• Martinus Nijfhoff Vertaalprijs 2022 voor Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden

    Martinus Nijfhoff Vertaalprijs 2022 voor Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden

    Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden hebben de Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2022 toegekend gekregen voor hun vertaaloeuvre uit het Turks. De jury prijst in het juryrapport hun uitmuntende duovertalingen en ambassadeurschap: ‘Dorleijn en Van der Heijden ontsluiten een hoogstaande literaire cultuur. Hun Nederlands is lenig, vindingrijk en fraai.’
    De uitreiking van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs vindt plaats op 15 september om 17.00 uur in de Vondelkerk met een open programma voor alle geïnteresseerden. Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk zal bij de uitreiking aanwezig zijn.

    De jury van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2022 bestaat uit Henk Pröpper (voorzitter), Henri Bloemen, Eric Metz, Jan Willem Bos, Stella Linn, Marjolein van Tooren (†2022) en Marjoleine de Vos. Het Prins Bernhard Cultuurfonds kent sinds 1955 de Martinus Nijhoff Vertaalprijs jaarlijks toe voor vertalers in het Nederlands, en eens in de vijf jaar uit het Nederlands.

    Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden hebben als duo-vertalers een imposant oeuvre opgebouwd. Ze vertaalden werk van o.a. Halid Ziya Uşaklıgil, Oğuz Atay en Elif Shafak, maar ze introduceerden bovenal de boeken van Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk in Nederland, zoals SneeuwIk heet Karmozijn, Dat vreemde in mijn hoofd en De nachten van de pest. 

    Zij ontvingen voor hun literaire vertaalwerk in 2008 samen al de Vertaalprijs van het Fonds voor de Letteren.

  • Legenden en leven

    Legenden en leven

    Nobelprijswinnaar Pamuk heeft met De vrouw met het rode haar een prachtige roman geschreven die bol staat van de symboliek. Die ontleent hij aan een Oosterse en een Westerse mythe over de verhouding tussen vader en zoon. In het Iraanse epos Het Boek der Koningen doodt Rostam na een lange strijd zijn zoon Sohrab; door hun vechtkleding herkennen ze elkaar niet. In de Oedipus mythe doodt Oedipus zijn vader en huwt zijn moeder, zonder dat te beseffen. Beide legenden vlecht Pamuk mooi door elkaar tot een samenhangend verhaal.

    Het boek bestaat uit drie delen: het eerste deel gaat over de 16-jarige Cem; het tweede deel gaat over zijn volwassen leven – hij is dan 45 jaar -, zijn huwelijk met de mooie Ayse en zijn succesvolle bouwonderneming; het derde deel bevat een terugblik van de vrouw met het rode haar op haar leven, haar echtgenoten en haar enige zoon Enver.
    Het verhaal begint met Cem als jongen, wiens vader in de gevangenis zit wegens politieke subversieve activiteiten. Na zijn vrijlating uit de gevangenis keert hij niet naar huis terug; Cem zal hem gaan missen.

    Om geld te verdienen voor zijn opleiding aan de universiteit werkt Cem in een boekhandel, waar hij de Oedipus legende leert kennen. Maar wanneer hij meer kan verdienen met het helpen van een oudere puttengraver die naar water zoekt, doet hij dat. Er ontstaat een hechte band tussen Cem en Mahmut, de puttengraver – als ware hij zijn vader. Mahmut vertelt Cem vele mooie verhalen en noemt hem ook ‘mijn zoon’. Zo vertelt hij Cem het verhaal uit de Bijbel van Jozef en zijn jaloerse broers, die hem in een put gooien.

    In het dorp waar zij naar water graven – maar dat niet vinden – arriveert op zeker moment het reizend toneelgezelschap ‘Theater van de kwalijke verhalen met een moraal’. Het gezelschap speelt onder meer delen uit de Oedipus.

    Het toneelstuk en een actrice zullen het leven van Cem vergaand beïnvloeden. Die actrice is een mooie vrouw met rood haar, 33 jaar oud; hij kan de verleiding niet weerstaan en wil haar iedere avond zien. Zij is geïntrigeerd door zijn verschijning, hij lijkt op iemand uit haar verleden, en ze neemt hem uiteindelijk mee naar haar woning. ‘ “Je hoeft nergens bang voor te zijn”, zei ze met een glimlach. Je ziet het, ik had je moeder kunnen zijn”.’

