• Shortlist Libris Literatuur Prijs 2023

    Shortlist Libris Literatuur Prijs 2023

    Van de tweehondervijfendertig titels die werden ingezonden voor de Libris Literatuur Prijs 2023, belandden na zorgvuldig beraad van de jury de volgende zes Nederlandstalige romans op de shortlist:

    Het lied van ooievaar en dromedaris van Anjet Daanje
    Man zonder rijbewijs van Oek de Jong
    Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost van Donald Niedekker
    Overal zit mens van Yves Petry
    De gebeurtenis van Peter Terrin
    Tussentijds van Peter Zantingh

    De jury van de Libris Literatuur Prijs 2023 spreekt over grote veranderingen in de duiding van de roman zoals we die kennen. Er is meer dan ooit sprake van een genre overstijgende romanvorm.’ Het klimaat speelt overtuigend een grotere rol. Ook zijn literaire teksten vaker essayistisch of spreekt men van auto-fictie. ‘In onze tijd van virtuele werelden, AI en nepnieuws, heeft de werkelijkheid van alle dag soms meer weg van fictie – dat betekent dat de romanschrijver voor een nieuwe uitdaging staat.’

    Als groot kanshebber wordt Anjet Daanje met haar ‘caleidoscopische roman van grote klasse’, Lied van ooievaar en dromedaris, gezien. Daarover liet Daanje zelf weten in Nieuwsuur, dat zij toch niet weer de prijs zal ontvangen omdat zij immers vorig jaar al de Boekenbon Literatuurprijs won. Het zou fenomenaal zijn als een schrijver beide prijzen kreeg toegekend, iets dat nog niet eerder in de literaire prijzenwereld is voorgekomen.

    De jury bestaat uit voorzitter Beatrice de Graaf, historicus, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, Yannick Dangre, schrijver en dichter, Margot Dijkgraaf, literatuurcriticus en schrijver, Mira Feticu, schrijver, performer, interviewer en radiomaker, Lies Schut, literair recensent.

    Wie uiteindelijk de prijs krijgt? Dat wordt 8 mei bekend gemaakt in Felix Meritis en live uitgezonden door Nieuwsuur op NPO2. Met een Hommage-show voor de zes genomineerde auteurs die via livestream te volgen zal zijn. De zes genomineerde auteurs ontvangen in ieder geval elk € 2.500.

    Lees hier het juryrapport.

     

     

  • Oogst week 47 – 2020

    Oogst week 47 – 2020

    De partij dat ben ik

    Onlangs verscheen De partij dat ben ik van politicoloog Chris Aalberts bij Uitgeverij Jurgen Maas. Het is het relaas van vijf jaar Forum voor Democratie, van de oprichting van de denktank in 2015 tot de partij die FVD nu is. De ophef en controversie rondom Thierry Baudet spelen een prominente rol: zo benoemt Aalberts de steeds extremere denkbeelden van de partijleider, zijn afnemende populariteit na het conflict met voormalig partijlid Henk Otten (die volgens Aalberts de stille kracht op de achtergrond was), en de huidige problematiek binnen de gelederen. Case in point: eerder dit jaar publiceerde HP/De Tijd screenshots van controversiële WhatsApp-gesprekken tussen JFVD-leden. Gisteren, op 17 november, berichtten de Volkskrant en NRC Handelsblad dat de vermeende klokkenluiders inmiddels zijn geroyeerd.

    De partij dat ben ik is het tweede boek over Thierry Baudet in korte tijd. In oktober verscheen Mijn meningen zijn feiten, geschreven door journalisten Harm Ede Botje en Mischa Cohen. In een dubbelrecensie in de Volkskrant werden de boeken bestempeld als ‘weinig vrolijk stemmende kronieken’, die desondanks de ‘snelle opkomst van Thierry Baudet’ van context voorzien. Zolang er sprake blijft van ophef is het laatste woord nog niet over hem geschreven.

    De partij dat ben ik
    Auteur: Chris Aalberts
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Mijn lieve gunsteling

    Marieke Lucas Rijneveld en vertaler Michele Hutchison ontvingen (Rijneveld als de eerste Nederlandse schrijver in de geschiedenis van de prijs) dit jaar de International Booker Prize voor de Engelse vertaling van De avond is ongemakThe Discomfort of Evening.

    Mijn lieve gunsteling kan als het vervolg worden gelezen: de veearts die in De avond is ongemak wordt geïntroduceerd zou zomaar de verteller van Mijn lieve gunsteling kunnen zijn. Hij tekent, tegen de achtergrond van een beklemmend religieus boerenmilieu, zijn verboden liefde voor een jong meisje op.

    Mijn lieve gunsteling
    Auteur: Marieke Lucas Rijneveld
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Het glanzend zwart van mosselen

    ‘Dieper doordringen in gebeurtenissen, kunstwerken en ideeën – dat is de belangrijkste reden waarom ik het schrijven van essays altijd interessant heb gevonden. Door te schrijven ontstaat er een nieuw inzicht, een inzicht dat je pratend of alleen maar denkend niet kunt bereiken. Al schrijvend daal je dieper af,’ stelt Oek de Jong in zijn essaybundel Het glanzend zwart van mosselen, die verscheen bij Atlas Contact.
    Het boek bevat niet eerder gebundelde cultuurkritische stukken van zijn hand, en De Jong legt deels de autobiografische dimensie bloot van zijn veelgeprezen romans.

    Zwarte schuur, zijn meest recent verschenen roman, werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 2020 en op 12 november van dit jaar bekroond met de Boekenbon Literatuurprijs.

    Het glanzend zwart van mosselen
    Auteur: Oek de Jong
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oek de Jong en de Boekenbon Literatuur Prijs 2020

    De roman Zwarte schuur van Oek de Jong (1952) werd vorige week bekroond met een grote literaire prijs. De roman werd dit jaar twee maal eerder genomineerd voor een literaire prijs, waaronder de Libris, maar ving steeds achter het net. Voor veel lezers van de Zwarte schuur en van zijn eerdere werk is het dan ook een vreugde dat de Boekenbon Literatuur Prijs (voorheen de BookSpot, ECI, AKO Literatuurprijs), naar De Jong ging. Niet dat De Jong nooit een prijs gewonnen heeft, maar de echt grote prijzen gingen steeds aan hem voorbij.

