• Een oeverloos bestaan

    Een oeverloos bestaan

    oeverloos (2022) is de geprezen debuutbundel van Nisrine Mbarki (1977). De bundel is zowel voor de C. Buddingh’-prijs (2022) genomineerd als voor de Herman de Coninckprijs (2023). In haar debuut snijdt Mbarki verschillende thema’s aan waaronder identiteit, taal, ouderschap, intergenerationele banden, kolonialisme en de zoektocht naar de (verloren) natuur van de mens.

    De letterlijke betekenis van oeverloos is volgens Van Dale: ‘Onbegrensd, zonder einde’. In de bundel wordt de meervoudigheid en onbegrensdheid van taal in de praktijk toegepast. Zo maakt Mbarki geen gebruik van interpunctie en krijgen alleen namen van landen, personen en titels een hoofdletter. Dit is geen slordigheid, maar een doelgerichte manier van schrijven die overeenkomt met het idee dat taal, en alles in het verlengde daarvan, oeverloos is. De woorden, zinnen en zelfs gedichten vloeien zo grenzeloos in elkaar over.

    Verschillende talen

    Door verschillende talen, waaronder Arabisch, Darija, Frans, Tamazight en Engels te verwerken in haar Nederlandstalige gedichten, illustreert Mbarki hoe centraal deze talen in haar leven staan. De hoeveelheid anderstalige woorden is weliswaar minimaal, maar heeft wel een duidelijke impact op de gedichten. Zo is de betekenis van deze woorden voor sommige lezers onbekend en ontstaan er taalbarrières die het metrum van het gedicht doorbreken en de lezer langer stil laten staan bij de tekst. Het is dan ook jammer dat er geen vertalingen in de voetnoten, achterin de bundel of op een website beschikbaar zijn. Dat is een gemiste kans, want de door mij gevraagde vertalingen die ik van Mbarki ontving blijken de bundel nog meer diepgang en betekenis te geven.

    Aan de andere kant, misschien zet deze “oeverloosheid” van taal sommige lezers wellicht voor het blok, maar het laat wel helder zien hoe krachtig de kennis van taal, of het tekort hieraan, kan zijn. De dichter toont aan de lezer dat haar leven en haar omgeving verbonden zijn met meerdere culturen en dat elke taal een ander gevoel opwekt. Misschien betekent het gebruik van meerdere talen dat de dichter zichzelf pas volledig als persoon kan uiten wanneer zij al die talen gebruikt. De vraag hoe taal, of juist de absentie daarvan, iemands belevingswereld sterk beïnvloedt, wordt in het gedicht ‘tong’ beeldig beschreven:

    mijn moeder ontnam mij haar taal en zichzelf
    mijn kindertong werd overgeleverd aan
    harde kloosterklanken op veengrond
    geprevelde gebeden die altijd alles bezweren
    achtergebleven scheldpartijen van oude krijgsmachten
    oude tekens op getatoeëerde kinnen van moeder moeders moeders
    sindsdien sleep ik het lot aan haar kruin achter me aan
    (…)

    De dichter is in dit gedicht de taal van haar moeder door diezelfde moeder ontnomen. Toch ziet de dichter de fragmenten en herinneringen van deze taal en de achterliggende cultuur overal in terug. Het lot dat de dichter aan haar kruin met zich meetrekt kan gezien worden als de dichter die het lot in eigen handen neemt en zich niet meer haar taal en achtergrond ontnomen laat worden. Verderop vertelt de dichter hoe haar zeggenschap, met betrekking tot welke talen ze leerde, ontnomen was: ‘(…) in mijn luchtpijp waanden jullie je Nimrod in Babel // als ik in het concept van moederschap geloofde, waren jullie allemaal mijn moeders 1) / de syntaxis werden / op strakke bedjes / naast elkaar gezaaid / in mijn strottenhoofd (…)’.

    De overgang van een verwijzing over Babel naar een volgende zin in het Arabisch is tekenend voor hoe Mbarki ook betekenis tussen de regels weet te creëren. Net als in Babel worden er hier verschillende talen door elkaar gesproken (al is er hier niet per definitie sprake van een onoverkoombaar taalverschil zoals in de toren van Babel het geval is). In de versregel over het moederschap staan twee veelvoorkomende onderwerpen die de bundel aankaart, namelijk het moederschap en het overkoepelende moederschap dat ons allemaal als mens aangaat. Dit overkoepelende moederschap verwijst wellicht naar de relatie van de mens tot de natuur waar de dichter vaker over schrijft.

