• Vermakelijk, maar flinterdun

    Vermakelijk, maar flinterdun

    ‘Je wordt pas een mens als je ouders komen te overlijden.’ Aan deze woorden van zijn ex moet de verteller van Terug op de achterbank denken tegen het einde van een vakantie in Zuid-Frankrijk met zijn ouders, twee opgewekte pensionado’s van in de zeventig. De verteller zelf is tweeënveertig, zijn relatie is kort geleden op de klippen gelopen en hij komt net uit een depressie. Een goedbedoelende vriendin heeft hem aangemoedigd het vakantieaanbod van zijn ouders te accepteren in de overtuiging dat een paar weekjes weg hem goed zal doen. Wanneer hij terugdenkt aan de woorden van zijn ex, die ‘makkelijk praten’ had, want ‘haar ouders waren allebei vroeg gestorven,’ vraagt hij zich af of hij zijn goedzakken van ouders niet gewoonweg moet vermoorden. Dat hij werkelijk iets geks gaat ondernemen geloof je geen seconde meer, want Terug op de achterbank is braaf – heel erg braaf.

    De derde roman van Olivier Willemsen (1980) begint vlot. De stijl is prettig helder, net als de beelden. Zo staat de rode Renault van de vertellers vader ‘als een uitgeklapt Zwitsers zakmes op de oprit’ en zit zijn vaders gehoorapparaat als een ‘garnaalvormig stuk tandvlees boven zijn oor.’ Regelmatig valt er hardop te lachen, vooral wanneer de verteller, die we tot de één na laatste bladzijde kennen volgens zijn koosnaampje ‘Kokindje,’ zeer accuraat de woorden en acties van zijn ouders voorspelt.

    Sneltreinvaart

     Vanaf het eerste moment van hun samenzijn valt het driekoppig gezin terug in hun rollen als moeder, vader en kind en begint een oneindige reeks herkenbare, oer-Hollandse tuttigheid die grappig is, soms zelfs vertederend. Moeder smeert broodjes voor onderweg, vader laadt in zijn eentje de auto in want dat is ‘al decennialang zijn specialisme.’ ’s Avonds wordt er een tv spelletje gekeken en om kwart over negen kondigt moeder aan dat het tijd is voor bed. Liggend in zijn oude kamer, met op de commode het stapeltje reiskleren die hij op advies van zijn moeder heeft klaargelegd, droomt ‘Kokindje’ dat een losgelaten draagbalk hem dreigt te verpletten. Een omineuze droom, denk je dan nog, er staat ons heel wat te wachten!

    Aanvankelijk verzet ‘Kokindje’ zich nog enigszins tegen de betutteling. Zo kijkt hij zijn moeder ‘op zijn volwassenst aan’ wanneer ze voor vertrek vraagt of hij al naar de wc is geweest en vraagt hij zich verzuchtend af of het niet eens tijd wordt dat zijn ouders hem gewoon bij zijn eigen naam gaan noemen. Maar iets zeggen doet hij niet – een gebrek aan verzet dat je als lezer voorlopig nog accepteert. Na vertrek van huis gaat het rap. In een sneltreinvaart schotelt Willemsen de lezer een reeks typische vakantiebezigheden voor, veel tijd om de sfeer op te snuiven of ergens bij stil te staan krijg je niet. Zo wordt deze korte roman jammer genoeg erg schetsmatig, alsof Willemsen goede ideeën had maar geen tijd om ze uit te werken. Dat de vakantie voor de verteller algauw omslaat in een spanningsloze en voorspelbare onderneming is niet erg – dat het spanningsloos en voorspelbaar wordt voor de lezer, is dat wel. Wat niet helpt is dat we nauwelijks iets te weten komen over de ouders, wat ze reduceert tot wandelende clichés van het gelukkige Nederlandse stel op vakantie. De overigen blijven ook typetjes: de tante en oom, toegevoegd, lijkt het, om het geheel een saillant sausje te geven, de ex Anna en de jonge vrouw die hij ontmoet op de camping, het zijn geen van allen personages van vlees en bloed. Allemaal gemiste kansen, want Willemsen kan goed schrijven en komt af en toe met mooie vondsten. ‘Vanaf het terras klinken eetgeluiden; het rustgevende, zomerse getik van messen en vorken op borden.’ Dat rustgevende voel je, dat getik hoor je.

