticuleus documentalist’ of ‘houriachtige dooreenkroelen’, het is allemaal wat dik aangezet. Of ‘verzwolgen door de golven van de tijd, aangespoeld op het strand van de herinnering’, dat soort zinnen.

    Als memoires van een familie is Vaderliefde op veel fronten geslaagd. Het tijdsbeeld van de jaren rondom de Tweede Wereldoorlog, de uitwerking van de vader- en moederfiguur, dit komt allemaal goed uit de verf, en dan zijn er nog de kleurrijke ooms en vreemde tantes. Over de gehanteerde stijl valt te discussiëren. P.F. Thomése lijkt zich soms te verschuilen achter het gereedschap van zijn taal. Dit levert in zekere zin vakwerk op maar het komt de waarachtigheid niet altijd ten goede.

     

     

  • Tja

    Tja

    ‘Stront, seks en foute grappen. Ik heb Ik, J. Kessels schuddend van het lachen zitten schrijven’ laat schrijver P.F. Thomése in de Volkskrant weten. Dat schept verwachtingen, want wie wil nou niet schuddend van het lachen een boek lezen over stront en seks met foute grappen? Thomése stelt niet teleur. Slap geouwehoer is een véél te zwakke kwalificatie voor het pulpverhaal dat hij schrijft over de auteur P.F. Thomése die van zijn uitgeverij (toen nog AtlasContact) een manuscript retour gestuurd krijgt dat hij niet geschreven blijkt te hebben.

    Na zijn twee eerdere romans over de rokende, snuivende, drinkende en onder elke rok nattigheid voelende Brabantse journalist J. Kessels, heet dit manuscript Ik, J. Kessels en zou door het personage zelf geschreven zijn.
    Géén theoretische mogelijkheid, want J. Kessels bestaat echt. Hij is columnist bij het Eindhovens Dagblad en was als jonge journalist bevriend met P.F. Thomése, met wie hij enkele welbesproeide reizen ondernam naar Duitsland en de Verenigde Staten. Maar Kessels heeft meermalen laten weten niet gecharmeerd te zijn van Thomése’s pastiche over hem.
    Net zoals Telegraafjournalist Jan Spierdijk weinig gecharmeerd was van de belevenissen van de op zijn lijf geschreven Koos Tak, zoals jarenlang gerapporteerd in de Haagse Post door ‘pestkoppen’ Eelke de Jong en Rijk de Gooijer.

    Op zoek naar de waarheid achter het aan hem geretourneerde maar niet door hem geschreven manuscript trekt P.F. Thomése naar hun beider hometown Tilburg en schrijft over deze tocht een duidelijk hilarisch bedoeld verslag dat nu onder de gestolen titel ‘Ik J. Kessels’ verschijnt bij zijn nieuwe uitgeverij Pluim. En natuurlijk is Tilburg nog steeds Tilburg, het ‘O là là’ Parijs van Brabant, en als je een pilsje gaat drinken zijn de nachtfeeën daar nog steeds:

    Ik had plotseling ontzettende zin om met ze te neuken, die lieve lellebellen, uit dankbaarheid voor iets, maar ik kon niet kiezen. En zij ook niet. Telkens als ik zacht en romig ergens binnengleed, voelde ik een fijnzinnig handje dat mijn knoeperd weer naar buiten de kou in stuurde, waarna hij vanzelf ergens anders weer naar binnen glibberde. Maar van wie de ene en van wie de andere flamoes nog was, daar kon ik geen wijs meer uit. Ik lag onder, dus ik had er zelf geen zicht meer op. Soms meende ik de blonde te herkennen aan de ongearticuleerde geluiden die ik oppompte, maar ook in de andere schede waren de scheten niet van de lucht. We leken met z’n drieën wel een hoempaorkest.

    Het is heel goed denkbaar dat lezers na het roken van hasj en/of het drinken van teveel bier de slappe lach krijgen bij het lezen van Ik J. Kessels.
    Zo’n boek als dit moet daarom natuurlijk kunnen bestaan. Maar daarmee is wel alles gezegd.

     

     

  • Verzin iets

    Verzin iets

    Meebewegen is gewenst maar laat je nooit verleiden tot dingen waarvan je het waarom niet kent. Beter is het de dingen te bevragen dan het bewandelen van betreden paden. Dus laat je niet verleiden tot uitstapjes die leuk of zinnig zouden zijn maar waar je zelf nooit een gedachte over hebt gehad. Vraag je af: ‘Waarom zou ik eigenlijk met dit  reisgezelschap gaan wandelen in de Savanne’ en je weet het niet? Ga dan niet. Droom je er sinds je jeugd al van de Savanne te willen doorgronden, zijn geologische waarden te verkennen, dan zeg ik: ‘Doen!’

     

    Het kan vervelend met je aflopen als je je leven laat afhangen van andermans keuzes, meegaat met de stroom omdat je geen alternatief hebt. Ik moest denken aan Martin, (Tin) in de roman De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése. Dit boek drijft zogezegd op de gedachte dat als je niet voor jezelf staat, je nooit ergens de credits voor krijgt en in alles het nakijken hebt. Een boek dat als een waarschuwing in me is blijven resoneren; dat je leven niet gedicteerd kan worden door de ander. Waarbij ik weet dat het niet meevalt  als je een relatie hebt, want concessies zijn de drijvende kracht van een relatie.