    Oek de Jong debuteerde in 1977 met een verhalenbundel en brak door in 1979 met Opwaaiende zomerjurken waarvoor hij de F. Bordewijkprijs kreeg. Zijn tweede roman, Cirkel in het gras, een indringende liefdes geschiedenis, was geniaal. In 2002 volgde de sterke roman Hokwerda’s kind, waarvoor De Jong in België genomineerd werd voor de Gouden Uil, en hier voor de Libris Literatuurprijs. Zijn geweldige tweedelige roman Pier en oceaan (2012) kwam op de shortlist van de Librisprijs terecht en werd bekroond met de Zeeuwse Boekenprijs, F. Bordewijkprijs en de Gouden Uil. Verder publiceerde De Jong meerdere autobiografische geschriften, dagboeken en essays. En dan nu deze grote prijs, waar een bedrag van 50.000 euro aan verbonden is. Zelf ziet Oek de Jong deze prijs als een grote waardering voor de literaire roman.

    Oordeel jury

    Dit was onder meer wat de jury over Zwarte schuur zei: ‘Met zijn geconcentreerde, sterk psychologische aanpak heeft Oek de Jong een mens en een decor neergezet die de lezer moeiteloos opeisen en dwingt hem (…) om na te denken over de dunne lijn tussen seksualiteit en agressie, mannelijke identiteit en de al dan niet genezende kracht van kunst.’

    De jury bestond uit Jan Dertaelen, boekverkoper De Groene Waterman te Antwerpen en recensent, Sofie Gielis, redacteur literair tijdschrift Dietsche Warande & Belfort, Sebastiaan Kort, recensent NRC, Daan Stoffelsen, boekverkoper, recensent en hoofdredacteur literair tijdschrift De Revisor en Jeroen Vullings, literatuurcriticus Elsevier en Nieuwsweekend.

    Andere genomineerden waren dit jaar Marcel Möring met Amen, Koen Sels met Gloria, Stephan Enter met Pastorale en Charlotte van den Broeck met Waagstukken.

     

     

    Lees hier de recensie van Daan Lameijer over Zwarte schuur.

     

     

     

  • Vooruitkijkend naar de winnaar van de Libris Literatuurprijs 2020

    Vooruitkijkend naar de winnaar van de Libris Literatuurprijs 2020

    Komende maandag, 22 juni, wordt de Libris Literatuurprijs 2020 bekend gemaakt. Daarop vooruitlopend las criticus Rob Schouten de zes genomineerde boeken en deed daar verslag van in Letter & Geest, de weekendbijlage van dagblad Trouw, en komt met een winnaar.

    Schouten vraagt zich eerst af, en terecht waarom Otmars zonen van Peter Buwalda er niet opstaat en vindt ook dat de jury behoudend is geweest wat betreft de keuze van de genomineerden, want geen schrijvers van rond de dertig op de shortlist. Helemaal gezien het feit dat er de de laatste jaren ‘een enorme hausse’ aan talent is opgestaan. Hij mist dan ook schrijvers als Jamal Ouariachi, Ninã Weijers, Maartje Wortel en de ‘broertjes Heerma van Voss’.

    Wat geeft de doorslag, buiten dat het een goed boek is, wie er zal winnen? Zo overpeinst Schouten dat het eigenlijk gek is dat Oek de Jong, nu genomineerd met Zwarte schuur, nog nooit een echt grote prijs heeft gekregen. Wat doet vermoeden dat het dit jaar wel eens zou kunnen gebeuren. Maar ook dat elke jury graag een onderbelichte schrijver in het zonnetje wil zetten, en doelt daarbij op Sander Kollaard en zijn boek Uit het leven van een hond, een roman die volgens Schouten het zeker waard is de prijs te winnen. Zo neemt hij elke genomineerde titel onder handen en besluit dat het zes zeer geslaagde en verhalen vertellende boeken zijn die gaan over het mensbeeld van mannen en vrouwen. ‘Dat is kennelijk wat de literatuur nu vraagt: goeie verhalen.’

    Om te besluiten met een pleidooi dat de prijs naar Manon Uphoff moet gaan, ‘die van iets verwerpelijks in deze soms wel erg moralistische MeToo-tijden een subliem en spetterend vuurwerk heeft gemaakt. Echt heel erg goed.’

    De genomineerden zijn:

    Saskia De Coster met Nachtouders
    Sander Kollaard met Uit het leven van een hond
    Marijke Schermer met Liefde, als dat het is
    Oek de Jong met Zwarte schuur
    Manon Uphoff met Vallen is als vliegen
    Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar

    Lees hier het artikel op Trouw online.

     

     

  • Verstilling

    Met een cadeautje op weg naar zijn vrouw fietst Oek de Jong over de Dam. Hij stopt even om het straatbeeld in zich op te nemen. Niemand te zien. Leeg. Hij moet denken aan zijn oom Ad Windig, die Amsterdam tijdens de hongerwinter in foto’s heeft vastgelegd. Oorlog, vervreemding en verstilling zijn begrippen die voor altijd verbonden zullen blijven aan deze coronacrisis. 

    We zijn in oorlog met het virus en gaan deze crisis eensgezind bestrijden. We sluiten de grenzen. ‘Koopt eigen waar, dan helpen wij elkaar’, klinkt de leus der solidairen. In Bergamo zoeken ze het maar uit. Wel vreselijk natuurlijk, maar helaas. Hadden zij hun zaakjes maar beter op orde moeten hebben, net als wij. Onze overheid heeft diepe zakken. Er wordt driftiger gevlagd dan ooit, al is het niet met de Europese. De mensen in de verpleging op de ic’s zijn onze frontsoldaten, onze helden. Van hun belevenissen wordt dagelijks in frontberichten verslag gedaan op tv. Ze worden toegezongen vanaf balkons, op straten en op pleinen. Helaas wijst de geschiedenis uit dat het zelden goed afloopt met soldaten. Na afloop rest er nooit veel meer dan een mooie medaille wegens betoonde heldenmoed. 

