• Scherpe observaties in memoirs van Vivian Gornick

    Scherpe observaties in memoirs van Vivian Gornick

    Recensie door Jacques van den Berg

    Van de New Yorkse schrijver en journalist Vivian Gornick is haar boek The Odd Woman and The City. A memoir uit 2015, onlangs ook in Nederland verschenen. Het is door Caroline Meijer vertaald onder de titel Een vrouw apart. En de stad. Een memoir. Het boek is genoemd naar een roman van de Engelse schrijver George Gissing (1857 -1903 ), The Odd Women.
    Het memoir van Gornick brengt ons naar haar leven in New York, waar zij met haar homoseksuele vriend en  collega-schrijver, Leonard, regelmatig wandelt en waar ze samen uit eten gaan. Dit doen ze al zo’n twintig jaar, ze observeren de gebeurtenissen in de stad, de maatschappij, de kunsten.

    Feminisme

    Gornick heeft ervoor gekozen om alleen en onafhankelijk door het leven te gaan. In haar stukjes schrijft ze over dagelijkse situaties en dat doet ze op associatieve wijze. Kleine gebeurtenissen over bijvoorbeeld menselijke verhoudingen en tekortkomingen, feminisme, Engelse literatuur uit de negentiende eeuw, schrijven, bezoek aan musea, theater of musicals en de stad New York. Eén van haar waarnemingen: ‘Goedgeklede matrone op Park Avenue tegen haar vriendin zegt: ‘Toen ik jong was, waren mannen het hoofdgerecht, tegenwoordig zijn ze een bijgerechtje.’ Soms kan ze vilein uit de hoek komen en af en toe lijken de stukje op een zkv.

    Vivian Gornick is opgegroeid in een joods arbeidersgezin in The Bronx. Zij heeft zich door een universitaire studie een betere sociale positie weten te verwerven en zich ontwikkeld tot een scherpzinnig journaliste en schrijfster met als groot onderwerp het feminisme. Ze schreef voor diverse gerenommeerde kranten en tijdschriften als The Nation en The New York Times over dat onderwerp. Dit heeft zij ongeveer de helft van haar werkzame leven gedaan. Politiek gezien komt ze uit de communistische hoek. Ze heeft het proces van afstand nemen van het communisme in haar eerste  boek, The Romance of American Communism (1977), beschreven. Ze is nog steeds sociaal bewogen en feministe.

    Schrijven

    Gornick heeft inmiddels elf boeken geschreven en er is er een onderweg, Unfinished Business: Notes of A Chronic Re-Reader. In het algemeen publiceerde ze essays over feminisme, schrijven en politiek. Nu heeft ze dan ook twee memoirs uitgebracht. Het eerste was Verstrengeld (Fierce Attachment uit 1987), een memoir dat over haar moeder gaat, de liefde en New York. Met haar moeder had ze jarenlang een complexe verhouding. In dit memoir zijn de herinneringen aan haar jeugd, haar volwassenheid en de wandelingen door New York met haar moeder vastgelegd. Bij dit boek, zo meende ze zelf, had ze haar juiste toon als auteur gevonden. Door de critici van The New York Times is het uitgeroepen tot de beste memoir van de afgelopen vijftig jaar. Daarnaast is ze enkele malen bekroond met belangrijke prijzen voor haar essays en memoirs.

    Schrijfproces

    Gornick heeft altijd de ambitie gehad schrijfster te willen worden. In Een vrouw apart wordt ook het schrijfproces en de worsteling ermee beschreven. Naast het schrijven heeft ze altijd les gegeven in creatief schrijven aan universiteiten. Haar boek The Situation and The Story is verplichte lesstof voor docenten en studenten aan schrijfopleidingen.
    Vivian Gornick heeft een voortreffelijk geschreven memoir laten verschijnen. Het is een genot haar messcherpe observaties, commentaren en gebeeldhouwde taal te lezen. En wie Een vrouw apart. En de stad. heeft gelezen, wil zeker ook haar eerste memoir, Verstrengeld lezen.