     

    9789025444310-de-onderwaterzwemmer-l-LQ-fDan is het wat moeilijker grip te krijgen op de dingen omdat twee verschillende gedachten, zomaar een gedachte kan worden. Moeilijk, moeilijk, maar het gebeurt. Er zijn mensen die niet met een gezamenlijke gedachte, kunnen leven, niet samen kunnen leven maar het toch doen. Die blijven zich innerlijk verzetten maar gaan wel mee in wat er van ze verwacht wordt. Dat kan tot vervelende dingen leiden. Zoals Tin dus, die door zijn vader in een koude nacht van 1944 werd meegenomen voor een expeditie naar de overkant van de rivier. Met een bundeltje kleren op zijn hoofd die hij – en dat vind ik nogal veel gevraagd van zo’n jongen – droog moet houden terwijl hij naar de overkant van de rivier moet zwemmen. Naakt en het water is ijskoud.

     
    Zijn vader zwemt van hem weg, support hem op geen enkele wijze tijdens die overtocht. Tin van zijn kant, vraagt niets, roept niet om zijn vader, terwijl hij door angst overvallen maar zwemt en zwemt. Wanneer hij aankomt is er geen spoor van zijn vader. Dan verwijt Tin zichzelf dat hij iets niet heeft begrepen. Dat het zijn schuld is dat zijn vader is verdwenen. Zijn verdere leven wordt hierdoor bepaald. Hij wordt een man die bang is voor gedoe. Die angstvallig vermijdt eigenhandig in te grijpen. Doet hij dit voor een keer wel – tijdens een expeditie met zijn vrouw naar de binnenlanden van Afrika – wordt het een ramp.  Het is een, tot op het hilarische af, dramatisch verhaal en deed me bedenken dat je nooit zomaar moet meelopen – zelfs niet met je Lief – omdat je geen alternatief hebt. Verzin, verzin.

     

  • Doordenken en wegwezen

    Doordenken en wegwezen

    P.F. Thomése is – met grote tegenzin, zoals hij frequent laat weten –  een hoog gewaardeerd schrijver van romans en verhalen, waaronder zelfs enkele bewust op vlotte, bijna joviale toon geschreven schelmenromans: J.Kessels, the novel en Het bamischandaal. En na zo’n succes ontvang je geregeld verzoeken van kranten, tijdschriften, radioprogramma’s en jubileum-vierende organisaties om een artikel, een essay of een lezing te schrijven. Als je zwak in je schoenen staat zorg je voor een partner die door de telefoon kan zeggen ‘Nee, dat doet P.F. niet’.
    Maar als je het gevoel hebt dat je best gelegenheidsstukken kan schrijven zonder door de mand te vallen, dan ga je aan de slag. De schoorsteen moet roken, niet? En als je in die stukken blijft betogen dat ze niks voorstellen, dat ze tegen heug en meug geschreven zijn en dat – á propos – de wereld van geen kant deugt, verloochen je jezelf niet.
    En zo schreef P.J. Thomése in de afgelopen zeven jaar ’s avonds en ’s nachts nogal wat af. Die gelegenheidsstukken zijn nu gebundeld onder de titel Verzameld nachtwerk. En dat is denkelijk niet zijn beste tijd om te schrijven. Want geregeld krijg je als lezer, maar ook als recensent, de indruk dat hij bij deze stukken per woord betaald werd, zo veel tekst gebruikt hij om ter zake te komen. En na zo’n lange aanloop volgt dan vaak een wel héél klein gedachtensprongetje.

    Te vroeg geoordeeld?
    Wanneer je als boekbespreker al na het lezen van pakweg 20 pagina’s het hierboven geformuleerde oordeel hebt, doe je het niet goed. Een faire benadering van de schrijver vergt dat de recensent door leest tot de aller- allerlaatste pagina. En eenmaal gewend aan de wat rond het onderwerp draaiende stijl van Thomése valt er toch geregeld iets te genieten in Verzameld nachtwerk.
    Peinzend over de verkoop van zijn ouderlijk huis aan mensen die het kopen vanwege het ‘retro’ karakter van de woning brengt hem de gedachte dat de hedendaags cultuur beheerst wordt door hokjesdenken en dat de hokjes bedacht worden door marketingstrategen.
    Dit idee, de overheersing van ons leven door de alles bepalende commercie komt in veel stukken naar voren. Ook het boekenvak wordt er door beheerst. Was vroeger de schrijver een onbekende, tegenwoordig gaat het primair om de auteur en is zijn boek een afgeleide van zijn persoon. En dat staat haaks op Thomése’s geregeld beleden behoefte onzichtbaar te zijn in en buiten zijn werk. De oneindigheid van internet, de oeverloze en per minuut verouderende informatie die je daar kunt vinden en de mogelijkheid die het iedereen geeft om zichzelf zichtbaar te maken is het volgende mikpunt van Thomése’s cultuurpessimisme.
    Hij schrijft ook over de onmogelijkheid elkaar te verstaan, al spreek je dezelfde taal. Over kunst die alles is en feitelijk ook niets. Tenzij men er iets van kan maken. Maar dan voor eigen verantwoordelijkheid!
    En eigenlijk gaat alles over het voor Thomése vaststaande feit dat zijn lezers nooit kunnen begrijpen waar hij het over heeft, ook al omdat hij er eigenlijk niet is. Of in elk geval niet wíl zijn.
    Als die lezer zich langzamerhand begint af te vragen wat het voor zin heeft verder te lezen in deze bundel, als hij toch nooit zal kunnen begrijpen wat de schrijver wil zeggen (en de schrijver zelf ook niet), komt Thomése ineens met een paar gewoon leesbare en boeiende verhalen en anekdotes.
    Een mooi kort verhaal over een noodzakelijke correctie van zijn te krappe voorhuid dat eindigt met:
    Na een week mochten de hechtingen er uit. Nog nooit hadden zoveel mensen eraan gezeten….hoe noem je die naamloze voorganger die ons voorgaat in de heerlijke dwaling? Nog even, en alles zou weer zijn als nooit tevoren. Het land was vol verpleegstertjes die op me lagen te wachten. De zon scheen. Ik had hem weer terug. Hij was mooi en groot als nooit tevoren. Fier wees hij me de weg. Eindelijk, mensen (meisjes dus), kon ik gaan leven.’

