• Dystopische fantasie met een angstaanjagend vooruitziende blik

    Dystopische fantasie met een angstaanjagend vooruitziende blik

    Andrea Victrix, de derde roman van de Catalaan Llorenç Villalonga (1897- 1980), speelt zich af in onze nabije toekomst, 2050. Villalonga publiceerde de roman in 1974, hij keek ruim 75 jaar vooruit en die vooruitziende blik is even fascinerend als beangstigend, maar ook hilarisch. Het verhaal is een satire op de opkomst van het massatoerisme en de consumentenindustrie in de jaren zestig van de vorige eeuw op het eiland Mallorca, dat zich afspeelt in de hoofdstad Toerclub (afkorting van toeristenclub in de Middellandse Zee).

    Villalonga, geboren en getogen op Mallorca, zag de opkomst van massatoerisme, kapitalisme en hyperconsumptie met lede ogen aan. Hij schreef er talloze artikelen en columns over die uiteindelijk resulteerden in deze roman. Hij steekt niet onder stoelen of banken dat hij grotendeels geïnspireerd werd door Brave New World van Aldous Huxley. De fictieve kunstmatige drug Soma, wordt ook in Andrea Victrix veelvuldig gebruikt om vergetelheid te vinden tot de dood erop volgt. En net als in Brave New World bestaat in dit boek gender niet meer, de meeste mensen worden in laboratoria gecreëerd; uit liefde geboren kinderen zijn een schande, seks en genot hebben niets te maken met liefde. De Verenigde Staten van Europa met Parijs als hoofdstad zijn heer en meester van de wereld geworden. ‘Ze genoten een economische welstand die nooit eerder in de geschiedenis was geboekstaafd.’ De twee atoommachten Amerika en Rusland hadden elkaar uitgeroeid en waren van de aardbodem weggevaagd. ‘Toen een van de twee presidenten – men heeft niet kunnen achterhalen welke – een mug wilde doodslaan, schampte hij die knop, waardoor op slag zeven bommen op een van de twee rijken viel en bijna op hetzelfde moment zeven op het andere, en aldus werden de twee machten vernietigd.’

    Leven in een wereld van propaganda

    De naamloze verteller werd in 1965 ingevroren en ontwaakt vijfentachtig jaar later in 2050 in een totaal nieuwe wereld. Hij is dertig jaar jonger, een knappe man van eind twintig. Zijn eerste indruk is die van totale verwarring en frustratie, alles om hem heen is akelig en koud. Het verkeer raast om hem heen, overal zijn billboards met bewegende en schreeuwende reclames van stofzuigers en andere elektrische apparaten, die het leven zouden versimpelen, en dus verplicht aangeschaft moeten worden om de economie draaiende te houden. Om de haverklap is er een bord met de tekst: ‘De vooruitgang kan niet worden gestopt.’ De mierzoete genotsdrank Hola-Hola (‘subtiele’ verwijzing naar Coca-Cola) is de nationale drank en wordt in grote hoeveelheden gedronken. Robots en televisieschermen staan de mens bij in het dagelijks leven, een mens die al ernstig gedegradeerd is door kunstmatige, chemische voeding en vitamines. Alles ruikt naar chemie, constateert de verteller. In het belachelijk drukke verkeer vallen om de haverklap doden, waar niemand een traan om laat. Het is een wereld waarin decadentie en hedonisme zegevieren. Door de ogen van de verteller wordt de lezer slim meegenomen in deze nieuwe realiteit, die gek genoeg niet eens zo onrealistisch is.

    Op de eerste bladzijde wordt Andrea Victrix geïntroduceerd. Een goddelijke androgyn ogende schoonheid, rijdend in een rode Rolls Royce. De verteller stapt in, ze rijden op topsnelheid door de stad, veroorzaken bijna een dodelijk ongeluk, waar lacherig over gedaan wordt, maar de verteller raakt wel in de ban van hem, of is het toch een zij? ‘Ik schonk voor de eerste keer aandacht aan zijn lichamelijke schoonheid, die nog niet seksueel gedifferentieerd was. Een meisje, een verwijfde jongeman?’