     

  • Over vrouwen en hun verlangens

    Over vrouwen en hun verlangens

    De Amerikaanse journalist en schrijver Lisa Taddeo volgde acht jaar lang de levens van drie op het eerste gezicht doorsnee vrouwen voor haar boek Drie vrouwen, haar debuut. Het boek werd direct in elf landen uitgegeven en voor Nijgh & Van Ditmar werd het vertaald door Dennis Keesmaat. Taddeo bracht duizenden uren door met deze vrouwen, waarvan er een misbruikt is door een leraar, de ander ongelukkig in een doodgebloed huwelijk en de derde haar man laten toekijken als ze seks heeft met een ander. Taddeo had contact met hen via telefoon, tekstberichten en e-mails. Voor twee verhalen verhuisde ze zelfs naar de stad waar de vrouwen woonden. Ook interviewde ze mensen uit hun omgeving en las rechtbankverslagen. Het was haar doel om verhalen te vertellen die ‘fundamentele waarheden weergeven over vrouwen en verlangen, zodat mannen en andere vrouwen makkelijker kunnen begrijpen voordat ze hun oordeel vellen.’

    De gebeurtenissen

    De keuze voor haar personages is gebaseerd op de herkenbaarheid van de verhalen, de intensiteit daarvan en de manier waarop de gebeurtenissen uit hun verleden nog steeds invloed hebben op hen. Aanvankelijk schatte Taddeo in dat ze zich meer aangetrokken zou voelen tot verhalen van mannen, maar ze vond meer ‘complexiteit, schoonheid en zelfs geweld in de manier waarop de vrouwen dezelfde gebeurtenis ervoeren’.
    Twee van de drie vrouwen die ze beschrijft zijn onder een andere naam opgevoerd, enkel met het verhaal van Maggie Wilkens is dat niet het geval. Het verhaal van Wilkens is indertijd ook in Nederland in het nieuws geweest. Het betrof de rechtszaak rondom het vermeende misbruik door haar middelbare school docent Aaron Knodel bij wie Wilkens aanklopte om te praten over haar ontmaagding. Taddeo vertelt het verhaal van Wilkens in een niet-chronologische volgorde en gebruikt in een enkele passage de je-vorm, waardoor ze nog dichterbij komt. Sommige zinnen lijken een letterlijke weergave van wat Wilkens gezegd heeft: ‘Maggie heeft zoiets van: Oké. Knodel zegt dat hij heeft gedronken en hij gaat iets zeggen wat hij niet moet zeggen. En Maggie heeft zoiets van: Oké. Hij schrijft: Ik ben een leraar en jij bent een leerling, en we zouden niet zo tegen elkaar moeten praten. En zij heeft zoiets van: Oké.’ 

    Leraar versus leerling

    Het Amerikaanse Engels sijpelt regelmatig door de vertaling heen, maar daarnaast horen we de stem van Taddeo ook, waarmee ze probeert haar visie op het leven van haar personages duidelijk te maken. Daarbij schaart ze zich onvoorwaardelijk achter de vrouwen, ook als deze in hun directe omgeving niet altijd op begrip konden rekenen.
    Voor Wilkens ligt de wereld aanvankelijk open. ‘Haar leven strekt zich voor haar uit, een pad van onduidelijke en meerdere richtingen. Ze kan astronaut worden, een beroemde rapper, accountant. Ze zou gelukkig kunnen zijn’. Maar het mag niet zo zijn: ‘Maggies toekomst dient zich op een middag zonder klaroengeschal aan. Hij arriveert op kattenpoten, zoals al het andere in de wereld dat de macht heeft om je te vernietigen’. Wanneer de vrouw van Aaron Knodel ontdekt dat haar echtgenoot berichtjes krijgt van Wilkens, maakt Knodel direct een einde aan hun relatie. Zijn leven gaat gewoon door, maar dat van Wilkens stopt. Ze raakt depressief, maar niemand in haar omgeving weet eigenlijk waarom. Ze ontwaakt pas uit haar lethargie wanneer Aaron Knodel ‘Leraar van het jaar’ wordt in North Dakota: ‘Het verleden geeuwt naar haar en rekt zich uit, als een kat’. Wilkens komt naar buiten met haar verhaal en er komt een rechtszaak tegen Knodel. 