    En even verderop, in het hoofdstuk Openbaringen een mooi kort verhaal over maraboes in het park: ‘Eerst was er één enkele, die als een verwaaid oud mannetje bij het hek kwam staan, starend naar de spelende kinderen en de honden. Je had niet het idee dat hij kon vliegen en dat had hij zelf ook niet. Hij sjokte een paar meter, met de handen op de rug, zo hield hij zijn gevouwen vleugels, en bleef dan weer staan kijken. (….)  Op een dag liepen er twee. Ze sjokten naast elkaar langs de gevels van de grote woonhuizen rondom het park, als twee uitgeprate heertjes rondgaand op het oude vertrouwde ommetje.’ Het zijn dit soort teksten die bewijzen dat je met woorden beelden kan scheppen in andermans brein, hoezeer Thomése daar zelf ook aan twijfelt.

    Het blijkt ook in een ander fraai verhaal, over een schrijver die – na bekend gemaakt te hebben dat hij aan een terminale ziekte lijdt – plotseling veel aandacht krijgt van ‘de media’. Maar ook van een Belgische fan met wie hij een telefonische verhouding begint: ‘Ze had zo’n hese fluisterstem als omroepsters en nieuwslezeressen van de Vlaamse tv, dit heerlijke spreken was als zuchten en strelen, het kwam nabij als een meisjeshand op je huid.’

    Te grazen genomen?
    Maar dit zijn de krenten in de pap.
    Al lezend in het verder nogal dorre en omslachtige proza kan het zijn dat de lezer ineens bedenkt: die P.F. Thomése zet mij hier – naar zijn gewoonte – op het verkeerde been. Hij laat mij ernstige pogingen doen om zijn gewichtige en tegelijk wazige proza te vertalen naar iets wat ik begrijpen kan. Hij presenteert zich als diepdenker. Maar eigenlijk houdt hij me voor de gek.
    Die lezer kan gelijk hebben. Heeft vermoedelijk gelijk.
    Maar in deze recensie kan die stelling niet verkondigd worden. Dat zou zonde zijn.
    Want volgens P.F. Thomése hebben recensenten altijd ongelijk: ‘Ze weten dat ze fout zitten, maar kunnen niet meer terug. Ze zijn het levende bewijs dat je van lezen niet per se wijzer wordt. Ach, heb medelijden met hen, zij weten niet wat zij doen.’
    Waarvan akte!

     

     

  • Hagar Peeters wint Fintro Literatuurprijs 2016

    Hagar Peeters wint Fintro Literatuurprijs 2016

    De grootste literaire prijs in België werd gewonnen door dichter Hagar Peeters. Ze won met haar debuutroman Malva de Fintro Literatuurprijs. De lezersjury koos auteur P.F. Thomése met zijn boek De onderwaterzwemmer, een roman over een jongen die in de laatste jaren van de oorlog zijn vader kwijtraakt. De prijs werd in 1995 als Gouden Uil ingesteld en is nog nooit door een vrouw gewonnen. Ook voor het eerst was er geen Belgische schrijver genomineerd voor de prijs. Lacherig werd wel gezegd dat hiermee revanche werd genomen op de EK, waar Nederland niet voor gekwalificeerd is maar België wel. Aan de prijs is een bedrag van 25.000 euro en een sculptuur verbonden.

    In een recensie op deze site van Malva, ‘Wat een fantastisch boe,  een geweldig onderwerp, beschreven vanuit een zeer verrassend perspectief in puur poëtische taal. Het boek van het jaar!’

    Malva gaat over de gehandicapte dochter van een Nederlandse vrouw en de beroemde Chileense dichter Pablo Neruda (1904-1973). Hij verbant het kind uit zijn leven. Het meisje had een waterhoofd en overleed op achtjarige leeftijd. Ze werd begraven in Den Haag. Peeters voert haar op als alleswetend personage waardoor ze slim en ironisch overkomt. Alles om te voorkomen dat ze als een meelijwekkend meisje te boek zou staan. “Het verzwegen kind kan ineens alles vertellen,” liet ze vorig jaar in een interview met Arjan Peters weten.

    Peeters’ reactie op de prijs: ‘Soms weet je niet of je nu een schrijver bent of niet. Tijdens het schrijven vroeg ik me dat vaak af. Op dit moment voel ik me meer schrijver dan ik me ooit gevoeld heb.’

    Andere genomineerden dit jaar waren Stephan Enter met Compassie, Connie Palmen met Jij zegt het, Inge Schilperoord met Muidhond en P.F. Thomése met De onderwaterzwemmer.