    Gebrek aan contrasten

     Gaandeweg verlies je sympathie voor de verteller, die niet alleen gedwee in alles meegaat, maar zich ook van alles laat aanleunen. Of het nu is dat zijn moeder zijn bammetjes smeert of zijn onderbroeken opraapt, hij doet nauwelijks moeite zelf zijn zaakjes op te knappen. Behalve een zwakke poging ertoe zien we hem nergens worstelen, wel snel opgeven en de boel over zich heen laten komen. Al snel blijkt dat zijn relatie met ex Anna niet heel anders was. ‘Háár huis, háár auto,’ zegt de vriendin die hem de vakantie met zijn ouders aanraadde. ‘Ze deed je was, haalde je op na het tennissen, ze betaalde jullie vakanties (…) – en zo kan ik nog wel even doorgaan.’

    Dit verlies aan sympathie is dodelijk voor het verhaal en had voorkomen kunnen worden als er meer contrast in het geheel had gezeten, als de verteller zich bijvoorbeeld anders had gedragen bij zijn ex en terug was gevallen in de rol van klein kind bij zijn ouders. Dan had het verhaal diepgang gekregen, gelaagdheid, in plaats van meer van hetzelfde. Het dreigt interessant te worden wanneer de verteller aan zijn vader vraagt of hij wel echt een kind wilde. Even veer je op, maar de vader zwemt weg en er wordt niet meer op teruggekomen, alsof Willemsen niet zeker wist wat hij met de scène aan moest. Met een beetje goede wil kun je tussen de regels doorlezen, maar daarvoor is de scène te zwak, te weinig indringend. Datzelfde geldt wanneer de verteller met zijn ouders op bezoek is bij zijn oom en tante. ‘Ik moet hier weg. Het maakt niet uit hoe,’ denkt hij. Je hoopt op een spetterende finale, maar nee: hij staat op, loopt weg ‘richting het meer of zo’ en daarmee is de kous af.

    Wie een boek wil met diepgang, een verhaal waarin op zijn minst de hoofdpersoon een ontwikkeling doormaakt, kan beter verder zoeken. Terug op de achterbank is voor de lezer die zin heeft in een soepel geschreven en vermakelijk vakantieverhaal dat gemakkelijk wegleest naast het zwembad. Bij voorkeur op een camping in Zuid Frankrijk natuurlijk.

     

     

  • Misleidende verhalen

    Misleidende verhalen

    In zijn tweede boek Roza duikt Olivier Willemsen in een bizarre geschiedenis. In de nacht van 2 februari 1959 verongelukt een groep jonge bergbeklimmers op de Cholattsjachl in het noordelijke Oeralgebergte. De groep bestaat uit negen studenten van het Oeral Polytechnisch Instituut uit Sverdlovsk, het huidige Jekaterinenburg. Onder leiding van de 23-jarige Igor Djatlov gaat de groep goed voorbereid op expeditie. Maar die nacht van de tweede februari verlaten de negen hun tent, nauwelijks gekleed, bij een temperatuur van vijfentwintig graden onder nul. De dode lichamen worden verspreid over de bergpas gevonden. In het lokale dialect Mansi betekent Cholattsjachl zoveel als ‘berg der lijken’.

    De doodsoorzaak van de studenten is nog altijd niet duidelijk. Er doen verschillende verhalen en theorieën de ronde over het Djatlov-mysterie, zoals het inmiddels bekend staat. Waarom verlieten ze hun tent? En hoe komt het toch dat één meisje zwaar verminkt was en zelfs geen tong meer had toen ze werd gevonden? Nog een merkwaardig feit: op sommige kledingstukken werden verdacht hoge radioactieve waarden gemeten. Ondanks de verschillende onderzoeken is een sluitende verklaring nooit gegeven.

    In de roman van Olivier Willemsen komen verschillende personages aan het woord die door het incident met de Djatlovgroep gefascineerd zijn. Het grootste en eerste deel van de roman beslaat het verhaal van Roza, destijds nog een klein meisje in Serov bij wie de studenten vlak voor hun vertrek naar de Cholattsjachl op school zijn geweest. Na het voorval op de Cholattsjachl moet Roza vluchten voor het leger, omdat ze onbedoeld misschien wel meer weet van de ware toedracht, die volgens de autoriteiten maar beter niet aan het licht kan komen. Uiteindelijk spoelt ze aan op een klein eilandje voor de kust van Oregon.