    Getraumatiseerde jeugdliefde

    De tweede vrouw Lina, is elf jaar getrouwd. Haar grootste frustratie is dat haar man haar nauwelijks aanraakt. Toen ze jong was had ze kort een relatie met Aidan, op wie ze enorm verliefd was. Na een feestje waar Aidan niet bij is, ontstaan hardnekkige geruchten dat ‘Lina in één nacht met drie jongens heeft geneukt’; de relatie tussen Lina en Aidan wordt op grond van deze geruchten verbroken. Lina is ongelukkiger in haar huwelijk en ontwikkelt allerlei vage lichamelijke klachten, heeft paniekaanvallen en vindt weinig afleiding in haar huishoudelijke taken. Ze gaat naar een praatgroep met vrouwen, die haar klachten over haar echtgenoot ‘voorovergeheld, als soepterrines tijdens een aardbeving’ aanhoren. Aangemoedigd door deze vrouwen zoekt en vindt ze opnieuw contact met de inmiddels getrouwde Aidan voor wie ze op afroep beschikbaar wordt voor onstuimige vrijpartijen in auto’s en hotelkamers. Al snel blijkt dat Aidan niet meer de held uit haar jeugd is. ‘Aidan is niet hetzelfde wat betreft seks als in het leven. In het leven kan hij een klootzak zijn, een loser, maar in bed wordt hij iets heel anders. Een heer’. Voor Lina redenen genoeg om haar situatie van ‘emotionele eenzaamheid’ te heroverwegen.

    Vrouw als seksobject

    De derde vrouw, Sloane, is getrouwd met Richard, een chef-kok. Ze hebben een eigen restaurant en hun leven ziet er ‘absoluut perfect’ uit. Sloane voelt zich echter door een aantal gebeurtenissen in haar jeugd onbemind. ‘De enige manier om gezien te worden was om op één manier op te vallen. En dus zwenkte ze de identiteit naar Dun feestmeisje’. Richard pronkt graag met zijn anorectische vrouw en is degene die het initiatief neemt om ‘derden’ in hun slaapkamer uit te nodigen. Alhoewel Sloane de voorkeur geeft aan vrouwen, worden er meestal mannen door Richard geselecteerd. Wanneer hij er zelf niet bij aanwezig kan zijn, filmt Sloane het hele gebeuren en kijkt Richard live, of later naar de beelden. Wanneer ze door een trio het huwelijk van een andere vrouw in gevaar brengt, gaat er een knop om bij Sloane. Ze herinnert zich een voorval uit haar jeugd en bedenkt dat de bron van wie ze is geworden te maken kan hebben met dit voorval.

    Eenzijdige voorstelling

    Taddeo probeert in de levens van deze drie vrouwen verklaringen te vinden voor hun verlangens. Daar slaagt ze tot op zekere hoogte redelijk in, hoewel haar conclusies soms een combinatie zijn van psychologie van de koude grond en een ferme dosis feminisme: de mannen komen er in dit boek niet best vanaf. De vraag is of de keuze voor deze personages veel herkenbaarheid bij de lezer zal genereren. Het is op zijn minst twijfelachtig of ‘vrouwelijk verlangen’ zich laat vatten in uitgebreide en vrij plastische beschrijvingen van allerlei seksuele handelingen; verlangen is immers niet alleen seksueel. Het is jammer dat Taddeo zich in al die jaren van voorbereidende werkzaamheden voor haar boek vooral geconcentreerd heeft op die seksualiteit. Ondanks haar pogingen om de passages met expliciete seks af te wisselen met scènes waarin ze een nogal wollige beeldspraak hanteert, is het een boek waarvan de vlag de lading niet helemaal dekt.

