• Oogst week 26 – 2025



    Addertje

    Van dichter en kunstenaar Jolanda Kooijmans verscheen eerder werk in onder andere De Revisor, Ooteoote, Deus ex Machina en in de bundels De Branie en De aarde nu. In 2020 debuuteerde ze met Twee ton

    In haar nieuwste bundel, Addertje ontmoeten we het demonische wezen Addertje dat haar moeder zoekt. Het bange meisje Zuuz dat de stem van de duivel heeft gehoord. Haar oudoom Drie die eindeloos op sterven ligt. De kinder misbruikende priester Bubblebeez die de hel onder zijn toog meedraagt. De eeuwig klagende treinreiziger Constant en de zeldzame watersatan, aan de andere kant van het gangpad, die het op hem gemunt heeft.

    Addertje is een wonderlijk lichte, fijnzinnige en diepzinnige dichtbundel over de duivel. De vier verhalende gedichten gaan over het kwaad, over vervreemding, verdraaiing, angst, het verloren lopen in de wereld, het passeren van een kritische grens. Het archetype van de duivel wordt opnieuw geboren in een veelheid van vormen en gedaanten en hij is verrassend anders dan je denkt.

    oké
    genoeg poëzie

    Addertje is geboren
    op slag en compleet
    een schepsel

    en wat betekent dan Addertjes naam?

    Addertjes naam is: de niet op gerekende
    maar ook: de verrassende
    maar ook: de zeker wetende
    dat alles uiteindelijk zal worden rechtgezet

    Addertjes naam is de lach in het vuistje

    allemaal waar
    maar op dit moment is ze maar één ding:
    honger

     

    Addertje
    Auteur: Jolanda Kooijmans
    Uitgeverij: Koppernik

    Achter het glas

    Onna Kosters is docent Engels en promoveerde op het werk van James Joyce. Hij vertaalde gedichten van Beckett en Seamus Heaney. Zijn eigen werk staat in de traditie van de dichters die hij vertaalde. Hij schrijft vaak lange gedichten waarin meerdere verhaallijnen elkaar aflossen en betekenis geven. Met het gedicht ‘Doe-het-zelf’ won hij de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2012. 

    In Achter het glas gaat het om kijken en bekeken worden, of je het weet of niet, of je het wilt of niet: glazen ogen zijn overal. In lange, meanderende gedichten en heldere, compacte lyriek legt Kosters de huidige tijd bloot.
    Gewapend is het glas, gewapend is het veilig. Aan welke kant van het glas bevind je je? Weet je het antwoord pas als je het breekt? Onno Kosters leidt je langs en door de transparante wanden die ons scheiden van de werkelijkheid: beeldschermbril en dwazenspiegel, touchscreen en monitor, televisie en surveillancelens. Kijken en bekeken worden, of je het weet of niet, of je het wilt of niet: de glazen ogen zijn overal. Hoe verhoud je je achter het glas tot de ander, tot de wereld en tot jezelf?

    Alsof je er niet bij bent
    gaat het leven ’s ochtends aan en ’s avonds uit. 

    De dagen lichtreuzen
    en ondertussen 

    alsof je er niet bij bent
    beweeg je of het uitmaakt, 

    hou je je staande op het lichaam
    dat je staand houdt

     

     

    Achter het glas
    Auteur: Onno Kosters
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De onderkant

    Als psychotherapeute en als dichter – van Soldatenliederen (1991) tot en met Berichten van het front (2020) – heeft Anna Enquist steeds achter en onder de dingen gekeken, tegels lichtend van de ziel en vliezen wegtrekkend van de oppervlakkige werkelijkheid, om te verkennen wat er woelt en woedt in de duistere ‘ruimte onder grond en mos’. In deze nieuwe bundel, haar tiende, vervolgt ze die missie met onverminderde passie en vasthoudendheid. Wat daar zoal wordt aangetroffen: een innerlijk toneel van krimp, benauwd geluk, de glimmende hoeven van een sater, een wak in de winter. Ook de dood heeft er een vooraanstaande plaats in gekregen.