    Vervreemding. ‘Zo’n klein kutschermpje!’ flapt Oek de Jong eruit als hij het heeft over een stukje in The Guardian, over het afscheid van een zoon van zijn moeder die in een verpleeghuis op sterven ligt. De verpleegkundige was zo vriendelijk de zoon proces via Skype te laten meebeleven. Zelf kreeg ik een persiflage daarop toegestuurd, geënt op de smartlap van Willy Derby uit 1930, ‘Hallo Bandung!’ Daarin bezwijkt een moeder van verdriet en eenzaamheid tijdens een telefoongesprek met haar zoon in Indië. Ja, de zegeningen van de techniek zijn legio, tijd voor smartlappen. 

    Beeldbellen is razend populair bij opa’s en oma’s, die hun kleinkinderen niet meer mogen knuffelen. Drones waarschuwen de mensen op de stranden om de grenzen van het nieuwe normaal in acht te nemen, in Singapore worden zij daarop attent gemaakt door robots. Apps gaan zorgen voor onze veiligheid. Dat vinden de meeste mensen fijn. En de huisarts stelt een diagnose op basis van een door de patient gemaakte en in het patiëntenportal geüploade foto. Efficiënter, minder  geneuzel en minder besmetting. Maar er is ook verstilling. ‘Sodeknetter’, verzucht Oek de Jong zwervend door de verlaten straten van de stad, ‘dat ik hier mag wonen!’ Je kijkt anders, niet afgeleid door het gekrioel van de mensen, van het verkeer en de herrie om je heen. Dat is de blik van de kunsthistoricus Oek de Jong, maar hoe kijkt de doorsnee burger daar tegenaan. Is het de stilte voor de storm? 

     

    Oek de Jong werd op 6 mei geïnterviewd door Yoeri Albrecht in de Balie.


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis en zoekt naar verbindingen.

  • De donkerte onder het genot

    De donkerte onder het genot

    Op een zeldzame uitzondering na zijn Nederlandse auteurs doorgaans geen krullendraaiers. De literatuur van de lage landen moet het niet echt hebben van mooischrijvers. Die nuchterheid zal misschien aan de volksaard liggen, maar anderzijds is het wel opvallend dat de schrijvers van dit land heel wat gedenkwaardige personages hebben voortgebracht. Van Frits van Egters tot pakweg Alfred Issendorf of Jörgen Hofmeester: als de Nederlandse literatuur ergens in uitblinkt, is het wel in het neerzetten van sterke, geloofwaardige romanfiguren. Aan dat lijstje mag ook Maris Coppoolse toegevoegd worden, protagonist van Oek de Jongs roman Zwarte schuur.

    Pijnlijke herinneringen

    Maris is een kunstschilder die zijn leven op het eerste gezicht aardig voor elkaar heeft. Zeker, de relatie met zijn vrouw Fran vertoont ernstige barsten, maar er wordt een overzichtstentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum aan hem gewijd en zijn werk wordt internationaal gewaardeerd. Toch sluimert er een diepgeworteld, onderhuids ongenoegen in de kunstenaar: ‘Het gevoel van wachten werd elke dag sterker. Onder de mensen deed hij wat hij moest doen, professioneel, vol energie, met een lach, maar zodra hij alleen was zakte hij in. De catalogus van zijn tentoonstelling wilde hij niet meer zien – het leek hem een grafzerk. Hij kon zich er niet toe zetten ook maar één artikel over zijn werk te lezen. Het weerzien met zijn schilderijen riep herinneringen aan zijn jonge jaren in hem op, vooral de pijnlijke herinneringen, de pijnlijke momenten.’

    Een van die pijnlijke momenten is Maris altijd blijven achtervolgen in zijn leven. Het gaat om wat zich ooit afspeelde in de zwarte schuur uit de titel, een bouwsel in het Zeeuwse boerendorp waar Maris zijn jeugd doorbracht. Het hele boek, zeg maar Maris’ hele leven draait daarom, en tegelijkertijd is de concrete informatie over wat daar werkelijk is gebeurd beperkt. Wat weten we uiteindelijk over die schuur? Maris belandt er op zijn veertiende met Matty, een meisje uit de buurt. Het is een zondagmiddag, er hangt elektriciteit in de lucht, de twee klimmen op een hooizolder, binden elkaar beurtelings vast. De licht erotische sfeer slaat om als ze aan zijn prille mannelijkheid durft te twijfelen, ‘Jij bent geen echte jongen,’ zei ze. ‘Meer een soort meisje.’ Maris geeft Matty een duw, het meisje valt van de hooizolder en overleeft de klap niet.

    Twijfel over de waarheid

    Een ongeluk, zegt Maris. De verteller lijkt daar ook van overtuigd te zijn. Maar zijn zij betrouwbaar?  Zou het kunnen dat de informatie over het voorval niet alleen met mondjesmaat wordt vrijgegeven om de spanning op te bouwen, maar ook om twijfel te zaaien? Zo zijn er nog wel een aantal zaken in dit boek die vragen doen rijzen. Er lijkt bijvoorbeeld een confrontatie op til te zijn met Corné Tramper, de broer van Matty en Maris’ zwarte beest, een man van wie hij werkelijk bang is. Maar uiteindelijk blijkt Corné toch niet zo’n geweldenaar te zijn. Wat als Corné’s overtuiging dat zijn zus werd vermoord, klopt? Hoe moet het dan op hem overkomen als Maris een schilderij maakt over de schuur waar Matty stierf? De twijfel over Maris’ oprechtheid wordt nog groter als er nog een incident met een heroïnehoertje volgt waaruit blijkt dat hij soms zijn zelfcontrole verliest en opeens gewelddadig kan worden.