    Vorig jaar ging de prijs naar Mark Schaevers voor zijn boek Orgelman en koos de lezersjury De consequenties van Niña Weijers tot beste boek.

     

  • Een leven lang verstoppertje spelen

    Een leven lang verstoppertje spelen

    Cuba, 2004. Tin van Heel ligt in een soort middeleeuws martelwerktuig en bereidt zich voor op de dood. Een gebroken ruggengraat maakt dat hij geen kant op kan en er rest hem weinig meer dan zijn leven te overdenken. Hoe heeft hij hier terecht kunnen komen, in dit armeluisziekenhuis in de verzengende hitte, zonder familie die hem komt opzoeken? Automatisch gaan zijn gedachten terug naar de gebeurtenis die zijn leven in grote mate bepaald heeft: het oversteken van de rivier naar bevrijd gebied, in 1944.

    Zijn vader had hem goed voorbereid op de zwemtocht en hem verzekerd dat alles volgens plan zou verlopen. Maar waar bleef hij toch? Een dag en een nacht blijft Tin aan de oever wachten, tot hij zich neerlegt bij het feit dat zijn vader simpelweg ergens moest zijn waar hij níet was. Tegelijkertijd is hij bang dat zijn moeder daar geen genoegen mee neemt en hem het verlies van zijn vader altijd kwalijk zal blijven nemen. Was het zijn schuld? En was het aan hem te wijten dat het met die reis naar donker Afrika, dat hij in 1974 met zijn vrouw Vic bezocht, zo verschrikkelijk mis was gegaan? Hij was liever thuisgebleven, maar liet zich meeslepen door het naïeve idealisme van Vic. Het was Vic die zo nodig het Foster Parents-kind moest bezoeken, wiens leven – als ze de brieven geloven mochten – een heel andere wending had genomen dankzij de donaties van haar school. Tin liet zich overtuigen door de Fransman Jean-Luc, die hen als moderne koloniaal wel veilig door de binnenlanden zou voeren. Was hij maar standvastiger geweest, had hij zich maar meer verzet tegen de onrealistische ideeën van de mensen om hem heen. Hij had zelf moeten blijven nadenken.

    Maar was hij het wel waard om aan zichzelf te denken? Mocht zijn leven wel in het teken staan van iets anders dan ‘rechtzetten’? In De onderwaterzwemmer focust Thomése volledig op de belevingswereld van Tin. We lezen mee met de angst en het ongeloof van een jonge jongen in 1944, de ingehouden woede en onmacht van een verbitterde man in 1974 en tot slot met de twijfels van een grijsaard in 2004: waarom duurt zijn leven maar voort?

    ‘Daarom begrijpt hij zijn toestand niet. Hij was toch al dood? Twee keer zelfs. Hem kon niets meer gebeuren, had hij gedacht. Hij had zijn obolen voor de overtocht al lang en breed betaald. (…) Waarom ligt hij hier dan nodeloos te lijden?’ 

    Leven, maar eigenlijk alleen bestaan. Die wisselwerking tussen verschijnen en verdwijnen, zijn en niet (meer) zijn – dat is een van de belangrijkste bouwstenen van deze roman. En wellicht zelfs van zijn hele oeuvre: thematisch gezien komt Schaduwkind (2003), over het verlies van zijn dochter, hier nog het dichtste bij in de buurt. Maar ondanks de sombere thematiek (de alles overkoepelende schuldvraag) heeft Thomése in De onderwaterzwemmer een lichte en humoristische toon te pakken. Met name in het tweede deel maken we kennis met een nogal onsympathieke figuur, die ontevreden is en het nodig vindt werkelijk overal tegenaan te schoppen. Om een indruk te geven:

    ‘Het begint er al mee dat hun bagage niet is aangekomen.’

    ‘Dan hadden ze nu in hun gewone kleren kunnen zitten in plaats van in deze ridicule woestijnroverskostumering.’

    Hoe ernstig hij ook probeert niet racistisch te zijn en de inwoners met respect te behandelen, het blijkt sterker dan hemzelf. Afrika (‘die negers’) en hij (‘een witmens’) – die laten zich niet combineren.

    Je begint je steeds meer af te vragen waarom je ook alweer meeleeft met zo’n politiek incorrecte bangerik, maar dan is daar het antwoord: dat lyrische taalgebruik, de onwaarschijnlijke plotwendingen die de vaart erin houden en toch ook wel het medelijden met die jongen die zijn vader nooit meer terugvond – dáárom wil je verder lezen. En omdat je ook wel begrijpt dat het niet makkelijk moet zijn je in een stoffig, heet land verstaanbaar te maken in een taal die je slecht beheerst. Heel bewust laat Thomése sommige Franse zinnen onvertaald, daarmee de lezer die het Frans niet machtig is in net zo’n ontreddering achterlatend als Tin.

    Soms lijken het eindeloos trage gepeins van Tin en de absurde verhaallijn bijna onverenigbaar: je hebt het gevoel dat er iets niet in de haak is. Maar of je nu wil of niet, je herkent er een deel van jezelf in Tin. Dat weifelende, dat schuldgevoel, dat bittere stemmetje: misschien zijn het niet de beste karaktereigenschappen, maar het maakt je menselijk. En wanneer zo’n echt personage zich bevindt in een landschap van prachtige neologismen, poëtische zinsneden en doordachte motieven – dan vergeef je hem veel. Het schijnbaar gemankeerde leven van Tin blijkt toch zin gehad te hebben. Hij is gezien, hij is niet onopgemerkt gebleven – hoe onzichtbaar hij zich soms ook voelde.