    Zo laat het gedicht oeverloos met mooie beelden, veel alliteraties, assonanties en binnenrijm zien hoe de onbegrensdheid van taal zich uitdrukt in intergenerationele interacties. Daarnaast wordt de moeder als een archetypische gezamenlijke oorsprong en natuurkracht weergeven.

    oeverloos

    mijn moeder treedt regelmatig buiten haar oevers
    zoals jij ook doet
    wanneer de weg van waterloop tussen hart en geest
    wordt verduisterd
    door nevel of kortsluiting
    niet alleen in het regenseizoen
    ook de zomer en lente kennen hun abrupte wolkbreuken
    razende moessons zelfs

    mijn broers graven diepe geulen om haar op te vangen
    apathisch bewerkt mijn zus boomstammen met een scherpe bijl
    en bouwt dammen
    schoonzussen rapen hun kinderen bij elkaar en gillen stilletjes
    daarna tillen zij hun jurken tot kniehoogte op
    haar zussen sussen door de telefoon
    zeven tegelijk in moedertaal
    haar moeder gromt zacht en likt de waanzinnige wonden
    die niemand ziet
    terwijl mijn moeder meerdere vaders tegelijk hoort spreken

    (…)

    In dit gedicht is de moeder de personificatie van de rivier wiens oevers onvermijdelijk zullen overstromen. Zo treedt de rivier, de moeder, buiten haar oevers en sleurt daarmee alles en iedereen om haar heen met zich mee. Het gedicht eindigt met de hoopvolle notie dat wij als mens zelf het water zijn en suggereert dat we onze eigen beperkingen opleggen en daarmee onze eigen vrijheid beteugelen.

    Deze overgave aan of terugkeer naar de natuur komt in meerdere gedichten terug, zoals in de reeks ‘zon’ 2), gedicht nummer 4: ‘in een oude droom lig ik naakt op de bodem van een oerbos / ik kijk omhoog naar de eindeloze reuzen en word licht gedragen (…) we kussen de rode avonden op hun blote schouders / hier worden wij samen rots’. Hier keert de mens in een oude droom terug naar haar oorsprong en vereenzelvigt zij zichzelf aan het einde met een rots, oftewel met de natuur. Om terug te grijpen naar het grenzeloze karakter van de diepere natuur van de mens en daarmee naar zichzelf, moet de dichter ook haar familiegeschiedenis, de bijbehorende taal en cultuur (her)ontdekken en omarmen.

    Oorlog en kolonialisme

    De figuurlijke muren waar de dichter veelal tegenaan loopt hebben in zekere mate ook te maken met oorlog en kolonialisme. Zo beschrijft zij in het gedicht ‘game over’ hoe de gevolgen van kolonialisme nog steeds te vinden zijn in zowel de stad als bij haarzelf: ‘(…) in mijn straat groeien geen bomen alleen gebouwen / van rode VOC-bloedbakstenen / de halve stad is gebouwd met bloed van mijn voorouders / ik ben verleerd hoe de wind te verstaan (…)’. Later vertelt zij hoe ze de geschiedenis bij het vuil heeft gezet en hoe deze in de sleur van het, soms triviale, dagelijkse bestaan verdwijnt.

    De psychologische impact van oorlog wordt door Mbarki scherp geschreven in het gedicht ‘oorlog’: ‘de oorlog slaapt al jaren naast me in bed houdt me vast in zijn slaap / ik ben minstens vijftienhonderd nachten gestorven / hij zet ’s ochtends vroeg sterke koffie met veel suiker (…)’. Deze zinnen spreken boekdelen. Met weinig woorden laat Mbarki zien hoe oorlog ook na de strijd in een mens blijft doorwerken. Daarnaast laat het gedicht ruimte voor verschillende interpretaties. Slaapt de dichter naast iemand die de oorlog heeft meegemaakt of is de oorlog een denkbeeldig persoon? Het is in ieder geval weer een goed voorbeeld van Mbkari’s kundige omgang met taal en poëzie.

    Diaspora

    In het laatste gedicht van de bundel, ‘diaspora’, volgen we een gesprek tussen drie verschillende generaties, namelijk de dichter, de moeder en de ‘grote moeder’ en komen vrijwel alle eerder genoemde onderwerpen uit de bundel bij elkaar. De ‘grote moeder’ verwijst waarschijnlijk naar de grootmoeder van de dichter, maar kan in sommige verzen ook als een algemener beeld van een conservatiever en behoedzamer gedachtengoed gezien worden. Het is een krachtig gedicht dat de meerstemmigheid van de bundel mooi samenvat.