    We weten echter niet hoe de vork precies in de steel zit, en die spanning maakt Maris zo interessant: hij is niet zwart of wit. Er is alleen zekerheid over de onmogelijkheid om te ontsnappen aan zijn achtergrond, over de Zeeuwse klei die hij niet van zich af krijgt geschud. Maris gelooft niet in ‘opnieuw beginnen’. Er is een schaduw die hem altijd volgt, ‘Maar onder het genot lag de donkerte, die hem altijd als een schaduw vergezelde, zoals die uit zee opspringende dolfijnen vergezeld gingen van hun schaduw die over de zee flitste.’
    Hij weet dat hij niet aan zichzelf kan ontkomen, ook al rijdt hij in een opwelling naar Frankrijk, op de vlucht voor zijn demonen en op zoek naar loutering bij het door hem bewonderde werk van de vijftiende-eeuwse schilder Grünewald: ‘Met de punt van zijn schoen hakte hij een gat in het ijs. Hij boog zich voorover om met zijn hand het water op te scheppen en er zijn gezicht mee te wassen. Een paar seconden was de onrust er niet, een paar seconden was er alleen de zon die hem verwarmde, de schittering van het ijs en zijn hand die water schepte op een plek waar hij nog nooit eerder was geweest.’

    Zoals het leven zelf

    De lezer krijgt dus geen netjes afgerond verhaaltje, geen eind goed al goed en ze leefden nog lang en gelukkig, want zo zit het leven niet in elkaar. Evenmin pretendeert De Jong met dit boek volledige duidelijkheid te scheppen over de mens en zijn drijfveren, over wat er zich werkelijk afspeelt in het bovenkamertje en onder de motorkap, als alle beschermlagen weg zijn en de schone schijn wordt doorgeprikt. Met Maris heeft hij een personage gecreëerd dat je af en toe in staat stelt om misschien een glimp op te vangen van die waarheid, of daar op zijn minst over laat nadenken. De fragiliteit van Maris’ bestaan, het besef dat het onheil altijd om de hoek loert en het einde nooit ver weg is, komt bijvoorbeeld tot uiting in de passage, waarin Oek de Jong zijn hoofdpersonage confronteert met het plotse sterfelijkheidsbesef dat een mens opeens kan overvallen:

    ‘Maris reed rustig, zorgvuldig, met soepele bewegingen, en vaker dan nodig was keek hij in zijn spiegels. Bij het verlaten van de tunnel wierp hij een snelle blik op de plek waar hij had kunnen verongelukken. Hij had de vangrail van de tunnel op een haar na gemist. Een autowrak met een volledig in elkaar geperste voorkant had daar nu kunnen staan, de snijbranders hadden hun werk gedaan, de ambulance was weg, er was een kraanwagen gearriveerd, politiewagens met blauwe zwaailichten waren nog ter plaatse, een agent was bezig het versplinterde glas bij elkaar te vegen.’

    Great Dutch Novel

    De stijl van Oek de Jong is essentieel voor de mistige sfeer die hij schept. Je zou hem kunnen omschrijven als een schrijver van de bedrieglijke eenvoud, van een misleidend less is more. Want terwijl de openingszin, ‘Zwijgend zaten ze in de trein.’ nog niet meteen argwaan wekt, volstaat iets eenvoudigs als, ‘Maris wendde zijn blik af’, verderop in dit boek al om de lezer zijn oren te laten spitsen. Kortom, je krijgt nooit echt hoogte van die ongrijpbare man, maar hij laat wel een diepe indruk na. Mocht de term Great Dutch Novel niet zo potsierlijk en on-Hollands klinken, je zou haast zeggen dat Zwarte schuur voor die titel in aanmerking komt.

     

  • Oogst week 38 – 2019

    Zwarte schuur

    Onvoorspelbaar, anders en toch onmiskenbaar Oek de Jong. Dat zijn de eerste geluiden die je hoort over Zwarte schuur, de nieuwe roman van Oek de Jong.
    Zwarte schuur begint met de opening van een tentoonstelling van het nieuwe werk van de succesvolle kunstenaar Maris Coppoolse:

    … ‘Maris sprak kort, zoals hij altijd deed bij openingen. Hij maakte indruk door zijn zware stem met het Zeeuws accent, door zijn forse gestalte en opvallende kop met lange, rechte neus, zwarte haren, met grijs doorschoten, en helblauwe ogen. Hij leefde al bijna veertig jaar in grote steden, maar je kon nog altijd aan hem zien dat hij van het platteland kwam en dat zijn mannelijke voor- ouders boeren en landarbeiders waren geweest, net zo uit de kluiten gewassen als hij en met net zulke grote handen. Op deze avond in september hing er bovendien de aura van een grote ten- toonstelling om hem heen – vijftien zalen met schilderijen, het werk van een half leven – en van een al weken durende voorpubliciteit.’

    Maar dan wordt pijnlijk duidelijk wat hem al die jaren heeft geïnspireerd, een catastrofe uit zijn jeugd, waar hij al die jaren mee heeft moeten omgaan.

    Zwarte schuur gaat over dit leven van de kunstenaar, zijn huwelijk en zijn jeugd. Binnenkort hier een recensie.

    Zwarte schuur
    Auteur: Oek de Jong
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Sal

    Een jong meisje wil haar jongere zusje beschermen tegen haar vader. Koste wat kost. Bijna een jaar lang bereidt zij daarom een vlucht voor. Ze steelt een landkaart uit de schoolbibliotheek. Met gestolen creditcards koopt ze een kompas, een goed mes, regenjassen en een ehbo-set. Ze informeert zich op het gebied van overlevingstechnieken en leert zichzelf hoe ze een schuilplaats kan bouwen en vuur kan maken. Maar de praktijk is weerbarstiger dan de theorie. Het wordt een strenge winter en haar zusje heeft een arts nodig.

    Dit bijzondere verhaal dat zich afspeelt in de barre Schotse natuur is het debuut van Mick Kitson (1962). Deze journalist werd op zijn 40ste leraar. Uit onvrede over de boeken op de leeslijst van zijn leerlingen schreef hij Sal dat meteen een groot succes werd.
    Sal werd o.a. door The Scotsman bekroond tot een van de ‘Beste Schotse Boeken van 2018’ en The Guardian schreef: ‘Sal is an ambitious and skilled novel. Literature needs more stories like this.

