• Gedichten van een rijkgevulde dis

    Een gedicht een impressie van een emotie, een observatie van een tafereel, een familieportret of verhaal? Schetsen in versvorm die het zicht op de werkelijkheid verscherpen dan wel vervormen? Bij poëzie kun je daar mee aankomen.

    Het Liegend Konijn maakt de diversiteit van de poëzie in het Nederlandse taalgebied op ruimhartige wijze zichtbaar. In het boekwerk dat in het dagelijkse leven voor een (literair) tijdschrift doorgaat, zijn deze keer 154 gedichten opgenomen van 34 dichters. Wel geheel volgens de traditie van een literair tijdschrift schittert er in Het Liegend Konijn, naast nieuw werk van gerenommeerde  dichters, een tiental jonge talenten.

    Eén van de jonge talenten is Mathijs Gomperts. Het is van een prachtig, onhandige droefheid te lezen hoe nabestaanden afscheid nemen van hun dierbare in het gedicht Oud-West: onder het laken vandaan steken protserig zijn voeten / maat negenenveertig (…) iedereen dromt om die voeten, houdt ze vast, betast ze, / schudt ze de hand (…) want wat moet je met zo’n lijk? hoe rouw je er mee? / nou, we hielden er dus de voeten van vast en huilden (maar lees vooral het hele gedicht dat uit drie coupletten bestaat waarin de weg wordt gebaand naar die rouwende voeten).

    Op de cover prijken de namen van de dichters die een bijdrage aan deze editie leverden en dan denk je: Ah, Lies van Gasse, Bernke Klein Zandvoort, Paul Demets en kijk aan, nieuw werk van Delphine Lecompte, Maarten van der Graaff, Hans Mirck, Saskia Stehouwer en Arno van Vlierberghe (hoewel de laatste nog geen bundel heeft gepubliceerd maar wel eerder in HLK stond), en je wordt nieuwsgierig.

    In Hoelang duurt dat, iemand nooit meer zien? dicht Dirk Clement in prachtige strofen over het leven tussen geboorte en dood en hoe je geheugen speelt met waarheid en leugen: (…) zo liegen wij onszelf en ons leven voortdurend bij elkaar. / Wie wij zijn is wie wij ons herinneren te zijn.
    Marleen de Crée dwingt de lezer zich te verdiepen in actuele thema’s: (…) hoe is wegjagen als iemand / begonnen is met blijven

    Tot de verbeelding spreekt het werk van Saskia Stehouwer die vorig jaar debuteerde met Wachtkamers, wat in de pers goed, doch als bevreemdende poëzie werd ontvangen. De zeer gedetailleerde gebeurtenissen in haar gedichten lijken zich over tijd en ruimte heen te buigen en tegelijkertijd binnen te dringen, als een zoemende mug bij het oor die de giftige steek al voelbaar doet maken. In het gedicht Ketting zit een ik achter het raam, het is mooi weer. Dan: (…) het verleden belt op spreekt in / had je een vriend besteld?
    In het volgende couplet zit de ik met hoogtevrees boven op een tafel nota bene ook nog in een flat en eet een appel: Ik woon hier zonder te weten / waar ik niet woon / is er iemand die met me mee wil lopen? Haar werk getuigt van een ‘ik’ die de wereld op afstand houdt maar die tevens scherp observeert. In het derde gedicht Gang bijvoorbeeld: dan komt het moment om iets te zeggen / waardoor mijn vingers open gaan / en de omtrek voelen van de vensterbank. Hoe een concrete gedachte de motoriek aanstuurt waarmee de sensitiviteit aangesproken wordt. Gedichten die, vanaf de eerste strofe tot de laatste, je meenemen, of je wilt of niet, je gaat gewoon.

    Het was weer een heerlijk genoegen deze editie door te nemen en de poëtische diversiteit, als van een rijkelijk gevulde dis, stukjes bij beetjes te verorberen. Van Het Liegend Konijn  krijg je nooit genoeg en het gaat lang mee.