    Het verhaal dat in het eerste deel verteld wordt, blijkt het verhaal te zijn zoals de inmiddels bejaarde Roza het vertelt aan haar zoon Albert en een Nederlandse student. Beiden zijn geïnteresseerd in het incident met de Djatlovgroep. De Nederlandse student hoorde op uitwisseling in Jekaterinenburg over de Djatlovgroep en kan het vooral sindsdien niet meer loslaten. De zoon van Roza roept zijn hulp in omdat hij, zo vertelt hij hem, meer wil weten over de geschiedenis van zijn moeder na een schaatsongeluk op de Olympische Spelen waarna ze een half jaar buiten bewustzijn is geweest. Sindsdien is ze erg in de war.

    De laatste zeventig pagina’s beslaan drie kortere delen van de roman. Het lijkt er aanvankelijk op dat Olivier Willemsen in Roza een al dan niet geromantiseerde verklaring wil geven voor de gebeurtenissen op de Cholattsjachl. Maar deze laatste delen zetten Roza’s verhaal in een heel ander licht. Deze delen, verteld vanuit het perspectief van onder andere Albert en de Nederlandse student, maken duidelijk dat Roza niet zomaar een reconstructie van gebeurtenissen is.

    Hoe betrouwbaar is het verhaal van Roza? Ze kent details over de Djatlovgroep die je alleen kunt weten, als je er zelf bij bent geweest, maar andere herinneringen zijn aantoonbaar onjuist. En over haar komst naar de Verenigde Staten waar ze nu woont, bestaan ook twee zéér verschillende verhalen. Welke verhalen die in Roza verteld worden zijn waar? Tegen het einde van de roman heeft Willemsen zijn lezer op knappe wijze meermaals op het verkeerde been gezet.

    De reden om dit boek verder te willen lezen verschuift van ‘Wat is er destijds gebeurd?’ naar ‘Wat voor boek heb ik eigenlijk in handen?’ Is het een detective waarin de speurders worden tegengewerkt door moedwillig misleidende verhalen? Of is het een roman over betrouwbaarheid van herinneringen en de noodzaak die we voelen om verhalen te vertellen, ook als deze niet waar zijn? Olivier Willemsen laat het antwoord wijselijk in het midden en heeft ondertussen een interessant boek geschreven waarin hijzelf meermaals de grenzen tussen de feitelijke toedracht en zijn eigen fictie oversteekt.

     

     

  • Oogst week 14

    Mevrouw Osmond

    In 1881 kwam Portret van een dame, de bekendste roman van Henry James uit, dat o.a. verfilmd werd met Nicole Kidman en John Malkovic in de hoofdrollen.

    In Portret van een dame wil de mooie, jonge Isabel Archer na de dood van haar vader een onafhankelijk en vrij leven gaan leiden en niet eindigen in een huwelijk, maar dat gebeurt desondanks toch. Ze trouwt met de nare Gilbert Osmond en wordt niet gelukkig.

    Portret van een dame laat de lezer in het ongewisse hoe het afloopt met Isabel, maar de Ierse schrijver en Bookerprijswinnaar John Banville heeft de draad weer opgepakt in zijn roman Mevrouw Osmond. Isabel Archer, mevrouw Osmond dus, ontdekt dat haar man haar jarenlang heeft misleid en overweegt wat ze moet doen.

    Mevrouw Osmond is niet ‘het vervolg op’, maar borduurt voort. In een geheel eigen stijl, met weliswaar veel dezelfde maar op een andere manier uitgewerkte hoofdpersonen. Mevrouw Osmond gaat over verraad, bedrog en moraal.

     

     

    Mevrouw Osmond
    Auteur: John Banville
    Uitgeverij: Querido

    Veldheer Banner

    Veldheer Banner is het tiende boek van Marie Kessels (1954) die in 1991 debuteerde  met de roman BoaVeldheer Banner beschouwt Kessels zelf als haar levenswerk. Het gaat over universitair docent Saul Banner die de ziekte van Parkinson heeft. Fotografe Dana Stromberg, een vriendin van hem, kijkt terug op hun ontmoetingen in het appartement dat hij eens in een aanval van razende woede kocht om zijn gezin en zijn dorp te ontvluchten en wat ruimte voor zichzelf te hebben.