     

    Sal
    Auteur: Mick Kitson
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    De ziekte van Weimar

    Ook Kees ’t Hart vindt het belangrijk dat middelbare scholieren goede literatuur op hun lijst zetten. Hij heeft in ieder geval dit voorjaar meegedaan aan de serie ‘De ideale leeslijst’ in een toe te juichen serie in de Groene Amsterdammer afgelopen voorjaar.

    ’t Hart zet zich ook in Den Haag in voor de literatuur. In het Nationale Theater organiseert hij samen met Hans Muiderman het programma Over boeken. Drie verschillende gasten praten onder leiding van Kees ’t Hart over drie boeken. Tussen de gesprekken door is er livemuziek, een debuterende schrijver en maken de toeschouwers kans op een gratis boek. De volgende editie van Over boeken is op 2 oktober a.s.

    Maar het gaat hier natuurlijk om zijn nieuwe roman, De ziekte van Weimar. Deze keer speelt het verhaal zich af in 1807 in Franeker. Aan de Academie aldaar komt geld vrij voor de oprichting van een monument ter ere van de nieuwe wetenschap en maatschappij. Men is diep onder de indruk van een beeld in Goethes tuin in Weimar. Albert van Huszen reist daar per koets heen, vergezeld door de leden van de Franeker ceremoniële commissie om er met de schrijver en wetenschapper te overleggen over een replica van het beeld. Op te richten in Franeker, maar dan groter en grootser.
    In Weimar heerst na de Slag bij Jena van 1806 nog steeds chaos. Bovendien verdringen tientallen bezoekers zich voor Goethes huis; iedereen wil bij hem op audiëntie. Hij laat zich zelden zien. De tijd dringt als Albert erin slaagt hem te spreken.

    De ziekte van Weimar
    Auteur: Kees 't Hart
    Uitgeverij: Querido
  • Zomerlezen – Tijd voor dikke pillen

     

     

     

    Max, Mischa & het Tet-offensief

    De zomertijd leent zich bij uitstek voor het lezen van een ‘dikke pil’. En een dikke pil kun je dit wel noemen: 1232 pagina’s. Verslavend ook. Als je je er eenmaal toe hebt kunnen zetten, is het moeilijk om weg te leggen. Het kan overigens wel, want je pakt het makkelijk weer op. Verleden jaar won het boek de Europese literatuurprijs en kreeg het behoorlijk wat aandacht; binnen korte tijd verschenen zes drukken. Terecht, wat mij betreft. De vertalers Edith Koenders en Paula Stevens verrichtten een tour de force, ook nog eens omdat ze elke verwijzing naar (jazz)muziek, schilderkunst, toneel en film natrokken; niet alles bleek namelijk in de werkelijkheid te bestaan, maar was door de in 1979 geboren Noorse auteur verzonnen.
    De schrijver zei eens dat hij in 3D schrijft, perspectivisch zeg maar en dat is raak uitgedrukt. Het boek bestaat, zoals een recensent van de Volkskrant schreef, uit ‘een verhaal dat je meesleurt, doet zwoegen en ontredderd achterlaat’.

    Max, Mischa & het Tet-offensief
    Auteur: Johan Harstad
    Uitgeverij: Podium b.v. Uitgeverij

    Jozef en zijn broers

    Het kan altijd nog dikker: 1343 pagina’s omvat de Nederlandse vertaling van Thijs Pollmann van de vier romans van Thomas Mann die tezamen Jozef en zijn broers vormen (uitgave Wereldbibliotheek). Ik had er, toen het zo’n drie jaar terug op de tafel met nieuwe aanwinsten in mijn bibliotheekfiliaal lag, wel mee in mijn handen gestaan, maar het toch maar weer teruggelegd. Tot ik een cursus erover aangekondigd zag, het kocht, las en verkocht was. Zoals eigenlijk bij alles wat ik tot nu toe van Mann las, of het nu om korte verhalen of z’n lijvige boeken gaat.
    De boeken van Jozef en zijn broers zijn geschreven in de periode 1933-1943 en Mann koos in die gistende tijd in de wereld niet voor niets voor dit joodse Bijbelverhaal. Je kunt het lezen als een aanklacht tegen het virulente antisemitisme van die tijd, maar ook als zoveel meer. Ik weet weer waarom ik destijds op de cursus intekende en het boek ademloos uitlas, met al zijn reminiscenties aan bijvoorbeeld de filosofie uit de tijd van Mann: als tegenwicht tegen opvattingen die nog steeds sluimeren en op zijn tijd helaas weer lijken aan te wakkeren.

    Jozef en zijn broers
    Auteur: Thomas Mann
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Pier en oceaan

    Het minst omvangrijk van de drie boeken is de roman Pier en oceaan van Oek de Jong (uitg. Augustus): 816 pagina’s, maar een dikke pil blijft het. Ik kan me nog herinneren dat ik het pal na verschijnen las en hoe het me bij bleef. Niet omdat het aan onder meer het gelijknamige werk van Mondriaan doet denken, maar gewoon, op zich, als autonoom literair werk van grote klasse.
    Een roman, een familie-epos eigenlijk, over de jeugd van Abel Roorda, over zijn religieuze afkomst, zijn familie, Friesland, Zeeland, de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw.

    Tot in de details herkenbaar. Zo is er een passage over Abel Roorda die samen met zijn vriend Job tijdens een leerlingenavond op school als piano-cello-duo optreden. Ze spelen een werk van de Duitse componist Paul Hindemith, maar omdat ze dit niet modern genoeg vinden, improviseren ze tussen de delen door. Een passage die me deed denken aan mijn eigen dwarsheid, toen mijn hoboleraar mij de Sonate van Hindemith liet instuderen, terwijl ik veel liever op dat moment eerst die van Poulenc op had gepakt. Ik trok aan het kortste eind.
    In de roman van De Jong zijn het, ondanks het grote gebaar, de kleine dingen die het hem doen. Daarin doet het op een bepaalde manier denken aan het boek van Johan Harstad, die weliswaar niet in twee provincies maar in twee uiteinden van de wereld speelt, Noorwegen en Amerika. De globalisering heeft inmiddels toegeslagen, maar toch.