    Het Liegend Konijn

    Redactie: Jozef Deleu
    jaargang 13, nr. 1, april 2014
    Losse nummers: € 25,-
    Abonnement 2 nummers, € 45,-
    Uitgegeven bij Van Halewijck / Leuven en
    Van Gennep /Amsterdam

     

     

  • Moord op een huisgenoot

    Moord op een huisgenoot

    De 26 jarige Frances Wray woont met haar moeder in een grote villa in een deftige wijk van Zuid-Londen, Champion Hill. We schrijven 1922: de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog zijn in de stad voelbaar, net als in het leven van Frances. Haar twee broers zijn gesneuveld, haar vader was voor de oorlog al overleden. Frances is lesbisch, heeft een relatie met Christina gehad, die nu met een andere vriendin elders in Londen woont. De verhouding is door toedoen van Frances’ moeder beëindigd. Frances zoekt Christina, Chrissy, nog geregeld op omdat zij de enige persoon is met wie zij kan praten. In de twintiger jaren waren lesbische relaties taboe, ze werden niet alleen maatschappelijk veroordeeld, er werd ook niet over gesproken, hoogstens indirect. Met haar moeder heeft Frances een moeizame relatie: ze zorgt voor haar, doet het huishouden, gaat iedere woensdagmiddag met haar naar de film, maar heeft eigenlijk geen contact met haar.

    Frances en haar moeder wonen op stand, willen dat zo houden en zijn daardoor gedwongen huurders in huis te nemen om de rekeningen te kunnen betalen.De nieuwe huurders zijn een jong echtpaar, Lilian en Leonard Barber. Hij werkt bij een verzekeringsmaatschappij.
    In het begin moet iedereen aan de situatie wennen, ook al omdat het jonge echtpaar van lagere komaf is dan Frances en haar moeder. Maar gaandeweg raken ze gewend aan elkaar, worden de huurders huisgenoten en krijgen Frances en Lilian een verhouding. Deze geheime verhouding wordt uitvoerig beschreven; het feit dat ze hevig naar elkaar verlangen maar altijd rekening moeten houden met de aanwezigheid van Frances’ moeder en Lilians man brengt een broeierige sfeer in het huis teweeg. De ontlading volgt wanneer er een moord wordt gepleegd.

    Hierna begint het verhaal steeds meer thrillerachtige trekken te vertonen. Je wordt meegesleept in de gebeurtenissen, die met groot gevoel voor detail en sfeer worden beschreven. Sarah Waters weet het leven in Londen zo vlak na de Eerste Wereldoorlog treffend te beschrijven.
    Het knappe is dat ook na de moord de spanningsboog die Sarah Waters heeft opgebouwd niet knapt: het blijft boeien en dat komt vooral doordat zij de beschrijving van het politieonderzoek spannend weet te houden. Door dit deel van het verhaal heen weet Waters fijntjes de lesbische relatie van Frances en Lilian te weven waardoor lange tijd onduidelijk blijft wat het uiteindelijke resultaat van dat politieonderzoek zal zijn. De maatschappelijke waardering van lesbische relaties speelt een belangrijke rol in het verhaal, dat eindigt in de rechtbank. Meer kan daarover niet worden gezegd zonder de plot te verraden.

    Dit is de zesde roman van de uit Wales afkomstige schrijfster Sarah Waters (1966). Het boek is tot stand gekomen vanuit haar belangstelling voor een aantal bekende moordzaken in Engeland begin van de twintigste eeuw. Ze heeft er 5 jaar aan gewerkt en er veel historisch onderzoek voor gedaan.

    Het boek is dik maar lijdt daar niet onder, wat onder meer komt doordat de uitgebreide uitweidingen in het verhaal niet ten koste gaan van de spanning. De schrijfster weet je te boeien tot het eind. Ook de situering van het verhaal in het Engeland van de jaren twintig, geeft de loop der gebeurtenissen diepgang en draagt bij aan het begrijpen ervan. Het is met name deze verwevenheid die de schrijfster erg knap heeft weten te verwoorden en die het lezen van dit boek tot een groot plezier maakt.