    […] In die ene minuut van onze omhelzing werd ik me er heel sterk van bewust wat een brute gezondheid, wat een kolossale robuustheid ik meebracht nadat ik in het appartementencomplex naar binnen was gestormd en zijn voordeur achter me had dichtgegooid, met twee grote leren tassen aan mijn schouder en grote bewegingen waarmee ik ruimte in bezit nam. De verkwistende bewegingen van hen die het zich kunnen veroorloven om niet methodisch en niet economisch om te springen met hun lichaam, hun tijd, hun energie. […]

    Veldheer Banner
    Auteur: Marie Kessels
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Roza

    In 1959 komen negen studenten om op de Djatlovpas in het Oeralgebergte. Hun doel was de top van de Otorten, ze richtten hun kamp op op de oostflank van de Cholattsjachl, een streek die ‘al eeuwenlang het domein van de Mansen, een nomadenvolk dat voornamelijk van hun rendieren leeft’ is. ‘De namen van veel bergtoppen in het noorden zijn afkomstig van de Mansen. Zo betekent het oude woord Otorten ‘ga daar niet naartoe’ in het Mansi. De Cholattsjachl zouden wij vertalen als de ‘berg der lijken’.’

    Als de tent van de studenten tijdens een zoektocht gevonden wordt ‘blijkt het doek aan één zijde met een scherp voorwerp te zijn opengesneden. Binnenin worden negen paar bergschoenen aangetroffen, keurig op een rij.

    De lijken liggen op verschillende plekken en hebben allen uiteenlopende verwondingen.

    Een officieel onderzoek oordeelt dat de studenten een ‘overheersende, onbekende kracht’ gestorven zijn. Het gerechtelijk onderzoek wordt in mei 1959 officieel beëindigd en de processtukken verdwijnen tot in de jaren 90 in een geheim archief .

    In de roman Roza blikt Roza Andreja Onilova terug op haar ontmoeting met de studenten, enkele dagen voor hun dood, en op haar merkwaardige vlucht uit de voormalige Sovjet-Unie. Is haar fantasie op hol geslagen of weet Roza daadwerkelijk wat er die winternacht in 1959 op de Djatlovpas is gebeurd?

     

    Roza
    Auteur: Olivier Willemsen
    Uitgeverij: De Harmonie

    Het Liegend Konijn (jg. 16 nr. 1) 2018

    Het nieuwe nummer van Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie, is verschenen. Twee keer per jaar – in april en oktober – brengt het blad een gevarieerd beeld van onze actuele Nederlandstalige poëzie. Het bevat uitsluitend nieuwe, niet eerder gepubliceerde gedichten.

    Dichters uit Het Liegend Konijn 2018/1:

    Obe Alkema, Jana Arns, Tina van Baren, Gilles Boeuf, David Bogaers, Fleur Bourgonje, Charlotte van den Broeck, Anne Büdgen, Dorothee Cappelle, Hendrik Carrette, Paul Demers, Charles Ducal, Vicky Francken, Eva Gerlach, Maarten Goethals, Luuk Gruwez, Sara Haven, Lucas Hirsch, Bernke Klein Zandvoort, Delphine Lecompte, Gwy Mandelinck, Peter Mangel Schots, Luc C. Martens, Giuseppe Minervini, Fred Papenhoven, Bert van Raemdonck, Lars Ruben, Mustafa Stitou, Bernadette Stom, Willem Thies, Florence Tonk, Peter Verhelst, Peggy Verzett, Arno van Vlierberghe.

     

     

     

     

     

    Het Liegend Konijn (jg. 16 nr. 1) 2018
    Auteur: onder redactie van Jozef Deleu
    Uitgeverij: Uitgeverij Polis
  • Gruwelijk verhaal in het Wenen van na de oorlog

    Gruwelijk verhaal in het Wenen van na de oorlog

    Recensie door Vera ter Beest

    Wenen, 1952. De oorlog is voorbij, maar aan de Gürtel wonen twee jongens als gevangenen in eigen huis. Van hun vader mogen ze niet naar buiten, de deur opendoen of de telefoon opnemen. Hun wereld beperkt zich tot het uitzicht uit het raam en de fotoalbums van hun vader. Hij is fotograaf en leert hen foto’s te nemen. De foto’s die hij van hen neemt, zegt hij naar een museum te brengen. Op een dag verlaat hij het huis om nooit meer terug te komen. In zijn plaats komt Liesbeth, een vrouw die de vader verzorgde toen deze ziek was. Zij komt, later dan verwacht en neemt een enge man mee, die grijnst en naar hen staart.

    ‘Met zijn ellebogen op tafel keek hij ons minutenlang met wijd opengesperde ogen aan. Hij keek met de blik van een operazanger die vader ooit had gefotografeerd. De ogen van die zanger stonden wagenwijd open terwijl hij zong. Zo wagenwijd als zijn mond.De zanger op de foto stond voor een kasteel dat van hout en karton was gemaakt, wist vader. Hij legde uit dat de operazanger een beroemd Italiaan was. Een Italiaan uit Venetië, een stad waar de auto’s boten zijn. Daar konden we ons absoluut geen voorstelling van maken. ‘De ontzette blik met grote, open ogen hoort bij operazangers wanneer zij ferm uithalen,’ vertelde vader. Daarna verdween de foto in zijn map.’