    Wanneer Mahmut en Cem geen water kunnen vinden -ze zitten inmiddels op 25 meter diep- en Cem per ongeluk een emmer naar beneden laat vallen op het hoofd van de puttengraver, denkt hij dat hij hem heeft gedood. Hij vlucht naar huis en zegt niemand wat er is gebeurd.

    In het volgende deel runt Cem samen met zijn vrouw een bedrijf dat huizen bouwt in de uitbreidingsgebieden van Istanbul. Op zeker moment komt hij terug op de plek waar hij Mahmut in de put heeft achtergelaten: hij heeft het terrein gekocht om te bebouwen. Er ontstaan allerlei ontwikkelingen met Cem en zijn vrouw, en met de zoon van de vrouw met het rode haar.

    In het laatste deel vertelt de vrouw met het rode haar over haar leven en liefdes, en over haar zoon. Dan vallen alle stukjes op hun plaats. Het is zonde daar meer over te zeggen, maar Pamuk weet de roman op gloedvolle wijze af te ronden!

    In verschillende opzichten werkt Pamuk de vader-zoon relatie ingenieus uit. Het knappe is dat hij de twee mythen over de relatie tussen vader en zoon op bijna achteloze wijze weet te verknopen met het leven van Cem in het moderne Istanbul, traditioneel de stad waar Oost en West elkaar ontmoeten.

    Pamuk schetst treffend de psychologische betekenis van de vader-zoon relatie en heeft met De vrouw met het rode haar weer een mooie roman aan zijn oeuvre toegevoegd.

     

  • Oogst week 39

    De vrouw met het rode haar

    De verteller in De vrouw met het rode haar, de nieuwe roman van Orhan Pamuk, had eigenlijk schrijver willen worden. Dat hij ingenieur in de aardwetenschappen en aannemer (zeg maar: projectontwikkelaar) werd, heeft alles te maken met de geschiedenis die hij de lezer voorschotelt. Een geschiedenis waarin voor hem de rol van hulpje van een puttengraver is weggelegd. Samen zoeken ze naar water. Verhalen vertellen is tijdens die exercitie hét tijdverdrijf.

    Verhalen zijn voor Orhan Pamuk de toegangsweg naar een veronachtzaamd verleden en wezenlijk voor het bewust zijn van identiteit. Over zijn nieuwe roman zegt Pamuk zelf dat het ‘een onderzoek naar de achtergronden van autoritair gedrag in Azië en individualisme in Europa via het verhaal van koning Oedipus van Sophocles uit Griekenland en het Boek der Koningen van Ferdowsi uit Iran’ is. Als altijd is het verhaal in deze nieuwe Pamuk gelaagd en complex, maar zijn zinnen zijn korter dan voorheen.

    De vrouw met het rode haar uit de titel maakt deel uit van een theatergezelschap dat in de buurt van de puttengraver en zijn knecht neerstrijkt. Het schijnt dat zij niet alleen hun  dagelijkse routine verstoort, maar ook het leven van de verteller ingrijpend beïnvloedt.

     

     

    De vrouw met het rode haar
    Auteur: Orhan Pamuk
    Uitgeverij: Bezige Bij

    Waar ik jou word

    Antjie Krog is één van de bekendste Zuid-Afrikaanse dichters en kan in Nederland rekenen op een trouwe lezersschare. Voor hen is Waar ik jou word niet bedoeld. Zij zullen de 25 gedichten in de bundel  waarschijnlijk al wel kennen. In Waar ik jou word – niet te verwarren met de gelijknamige cyclus die Antjie Krog voor Gedichtendag 2009 schreef – heeft haar uitgever ‘de 25 gedichten van Antjie Krog die iedereen gelezen moet hebben’ gebundeld om nieuw publiek aan te boren. En om de dichteres te eren. Een kleine tweetalige bloemlezing voor haar verjaardag – volgende maand wordt Antjie Krog 65 – in de wetenschap dat de meeste bundels nog gewoon leverbaar zijn.