    Het blauwe touwtje

    Leg de duizend dingen van de dode
    op de tafel. Een hondenhalsband rood
    als bloedkoraal. Injectiespuiten, herderstas.
    Elk voorwerp vastpakken, bekijken, ordenen,
    beschrijven. Je observeert, je voelt niets.

    Duizend herinneringen in een tijdlijn
    plaatsen. De herder slurpte rode wijn
    met suiker; zijn hond piste op ons terras.
    ‘Onder de steen leeft hij, de hagedis’.
    Hij zei het vriendelijk. Het deed me niets.

    Maar nu, bij de al jaren droogstaande
    schapentrog, vind ik het blauwe touwtje.
    Thuis in elke herdersbroekzak om een hek
    te sluiten, een boom te markeren. Fel blauw,
    als vroeger. Ik pak het op. En dan, ja, dan.

     



    De onderkant
    Auteur: Anna Enquist
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Al het voorbijgaande vastgelegd

    Al het voorbijgaande vastgelegd

    Volgens Van Dale’s woordenboek betekent de uitdrukking ‘waarvan akte: ‘Het staat genoteerd, het is vastgelegd’. Waarom het ook de titel is van de nieuwe en vijfde dichtbundel van Onno Kosters – die in 2012 de Turing Gedichtenwedstrijd won –  wordt al duidelijk bij het lezen van het eerste gedicht ‘Duisternis’. Daarin wordt verwezen naar het begin van alles: de oerknal, de chaos, de bron van alle leven. Kosters legt de geschiedenis van het leven vast in hoogtepunten, van alles wat voorbij is, om het op die manier te behoeden voor de vergetelheid. Sommige gedichten in deze bundel zijn al in eerdere bundels verschenen.

    Onno Koster is docent Engelse letterkunde en vertaler. Hij vertaalde onder meer werk van Seamus Heaney en Samuel Beckett. Zijn liefde voor James Joyce is ook aan te wijzen in zijn eigen werk; evenals Joyce hanteert Kosters ongebruikelijke composities en plaatst hij oude mythen in een moderne setting.

    Het eerste deel begint bij de Oude Grieken met gedichten over Heracles en de beoefenaars van de klassieke Olympische sporten als discuswerpen, speerwerpen en boksen, die afgebeeld staan op vazen waarvan een foto achterin de bundel is bijgevoegd. Sporthelden – ook in de oudheid – zien hun successen graag geboekstaafd. In deze gedichten verweeft Kosters zowel archaïsch taalgebruik als moderne taal. Naast versregels als ‘Vaarwel mijn vooruitsnellende voorgangers / die ik achter mij te laten dacht’ staan woorden als ‘fotofinish’ en ‘superslomo’ in hetzelfde gedicht bijeen. Het laatste gedicht van deze afdeling is een vertaling van het gedicht ‘Darkness‘ van Byron, waarmee de cyclus van deze eerste afdeling voltooid wordt.

    Gemakkelijk zijn de lange gedichten niet, al is het taalgebruik van Kosters uitnodigend helder. In één gedicht worden meerdere verhaallijnen doorgetrokken. Door de hele bundel heen lopen intertekstuele verwijzingen naar andere dichters als Donne, Dante en Dylan Thomas (‘Mijn moeder raast, raast tegen het sterven van het licht’ in ‘Hoe Heracles verdween uit Almelo’).