    Pier en oceaan
    Auteur: Oek de Jong
    Uitgeverij: Uitgeverij Augustus
  • Het raadsel, de vrouw

    Het raadsel, de vrouw

    De storm over het boekenweekthema, en de voor de jaarlijkse geschenken gekozen schrijvers, is nog maar net gaan liggen – hoewel iemand die duidelijk niet aan woorden genoeg heeft het nodig vond de CPNB te bekladden – en ik lees Hokwerdas kind van Oek de Jong. Ook ik heb een mening over De moeder, de vrouw. Over vrouwen praten en schrijven, dat is niet aan boekinhoud gebonden, die twee mannen gun ik het van harte, mijn bezwaar zit hem in dat over. Over betekent: niet met. Maar ik wilde geen column schrijven over de boekenweek. Het is ruis, een stoorzender. Intussen bevindt een deel van mijn wezen zich in de romanwereld van Oek de Jong. 

    Hokwerda’s kind is goed geschreven – nee, meer dan goed geschreven, de taal is zinderend en sensueel, het verhaal spannend en dan is daar ook nog Amsterdam, dat tot leven komt als een volwaardig personage. Toch hapert er iets, iets weerhoudt me van de volledige overgave zoals ik die het liefst dankzij een verhaal ervaar.
    In de biografie op zijn persoonlijke website schrijft Jan Siebelink ‘(…) dat vooral mannelijke auteurs in staat zijn om onuitwisbare vrouwenfiguren te scheppen.’ Hij is allerminst ironisch en vervolgt: ‘Misschien omdat zij meer oog hebben voor het raadsel van de vrouw. Een vrouwelijk auteur wil haar heldin helemaal transparant maken. Een mannelijk auteur zal het raadsel heel willen laten.’

    Er is veel over die laatste twee zinnen te zeggen maar vooral over dat raadsel blijft hangen. Telkens wanneer het in Hokwerdas kind over Lins uitpuilende ogen, hoge taille, sterke lichaam en ronde vormen gaat, keer ik bij dat raadsel terug. Dan vraag ik me af of we – lezers van onze tijd, mensen die zich bezighouden met het boekenweekthema en de discussie daaromtrent – deze roman nog zouden ‘pikken’ wanneer hij nu zou zijn verschenen. Is Lin een geloofwaardig, op zichzelf staand vrouwelijk personage of is zij juist een (mannelijke) fantasie: niet zozeer een raadsel, maar eerder een wens? Is haar geschiedenis te plat, het waarom of de oorzaak ervan te rechtlijnig? Dit zijn vragen die ik mijzelf liever niet stel. Ik wil niet gehinderd worden door toetsen uit de werkelijkheid en al helemaal niet door speldenprikjes van andere schrijvers. 

     Later spreek ik een collega-schrijver. Zij, even kwetsbaar als getalenteerd, heeft zich teruggetrokken van de stoorzenders en de ruis. Eindelijk beleeft ze weer plezier aan het schrijven van haar volgende roman. Terwijl ze ruw het verhaal schetst, denk ik aan die eerste scène: Hokwerda die, sarrend, steeds maar weer de kleine Lin het water ingooit. De kracht van het hoofdstuk zit hem in wat er tussen de regels verscholen ligt.
    Als ik de roman noem bekent zij nooit boeken te lezen die tegen haar eigen materie schuren. Te veel ruis. Gelijk heeft ze. In de trein naar huis denk ik aan haar woorden en hoe deze schrijver uit een heel donkere bron put. Het is die bron die Oek de Jong zo schitterend tot leven wekt in Hokwerdas Kind. De rest, ja, is ruis. 

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

     

     

     

  • Herlezen van een debuut

    Herlezen van een debuut

    Een boek herlees ik als het iets bij me teweeg heeft gebracht, zoals Cirkel in het gras van Oek de Jong, Wacht tot het voorjaar Bandine van John Fante, of Strikt van Minke Douwesz. Veel boeken hebben aan een eerste lezing genoeg, romans met een plot die je wegleest als eet je een doos bonbons leeg. Boeken die de boekenkast niet halen. Dan zijn er de boeken die met een zekere overtuiging in de kast worden gezet. Waaronder debuten die nieuwsgierig maken naar een volgend boek. Niet zelden blijft dat volgende boek uit en zul je nooit weten hoe een debutant zich in zijn schrijverschap ontwikkeld heeft. Die boeken blijven vereenzaamd in de kast staan, zoals Moorddiner van Mohana van den Kroonenberg en De smaak van ijzer van Elisabeth van Nimwegen.

    Van De smaak van ijzer herinner ik me dat ik het goed geschreven vond en dat de onderlinge relaties nogal fysiek en intiem waren. Met Moorddiner, een verhalenbundel, had ik moeite met ‘iets’ ongrijpbaars in de verhalen. Het ging er nogal zwaar aan toe in Moorddiner. Verhalen die je na lezing een verloren gevoel geven, toch was het dat schurende wat me intrigeerde. Ik moet het nog eens lezen, alleen al om te kijken of er in mij iets veranderd is waardoor ik er nu wel uit kan halen wat er beslist in zit.

    Maar eerst herlas ik De smaak van ijzer, een coming of age-roman over twee studentes aan de toneelopleiding in Maastricht. Bij herlezing bleek dit naast een coming of age, ook een ware #MeToo- roman te zijn. Er komt een regiedocent in voor die zich vanuit zijn positie nogal bruut aan hen vergrijpt. De overheersing van man-vrouw, docent-leerling verhoudingen die in deze kleine roman schuilt, was me bij eerste lezing volledig ontgaan. Ik had het gelezen zoals ik ooit De negerhut van oom Tom had gelezen; wat daar aan mensenleed in voorkwam nam ik aan voor wat het was; een verhaalgegeven en van de werkelijkheid had ik geen idee.