    Waar ik jou word
    Auteur: Antjie Krog
    Uitgeverij: Podium

    Van bacterie naar Bach en terug

    Daniel C. Dennett maakte indruk op Nederland toen hij in 1993 te zien was in Een schitterend ongeluk, de serie van de VPRO waarin Wim Kayzer zes gerenommeerde wetenschappers ontmoette en uitgebreid in de gelegenheid stelde hun specifieke deskundigheid voor het voetlicht te brengen. Dennett verklaarde het bewustzijn, en dat is hij sindsdien blijven doen.

    In Van bacterie naar Bach en terug: de zoektocht naar bewustzijn borduurt Dennett voort op vragen over de vrije wil en het bewustzijn die hij ook in eerder werk stelde. Als vanouds gaat de atheïstische filosoof uit van het gezonde verstand. Van wonderen wil hij niets weten; als iets nog niet wetenschappelijk verklaard kan worden, is dat slechts een kwestie van tijd. Dennett veronderstelt de nodige voorkennis en maakte hij zijn lezers niet makkelijk. Het onderwerp mag dan tot de verbeelding spreken, populair-wetenschappelijk is zijn boek niet.

    Van bacterie naar Bach en terug
    Auteur: Daniel C. Dennett
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Schrijver versus lezer en omgekeerd

    Schrijver versus lezer en omgekeerd

     

    De teneur van het geheel van zes lezingen (Norton Lectures) die Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk in 2010 aan Harvard University gaf omtrent de kunst van het romanschrijven ligt in ruime mate in de titel besloten. De naïeve en de sentimentele romanschrijver refereert immers aan een onderscheid dat Friedrich Schiller voorstelde in zijn essay Over naïeve en sentimentele poëzie (1795-1796).

    Let wel:  ‘sentimentalisch’ heeft een andere betekenis dan het Nederlandse ‘sentimenteel’. Wat door Schiller werd geschreven over poëzie geldt blijkbaar ook voor literatuur en voor het schrijven van een roman.

    Naïef staat hier voor het onbevangen één zijn met de natuur zonder zich te bekommeren om ‘intellectuele of ethische consequenties’ of om ‘commentaar van de buitenwereld’. Het is nagenoeg een synoniem van ongekunsteldheid, spontaanheid, candeur.

    De sentimentele schrijver daarentegen vertegenwoordigt twijfel, stelt zich vragen, hanteert bewustzijn en ‘ maakt zich druk om educatieve, ethische en intellectuele principes’.

    Belangrijk daarnaast in de verhouding schrijver-lezer is ook wat Pamuk omschrijft als de kern van de roman, wat slechts voluit in de laatste lezing aan bod komt.

    De twee basisgedachten, het onderscheid naïef-sentimenteel en het zoeken naar een kern bij het lezen van een roman,  worden overvloedig ingekapseld in beschouwingen omtrent eigen ervaringen en betrachtingen en in verwijzingen naar de ‘echte’ romanschrijvers zoals daar zijn : Tolstoj, Dostojevski, Proust, Borges, Flaubert, Faulkner, Joyce, Perec, Thomas Mann. Geen Nederlandstalige auteurs inderdaad.

    Het ietwat vergeten Aspects of the Novel van E.M. Forster en Die Theorie des Romans van György Lukacs hebben Pamuk geestelijk en ideëel ondersteund. De rest komt uit zijn verwoed lezen van romans, uit zijn eigen ervaringen en betrachtingen als schrijver van fictie en non-fictie en uit zijn heel bijzondere situatie van bindmiddel tussen het Westen en het Oosten in casu zijn Turkse nationaliteit. Hij werd immers op 7 juni 1952 in Istanbul geboren, werd in 2006 Nobelprijswinnaar en schreef zowel openlijk als verholen autobiografisch en mag gelden als boeiende, originele en in feite discrete en oprechte denker die zijn ideeën en verlangens klaar en duidelijk formuleert.

    In deze verzameling van 6 telkens vijftig minuten durende lezingen treedt  de auteur beurtelings op als lezer en als schrijver. Hij ontleedt de bedoelingen en verwachtingen van beiden, aanvankelijk vanuit een concreet gescheiden en ogenschijnlijk ietwat ongenuanceerde stelling die geleidelijk door de realiteit en de diversiteit van de benaderingen ingesneeuwd raakt zonder dat weliswaar de essentie uit het oog wordt verloren.