    Genderneutraal

    Een van de belangrijkste thema’s in het verhaal is dat het grootste deel van de bevolking genderneutraal lijkt. Iedereen gaat gekleed in Romeinse kostuums, lange broeken of geklede japonnen zijn uit den boze. Uitspreken dat iemand man of vrouw is, is strafbaar en staat gelijk aan blasfemie. De verteller wordt heimelijk verliefd op de negentien jaar oude, mysterieuze Andrea Victrix, lief, maar ondoorgrondelijk.

    Andrea is Directeur van Plezier en zeer toegewijd aan het welzijn van de gemeenschap. Bij de verteller ontstaat naast verliefdheid ook frustratie. Hij probeert wanhopig Andrea’s geslacht te achterhalen. Vruchteloze pogingen, waardoor de ik worstelt met het idee dat hij daadwerkelijk verliefd zou kunnen zijn op een man. Ondertussen ontstaat er wel een band tussen hem en Andrea en probeert hij Andrea ervan te overtuigen dat de levenswijze van ‘vroeger’ zoveel beter was, waarmee hij Andrea in het verzet probeert te trekken.

    Verzet

    Want de verteller werpt zich op als criticus van de “beschaving” van 2050. Hilarisch beschrijft Villalonga hoe men zich verkleedt tijdens clandestiene speeches, om vooral niet te laten zien wie zich bezighoudt met het verzet tegen het regiem. Terwijl een van de sprekers ‘deze woorden sprak, keek hij naar de oude vrouwtjes, die geen spier vertrokken. Hier en daar werd gefloten en hij zocht de zaal af, maar het was gevaarlijk halverwege te blijven steken. Ik had het idee dat hij van zijn stuk raakte onder de schmink van femme fatale uit 1920; hij beet op zijn lippen, schikte zijn decolleté alsof het de revers waren van een ouderwets colbert en stak van wal.’

    Deze speeches worden breed uitgemeten en halen de vaart uit het verhaal. Villalonga heeft de behoefte om veel denkers uit de vorige eeuw te citeren en aan te halen om zijn kritiek te onderbouwen. De voornaamste is Pierre Teilhard de Chardin, de Franse pater jezuïet, natuurwetenschapper en theoloog, die trachtte het christelijk geloof in overeenstemming te brengen met de evolutietheorie. ‘In het materialistische tijdperk van jouw jeugd hadden jullie het over de Biosfeer (het dierlijke leven op de aardsfeer); in het geestelijke tijdperk waarin we nu leven, kunnen we spreken van de Noösfeer (leven van de geest). Je moet niet één enkele persoon vergoddelijken, maar de hele Mensheid, zoals de christenen zeiden. Daarom bepleiten wij het genot, la débauche, zonder te denken aan een bepaald wezen en zonder onderscheid van sekse; een genot waarin iedereen deelt…’ laat Villalonga Andrea Victrix betogen.

    De roman is een grote aanklacht tegen socialisme, industrialisatie en consumentisme, maar vooral tegen genderneutraliteit. Via talloze gesprekken tussen Andrea en de verteller en via de clandestiene speeches uit Villalonga zijn kritiek en zijn gewaarwording dat ‘de vooruitgang niet kan worden gestopt, ook niet wanneer duidelijk wordt dat de voordelen van nieuwe ontwikkelingen niet opwegen tegen de nadelen.’ Aldus vertaler Frans Oosterholt in het nawoord. Hij noemt Villalonga ‘een erudiete conservatief, een soort artistieke Bolkestein, bij wijze van spreken.’