     

  • Ook in jou huist een nerd

    Ook in jou huist een nerd

    Het omslag en de omvang wekken de indruk van een graphic novel. Maar nee, Nerds! is een gewoon leesboek dat hier en daar ondersteund wordt door cartoonachtige tekeningen en ‘verdiepende informatie’ in grijze kaders. Sterker nog, halverwege Nerds! wordt duidelijk dat de term graphic novel voor echte nerds werkelijk uit de gratie is: een ‘aanstellerig woord voor dikke, serieuze strip’ dat gebruikt wordt door mensen die ‘niet durven zeggen dat ze een strip hebben gelezen’. Je leest een strip of een comic of een manga. Zo schrapt een echte nerd de term graphic novel uit zijn woordenboek en legt hij ondertussen voor niet-ingewijden fijntjes uit wat nu precies het onderscheid is tussen strip, comic en manga. Schrijft u mee: een comic is een Amerikaanse strip, een strip een Europese strip en de manga komt uit Japan. En dan is dit nog slechts een onderscheid gebaseerd op geografie.

    Encyclopedische kennis van de nerd

    Nerds! is vooral een vrolijk en humoristisch boek. Emilio Guzman, cabaretier, en  Thijs van Domburg, voormalig cabaretier, pakken het onderwerp luchtig, persoonlijk en gedegen aan. De eerste vraag die zij willen beantwoorden is wat nu precies een nerd is. Zelf noemen zij zich hipster-nerds, die zijn op sociaal vlak ‘over het algemeen iets behendiger dan de gemiddelde nerd. De hipsternerd houdt vooral van complexe bordspellen, retrogames en indiefilms.’ Verder zijn er onder andere de metal-nerd, de game-nerd en de otaku (een nerd die van Japanse nerdy dingen houdt). Was vroeger nerd een scheldwoord, nu is toch eerder een compliment. Dat is wat dit boek de lezer ook leert: veel nerdhobby’s en interesses zijn minder obscuur dan een buitenstaander wellicht denkt, een breed publiek laaft zich inmiddels aan nerdy interesses. Denk hierbij aan films als Superman, Batman, X-men, Avengers, die begonnen als comic, sommige zelfs voor de Tweede Werelddoorlog, maar die als blockbuster een breder publiek bereiken.

    Naast een vrolijk en humoristisch boek is Nerds! een encyclopedie én reisgids. Alle soorten nerdhobby’s en nerdgenres worden uitgebreid beschreven, je leert er, zoals dat bij een encyclopedie hoort, toch iets van. Wat is bijvoorbeeld het onderscheid tussen een nerd, knurd of geek? Wat is het onderscheid tussen een Marvel-fan of een DC-fan? Als het met weetjes te gek wordt, lassen Guzman en Van Domburg een ‘nerd-alert’ in, een adempauze voor de gewone lezer.

    Weekendje larpspelen

    Vervolgens nemen Guzman en Van Domburg de lezer mee naar plekken waar nerds graag komen: beurzen (voor games en comics) en larp-verenigingen. Larp-verenigingen koesteren het kind in ons dat vroeger graag verkleed als ridder, indiaan of cowboy de buurt onveilig maakte met zijn rubberen zwaard, klappertjespistool of pijl en boog. Hier verzamelen volwassenen zich die, verkleed als fantasyfiguren, met elkaar een spel spelen, waarin land veroverd wordt en tegen elkaar gevochten wordt. ‘Zo’n larp-vereniging is een hechte gemeenschap en bestaat vaak uit spelers die elkaar al heel lang kennen.’ Guzman en Van Domburg maken het allemaal mee: ‘En als je dacht dat nerds niet van sport houden moet je zeker eens gaan larpen: aan het eind van de dag ben je helemaal kapot. Niet alleen wordt er tijdens zo’n queeste net als in The lord of the Rings heel veel gewandeld, al die gevechten gaan je ook niet in de koude kleren zitten.’ Er zijn larpspelen die een week kunnen duren.