    Tekenend in dat verband is zijn verzuchting – of is het een bekentenis?- aan het eind van het betoog: ‘ …het mooiste wat je als romanschrijver kan bereiken is, volgens mij, tegelijk naïef en sentimenteel te zijn.’

    Hij had dat evengoed voor de lezer kunnen bedenken en voor diens zoeken naar de kern die zogezegd in iedere behoorlijk roman aanwezig zou zijn.

    Men mag daarbij niet uit het oog verliezen dat Pamuk ervan overtuigd is dat de nu ongeveer 150 jaar oude roman met brio alle andere literaire genres heeft overtroffen en in de schaduw gesteld.

    De reis van Anna Karenina in de trein, die haar van Moskou naar haar thuis (en haar saaie echtgenoot) in Sint-Petersburg brengt, lijkt hier wel een steeds terugkerend refrein, het toonbeeld bij uitstek van hoe een personage wordt ontleed aan de hand van omringende voorwerpen en toestanden. Zij leest een boek, maar slaagt er niet in zich te concentreren, zozeer is zij gegrepen door gedachten en de herinnering aan de jonge officier met wie zij danste. Tolstoj suggereert haar gemoedsgesteltenis door te beschrijven wat in de treincoupé gebeurt of permanent aanwezig is, door het landschap op te roepen en de sneeuw tegen de ruiten om aldus onrechtstreeks de emotie en de geestelijke verwarring van de jonge vrouw aan de lezer op te dringen. In de ogen van Pamuk is dit een meesterlijk stuk suggestieve (roman)literatuur.

    Lezer en schrijver zijn in het essay van Pamuk twee noodzakelijk en onherroepelijk met mekaar verbonden identiteiten die naar elkaar op zoek gaan. De relatie schrijver-lezer, het stapelen van voorwerpen en van geestelijke of reële landschappen, van zinspelingen en picturaliteit die de ene aanbrengt en de andere ontdekt en assimileert op zijn/haar tocht naar de kern lijkt ons bijwijlen wat idealiserend en overtrokken, vooral als we bedenken wat ons zo allemaal als scheppend proza wordt aangeboden en opgedrongen.

    Op enkele uitzonderingen na beschouwt Pamuk trouwens thrillers niet als romans die passen in zijn visie. Uiteindelijk geeft hij gaandeweg ietwat schoorvoetend toe dat die fameuze kern niet altijd zo intens en stralend aanwezig is als hij aanvankelijk poneerde en dat tussen naïef en sentimenteel veel schemerzones vertoeven.

    De lezer van de goede roman wil zich in enige mate vereenzelvigen met het personage, vindt de auteur. Via het ‘mot juste’ en het ‘image juste’ treedt hij binnen in een wereld die de zijne is (geworden) en die hij voor zich ziet opduiken. Die lezer kan zich ook niet ontdoen van de gedachte, die bijwijlen een zekerheid wordt, dat het personage een beetje de auteur is. Op pregnante wijze ontleedt en omfloerst Pamuk de veelzijdige en veelkleurige relatie tussen auteur/personage en lezer, tussen boodschap en verlangen, illusie en werkelijkheid.

    Als hoogstpersoonlijke meditatie over wat de romankunst uitmaakt en hoe zij ontstaat en wordt ervaren is dit een bijzonder boeiend en verrijkend geheel van bedenkingen die echter niet meteen heel overzichtelijk overkomen omdat zij onder secundaire uitweidingen worden bedolven. Wie echt klaar wil zien in wat uiteindelijk vrij eenvoudig blijkt te zijn doet er wellicht goed aan het boek tweemaal te lezen. Zo verschijnt de basisstructuur als iets vanzelfsprekends en hinderen de bijkomende reflecties steeds minder.

    Bijzonder belangrijk en ongetwijfeld  vaak geraadpleegd voor wie meer wil dan enig oppervlakkig luisteren naar Pamuk is het uitgebreide register van namen en items achteraan in het boek. Het mag vreemd klinken maar na een aandachtig binnendringen in de visie van Pamuk ervaar en benader je de romankunst op een andere manier. Dat is uiteindelijk de bedoeling van het boek.