    Hij heeft gezorgd voor een uitstekende vertaling uit het Catalaans, geen gemakkelijke opgave met name betreffende de genderkwestie, maar ook tussen de lichtvoetige humor en inktzwarte toekomstvisie houdt hij een goede balans. Helaas zijn er heel veel typfouten in de tekst blijven staan, wat de leeservaring regelmatig stoort. Maar dat deze roman stof tot discussie oproept, staat buiten kijf.

     

     

  • Oogst week 45 – 2025

    Strijden voor de mens – Oorlogsgeschriften (1936-1944)

    Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944) schreef meerdere romans, essays en brieven maar werd vooral beroemd, wereldberoemd, met De kleine Prins (1943). Bedoeld als kinderboek worden ook miljoenen volwassenen wereldwijd nog steeds geïnspireerd door het verhaal van een prinsje dat na een bezoek aan verschillende planeten op de aarde terechtkomt. Met de piloot die hij daar ontmoet voert hij gesprekken vol fantasie en wijsheid over vriendschap, verantwoordelijkheid en inzicht. De Sain-Exupéry was piloot en in de Spaanse burgeroorlog oorlogscorrespondent. In WOII werd in 1944 zijn toestel bij de kust van Marseille neergeschoten, waarbij hij omkwam.

    Strijden voor de mens is een selectie van essays, brieven en toespraken waarin De Saint-Exupéry de aard van de mens onderzoekt – soms met wanhoop in het hart – en signaleert hoe beschaving en respect worden afgebroken. Hij bericht vanuit de loopgraven in de Spaanse burgeroorlog en vanuit de lucht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Oorlog is volgens hem een ziekte die het mens-zijn ondermijnt. Hij zet wel uiteen waarom strijd onvermijdelijk is, maar blijft ook hoopvol over een mensheid waarin haat en wraak naar de marges worden gedrongen. De teksten getuigen van de aard van de Europese mens en zijn nog steeds actueel.

     

    Auteur: Antoine de Saint-Exupéry
    Uitgeverij: Nobelman

    Het woord en de wereld – Duidingen van een dichter

    Piet Gerbrandy (1958) is classicus, dichter en essayist. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en vertaalt uit het Latijn en Grieks. Hij heeft tientallen publicaties op zijn naam staan waaronder vijftien dichtbundels. Onder de talloze prijzen die hij won is de Frans Kellendonkprijs voor zijn gehele oeuvre. Het woord en de wereld is Gerbrandy’s zesde bundel essays. Daarin schrijft hij op inzichtelijke wijze over klassieke en hedendaagse poëzie.

    Het woord vooraf begint hij met: ‘Sinds Parmenides en Herakleitos zich tweeënhalf millennium geleden begonnen af te vragen wat ze onder het Zijn zouden moeten verstaan, hebben dichters, denkers, biologen en psychiaters gepoogd de meest uiteenlopende antwoorden op die vraag te geven, tot nu toe zonder eenduidig resultaat. (…) Het ontslaat ons echter niet van de plicht om de grote vragen te blijven stellen. Wie zijn we? Hoe staan we in de wereld? Wat is schoonheid? Hoe moeten we handelen?’

    Gerbrandy pretendeert niet hier antwoorden op te hebben. In de essays denkt hij na over die grote vragen via de gebieden filosofie, antropologie, biologie, religie en poëzie. Hij behandelt schrijvers en dichters uit de oudheid en uit het heden. Zo noemt hij Herman Gorter, Lucebert, Annemarie Esdor, Dante, en Griekse denkers. De tekst laat zich lezen als een doorlopend verhaal. Het eerste hoofdstuk ‘Zwammen, woorden en spiegels – Poëzie als symbiose’ begint dan ook met het bespreken van de kosmos. ‘De goden hebben ons verlaten, ze zijn ondergedoken, (…)’ Achterin legt Gerbrandy verantwoording af. Er is een bibliografie opgenomen en een namenregister.