    Bovenal blijft de nerd het liefst thuis, omringd door zijn spullen, zoals dat op het omslag heel precies wordt afgebeeld. Games, bordspelen, comics lezen of series kijken. ‘In het huis van de nerd is alles meestal zo ingericht dat niets zijn liefhebberijen in de weg staat.’ Bij de inrichting van zijn huis, is zijn hobby leidend, eventuele huisgenoten zijn gedwongen dit te accepteren. Verzamelen hoort bij een nerdactiviteit. Of het nu comics, action-figures of Warhammer-miniatuurtjes zijn, stel telkens de vraag, zeggen Guzman en Van Domburg: is het echt een verzameling of heb je er gewoon veel van? Heb je er tijd voor, hoeveel ruimte heb je, heb je het geld er wel voor over en hoe graag wil je het nou echt hebben? Wie een beetje verzamelaar is, kent de dilemma’s.

    De Nerd viert de verbeelding

    Soms is Nerds!, hoe onderhoudend en bij vlagen grappig, toch een beetje als die man die je aanschiet op een borrel met een geslaagde openingszin maar je vervolgens niet meer loslaat en overlaadt met een teveel aan weetjes. De schaduwzijde komt nauwelijks aan de orde. Bij nerds kun je ook denken aan gameverslaving, aan de zonderling die zich terugtrekt op zijn kamer, sociaal verkeer vermijdt, geen relaties aan durft of kan gaan. We zien eigenlijk vooral de vrolijke kant, want wat Nerds! duidelijk maakt, is dat een echte nerd de verbeelding viert en kiest voor een kleurrijk, wellicht zelfs een wat meer overzichtelijk, bestaan.

    Stilistisch is het boek vlot geschreven. Ook dat de auteurs zichzelf in de derde persoon opvoeren stoort niet: ‘[Thijs] is getrouwd met een vrouw die grotendeels dezelfde hobby’s heeft als hij, dus als Thijs een Transformer of Ninja Turtle wil kopen, is er niemand die hem tegenhoudt.’ Duidelijk is dat Guzman en Van Domburg bijzonder veel plezier moeten hebben gehad bij het maken van dit boek. Helder wordt ook dat in ons allemaal, al is het maar met één been, een nerd huist.

    Toch wringt het. Hoewel de auteurs graag niet-nerds willen aanspreken, lijkt Nerds! vooral voor de liefhebbers. Wil je eindelijk weten hoe het nu zit met al die Star Warsfilms en in welke volgorde je ze moet bekijken, of ‘alles’ over Star Trek en trekkies, dan is dit je boek.

     

  • Oogst week 41 – 2019

    Het klimaat zijn wij

    In zijn non-fictiebestseller Dieren eten zette Jonathan Safran Foer al de voor- en nadelen van een (grotendeels) vegetarisch eetpatroon op een rij, zij het zonder een direct waardeoordeel te vellen: hij lichtte verschillende perspectieven en argumenten uit. Zelf werd hij na zijn onderzoek vegetariër. In Het klimaat zijn wij reflecteert hij op de urgente milieuproblematiek en zet hij zijn lezerspubliek ertoe aan samen verantwoordelijkheid te nemen voor het voortbestaan van de planeet door ons voedingspatroon te herzien. De ondertitel luidt niet voor niets De wereld redden begint bij het ontbijt. Foer benadrukt het belang van voedsel dat het milieu niet overbelast en stelt voor om alleen ’s avonds bij het diner nog vlees te eten. Hij is vooral gekant tegen de bio-industrie, vanwege de enorme co2-uitstoot die ze veroorzaakt. Dat het besef van klimaatverandering nu eindelijk landt, plaatste Foer in een interview met NRC Handelsblad in treffend perspectief: “In de VS zijn er twee keer zoveel mensen die in Bigfoot geloven als mensen die de klimaatverandering ontkennen.”