     

     

  • Zoektocht naar het leven

    Zoektocht naar het leven

    Recensie door Levi Entfield

    Wat is een strip, of nauwkeuriger, wat is een stripverhaal? Wanneer noem je een boek een stripboek. Van Dale schrijft bij stripverhaal: ‘beeldverhaal in stroken van enige afbeeldingen naast elkaar’. Zelf associeer ik strips met albums uit mijn jeugd: stapels Jan, Jans en de kinderen en de knal oranje Suske en Wiske’s. Inmiddels weet ik dat er strips in allerlei soorten en maten bestaan, en dat de ‘klassieke’ Suske en Wiske’s daar slechts een klein onderdeel van uitmaken.

    Bij de boeken van Barbara Stok had ik dan ook in eerste instantie niet het gevoel dat ik een stripverhaal aan het lezen was. Daarvoor nemen haar teksten een te belangrijke plaats in en zijn haar tekeningen voortdurend van te wisselend formaat. Soms in kleur, soms met een fotoachtergrond ? waar ze vervolgens haar verhaal in heeft getekend. Zo nu en dan is er helemaal geen tekst of juist bijna alleen maar tekst en geen beeld. Sommige beelden lijken collages, maar altijd heeft haar stijl iets prettig nonchalants en iets slordigs: vermoedelijk veroorzaakt door de vrij dikke zwarte lijnen die ze gebruikt. Haar laatste boek Dan maak je maar zin heeft bijna de afmetingen van een gewoon boek, iets tussen een A4’tje en een A5’je in. Stok heeft zojuist als eerste vrouw de prestigieuze Stripschapprijs gewonnen. Zelf zegt ze in een interview dat haar verhalen het allerbelangrijkste zijn. Zo begint ze pas met tekenen als ze helemaal klaar is met schrijven. Ze plaatst zelfs eerst de tekstballonnen in het plaatje en gaat er dan omheen tekenen. Geen wonder dat je niet meteen aan een stripboek denkt, als je haar boekt leest.

    Centraal in Dan maak je maar zin staat het plotselinge overlijden van haar 49-jarige zwager, Guus. Stok opent met deze dramatische gebeurtenis, maar zet dat zo nuchter neer, dat het des te harder aankomt. Je ziet Guus op de bank televisie kijken, op de volgende bladzijde zit hij op dezelfde bank: dood. Zijn ogen zijn veranderd in twee crucifixen, de bril ligt op de grond met een barst in het glas. Dan volgt een tekening zonder tekst, waarin naar voren komt wat voor een zenuwentoestand een hartstilstand met zich meebrengt. Guus wordt gevonden, er is nog een pols voelbaar, er wordt hartmassage toegepast, er is een ambulance en onderaan de tekening ligt Guus aan de hartbewaking met een zuurstofmasker op zijn neus.

    Door alle plaatjes heen is een lijnenspel getekend dat nog het meest doet denken aan een doolhof. Alsof Guus de uitgang niet meer kan vinden. Dan zie je Ricky (de vriend van Stok) gebeld worden, met de mededeling dat zijn broer een hartaanval heeft gehad. Hij scheurt naar het ziekenhuis en terwijl hij langs een weiland vol woeste (prachtig vormgegeven) rennende paarden rijdt, weet en voelt Ricky ineens dat zijn broer is overleden. De begrafenis is getekend op twee bladzijde naast elkaar, met een pikzwarte ondergrond terwijl de rouwende en verdrietige personages in witte lijnen zijn neergezet. Om de twee bladzijdes heen is een soort lijst getekend, die eruit ziet als een verzameling woedend gekraste uithalen. Nu ben je pas op pagina twintig, maar Stok heeft je in die eerste pagina’s al meteen bij de lurven weten te grijpen door haar verbeelding van het overlijden van een naaste.