     

    Auteur: Piet Gerbrandy
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Jij blijft

    Zestigjarige Sam krijg in de autobiografische roman  Jij blijft van Gerard van Emmerik te horen dat hij niet lang meer te leven heeft, een boodschap die hij eens goed moet verwerken. Hij besluit om er voorlopig niets over aan zijn partner Luc te vertellen. ‘De dood werd iets om serieus te nemen, om in hem te geloven, vooral ‘s nachts, want ik hoefde maar te gaan liggen of daar was hij, (…)’.

    De twee hebben al veertig jaar een stabiele relatie en de huiselijke sfeer wil Sam graag vasthouden, ondanks de kleine irritaties en zijn af en toe de kop opstekende verlangen om alleen te wonen. Toch wordt de vertrouwde sfeer onderuit gehaald als Sam zijn doodvonnis heeft gekregen. De onderhuidse spanning stijgt. Is het niet vertellen aan Luc, al zal hij het op een zeker moment wel gaan doen, een goede beslissing? ‘Ik blijf staan, misschien op een manier zoals een aanstaande dode dat doet.’ Als hij eindelijk open over zijn naderende dood wil praten gebeurt er iets onverwachts.

    Jij blijft is een met ironie geschreven ontroerende en intieme roman over liefde en dood, soms cru en tegelijkertijd subtiel. Van Emmerik (1955) publiceerde eerder tien romans en verhalenbundels.

    Auteur: Gerard van Emmerik
    Uitgeverij: De Kring
  • Twee aan twee

    Twee aan twee

    Het door Sven Schriever ontworpen omslag van de tweede roman van Leo Pauw brengt een kleine schok teweeg: het hele beeld van de titel doet aan oud-Duits schrift denken, maar dan wat strakker vormgegeven. Met als ondergrond de gebroken spiegels van het Auschwitzmonument van Jan Wolkers in het Amsterdamse Wertheimpark. Op het eind van het boek wordt de bedoeling van dit beeld duidelijk: Duits Angehaucht aan de ene kant en herdenken van de vermoorde joden uit Amsterdam aan de andere kant.

    Een stap verder is de titel: De tranen van de stad. De hoofdpersoon van het boek, David, kent ze – de tranen van Amsterdam over de uit hun midden weggevoerde joden. Soms denk je dat het beschrijvingen zijn van beelden uit de documentaire Verdwenen stad van Willy Lindwer en Guus Luijtens. Zij laten zich in tramlijn 8 (een berucht nummer, dat het GVB niet meer voert) door de stad rijden, wijzen elkaar panden aan. Lieux de mémoires zijn het, plaatsen die aan in dit geval de Tweede Wereldoorlog en kort daarna herinneren. Plekken waar ‘het’ gebeurde.

    De hoofdpersoon, David, laat ook zulke plekken zien en vertelt erover aan iedereen die er iets over wil horen en weten. Of – eerder – aan iedereen waaraan hij zijn verhaal maar kwijt kan: zijn geliefde Marthe (die eigenlijk rooms-katholiek als Martha was gedoopt), zijn uitgesproken kleindochter Pat die dierenactivist is en haar bedeesde vriendinnetje Liora.

    Als yin en yang

    Alles gaat in tweetallen, als yin en yang. David en Marthe, Pat en Liora. En vooral David en zijn oud-studievriend Arend, die met hem heeft gebroken. Waarom wordt aan het eind van de roman duidelijk. Het heeft alles met schaamte te maken.
    David is een sportieve oud-politiek journalist, geboren in 1944, geïnteresseerd in literatuur. Arend is een flirt, zenboeddhist en geïnteresseerd in filosofie. Ze kennen elkaar van de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (1965) en studeren daarna verder. David politicologie en Arend culturele antropologie. Ze ondernemen begin jaren zeventig als respectievelijk zesentwintig- en zevenentwintigjarige een tocht naar Jotunheimen, een berggebied in Oost-Noorwegen. Een ‘mooi, maar hard’ oerlandschap dat door Pauw prachtig wordt beschreven, met beelden als ‘een klein wak in de wolken’. Het gaat David ‘om het gevoel van nietigheid’, denkt Arend. En je ziet wéér beelden voor je, nu van een schilderij van Caspar David Friedrich, van een eenzame man op de rug gezien in een groots berglandschap.

