• Samen een geheugen

    Samen een geheugen

    Een jongen scheurt, staand aan de reling van een veerpont, bladzijden uit een boek. Hij laat die wegwaaien in de wind, scheurt daarna het boek doormidden en gooit het in het water. Een meisje, twee jaar jonger, ziet het gebeuren. Ze is er van onder de indruk.
    Zo’n veertig jaar later schrijft ze hem een brief en herinnert hem aan dit beeld. Hij antwoordt en vertelt dat hij net The Sense of Ending van Julian Barnes heeft gelezen. Het boek gaat erover hoe we ons gebeurtenissen van veertig jaar geleden herinneren.

    Of heb ik het verzonnen? is een briefwisseling tussen Wanda Reisel (1955) en Herman Koch (1953). Reisel is roman- en toneelschrijfster, winnaar van de Anna Bijns Prijs en genomineerd voor de AKO- en Libris Literatuurprijs. Koch schreef onder meer Het Diner, dat drie keer verfilmd is en in meer dan vijftig talen vertaald.
    Het zijn brieven uit 3 periodes: 2011-2013 (het overgrote deel van het boek), 1986-1988 en als afronding het jaar 2017. Veel van de brieven hebben de herinnering als onderwerp, over de (on)betrouwbaarheid van ons geheugen, over idealisering achteraf en hoe feiten door foto’s zijn verdrongen.

    ‘Ik vertrek zo dadelijk naar Berlijn,’ schrijft Koch, ’en ga me daarna weer verder herinneren.’ Reisel beschouwde het geheugen lange tijd als ‘een trouwe kat die je kirrend tegemoet komt, maar nu is het een nukkige oude kater […] die vermagerd bij de verwarming ligt.’
    Ze wisselen lijstjes uit van nummers uit de popmuziek als ‘soundtrack voor de fase van de middelbareschooltijd’ en Reisel meent  dat de ‘boeiendste kant van het leven zich voor mij afspeelt in films en boeken.’ Ze vertellen elkaar dat het opruimen van je boekenkast je helpt bij het achteraf ordenen van je leven en Koch meent ironisch dat ‘het woord “verdrongen” toch minstens één keer per brief moet voorkomen.’
    Zo ontstaat het beeld van Reisel als een verlegen jonge vrouw en Koch die in zijn jeugd goed was in het uitdelen van harde oneliners. Ze zoeken al schrijvend naar typeringen voor het hechte groepje jongeren uit hun middelbareschooltijd. Ze mijmeren in hun brieven over groepsdwang, identiteit, de verhouding met je ouders, volwassen worden en hoever je wilt gaan om ergens bij te horen. Koch schrijft ‘we hebben er lang over doorherinnerd’ en aan het eind van de eerste brievencyclus concludeert Reisel ‘dat het toch heerlijk is om samen een geheugen te hebben.’
    Generatiegenoten van Reisel en Koch zullen bij het lezen glimlachen van herkenning: ‘Iedereen liep rond in Afghaanse jassen met patchoelilucht’ en On the road van Jack Kerouac moest je ophemelen terwijl je er niks aan vond.
    Tegelijkertijd blijf je als lezer min of meer een buitenstaander. Vooral omdat de brieven van de eerste cyclus nauwelijks diepte kennen, terwijl je dat nu, in de tijd van twitter, juist van het medium ‘brief’ verwacht.

    De briefwisseling in de periode 1986-1988 gaat vooral over het schrijven zelf. Koch schrijft ‘ dat ik voor het eerst van mijn leven het gevoel heb aan een boek bezig te zijn dat geschreven moet worden.’ (het betreft de roman Red ons, Maria Montanelli (1989)-HM). Hij schrijft/woont in Barcelona en meent ‘dat in den vreemde bedachte ideeën […] anders zijn en alleen al daarom de moeite van het verkennen waard.’

    Koch stuurt Reisel de eerste vijf hoofdstukken en ze reageert met ‘… het leest als een trein. De beelden staan, zoals dat heet, het is mooi en precies in observatie.’ Ze is ook voorzichtig kritisch: ‘… je moet wel erg aan de toon wennen en aan de constructie van de zinnen.’ Het is opnieuw duidelijk dat ze goede vrienden zijn. Terwijl Koch en Reisel steeds meer uitkijken naar elkaars brieven, hoop je als lezer dat ze elkaar eens flink ervan langs geven, fundamenteel van mening gaan verschillen of erger nog: in een opwelling een brief verscheuren. Maar, nee.
    Dat neemt niet weg dat de lezer die van ‘weetjes’ houdt over het schrijverschap wel aan zijn trekken komt. Reisel en Koch vragen zich af of je in een roman bestaande straten en plaatsnamen moet noemen en wat daarvan de effecten op de lezer zijn. Koch wijst op de schrijver Patrick Modiano: ‘Zo’n beetje de VVV van Parijs. Alles wordt bij hem heel precies uitgeduid, samen met het bepaalde sentiment dat bij zo’n straat hoort.’
    Reisel vertelt dat schrijven doodgewoon werken is. ‘Ondertussen gaat het gewone leven door. Ik zit flink te schrappen[…]. Vreemd toch hoe, als je een tijdje afstand hebt genomen, de woorden en zinnen plotseling “op zich” komen te staan.’