    Daar had de #MeToo beweging van het afgelopen jaar verandering in gebracht waardoor deze roman opeens aan inhoud had gewonnen. Ik dacht: ‘Dat niemand dit boek onder de aandacht heeft gebracht! Hier staat het allemaal in.’ Het overrompelende van docent naar student, hoe afhankelijkheid werkt; het werd me door deze roman opeens haarfijn duidelijk.
    Vooral in de toneelwereld waar alles ‘moet kunnen’, waar je hele hebben en houden tentoon gesteld moet worden (anders kan je opstappen) en grenzen van mijn en dijn vervagen. Het is vooral de tegenkracht die de vertelster ontwikkelt waarbij de betekenis van de titel – De smaak van ijzer – op verrassende wijze verklaard wordt. Lees dit boek, en had ik al gezegd dat het zeer goed geschreven is?

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Dikke pillen lezen

    Met meer dan voor mij normale belangstelling heb ik de verkiezingscampagnes van de afgelopen maanden gevolgd. Zeker sinds het najaar – na Brexit en Trump – ben ik benieuwd wat de Nederlander in het stemhokje rood maakt. Het is een prachtige dag om te stemmen. Dat is het altijd op verkiezingsdag, want als je je laat leiden door het weer of je wel of niet gaat stemmen, dan kun je misschien maar beter laten uitschrijven als stemgerechtigde. Dan ben je je niet bewust welke plicht je als burger van dit land hebt om de democratie te vieren. Maar het kan ook zijn dat je je afkeert van de hedendaagse prestatiesamenleving of dat het je weinig kan schelen, omdat je stem er niet toe doet. Ik ken ook al deze varianten, heb er zeker mee geworsteld, maar uiteindelijk ben ik altijd gaan stemmen. Dat ga ik straks weer doen. Dan mag ik in een school iets verderop, gebouwd in de naoorlogse jaren in een mooi lokaal met vele en grote ramen mijn burgerplicht doen.

    Met de verhevigde aandacht voor de politiek, ontstond er de voorbije maanden een andere verhevigde gedragsuiting. Ik ging steeds vroeger naar bed. En al overdag intensiveerde het verlangen ernaar. Mijn vriendin zat alleen in de woonkamer, tv te kijken, te appen, te werken. Maar ik ging naar boven. Want ik ging, in tegenstelling tot voorheen, ineens dikke pillen lezen. De verhalen van Frans Kellendonk, Het complot tegen Amerika van Philip Roth, Pier en Oceaan van Oek de Jong. Ik vond het heerlijk om na een dag met de actualiteit te hebben geworsteld, weg te zakken in een bad van taal en de verbeelding aan de macht te laten komen. Deze week lig ik met Dina Houttuyn in bed. De tobbende hoofdfiguur uit Pier en Oceaan. Wat een schitterende, literaire evocatie van de naoorlogse jaren heeft De Jong uit zijn pen gekregen zeg. De Jong weet je de jaren en de personen die hij beschrijft zeer nabij te brengen. En dat zal de reden zijn dat ik steeds vroeger naar boven sloop. Ik voelde me, zoals Friedrich Nietzsche in een brief schrijft, ‘afgemat als een eendagsvlieg bij avond’, na het dagelijkse info-bombardement. En dan liet ik me meeslepen door Ludwig Unger naar Engeland, in Tommy Wieringa’s Caesarion of naar het Amerikaanse Newark door Philip Roth in Het Complot tegen Amerika.

    Straks op naar het stemlokaal, de zon in, naar buiten, het voorjaar tegemoet. Benieuwd of ik daarna weer de korte baan pak, het verhaal, het gedicht en het essay. U hoort van mij. En … stem wijs!

     

     

  • Openhartig over lotsbestemming

    Openhartig over lotsbestemming

    In 1977 debuteerde Oek de Jong. Hij was 25. Twee jaar later beleefde hij een ongekend succes met zijn eerste roman, Opwaaiende zomerjurken. Bijna veertig jaar later is er nu Het visioen aan de binnenbaai, een verzameling stukken over onder meer zijn loopbaan, zijn ambacht en bewonderde schrijvers, boeken en beeldend kunstenaars. Alles wat hij bespreekt, van de geschiedenis van de fotografie tot en met zijn vriendschap met Frans Kellendonk, draagt bij aan een mozaïek-achtig zelfportret: de mens, de kunstenaar, wat hem bezielt. Of beter gezegd, geen zelfportret maar een schets van datgene wat onder het oppervlak schuil gaat: de bodem waaraan alles ontspruit, constanten en ontwikkelingen; het mycelium. Daar gaat het om in dit boek. De Jong is nu bijna 65 en begint een beeld te krijgen van wie hij al die tijd was, of beter gezegd: van wie hij allengs in eigen ogen is gebleken te zijn.

    Alles aan de presentatie van dit boek dwingt ons het te lezen als een innerlijk zelfportret in fragmenten. De omslag toont een foto met de titel ‘A Balancing Act’, waarop een man een metershoge, licht overhellende stapel van het een of ander behendig overeind houdt. Dit beeld past bij een verzameling ogenschijnlijk losse artikelen net zo goed als bij een veertigjarig schrijverschap en, vooruit, bij een mensenleven. Het boek heeft verder een citaat van Ezra Pound als motto meegekregen: ‘A poet should build us his world’, iets wat zal gelden voor zowel dit enkele boek als voor het gehele oeuvre. En dan de titel. Wat zegt die ons?

    De titel is ontleend aan De tienduizend dingen, het beroemde boek uit 1955 van Maria Dermoût, over wie we hier een stuk vinden dat ons meteen naar Dermoûts werk zélf doet grijpen, want De Jong slaagt erin zijn liefde voor zijn onderwerp over te dragen. Dat blijkt uit meer van de hier verzamelde beschouwingen en dat is een van de redenen waarom dit boek zo goed is.

    In Dermoûts roman beleeft een oude dame een visioen. Ze kijkt uit over een baai van het eiland Ambon, waar ze woont, ‘en ziet plotseling de mensen en dingen van haar leven opdoemen.’ Het is ‘het visioen van de Kokospalm van de Zee’, een ‘beeldenreeks’ die haar verwart en ontroert:

    Wat gebeurde er met haar, ging zij dood, waren dit haar ‘honderd dingen’?