    Na deze opening begint de zoektocht van Stok naar de zin van het leven, naar de zin van háár leven in dit geval. Ze neemt je als lezer mee op haar zoektocht, in een nuchtere en ontwapenende tekenstijl. Ze maakt je deelgenoot van haar gedachten en gevoelens, van haar onzekerheden en twijfels. Dat doet ze met humor en de nodige zelfspot. Nergens wordt ze sentimenteel, terwijl ze toch veel gebeurtenissen beschrijft en tekent die je raken en soms tot nadenken stemmen. De kwaliteit schuilt in haar eerlijkheid, waardoor je je nooit een voyeur voelt van haar leven. Bovendien zijn veel van haar belevenissen herkenbaar. Doordat al die herkenbare situaties zijn samengebracht in haar boek, gebeurt er iets wonderlijks. Stuk voor stuk gaan de verhalen en situaties vaak maar over kleine dingen, maar doordat al die kleine gebeurtenissen en gedachten samenkomen, kun je er een levensvisie in zien die veel mensen zal aanspreken.

    Neem bijvoorbeeld het hoofdstukje ‘Schuld’. Daarin loopt Ricky tijdens een optreden van een band in een café een hersenschudding op omdat de zanger per ongeluk een houten sculptuur van het plafond afstoot, dat vervolgens terechtkomt op het hoofd van Ricky. Die zanger moet je aanklagen zegt een vriend. Nee, het café moet je aanklagen, zegt een vriendin. Het is mijn eigen schuld, zegt Ricky. Nee, zegt Stok. Het was niemands schuld en niemands verantwoordelijkheid. Het was gewoon pech. Hm, vragen de vrienden zich af, wat is pech ook al weer? Iets van lang geleden, het is uit zwang geraakt omdat pech nog zelden voorkomt. Dan leest Ricky in de Van Dale: ‘het betekent: slecht weer op vakantie’. Het verhaal geeft aan hoe dichtbij de Amerikaanse claimcultuur is gekomen.

    Dan is er het hoofdstuk ‘ABN Amro’. In slechts één beeld geeft Stok overduidelijk weer wat het probleem is achter deze bank en achter de kredietcrisis. Terwijl Stok lichtjes ongemakkelijk haar koffie drinkt, vertelt haar oom onder het genot van een sigaar over de tijd dat hij als financieel adviseur bij de bank werkte: ‘Langzamerhand veranderde de filosofie van de bank. We moesten producten slijten, aantallen draaien.’ En dan, in een nieuw tekstballonnetje: ‘De klant eerlijk en objectief advies geven, werd op een gegeven moment ouderwets.’

    Grappig is haar stukje over haar behoefte te leren mediteren en haar angst in een groep terecht te komen met allemaal zweverige types. Daarom geeft ze zich op voor Acem meditatie (een Noorse variant), die wat minder zweverig lijkt te zijn en inderdaad blijkt bij het voorstelrondje dat de deelnemers stuk voor stuk nuchtere mensen te zijn. Totdat Stok zichzelf bij het voorstellen als een zweverige boeddhist profileert, waarop je de andere cursisten ziet denken (ha, dat kan bij een strip: mensen iets zíén denken) ‘wat een zweefkees’, ‘altijd hetzelfde met die meditatiecursussen’.

    Wat mooi in tekst en beeld is gebracht, is haar vakantie naar Japan. Je ziet haar verwondering over deze andere cultuur en tegelijk laat ze een aantal vooroordelen sneuvelen. Bijvoorbeeld als ze een boeddhistische tempel bezoekt en het zo leuk vindt dat een vriendelijke Japanse meneer haar van alles gaat uitleggen over deze tempel. Het blijkt helemaal geen gids te zijn, maar een souvenirverkoper die haar iets probeert aan te smeren, wat hem nog lukt ook. In dit verhaaltje laat ze ook nog zien wat reizen zo leuk maakt: dat je leert relativeren. Als ze na aankomst op Schiphol in de spits naar Groningen terechtkomt, realiseert ze zich dat de spits in Nederland ongeveer zo druk is als een zondagmiddag in Japan.

    Bijna hilarisch is het beeld waarin Stok en Ricky op de bank tv kijken. Ricky zit onderuit gezakt op zijn sokken en met een biertje in de hand. Dan maakt Stok de dodelijke opmerking: ‘Hé! Jij bent precies even oud als Obama.’