    Foer is hiernaast auteur van het autobiografisch geïnspireerde Everything is Illuminated (Alles is verlicht) en van Extremely Loud and Incredibly Close (Extreem luid & ongelooflijk dichtbij). Beide romans werden verfilmd.

    Het klimaat zijn wij
    Auteur: Jonathan Safran Foer
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Waagstukken

    Charlotte Van den Broeck debuteerde met de dichtbundel Kameleon en ontving daarvoor de Herman de Coninck Debuutprijs. Waagstukken is haar romandebuut. ‘Waagstukken’ moet hier worden opgevat als architectonische projecten die zó mislukten dat de verantwoordelijke architecten zelfmoord pleegden of in het ‘beste geval’ diep in het ongeluk werden gestort. Van den Broeck vertelt dertien individuele verhalen. Een bijzondere opzet, die wordt afgewisseld met passages over de positie van de schrijver in het algemeen en Van den Broecks schrijverschap in het bijzonder en het onzekere bestaan dat verbonden is aan het willen verwezenlijken van je artistieke ambities.

    Waagstukken
    Auteur: Charlotte Van den Broeck
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Drie vrouwen

    De Amerikaanse auteur en journaliste Lisa Taddeo publiceerde onder andere in Esquire en New York Magazine en ontving de Pushcart Prize voor haar korte verhalen. Drie vrouwen schreef ze vanuit haar wens het vrouwelijk perspectief op seks en verlangen centraal te stellen en verder uit te diepen. Ze begon aan een journalistiek project van de lange adem: ze volgde acht jaar lang met enorme toewijding Lina, Sloane (pseudoniemen) en Maggie. “Om hun de stem te geven die gewone, onbekende, onopgemerkte vrouwen doorgaans niet hebben,” concludeerde ze in een interview met de Volkskrant. Taddeo laat de vrouwen afwisselend aan het woord en brengt hun wensen, gevoelens en ideeën in kaart, waarmee ze een brug wil slaan tussen het particuliere en het universele.

    Drie vrouwen
    Auteur: Lisa Taddeo
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar
  • De positie van vrouwen in de maatschappij

    De positie van vrouwen in de maatschappij

    Marja Pruis is geen onbekende in het Nederlandse schrijverslandschap. Haar romans worden steevast genomineerd voor literaire prijzen. Het meest echter wordt Marja Pruis gewaardeerd omwille van haar gevatte columns en essays. In De Groene Amsterdammer schrijft ze al ruim tien jaar over het leven, de zin en onzin van onze dagelijkse riten, de plaats van de vrouw in de maatschappij of gewoon de dingen die zich in haar leven afspelen. In de bundel Oplossingen zijn haar al eerder gepubliceerde stukken aangevuld met nieuw materiaal. Een bundel in vijf hoofdstukken, of liever thema’s, en kreeg als ondertitel Het leven, mijn handreiking. Wie echter kant-en-klare oplossingen verwacht voor existentiële problemen, kan zich de moeite besparen.

    Pruis snijdt nogal wat onderwerpen aan die een probleem kunnen vormen. Ze doet dat in haar eigen ironische, maar onvervalste en eerlijke stijl met ironie en humor, waardoor de stukken licht te verteren zijn en een glimlach om de mond brengen. De stukken confronteren de lezer met zeer herkenbare situaties en initiëren soms een plaatsvervangend gevoel van ongemak dat gelukkig in de pointe van het stuk of in de laatste zin wordt weggelachen.

    Over liegen en liefde

    Het eerste thema dat Pruis aanpakt is getiteld Liegen. Daarin legt ze via een aantal stukjes uit dat zaken achterhouden of iets niet vertellen niet hetzelfde is als liegen. Ze gaat er vanuit dat haar kinderen en haar man haar stukken niet lezen zodat ze niet geconfronteerd wordt met deze problematiek. Hetzelfde thema komt ook nog aan bod in het hoofdstuk Liefde. Ook in de liefde hoeft niet alles gezegd te worden. Er wordt volgens Pruis teveel aandacht gehecht aan het analyseren van situaties, aan het uitpraten. Sommige zaken moet je voor jezelf kunnen houden, ook in een goede relatie.  Het mooiste aan de stukjes uit Liefde is de vertedering die naar boven komt. Hier verlaat Pruis vaak het spottende en kritische pad, maar zoomt ze in op de relaties met haar moeder, man, kinderen. Door de herkenbaarheid en de  manier waarop het gebracht wordt, raakt Pruis hiermee een gevoelige snaar.