    De overgang naar het tweede hoofdstuk is hard, want de stijl veranderd op slag. We zijn in Amsterdam en belanden in dialogen tussen de verschillende personages. David weet het allemaal wel heel erg goed en dat maakt hem – zeker in het begin – niet tot een al te aangename man in wiens doen en laten de lezer zich kan inleven. Vervolgens gaat het over de kennismaking tussen Arend en David, die – een opvallend detail dat in het verhaal een onverwacht grote rol speelt – bij de jeugd van de ‘jodenclub’ Ajax voetbalt. De beide jongens wonen in een huis bij de kunstenares Van Wijngaarden, waar ook nog een dementerende mevrouw De Vries woont. Hier weer een tweetal, dat overigens in het verloop van het boek geen rol meer speelt.

    David heeft een joodse moeder. Zij is voor de tweede keer getrouwd, met een man die afkomstig is uit het Friese land. Davids biologische vader is door de Duitse bezetters geëxecuteerd voor een van de villa’s op de hoek van de Apollolaan en de Beethovenstraat die ze in brand hebben gestoken. Beide hoeken vallen nu nog op door de nieuwbouw die daar later is gepleegd.

    Mozaïekroman en ideeënroman

    Het volgende tweetal wordt door een alwetende verteller qua karakter verder uitgewerkt: David en zijn geliefde Marthe. David is een rationele atheïst die wikt en weegt. Hij is een man van de bergen en de winter, van het ijzige Noorwegen. Marthe is een gevoelsmens, wat zweverig en spiritueel ingesteld. Ze is impulsief, houdt van de zomer en de zee. Ze zijn kortom even verschillend van elkaar als Arend en David, Pat en Liora. Marthe wordt afhankelijk van David, die haar van zich afduwt, hoewel het Marthe is die verliefd wordt op een collega van haar werk. Ze blijven vrienden en raken elkaar niet kwijt.

    Dan krijgt David opeens een brief van Arend. Hij zoekt weer contact. De mozaïekroman die stukjes waarheid toont, kantelt richting een ideeënroman waarin vraagstukken aan de orde komen als: bestaat er een verschil in vriendschap tussen mannen met mannen, en vrouwen met vrouwen? Wat is het activisme van Pat precies? Wat te denken van sociale media? Wat houdt schaamte in? Arend en David maken uiteindelijk weer samen een reis naar Noorwegen en Arend vertelt zijn verhaal, met name over zijn eigen vader. Meer weggeven hier is niet de bedoeling, maar duidelijk is dat David na die bekentenis als versteend achterblijft. Arend gaat lopen, de bergen in. Het boek eindigt in het land waar het ook vele jaren eerder begint. Tussen de bergen. Bergen als symbool voor leven en dood. De stad huilt, maar de bergen verstenen.

    Het boek is mooi geconstrueerd. De karakters zijn goed uitgewerkt. En hoewel de dialogen niet altijd even sterk zijn, zijn de natuurbeschrijvingen juist van hoge kwaliteit. Een roman tenslotte die door deze opzet doet denken aan Pauws debuut Riverside Drive. Ook hier is een gepensioneerde man de hoofdpersoon. In dit geval een historicus. Hij heeft geen dochter maar een zoon en een geliefde. Ook hier speelt een stad, New York, een grote rol. Niet de joodse geschiedenis ervan, maar de koloniale rol van Nederland in de historie van de stad. En ook hier komen beschouwingen voorbij over thema’s als liefde, verlies en dood. Het is een beproefd model gebleken, want alles bij elkaar heeft Pauw in een soortgelijk stramien wederom een boeiende, beeldende tweede roman geschreven.