    Er is één verhaaltje dat als een rode draad in haar boek loopt: Ricky die tevergeefs probeert een abonnement van zijn overleden broer Guus probeert stop te zetten, om precies te zijn vijf keer. Op de laatste bladzijde van het boek ? we zijn tweeënhalf jaar verder ? blijkt dat nog niet gelukt te zijn en wordt het bijna hilarisch: je ziet Ricky aan de telefoon ontploffen: ‘Hij is namelijk DOOD’. Het boek van Stok smaakt naar meer, het heeft mij duidelijk gemaakt dat er veel meer op stripgebied valt te beleven dan alleen mijn oude stapel Jan, Jans en de kinderen. Misschien moet ik haar voorbeeld, de stripmaker Robert Crumbs maar eens gaan lezen. Of beter nog: haar eerdere vijf albums.

     

    Dan maak je maar zin
    uitgegeven bij Nijgh & Van Ditmar

  • Een frisse wind in schrijversland

    Een frisse wind in schrijversland

    Vierendertig stukjes over een schrijfcursus die Nicolien Mizee aan de Volksuniversiteit in Haarlem gaf en die eerder al in het NRC Handelsblad stonden, zijn nu gebundeld in een echt schrijfcahier en dat leest prettiger dan op krantenpapier. Het viel me bij herlezing op dat de stukjes niet gaan vervelen, zoals vaak gebeurt met ultra korte verhalen. Dat zegt heel veel over de kracht van Nicolien Mizee, die net als in haar romans direct en persoonlijk is. Zo vermeldt ze plompverloren dat ze tijdens de cursus een relatie krijgt met een cursist en dat ze met hem gaat trouwen.

    De bundel heeft vaart, de vrolijkheid spat eraf. Op de eerste pagina verbaast Mizee zich over een cursist die volgens haar naambordje Lalira lijkt te heten, hetgeen Mizee tot het volgende gedachte brengt: ‘Welke ouders geven een kind al zo’n naam? Misschien is ze daarom zo boos.’ Meteen daarop blijkt dat ze het verkeerd heeft gelezen. Het meisje heet Laura.

    Hou het simpel met vlag en wimpel, is het devies van Mizee. Ze gaat uit van één ijzeren wet: ‘Iemand Wil iets, dat gaat Mis, en dan gebeurt er iets Anders.’
    Het is vermakelijk om de reacties te lezen van de cursisten op de beweringen. Ontroerend ook zoals Ben die in plaats van verder te gaan met schrijven, uitkomt bij een betere relatie met zijn vader.

    Voor een deel schuilt de charme van Mizee in haar openlijk beleden onwetendheid. Op school kreeg ze altijd een black-out als de leraar iets ging uitleggen; later leerde ze veel van de schrijver Ger Beukenkamp, die zijn cursisten als medeschrijvers behandelde en haar vooral zelfvertrouwen gaf.

    Mizee vindt het vreselijk als mensen paraplu-woorden gebruiken, zoals structureren, situatie of cognitief; daarover zegt ze treffend dat zulke moeilijke woorden niet in dienst staan van gedachten maar de plaats van gedachten hebben ingenomen. In die lijn past ook haar opmerking dat ze niet van fictie houdt, maar liever rauwe verhalen leest. Ze haalt daarbij Multatuli aan die ? vrij vertaald ? ooit heeft gezegd dat wie zich toelegt op eenvoudige mededeling van wat er om gaat in z’n gemoed, zonder te denken aan schrijverij, weldra even mooi zal schrijven als hij.
    Tegelijk verbaast Mizee zich erover dat haar leerlingen nooit van de Matthaüspassion gehoord hebben. ‘Misschien kun je een kinderbijbel lezen,’ raadt ze hen aan. ‘En de verhalen van de Griekse mythologie en een paar sprookjesboeken.’

    Mizee is solidair met haar leerlingen. Ze is uitdagend: ‘Wie van jullie vindt zichzelf saai?’ en eigenzinnig. Alleen koppigheid kan een mens redden. De cursisten van de volksuniversiteit in Haarlem mochten blij zijn met zo’n juf!