    Mbarki’s oeverloos is in talloze opzichten een uitstekende bundel. Men kan alleen maar hopen dat deze dichter in de toekomst nog vele nieuwe bundels zal schrijven. Tot dan zal de lezer het moeten doen met het herlezen – en nog een keer herlezen – van oeverloos.

    1) Vertaald uit het Arabisch
    2) Vertaald uit het Tamazight

  • Oogst week 6 – 2022

    Water scheppen met een lepeltje

    Wiebe Brouwer publiceerde verhalen en essays in literaire tijdschriften als De Gids en Hollands Maandblad. Onlangs debuteerde hij bij Van Gennep met Water scheppen met een lepeltje, het verslag van de laatste levensmomenten van zijn demente moeder. Welke keuzes maak je, wat is goed als het erop aan komt keuzes te maken voor iemand die dat zelf niet meer kan? Het is schier onmogelijk, toch moeten het gedaan worden. Met de laatste dagen van zijn vader in gedachten, die met alzheimer op een gesloten afdeling van een verpleeghuis wegkwijnde, wil hij dit zijn moeder niet aandoen. Zij blijft thuis, met een heel team aan thuiszorgers zal zij tot het einde in haar vertrouwde omgeving blijven. Schrijnend is dan te ontdekken dat moeder haar eigen (vertrouwde) omgeving niet meer herkend. Ze heeft het idee dat ze in een pension zit, wil naar huis.

    Tot hoever moet er nog medische zorg verleend worden, antibiotica bij een longontsteking of niet? Het laatste jaar met zijn moeder wordt bijgehouden in een logboek door het team aan verzorgsters, briefwisselingen met de zus, een vriendin van vroeger, afgewisseld met telefoongesprekken tussen moeder en zoon vanuit haar huis gevoerd.

    ‘Ben jij dat? Hoor ik jouw stem? Wat een geluk dat je me trof. Zeg eens, hoe zijn je kinderen? En hoe is je vrouw? Ik kwam hier toevallig voor een bezoek aan je vader. Maar hij is er niet. Waarschijnlijk is hij vertrokken naar een ander adres omdat het hem hier niet beviel. (…) Ik trof hier een aardige mevrouw die gewoonlijk voor hem zorgt en die kookt nu vanavond voor mij.’

    Sterk en aangrijpend proza van een zoon die zijn moeder ziet verdwijnen.

    Water scheppen met een lepeltje
    Auteur: Wiebe Brouwer
    Uitgeverij: Van Gennep

    Wachten

    Wachten is een fotoreportage van vluchtelingen die wachten in azc’s verspreid door Nederland op de behandeling van hun asielaanvraag. Mona van den Berg documenteert al twintig jaar het onrecht dat zich in de azc’s afspeelt. Op haar vraag waarom mensen zolang moeten wachten op de behandeling van hun asielaanvraag, werd ze overspoelt met cijfers, percentages en bureaucratie. Dit fotoboek is een reactie daarop. Foto’s van mensen die in de azc’s van Emmen, Schalkhaar, Almere, Harderwijk, Amsterdam, Den Helder, Hardenberg, Utrecht, Delfzijl, Luttelgeest, Sint Annaparochie, Heemserveen, hun leven voorbij zien gaan. De vele steden waar vluchtelingen worden ondergebracht is op zich al schokkend.

    Naast de foto’s in Wachten, zijn er gedichten en treffende passages uit de romans van Rodaan Al Galidi in opgenomen.
    In een nawoord schrijft Van den Berg: ‘Tijdens mijn rit naar azc Harderwijk mijmer ik. Het is onbegrijpelijk voor mensen in azc’s. Velen hebben hun familie al jaren niet gezien. Dit zijn mensen wier dromen en ambities verloren zijn gegaan.’

    Mona van den Berg is freelance fotograaf voor The Guardian, Vrij Nederland en Het Parool en hoofdredacteur van een serie bijlagen voor Trouw en de Volkskrant.

    Wachten
    Auteur: Mona van den Berg
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Oeverloos

    Nisrine Mbarki is dichteres, columnist, Arabisch vertaler en programmamaker voor Winternachten. Poëzie, theaterteksten en korte verhalen, van haar hand verschijnene regelmatig in literair tijdschriften als De Gids, Poëziekrant, De Revisor, Tirade en Het Liegend Konijn.