    Zij zat rustig in haar stoel, het waren ook geen honderd dingen, en niet alleen van haar, honderd keer ‘honderd dingen’, naast elkaar, los van elkaar, elkaar rakende, hier en daar in elkaar vervloeiende, zonder ergens enige binding, en tegelijkertijd voor altijd met elkaar verbonden…

    En dan volgt een slotsom die denkelijk ook voor De Jong geldt:

    Een verbondenheid die zij niet goed begreep; dat hoefde niet, het viel niet te begrijpen, haar voor een ogenblik gegeven (…)

    ‘Tienduizend dingen’, d.w.z. het hele leven, gefragmenteerd en verbonden tegelijk, hoogst eigen en toch ook gedeeld, voor altijd met elkaar verbonden en slechts een ogenblik beseft. Dit inzicht, en het inzicht in dit inzicht, geeft troost, aldus De Jong. Dat het geen visioen is boven de grenzeloze oceaan maar boven een beschutte baai, een binnenbaai zelfs, geeft aan dat hij snapt dat zijn blik op leven en wezen onherroepelijk beperkt blijft. Geen wonder, gezien het stuk ‘De geestdrift van Meister Eckhart’. Daarin vertelt hij niet alleen hoe hij zich taal en gedachtegoed van de beroemde mysticus op een niet-godsdienstige manier heeft eigen gemaakt, maar ook hoe hij sommige van diens opvattingen herkent in de praktijk van het creatieve proces.

    We hebben hier dus te maken met een boek waarvan de onderdelen op zichzelf staan en tegelijkertijd met elkaar verbonden zijn. De meeste stukken gaan over literatuur (o.a. Flaubert en Vasalis), twee gaan over fotografie en twee over beeldende kunst (Rembrandt, Caravaggio). ‘Over het muzikale in de roman’ is een boeiende en, wat knap is, voor niet-schrijvers toegankelijke beschouwing over muzikale vormelementen in literaire teksten.

    Het boek opent met ‘De weg van de schrijver’, waarin De Jong vertelt hoe het hem verging in de tijd voor en na de verschijning van Opwaaiende zomerjurken en hoe hij pas daarná definitief voor die weg koos, of beter gezegd: hoe hij tot het besef kwam dat dat zijn lotsbestemming was.

    Dit inzicht komt tot hem terwijl hij uitkijkt over de zee bij Vlissingen – we denken even aan het visioen te Ambon – en opeens door zijn kijker twee zeelui aan boord van een tanker ziet. Als ‘enige mens ter wereld’ ziet hij hoe die ene man de andere een klap op zijn schouder geeft. ‘Het maakte een onverklaarbare diepe indruk op me.’

    In een beschouwing over De avonden van Van het Reve vinden we dit beslissende moment terug als hij het heeft over ‘die fameuze en magische voorlaatste zin van de roman: ‘Het is gezien, mompelde hij, het is niet onopgemerkt gebleven.’ De Jong vat De avonden op als uiteindelijk een boek over ‘verlossing’ en ‘ontferming’ en legt dan een verband met zijn eigen werk: ‘Romanschrijvers maken liefde mogelijk door te zien en niets onopgemerkt te laten.’

    ‘Verlossing’, ‘ontferming’ en ‘liefde’, het zijn begrippen die ons in herinnering brengen dat De Jong uit een protestants-christelijk nest stamt. Hij heeft de kerk achter zich gelaten, zo lezen we in het stuk over Eckhart, en in plaats daarvan vinden we in verschillende stukken sporen van belangstelling voor mystiek, boeddhisme. Ooit was hij lid van de ‘Platoclub’ van Andreas Burnier. De naam van Carl Jung valt niet, maar in het meest onverbloemd persoonlijke stuk ‘Over de mythe van Christophorus’, dat gaat over de kracht van mythische motieven, zelfs als die niet verstandelijk ‘begrepen’ worden, proeven we diens invloed of vinden we in ieder geval een zelfde soort benadering van archetypen en mythische beeldtaal.

    De beschouwing wordt voorafgegaan door een citaat van C.P. Snow: ‘… the archetypal forms that guide the human spirit, no matter whether we call them religious, symbolical or psychological…’ De slotzin luidt: ‘De mythe van Christophorus is een verbeelding van het ‘dragen’, het ‘dragen’ van anderen waardoor we, als we het in de praktijk weten te brengen, zelf meteen ook ‘gedragen’ worden.’ Uit dit ‘dragen’, net als uit die ‘liefde’ die hij in verband met De avonden noemt, blijkt dat De Jong in sommige opzichten het geloof van zijn jeugd niet verlaten heeft.

    Je kunt dit boek daarom lezen als een verslag van De Jongs geleidelijke ontdekking van de ‘archetypische vormen’ en krachten die hém tot gids zijn geweest en hem verbinden ‘met de diepste psychische realiteit’, zoals hij het noemt. In die zin is het ook een religieus boek.

    Het boek sluit af met herinneringen aan Frans Kellendonk, de schrijver die net als De Jong in 1977 debuteerde en razendsnel furore maakte maar al voor zijn veertigste, in 1990, overleed. Een leven dat heel kort parallel liep aan dat van De Jong. Het stuk heet ‘Twee eenlingen’, een titel dus waarin het aspect van ‘apart en toch verbonden’, zoals dat in het visioen aan de binnenbaai wordt beleefd, terugkeert. Aan het slot van deze herinneringen, en daarmee van de hele bundel, lezen we:

    ‘De stijl is het lichaam van de schrijver. Daarin komt zijn persoonlijkheid tot uitdrukking’, zei Kellendonk in een interview. Ook in zíjn werk heeft het wonder van deze transsubstantiatie zich voltrokken. In zijn werk kom ik hem op elke bladzij tegen.

    Ook in dit buitengewoon rijke, intelligente en openhartige boek komen we de schrijver op elke bladzij tegen. Niet alleen als de auteur, die veel te zeggen heeft en veel te denken geeft, maar ook als ‘onderliggend onderwerp’ van wat hij meedeelt. Van harte aanbevolen.