    En langzamerhand neemt de onderwaterzwemmer een andere gedaante aan: waar die eerst voornamelijk een schuldgevoel leek te zijn dat in alle wateren huist, verandert hij naar het einde toe in een verlossing die, tegen de verwachtingen in, toch nog komt. Wat begon met water, een dramatische wending nam door een gebrek aan water, eindigt ook weer in een vliegtuig boven het water. De onderwaterzwemmer is te mooi om ongelezen te blijven en onderstreept wat een verrassende schrijver P.F. Thomése is.

     

     

  • Recensie door: Marleen Ferket

    Recensie door: Marleen Ferket

    Eind 2010 gaat een speciale delegatie bestaande uit de schrijvers Jan Siebelink, Rosita Steenbeek, P.F. Thomése en de priester Antoine Bodar naar de Palestijnse gebieden. Ze zijn uitgenodigd door UCP (United Civilians for Peace), een pro Palestijnse humanitaire organisatie, met als doel zich onder deskundige leiding op de hoogte te stellen van de situatie daar. Een filmploeg van de NCRV gaat met hun mee.

    Thomése staat oorspronkelijk erg sceptisch tegenover het hele gebeuren in het ‘Heilig Land’; de gebruiken, rituelen en gebeden. Zoals hij zelf zegt: ‘Voor welk karretje worden wij gespannen? Wiens of wier ezeltje zullen wij zijn ?’ Desondanks wordt hij gegrepen door de toestand in de bezette gebieden. Begin dit jaar schrijft hij Grillroom Jeruzalem, zijn eerste non-fictie boek of zoals hij zelf zegt, een reisverhaal. Het wordt een verslag van zijn belevenissen.

    Ze bezoeken Bethlehem, Hebron en Ramallah, Jeruzalem en de Gazastrook. De Palestijnse gebieden worden afgescheiden door een negen meter hoge muur. Hebron, een joodse nederzetting in Palestijns gebied, telt voor elke kolonist vier militairen. Om veiligheidsredenen zijn joods en Palestijns verkeer van elkaar gescheiden met als gevolg dat het gezelschap over over lege wegen rijdt. Het lijkt wel oorlog, wegversperringen, dichtgetimmerde huizen, veel Israëlische militairen en paspoortcontroles. Thomése maakt meerdere keren een vergelijking met de Tweede Wereldoorlog. Het vluchtelingenkamp is net een getto met wachttorens eromheen. De veiligheidsmaatregelen om de Gazastrook binnen te gaan zijn veel geavanceerder dan op een modern vliegveld. Thomése en zijn reisgenoten worden er bang van, raken zelfs in paniek. Ze lijken opgesloten te zitten in een sluis in een enorm groot gebouw. Vroeger was Gazastad een mondaine badplaats, nu is de Gazastrook hermetisch afgesloten. De mensen zitten als ratten in een val. Er is veel armoede, moord, zelfmoord, en haat jegens toeristen en de VN.

    Thomése schrijft heel beeldend; je ziet de situaties voor je. In de Gazastrook bezoeken ze een meisjesschool. Het is de bedoeling dat er een dialoog ontstaat tussen de leden van de delegatie en de meisjes. Dit gaat erg moeizaam, stuntelig van de zijde van de schrijvers. Dan maar vertellen over hun werk. Thomése vertelt over Schaduwkind. Maar hoe leg je dat hier uit? ‘Alles wat je probeert te zeggen wordt vals. Ook Sieb(elink)en Rosita stuntelen door hun bio-en bibliografie, struikelen over een trefwoord en gaan met verontschuldigende gebaren en glimlachjes languit. Heel beleefd, heel voorkomend gaan we op onze bek. De slapstick van het wederzijdse onbegrip. ….’  Als één van de meisjes vraagt of ze haar niet mee kunnen nemen omdat ze zo graag Parijs wil zien, wordt de situatie pijnlijk. …Niets kunnen ze haar geven.

    Thomése beschrijft helder en duidelijk de situatie in Israël en de bezette gebieden. Het uitzichtloze van de situatie omdat er geen oplossing mogelijk is. ‘Deze hele Israëlisch-Palestijnse ‘kwestie’ is onverdraaglijk als je erover begint na te denken. Onverdraaglijk vanwege de onoplosbaarheid. Stap je naar links, dan trap je op de ene partij, doe je -pardon- gauw een stapje naar rechts, dan heb je de ander partij alweer per ongeluk onder je voet.’

    Soms is hij cynisch, vooral als de bijbel of het geloof ter sprake komt. … ‘Ook bij onze eigen groep bespeur ik enige exaltatie vanwege de gezalfde plek, de plek, zeg ik er voor de ongelovigen even bij, waar de zoon van God door zijn Moeder gelijk een dier tussen de dieren, schepsel te midden der schepselen, als mens in de eerste kerstnacht op het stro geworpen werd. …’

    In het boek staan ook veel humoristische stukken. De beschrijving van de ontmoeting tussen de delegatie en geestelijke leiders in een hip restaurant in Bethlehem is hiervan een mooi voorbeeld.