    Het tweede deel van deze bundel verhaalt van een reis van de dichter door Italië, maar ook hier wordt de klassieke oudheid nog niet losgelaten, getuige een gedicht als ‘Aphrodite’. De terugkeer naar de hedendaagse tijd voltrekt zich pas in het derde en laatste deel.
    In het bijzondere gedicht Geen dagje naar het strand, dat uit vier delen van elk zes strofen bestaat, heeft elke strofe per deel dezelfde begin- en eindregel. In het eerste deel begint elke strofe met: ‘Ik ging naar zee om de zee te zien’ in een verwijzing naar de eerste regel van het beroemde gedicht van Nijhoff De moeder de vrouw. Toch valt dit rederijkerskunstje niet als zodanig op, omdat Kosters in het gedicht klassieke stijlfiguren gebruikt in een rijmloze, strakke vorm, waardoor het geheel zich laten lezen als een oud epos. Zoals alle goede poëzie laat ook dit gedicht zich niet zo gemakkelijk in één uitleg vangen.

    In het laatste deel wordt de dichter persoonlijker: het gedicht Voltooid leven beschrijft een treurig oord waar demente vrouwen hun laatste dagen slijten:

    ‘Mijn moeder die ik voer
    als met de fles een kalfje
    in de dagbesteding op -1’

    Met in de versregel ‘De vrouw die eet of ze nooit at’ klinkt even een echo van Roland Holst: ‘Ik zag een vrouw die schreed alsof zij nooit zou sterven’.

    Ook dode dichters als F. Starik en Seamus Heaney worden hier herdacht, evenals de vader van de dichter, aan wie een ontroerend en opmerkelijk eenvoudig gedicht gewijd is. Maar het hoogtepunt van de bundel wordt toch bereikt in de serie van vijf gedichten die samen ‘Et in Arcadia ego’ vormen, waarin de dichter teruggaat naar zijn idyllische kindertijd op het platteland in de Achterhoek: ‘een jongen van acht uit een dorp in het Gooi / die mocht wat niet mocht waar hij was.’ Hier herinnert hij zich de oogsttijd, de gang naar de melkfabriek, het uitmesten van de varkensstallen, maar bovenal de vriend met wie hij de streektaal sprak:

    ‘In het Barlose spreek ik de taal
    waarin ik niet werd geboren:
    die mijn eerste tweede werd
    […]
    Vijftig jaar later of er niets is gepasseerd
    spreek ik de vorm van de taal nog van daar:
    […]
    geaard waar ik niet werd gepoot – hij wel
    die ik, met mijn vloeiend Achterhoeks
    ben kwijtgeraakt’

    Als dit een eerbetoon aan Seamus Heaney is, die volgens Arjan Peters (Volkskrant 12 oktober) ‘zo graag over de varkenstroggen en rapensnijders uit zijn Ierse jeugd dichtte’, dan is het laatste gedicht uit eerbied voor John Donne geschreven. Kosters vertelt achterin de bundel bij de verantwoording dat Donne het gedicht ‘Good-Friday, 1613, Riding Westward’ schreef, terwijl zijn hart naar het oosten trok. Kosters daarentegen vertrekt in tegenovergestelde richting, getuige zijn gedicht ‘Goede vrijdag, naar het oosten’, terwijl ook zijn eigen hart de andere kant opgaat:’

    ‘naar het oosten terwijl mijn gedachten
    voeren naar het westen waar het wacht
    de zonsondergang die mijn nu al zo lang
    doffer en doffer wordende moeder ontsnapt
    die in zichzelf een immer zwarter zwart verpakt
    dat niemand vat. De nacht die valt
    was er altijd al.’

    Het is slechts schijn dat deze gedichten glashelder lijken: niet voor niets doemt de duisternis op in bijna elk gedicht. Ook in Waarvan akte is de duisternis dreigend en onontkoombaar. Alles wat voorbijgaat, is vastgelegd in deze evenwichtige, zorgvuldig samengestelde bundel. Het zijn geen gedichten die zich gemakkelijk prijsgeven, maar wie aandachtig en geconcentreerd leest, wordt beloond met het beste wat de dichter te bieden heeft.

    ‘Ik keer het oosten de rug toe door erheen te gaan.
    Als dit is wat ik achterlaat, dan is het welgedaan.’