     

     

     

  • Lusten en lasten van het moderne leven

    Recensie door Marco van den Broek

    Dingen die op liefde lijken is de tweede roman van Hans Hogenkamp, na het geprezen Excuses voor het ongemak. In het nieuwe werk dient zich Job aan, die na een zakelijke afspraak met de mooie Zanne een affaire met haar begint. Hij wordt verliefd en besluit zijn gezin (acht jaar huwelijk en twee kinderen) te verlaten. Job blijkt zich echter te hebben vergist in de relatie met Zanne. Ze maakt het na een paar maanden al uit. Wat Job rest: een leeg nieuw huis en een massa aan herinneringen. Het enige wat hij kan doen is die herinneringen opschrijven. Hij componeert een reconstructie van hun relatie, in de vorm van een brief aan Zanne.

    Dat is ook meteen wat het meest in het oog springt: de spanning tussen enerzijds het leven van Job na de breuk met Zanne en anderzijds de brief die hij schrijft. Het is een spanning tussen heden en verleden, maar ook een spanning tussen de visie van Job en de werkelijke feiten. Bovendien beschrijft Hogenkamp deze twee ‘werelden’ in verschillende perspectieven. Het resultaat: de gebeurtenissen spelen zich om het andere hoofdstuk af op een ander moment, gezien vanuit een ander perspectief. Dat is soms lastig bij te houden, maar het brengt wel een verfrissende afwisseling bij het lezen van dit boek.

    Op verdienstelijke wijze zet Hogenkamp zijn hoofdpersonage neer als een man die alle lusten en lasten draagt van het moderne leven. Jobs scheiding levert hem het co-ouderschap op. Daarnaast heeft hij al zijn geld verdiend met het opzetten van een datingsite. Mensen hoeven elkaar dus niet meer in een kroeg te ontmoeten als het ook via internet kan. Even zo helder beschrijft de auteur de kern van het liefdesverdriet: ‘Hij slaat de krant dicht en denkt aan haar. Hij denkt tientallen malen per dag aan haar. […] En dan zijn er nog de tientallen keren per dag dat hij zonder aanleiding aan haar denkt.’

    Maar zijn een heldere stijl en een verfrissende compositie voldoende voor een goede roman. Wie voorbij deze dingen kijkt, ziet ook een aantal minpunten. Jobs gevoelsleven gaat ten eerste niet verder dan de verwerking van verdriet. Het hoofdpersonage is zo geschapen dat het ook aan die vervlakking meedoet, die op zo heldere en treffende wijze wordt geschetst. Het is echter jammer dat Job niet meer in zich lijkt te hebben dan dat, want het verhaal leunt op zijn overdenkingen. Hij suggereert intellectualiteit door klassieke muziek en belezenheid, maar ademt banaliteit doordat hij Zanne alleen maar hard wil neuken en zich op geen enkele manier in haar inleeft. Het verhaal geeft geen verklaring voor deze discrepantie, behalve het feit dat Job zijn hart zou willen volgen. Wat er verder overblijft is een personage dat enkel en alleen bestaat bij de gratie van één gevoel: uitgebreid beschreven gevoel.

    Hoe treffend Hogenkamp het verwerkingsproces van Job ook beschrijft, 230 bladzijden is te lang voor deze ene emotie. Aan het einde van het boek is bovendien nog steeds niet duidelijk wie Job is: hij lijkt slechts een container voor hartenpijn te zijn en dat is, nogmaals, teleurstellend. Dat Hogenkamp bij het thema blijft, siert hem overigens. Maar wat ik als lezer zou verwachten is een handreiking op maat ‘Hoe om te gaan met demobiliserend liefdesverdriet’, echter wat ik krijg is een beschrijving ervan, die zou passen in de glossy’s die Zanne regelmatig leest. Een gestandaardiseerde definitie dus, die met persoonlijke maar oppervlakkige voorbeelden uitgemeten is.