    Ik heb het boek met plezier en aandacht gelezen. Hoewel het probleem bekend is, is mij door het lezen van Grillroom Jeruzalem meer duidelijk geworden over de situatie in de Palestijnse gebieden en de joodse nederzettingen. In een later interview zegt Thomése: ‘Net als iedereen in weldenkend Nederland was ik van mening dat Israël te ver gaat met het mishandelen van Palestijnen. Daarover ben ik wel genuanceerder gaan denken. Niet over het mishandelen, maar wel over de Palestijnen. Ik zou die over fanatieke kerels in Gaza ook liever niet tegenkomen. ….’

     

    Grillroom Jeruzalem 

    Auteur: P.F.Thomése
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Aantal pagina’s: 142
    Prijs: € 10,- als e-boek: € 7,75

     

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Welgedaan in de verbeelding, afgedaan in de werkelijkheid

    Op de achterflap van de zesde roman van Thomése staat het heel simpel: ‘Man redt meisje van de dood en besluit haar voor zichzelf te houden. Een liefdesroman.’ Ja ja, maar wie de roman besluit te lezen zal spoedig merken: de enige die werkelijk gelooft dat dit een liefdesroman is, is de hoofdpersoon zelf. De verteller ziet deze hoofdpersoon namelijk heel anders dan hoe hij zichzelf ziet. En helaas voor de hoofdpersoon is hij in een boek beland waarin de verteller nog de macht heeft over zijn personages. De eerste regels zetten wat dat betreft al meteen de toon: ‘De man over wie dit boek gaat is na lange omzwervingen teruggekeerd in de provinciehoofdstad H***. Hij wil opnieuw beginnen, maar dat gaat niet meer. Als een vreemde doolt hij door de straten, de miskende zoon van hier, en de straten kijken niet terug. De tijd is er stil blijven staan, maar duidelijk niet om op hem te wachten.’ De man in kwestie blijkt een componist te zijn, ene Sierk Wolffensberger ‘want zo heeft hij zich genoemd.’ ‘Theo Kiers heette hij vroeger, voordat hij zich om artistieke redenen Sierk Wolffensberger is gaan noemen, wat toch heel wat beter klinkt. Sommigen worden onder hun ware naam geboren, anderen moeten hem eerst zelf zien te vinden.’ Met deze man, ‘onze allerlaatste romanticus’ zal de lezer het de rest van het boek moeten uithouden, want behoudens enkele uitweidingen die de alwetende verteller zich permitteert, beleeft de lezer het verhaal hoofdzakelijk door de ogen van dit miskende genie. ‘Niets is de mens en niets zal uit hem worden. Alleen onze held zelf ontkomt, dunkt hem. (…) Op een dag zal zijn ware gedaante aan de mensheid onthuld gaan worden. Dat weet hij. Daar gelooft hij in.’ Mooi is hoe het perspectief van de verteller haast ongemerkt in een enkele zin overgaat in dat van de hoofdpersoon, waardoor er een fijne ironische distantie in het verhaal ontstaat, dat zich vlot laat weg lezen. En dat zich in grote lijnen ? zoveel zijlijnen zitten er overigens niet in ? als volgt laat schetsen: Sierk Wolffensberger, een in de werkelijkheid sterk gefrustreerde en gemankeerde componist van vijftig die het des temeer van zijn verbeelding moet hebben, heeft speciaal voor Goede Vrijdag, een meerstemmig muziekstuk Duisternissen gecomponeerd. Op de dag voorafgaand aan de uitvoering stuit hij in de kerk waar hij zijn repetities houdt, bij toeval op het lichaam van een meisje van twintig dat daar voor dood ligt na een mislukte zelfmoordpoging. Ze blijkt echter nog in leven, en Beertje Wehry te heten. Dochter van een andere componist, jegens wie Sierk Wolffensberger redenen heeft afgunstig te zijn, al was het maar omdat deze meer erkenning geniet dan hijzelf. Sierk ontfermt zich maar al te graag over haar, omdat hij in haar een nieuwe kans, een nieuwe doorstart van zijn leven ziet. Hij eigent zich het meisje toe als zijn eigen creatie. Zij reageert er wat onwennig op, laat het zich allemaal wat aanleunen. Duidelijk is dat Sierk hoog inzet, en zich van alles in zijn kop haalt. Hij maakt zich van alles wijs, omdat hij meent dat zijn verbeelding het vetorecht heeft over de werkelijkheid. Hij gaat weliswaar met haar naar het ziekenhuis, maar meldt niet aan haar ouders of bekenden dat ze terecht is. Ergens halverwege het verhaal (dat uit drie, qua omvang, ongelijke delen bestaat), komen enige tegenstemmen aan bod: zoals de moeder van Beertje, haar vader en de vrouw van Sierk. De lezer komt via deze perspectieven aan de weet hoe de vork in de steel zit. Geen overbodige luxe in een verhaal dat de lezer bijna exclusief krijgt voorgeschoteld door de blik van iemand die sterk bezijden de werkelijkheid leeft. Beertje blijkt inmiddels als vermist opgegeven. Ze repeteerde nota bene bij Sierk in het koor (zonder dat Sierk haar daarvan in eerste instantie herkende overigens) Ze blijkt kortstondig iets met Sierks zoon gehad te hebben. Haar zelfmoordpoging valt dan ook te relateren aan de afgewezen liefde van diens zoon. Maar dat beeld kan vader Sierk niet verdragen. Zijn zoon is immers een talentloze, door puberhormonen geleefde nietsnut. Hij kan en wil de dingen niet anders zien dan hoe zijn verbeelding ze schept. Hij meent dat ‘zijn’ Beertje juist graag door hem gevonden en gered wilde worden. En zoals het een door zijn fantasie gegijzelde man betaamt, sluit hij zich steeds verder af van de realiteit. Tot er geen terugweg meer mogelijk is en hij schaakmat komt te staan. Het is een ongeschreven wet om in een recensie de afloop niet te verklappen, en ik ben ook niet van zins die wet met voeten te treden. Wel wil ik graag kwijt dat de allerlaatste romanticus zal ondervinden dat de relatie tussen zijn fantasie en de boze buitenwereld geen wederkerige is.