    Liesbeth geeft de jongens te eten, zodat ze sterk genoeg zijn om naar Boedapest te reizen. Enkele mannen komen de jongens ophalen om ze in een afgedekte kooi naar de Hongaarse hoofdstad te brengen. Daar aangekomen belanden ze samen met een jong, harig meisje dat Erika heet in een lege ruimte. Erika en de jongens worden behandeld als circusattracties, hordes nieuwsgierige mensen met ogen als operazangers worden langs de kinderen geleid. Aan deze vreemde bezoeken komt abrupt een eind wanneer een serie gruwelijke medische ingrepen op de drie kinderen worden uitgevoerd. Erika wordt geïnsemineerd met sperma dat is afgetapt van de jongens. Als ze op het punt staat om te bevallen, wordt ze weggevoerd. Niet veel later wordt het besluit genomen dat de jongens, verzwakt en ziek, weer naar huis mogen. In dekens gerold worden ze door ruimtes gedragen, waarvan er één veel weg heeft van een museum. De kamer hangt vol foto’s van hen en van Erika, van wie de laatste foto’s laten zien hoe ze een harig wezen baart en eindigt op sterk water.

    Morgen komt Liesbeth wordt verteld vanuit het perspectief van de jongens, die niets van de wereld weten, naïef en onschuldig zijn. Door te kiezen voor dit gezichtspunt heeft auteur Olivier Willemsen zichzelf veel speelruimte gegeven. Kinderen begrijpen veel dingen nog niet, willen enkel dat aan hun basisbehoeften, liefde en eten in dit geval, wordt voorzien, en denken in goed en slecht. In dit verhaal gebeuren er vreemde, raadselachtige dingen die meer uitleg zouden kunnen gebruiken om het verhaal beter te kunnen volgen. Transport naar Boedapest in een kooi en een harig meisje dat bevalt van een aap. Zijn dit fantasieën van de hoofdpersonen?

    Fotografie speelt er een belangrijke rol in. Het perspectief kun je ook zien als het beeld wat je krijgt wanneer je door de lens van een camera kijkt. De smalle invalshoek maakt dat je niet alles ziet en de focus ligt op een bepaald element, dat niet het belangrijkste hoeft te zijn. Het verhaal lijkt opgebouwd uit korte fragmenten, alsof het een serie foto’s is die achter elkaar wordt getoond. Ze vertellen niet alles, maar zoomen in op bepaalde aspecten. Door die uitvergroting krijg je mooie beschrijvingen als die van de twee littekens op het gezicht van de enge man die Liesbeth meeneemt.

    Het waren twee levensgrote, gekruiste littekens, alsof een roofvogel hem met gestrekte poten in zijn gezicht had vastgegrepen en hem had proberen op te tillen. 

    Het werk doet qua thematiek denken aan Ira Levins Boys from Brazil en Anthony Burgess’ Clockwork Orange, die respectievelijk gaan over medische experimenten en psychologische foltering. Daar houdt de vergelijking dan ook op want beide bestsellers kennen een heldere verhaallijn, zijn spannend, geven voldoende informatie om de verhaallijn te kunnen volgen. In Morgen komt Liesbeth volgen de meest bizarre en huiveringwekkende gebeurtenissen elkaar in rap tempo en zonder logica op. Doordat er net te weinig informatie wordt gegeven, wordt het een verzameling van hoogst verwonderlijke, niet geloofwaardige ontwikkelingen waarvan de helft misselijkmakend zijn. Op de achterflap wordt het gepresenteerd als gruwelijk sprookje, maar misschien is het beter te beschrijven als onvoorstelbaar  horrorverhaal dat niet voor iedereen is weggelegd.

     

  • Oogst week 40

    door Carolien Lohmeijer

    ‘De schilder Isaac Israels heeft ooit een gouden plak op de Olympische Spelen gewonnen. Waar of niet waar?’

    Het zal u verbazen: het is waar. Want van 1912 tot 1948 dongen kunstenaars wereldwijd mee naar Olympische medailles op de wedstrijdonderdelen Architectuur, Beeldhouwen, Schilderkunst, Literatuur en Muziek. Daaronder ruim honderd Nederlanders, waaronder o.a. Isaac Israels en de architect Jan Wils die beiden goud wonnen.