    En juist aan die benodigde afstand, zo lijkt het, heeft het bij de totstandkoming van Of heb ik het verzonnen? ontbroken. Pas in de laatste en kortste cyclus (2017) krijgt de briefwisseling meer diepte. Ze gaan op zoek naar hun overeenkomsten, schrijven nogmaals over The Sense of Ending van Julian Barnes en over het verschil tussen boek en film. Maar ze schrijven vooral over hun eigen verlegenheid. ‘Bij veel mensen krijg ik het benauwd, bij bijna niemand leef ik op. Dat is in het dagelijks leven eigenlijk ook zo,’ schrijft Koch. Reisel reageert daarop met te vertellen dat ze zich ‘vroeger vaak gedwongen voelde bij andere mensen of situaties een rol te spelen.’
    Maar ondanks deze laatste, sterkere, briefwisseling blijf je je als lezer afvragen waarom deze brieven (op deze manier) gebundeld zijn.

     

     

  • Oogst week 47

    Of heb ik het verzonnen?

    Het hart van Of heb ik het verzonnen?, de briefwisseling tussen (jeugd)vrienden Herman Koch en Wanda Reisel, wordt gevormd door de teruggevonden ‘Barcelonabrieven’, geschreven in de periode 1986-1988. Koch en Reisel waren toen nog beginnende schrijvers, die genoeg vertrouwen in elkaar hadden om werk in onvoltooide staat aan elkaar te laten lezen. Aan deze directe en relatief ongestileerde brieven gaat correspondentie uit de periode 2011-2013 vooraf, waarin Koch en Reisel proberen hun gezamenlijke verleden te reconstrueren. Herinneren, incl. de feilbaarheid van het geheugen, is het centrale thema in deze brieven, waarvan een deel in een andere vorm tijdens de Boekenweek van 2012 in de Volkskrant verscheen. Of heb ik het verzonnen? besluit met brieven geschreven in het voorjaar van 2017, waarin veel gelezen en wordt en geschreven aan nieuw werk.

    Of heb ik het verzonnen? is een zorgvuldig gecomponeerde brievenbundel – waarbij The Sense of an Ending van Julian Barnes, het boek en de film, als structurerend element dient – waarin elke brief bijdraagt aan een  verhaal over een op gedeelde (jeugd)ervaringen, verenigbare karakters en geambieerd schrijverschap  gestoelde vriendschap.

    Of heb ik het verzonnen?
    Auteur: Herman Koch en Wanda Reisel
    Uitgeverij: Das Mag

    De dagen van Leopold Mangelmann

    Al voor wat nu beschouwd wordt als zijn officiële Blauwe maandagen (1994) was Arnon Grunberg productief en schrijver. Uit het vorig jaar verschenen Aan nederlagen geen gebrek: brieven en documenten 1988 – 1994 blijkt dat veel van wat Grunberg dacht en schreef al in het teken te staan van het schrijverschap dat hem voor ogen stond toen eenmaal duidelijk was dat carrière maken als acteur niet tot zijn mogelijkheden behoorde. De dagen van Leopold Mangelmann: een keuze uit de archieven van Arnon Grunberg is de fictieve pendant van Aan nederlagen geen gebrek. Het bevat een deel van het materiaal, inclusief een complete roman, dat zijn uitgever Vic van de Reijt – met zo’n uitgever heb je geen biograaf meer nodig – bij het samenstellen van het ‘brievenboek’ in de ouderlijke woning van Grunberg aantrof.

    Uit zijn selectie blijkt dat Grunbergs thematiek en aanpak al in zijn vroege werk aanwezig is. Niet alles in De dagen van Leopold Mangelmann verschijnt voor het eerst, maar deze ruime keuze geeft inzicht in de wordingsgeschiedenis van een auteur en het ontstaan van een oeuvre.

    De dagen van Leopold Mangelmann
    Auteur: Arnon Grunberg
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Een botsing op het spoor

    In Een botsing op het spoor reconstrueert Joris van Casteren wat voorafging aan en volgt op een aanrijding met twee personen en vier honden op 28 november 2016 bij de spoorwegovergang Slonsweg-Scheidingsweg, op het traject Nijmegen-Roermond.  Op de inmiddels van hem bekende manier doet hij onderzoek, spreekt met betrokkenen en monteert hij de verkregen informatie tot een niets ontziend journalistiek stuk met de kenmerken van literaire non-fictie. Joris van Casteren verzacht de omstandigheden niet, maar voorziet de slachtoffers, de getuigen en de  gruwelijkheden van hun context.

    Dat Joris van Casteren zich na Het been in de IJssel (2014) toch weer waagde aan losse ledematen had niet alleen met die ene hond die ontkwam te maken, maar ook met de verhalen die hij tijdens het onderzoek voor Het station (2015) van machinisten hoorde over spoorsuïcide.

    Een botsing op het spoor
    Auteur: Joris van Casteren
    Uitgeverij: Querido Fosfor