    De stijl in deze roman houdt de vaart erin, maar het verhaal zelf kruipt als een slak door het boek. Want in de 349 pagina’s die het telt, verglijden slechts twee dagen. En aan echte flashbacks wordt niet gedaan (dat komt de vlotte, recht-toe-recht-aan stijl van dit boek overigens zeer ten goede). Dat dit boek ondanks het magere verhaal zich toch als een pageturner kan gedragen, is geheel toe te schrijven aan de stijl van Thomése. Die is gewoon goed getroffen. Je blijft als lezer geboeid naar…ja, naar wat? Of Beertje zich toch aan hem zal geven? Hoe het afloopt? Tja, misschien uiteindelijk toch wel. En dankzij de ironie valt er onderweg het nodige te lachen. Wat bijvoorbeeld te denken van de passage die volgt op de vraag van de zojuist ‘geredde’ Beertje naar wie haar redder eigenlijk is? ‘Ik ben je redder, meisje, ik ben degene die je opvangt wanneer je valt. Ik ben degene die je troost als je het zelf niet meer weet. Ik ben het die je opraapt en weer op weg helpt, naast je loopt en je zorgen voor je draagt. Ik ben de man op de rand van het bed als het licht uitgaat. Ja, zulke dingen wil hij zeggen (…) maar dat gaat nu eenmaal niet (…) “Ja, we zullen ons maar even aan elkaar voorstellen, niet?” Meteen noemt hij zijn naam. Ze knikt, wat hem het gevoel geeft dat ‘Sierk Wolffensberger’ ook onder de jeugd een begrip is. “Zeg maar jij tegen me”, zegt hij erachteraan.’
    Mooie one-liners tref je ook aan: ‘In principe is hij een man die de waarheid dient, in de leugen blijft hij een beunhaas die er niets te zoeken heeft.’ Een boek dat het voornamelijk van zijn stijl moet hebben, verdient het ruimhartig geciteerd te worden. Daarom volgen hier wat langere passages. Aangekomen in een chique wijk van H*** , lezen we: ‘De eigenaren, of pachters of wat hun status ook moge zijn, zijn een familie die De Graaf of De Greef heet of zo ? een onaanzienlijke naam in elk geval die geheel niet voldoet aan de omgeving. Het zijn luidruchtige vertegenwoordigers van de ‘nieuwe elite’, zelfbedachte barbaren met grote glimmende auto’s, die van de toekomst houden omdat die net zo leeg is als zijzelf. Mensen die hij niet begrijpt ? liever niet! ? en die hem niet begrijpen. Hoe zouden ze? Muziek is een taal die zij niet spreken. Gelukkig zijn ze meer dan de helft van het jaar ‘voor zaken in het buitenland’. Verder heeft hij met deze mensen god zij geloofd niks te maken.’