    Hoewel deze kunstwedstrijden tegenwoordig weinig bekend zijn, zijn zij wel degelijk ontsproten aan het brein van Pierre de Coubertin. Op zijn aandringen zijn ze opgenomen in het programma van de Olympische Spelen van 1912. Er is maar weinig geschreven over deze kunstwedstrijden, die tegenwoordig doorgaan onder de noemer Culturele Olympiade en die een culturele omlijsting vormen van de sportwedstrijden. Het is de moderne versie van het oorspronkelijke idee dat De Coubertin voor ogen had.

    Hoe werden in ons land de kandidaten geselecteerd? Wie waren het? Waarom werden de wedstrijden afgevoerd? Welke pogingen werden door Nederland gedaan om ze te redden? Kunnen sport en kunst wel samengaan? In De Muzen op het schavot geeft Literair Nederland-recensent Adri Altink vanuit Nederlands perspectief een boeiend overzicht van de geschiedenis van de Olympische Kunstwedstrijden, een geschiedenis die nog niet eerder in boekvorm in Nederland werd beschreven.

    De Muzen op het schavot, Nederlanders op de Olympische Kunstwedstrijden, Adri Altink, Uitgeverij Brave New Books, 210 pagina’s geïllustreerd
    € 23,50.

    De val van Jakob DuikelmanVorig jaar stond ze in de finale van Manuscripting, een schrijfwedstrijd voor jong talent, inmiddels schrijft en blogt ze in Tirade, en onlangs heeft ze haar eerste roman gepubliceerd. Haar naam is Anne Marieke Samsom, haar debuut heet De val van Jakob Duikelman. Een tweede en derde roman heeft ze onderhanden.

    In De val van Jakob Duikelman gaat het over ‘de gewoonste man van de wereld’, die te horen krijgt dat hij niet lang meer te leven heeft en onverwacht in conflict komt met een met een Nigeriaanse ronselaar van kindsoldaten. Het boek is volgens uitgeverij De Arbeiderspers een ‘scherpe tragikomedie’.

    ‘Jakob luisterde maar half, terwijl de deuren van de lift zich achter hem sloten, en snelde opgelucht naar het station van Hoofddorp. Normaal gesproken rent Jakob niet, voor niemand niet, en al helemaal niet voor een trein. Maar vandaag is anders. Vandaag is geen dag om principieel te doen. Hij moet over anderhalf uur in het ziekenhuis zijn.’

    De val van Jakob Duikelman, Anne Marieke Samson, Uitgeverij De Arbeiderspers, 272 pagina’s, € 19,95

    Morgen komt LiesbethEr klinkt een hoop verwachting uit de titel: Morgen komt Liesbeth. Het is de debuutroman van Olivier Willemsen waarvan gezegd wordt dat het begint als een onschuldig verhaal, maar zich sluipenderwijs ontwikkelt  tot een luguber sprookje.

    In Kring Circulaire van deze maand zegt hij: ‘Ik ben gaan schrijven om de werkelijkheid een draai te kunnen geven. Om zelf aan het roer te kunnen staan. Uit ijdelheid misschien ook wel, omdat ik het leuk vind om mensen te vermaken. En het is onstilbaar – ik kan het niet meer tegenhouden.’ Wilt u vast kennismaken met de stijl en een aantal korte verhalen van Willemsen, dat kan dat via deze link.

    Morgen komt Liesbeth, Olivier Willemsen, Uitgeverij De Harmonie, 144 pagina’s, €16,90

    In tegenstelling tot bovenstaande drie auteurs is Kerstin Ekman een doorgewinterde De afrekeningauteur. Het meest bekend is zij door haar bekroonde roman Zwart water. In haar nieuwe roman De afrekening, wordt de beroemde Zweedse schrijfster Lillemor Troj uitgenodigd op de uitgeverij om haar nieuwste manuscript te bespreken. Voor Lillemor is de inhoud ervan echter totaal onbekend. Zonder een woord te zeggen sluipt Lillemor met de roman het pand uit. Tijdens het lezen wordt haar snel duidelijk dat een ghostwriter een boek over haar leven heeft geschreven waarin ze zeer vertrouwelijke informatie onthult. Het werk leidt tot een onvermijdelijke confrontatie tussen de vrouwen.

    De afrekening, Kerstin Ekman, Uitgeverij De Geus, 480 pagina’s, € 24,95