    Onlangs verscheen haar debuutbundel Oeverloos, poëzie die zich afspeelt op de rand van verschillende talen, en de gelaagdheid van het leven aanspreekt. In haar gedichten pelt ze als een archeoloog laagje voor laagje van die gelaagdheid af waardoor het aardse en mystieke, stad en natuur, reizen en stilstaan zichtbaar worden. Het is alsof ze de wereldkaart opnieuw tekent, grenzen verkent van de vrouw in haar rollen van moeder, dochter, echtgenote en schrijfster.

    Haar taal werkt even verstikkend als bevrijdend. Een debuut waarin oude verhalen van generaties terug en nieuwe verhalen samenkomen. Poëzie met een autonoom geluid.

    Oeverloos
    Auteur: Nisrine Mbarki
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Een messcherp zelfonderzoek

    Een messcherp zelfonderzoek

    Bij de mooie kleine Uitgeverij Jurgen Maas, gespecialiseerd in Arabische letterkunde, kwam de vijfde bundel uit van de Palestijnse dichteres Fatena Al-Ghorra, die haar geboortegrond ontvluchtte en nu in Antwerpen woont. Zij maakte veel indruk met haar vorige bundel God’s bedrog waarin ze in persoonlijke, en heftige gedichten verslag deed van haar worsteling met haar afkomst. In Neem dit lichaam gaat ze nog een stap verder en kruipt ze letterlijk binnen in haar huid.

    Het is de eerste bundel die ze in haar nieuwe vaderland schreef. Uiteraard in het Arabisch, ook al heeft ze de ambitie te kennen gegeven ooit in het Nederlands te schrijven. De vertaling is opnieuw van Nisrine Mbarki. Opmerkelijk is dat Mbarki zich bij de vertaling de nodige vrijheden heeft gepermitteerd. In haar nawoord schrijft ze dat ze titels veranderde en zelfs gedichten heeft herschreven. Dit deed ze overigens wel in samenspraak met Al-Ghorra. Hierdoor is het een andere bundel geworden dan het origineel. Omdat Mbarki zelf ook gedichten schrijft, was dit haar wel toe te vertrouwen. Al blijf je met deze kennis in het achterhoofd, toch nieuwsgierig naar die veranderingen.

    Eerder werk

    Opvallend is dat er drie gedichten uit Gods’ bedrog in zijn opgenomen, ook nog eens gedichten die enkele pagina’s beslaan: ‘Vader’, ‘Wat de verteller zei’ en ‘Meisjes breng mijn lief terug’, alle in een herziene vertaling. Ook is het gedicht ‘Een marmeren gezicht’ uit de bundel Ellay uit 2010 toegevoegd. Waarom deze gedichten zijn opgenomen is onduidelijk. Waren de vertalingen niet goed genoeg? Of waren ze nodig om op een mooi afgerond getal van twintig gedichten uit te komen? Of anders om duidelijk te maken dat de nieuwe gedichten in de lijn van de oude liggen. In ieder geval is er wel sprake van een homogeen geheel.
    De twintig gedichten zijn evenredig verdeeld over twee delen. Het zijn beschrijvende, pagina vullende gedichten die vaak uit korte regels bestaan en in een kale, rudimentaire stijl geschreven. Het is poëzie die direct binnenkomen:

    ‘Een cel van verroest ijzer is mijn hart
    het hele jaar door gekleed in zwart
    mijn hart lijkt op een granaatappel
    gewikkeld in stevig zijde
    gesmeten in een cel met uitzicht op een berg
    aan de voet van de berg een stromende rivier
    tjilpende vogels, dartelende herten, sluipende tijgers
    de geur van nat gras doordrenkt alles
    mijn hart is daar in de roestende cel.’

    Afstandelijke waarnemingen

    Al-Ghorra neemt de lezer in haar gedichten mee op een ontdekkingsreis door haar lichaam en geest. Ze heeft de bundel zelfs hieraan opgedragen: ‘[Aan] mijn lichaam en geest/die mij over hun geheimen leerden’. Langzaam geven ze in de gedichten deze geheimen prijs.’ De dichter bekijkt zichzelf steeds van een afstand. In het gedicht ‘Dans’ neemt ze haar hoofd letterlijk in handen en bekijkt het alsof het een aparte wereld is. Ze schrijft: ‘mijn stem gilt’ in plaats van ‘ik gil’.

    ‘Ruis van wezens in mijn hoofd
    een stilte waarin alle woorden zitten
    mijn stem gilt
    in een begrijpelijke taal
    ik speel met mijn hoofd in mijn handen
    bekijk het bijzondere ding.’