    De boeken van Thomése zijn van lieverlee garant gaan staan voor een vette lach. Maar wat dat aangaat is dit boek subtieler dan zijn voorganger J. Kessel: The Novel. De romantische held is bijvoorbeeld allerminst een schuinsmarcheerder die op zoek is naar zijn Lolitameisje. Sierk is niet geslepen, noch is hij aandoenlijk vanwege zijn praktische onhandigheid. Op echt medeleven heb ik mij niet kunnen betrappen ? daarvoor staat de eigendunk van de hoofdpersoon te veel in de weg, al krijg je in de volgende passage wel met hem te doen. Als hij zich prepareert voor hun eerste nacht samen en Beertje intussen onder de douche staat, lezen we: ‘Hij ruikt zijn eigen zweet, hij voelt het plakken in spleten en plooien. Altijd weer die walging om het eigene, constateert hij. Komt hij daar dan nooit vanaf? Dat overbewustzijn van eigen imperfectie dat hem op het gevraagde moment verhindert zich te geven. Zijn leven lang zit hij al gevangen in zijn eigen onvoltooidheid, met uitzicht op een heden dat onbereikbaar voor hem blijft. Hij hoopt dat zij een oplossing voor hem heeft, betoverend uit de damp oprijst en alles vanzelfsprekend maakt. Nu hij te ver is gegaan, hoopt hij met heel zijn hart dat hij gered gaat worden, dat zij de waargebeurde droom is waarin zijn leven eindelijk werkelijk plaats kan vinden. Hoe dat in zijn werk zal gaan: geen idee. Moet hij zich alvast gaan uitkleden bijvoorbeeld? Alles plakt en knelt en zit hem in de weg. Hij liefst zou hij niet alleen zijn kleren uittrekken, maar ook zijn huid, het liefst zou hij, licht als zijn ziel, uit dat kleine, zware lichaam stappen. Om een begin te maken ontdoet hij zich alvast van zijn jas en knoopt hij zijn schoenen los. Ruikt de bedompte lucht die eruit opstijgt.
    Roept ze hem? Hij verstond het niet. “Riep je?” vraagt hij. Ze hoort hem niet in het klaterende watergeraas. Daarom staat hij op en loopt naar de douchecel. “Riep je me?” Ze draait de kranen dicht. “Handdoek” zegt ze, alsof het een ritueel betreft dat ze al jaren samen opvoeren, de komedie van intimiteiten die elk huwelijk is. Maar zij kennen elkaar pas een dag. Of ligt het aan hem? Wordt dit een armzalige huwelijksimitatie, enkel en alleen omdat hij niet anders kent?
    Als hij de grote ruwe badhanddoek galant voor haar wil openspreiden, plukt ze hem uit zijn handen. En voordat hij ook maar iets van haar naaktheid heeft kunnen ervaren, klapt ze de beslagen schuifdeur weer dicht. “En ook nog graag een kleine voor mijn haren.”
    Als hij klaar is met douchen, ligt zij al onder het dekbed. Ze slaapt. Of ze doet alsof ze slaapt. Nu durft hij wel, nu durft hij wel bij haar te gaan liggen, tegen haar aan te liggen wanneer het bed niet breed genoeg blijkt te zijn. Ze mag alleen zijn opwinding niet opmerken, houdt hij zich voor. Hij is haar redder, niet haar belager. Hij is geen chauffeur, geen Poolse proleet die ter plekke toeslaat. Daar is hij veel te gevoelig voor. Een laatste overlevende uit de Romantische School, zo ziet hij zich graag. Een man van vormen, van verschijningsvormen om precies te zijn. Een transcendente persoonlijkheid die pas zichtbaar wordt wanneer hij de banale werkelijkheid heeft overstegen.’

    Als Beertje eerder op de avond een tijdje alleen is gelaten, omdat Sierk acte de présence moest geven bij de repetitie van zijn eigen stuk in H***, heeft ze blijkbaar sigaretten gebietst. Hij leest een Pools merk op het pakje sigaretten. Het fijne ervan krijgt hij niet te weten. Beertje is niet zo’n prater. ‘Hij denkt aan het pakje Opal, hij kijkt weer naar haar billen. Er bekruipt hem een raar verdriet om de onbereikbaarheid van alles. Wat heeft hij al die jaren gedáán in zijn leven? Vastgezeten in een droom, een luchtbel die boven de dingen zweefde. En nu weet hij niet meer hoe hij erin moet komen, hoe hij het geluk moet grijpen. In plaats daarvan gaapt er in hem een gemis. Wat hij mist, is zichzelf, hij is zelf de grote afwezige in deze situatie. De enigen die handelend optreden, zijn Poolse vrachtwagenchauffeurs die gotweetwat hebben uitgehaald met Beertje. Kusje voor een sigaret, effe voelen, isse goed? Beertje, denkt hij, verdomme Beertje, wat is er gebeurd?’
    Zo ontvouwt zich de roman: alles meebelevend door de ogen van de hoofdpersoon.

    Zo’n dertig pagina’s voor het einde treedt de alwetende verteller, die het verhaal slechts op de eerste pagina’s op gang hielp (en soms even in een tussenzinnetje liet weten dat hij er was: ‘Raar dat binnen een dag zoveel kan veranderen, maar dat denkt hij niet’), opeens weer uit de coulissen. Als Sierk Wolffensberger slaapt, grijpt de verteller namelijk zijn kans om even het woord tot de lezer te richten. Op een subtiele manier, die knipoogt naar wat Thomas Mann met Hans Castrop in Der Zauberberg deed. ‘Nu hij slaapt, kunnen we het even over hem hebben. Als we de balans opmaken, zouden we zo langzamerhand mededogen met hem dienen te voelen, al kunnen we hem eerlijk gezegd moeilijk volgen. (…) Ach het is een dunne scheidslijn tussen meelijwekkend en lachwekkend. Laat hem nog maar even slapen, de arme ziel. Hij heeft het nodig.’

    Welke vorm van kritiek zou gepast zijn op dit boek? Terugbladerend in mijn exemplaar zie ik de meeste potloodstreepjes die ik bij mooie, treffende passages pleeg te zetten, voornamelijk in het eerste deel geplaatst. Dat kan erop wijzen, dat je als lezer wat verzadigd begint te raken van die redeneertrant van onze allerlaatste romanticus. Het verhaaltje is te mager om op iedere pagina een nieuwe gedachte bij hem tevoorschijn te toveren. Vandaar dat de lezer nog wel eens op een herhaling van zetten wordt getrakteerd. Weliswaar onvermijdelijk voor een personage dat in zijn eigen belevingswereld rondtolt, maar de lezer loopt de kans het op gegeven moment wel te gaan geloven. Wat dat betreft is het goed dat het boek nog een ontknoping kent waar je U tegen zegt. Eentje die verantwoord is. En die hard aankomt. Maar wel recht doet aan het hele boek. Dus toch een mooi boek? Jazeker, een heel mooi boek! Want het is geen geringe prestatie van Thomése om een stem zo overtuigend een boek lang vol te houden. Daarvoor moet je een groot stilist zijn.

    De weldoener

    Auteur: P.F. Thomése
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Prijs: € 19,90