    De gedichten beschrijven vaak een problematische verhouding met de buitenwereld, die de ‘ik’ niet kan bereiken. Het kan om een geliefde gaan, maar ook over de onmacht iets aan de onrechtvaardigheid van de wereld te kunnen doen. Het hart is gevangen, ‘gekleed in zwart’. Het is ‘bewust van alles om zich heen/bewust van alles wat niet is’, maar ‘geeft niet om de drenkelingen op de stranden/of om de zwerende lichamen van gevangenen […]/of de hongerstakers/die vrijheid eisen’.
    De ellende is te groot geworden om er nog iets bij te kunnen voelen. Voor de lezer wordt deze er alleen maar beter voelbaar door. Na haar hart beschrijft Al-Ghorra in ‘Motten’ haar geest: ‘Mijn geest is bezorgd/bezorgd als de hengel die ergens op steunt gedurende de dag […] zijn haak machteloos’. De geest van de dichter maakt zich zorgen over oorlog of over de letterlijk aangevreten cultuur (‘Een boek/de motten hebben het hart opgevreten’). De situatie in het Midden-Oosten gonst in deze poëzie steeds op de achtergrond mee.

    Effectieve beelden

    Al-Ghorra onderwerpt zich voortdurend aan een messcherp zelfonderzoek. Voortdurend is er de spanning tussen de afstandelijke beschrijving van haar lichaam en de heftige emoties die haar geest doormaakt. Zo beschrijft ze haar bloed: ‘Rood zoals het hoort/stromend […] trekt aan de draden van mijn ziel/als mijn lichaam beeft van zijn schreeuw’. Ze probeert de pijn te bevatten: ‘Ik houd ervan mijn twee vingers/op de kleine snee te leggen/om het stromen te stoppen/of misschien zodat ik weet hoe het komt/waarvandaan, dat robijnrood/en zijn pijn die mijn ziel niet kan omvatten/alleen verdoving kan mij redden’. Een andere keer is ze wel stellig: ‘Niets meer dan een gat in mijn borst/helpt mij om elke ochtend op te staan/dezelfde vraag/de eentonigheid/de dagelijkse gebeurtenissen zoals ze zijn’. De metafoor van gaten en holtes in haar hart of lichaam komt vaak in de bundel terug. Er spreekt een enorme eenzaamheid uit de gedichten.

    ‘Neem dit lichaam
    voorzichtig
    bedek het
    dekens zijn niet nodig
    twee handen voldoen
    zodat alles kan beginnen
    je zult veel gaten en holtes vinden
    maak je geen zorgen en laat je niet storen
    kleine kooltjes vielen erop
    niemand raapt ze op
    misschien lijkt het wat koud en kil
    maar dat zijn de gevolgen van de aanhoudende herfst.’

    Isolement en wereldleed

    Andere beelden die terugkeren zijn het stof waaronder ze is bedolven en dat moet worden weggeveegd, of de spiegels waarin ze zich gereflecteerd ziet. Weinig originele beelden, maar wel effectief. Steeds wordt er het gevoel van isolement mee aangegeven, dat alleen doorbroken kan worden door een geliefde.

    Neem dit lichaam is een intense leeservaring. Soms wat veel van het goede, want wil je als lezer wel zo afdalen in het lichaam en de ziel van de ander. Gecombineerd met de grote emoties (er wordt geschreeuwd, gegild, gejankt) is het voor de lezer paradoxaal genoeg moeilijk om afstand te nemen. Je kunt je alleen met haar vereenzelvigen. Daarvoor moet je bijna over dezelfde ervaring beschikken. Soms is het wel erg van dik hout zaagt men planken: ‘ik steek mijn hand uit naar passanten/niemand ziet mij/ik heb stront gegeten/volgens een traditioneel en volks recept/ik heb tussen adders geslapen/ik heb geijld van de koorts/ik heb besmet spuug gedronken/met mijn nagels heb ik lagen van mijn huid verwijderd/je gaf geen kik.’

    In het laatste gedicht, ‘Welkom’, fantaseert de dichter over een vrijage met de dood: ‘Als de dood naar me toe komt/wil ik me voorbereiden/als een geliefde voor haar lief’ […] ‘Zoals een prostituee zich voorbereidt bereid ik me voor’, ‘Ik zal de dood verwelkomen als een echtgenote […] ligt midden op bed/klaar voor haar plicht’. De bizarre apotheose van een intieme en krachtige bundel.