    Vrouw in de maatschappij

    Pruis schrijft over vrouwen en hun positie in de maatschappij. Daarom zijn haar stukken niet direct zo duidelijk voor mannelijke lezers, waarbij dit niet speelt. Vrouwelijke lezers daarentegen begrijpen ongetwijfeld direct waarover ze het heeft. In Slimste mens slaat Pruis de nagel op de kop. Ze haalt enkele clichés over vrouwen aan – autorijden, oriëntatie, talenkennis –  en vraagt zich af waarom vrouwen niets van de wereld kennen. Ze verwijst naar het tv-programma De Slimste Mens waarin vrouwen vaak het onderspit delven. Uiteindelijk komt ze uit bij een emotie dat ook in andere stukken aan bod komt: angst – de angst om beslissingen te nemen, angst om volwassen te worden, angst om alles door elkaar te halen en om verantwoordelijkheid te nemen – een gevoel dat bij haar, en vrouwen in het algemeen, vaak aanwezig is.

    Om daar vanaf te komen verwijst ze naar een bij Petrowskaja gevonden woord Luftmensch, wat niets anders betekent dan sukkel of schlemiel. En daarmee eindigt ook haar betoog, met enige zelfspot. Marja Pruis is een kei in zelfspot en het ondermijnen van haar eigen talenten. Doordat ze naar eigen zeggen overal de beste wil zijn, botst ze vaak op de grenzen van haar kunnen. Vooral in het hoofdstuk Over ouder worden speelt ze hiermee en is haar ironie in elke zin aanwezig.

    Intertekstualiteit

    Waar de lezer moeite mee kan hebben, zijn Pruis’ vele verwijzingen naar en citaten van andere schrijvers. Een belezen iemand zal deze quotes kunnen plaatsen in de grotere context, voor anderen kan het storend werken. Als zou Pruis willen uitpakken met haar grote literaire kennis, toch is het geen etaleren. Ze gebruikt deze verwijzingen vaak om een punt te maken en aan te tonen dat zij niet de enige is die er zo over denkt. Het orgelpunt van de bundel is het stukje Tiptop, een schijnbaar banale opsomming van wensen en raadgevingen en een passend slot voor haar Oplossingen. Een bundel om in te kuieren, om af en toe een stukje in te lezen en te mijmeren. En je af te vragen of jij ook zo over het leven denkt. Vooral als je vrouw bent.

     

  • Oogst week 26 – 2019

    Portugal! Portugal! Portugal!

    De laatste oogst voordat iedereen zijn biezen pakt voor een reis naar Portugal, of naar het strand met een literair tijdschrift. Milaan en Rome bezoeken met Paolo Cognetti of stop de nieuwste roman van Robert Seethaler in je koffer als je graag begraafplaatsen bezoekt.

    Lieke Noorman (1957) werkte jarenlang als journalist voor week- en dagbladen en schreef eerder een reisboek over Brazilië. Portugal bezocht ze dertig jaar geleden voor het eerst, en dat was niet de laatste keer. In Portugal! Portugal! Portugal! gaat ze terug naar de mensen die ze toen leerde kennen. Ze betreedt de fadolokalen van Lissabon en trekt de binnenlanden in. Tijdens deze reis heeft ze vele ontmoetingen met de Portugese locals: mannen van de stokvisvaart, (er bestaan in Portugal 365 bacalhourecepten (Iv/dG)) en grootgrondbezitters en landarbeiders die na de anjerrevolutie van 1974 vochten om de zuidelijke provincie Alentejo. Ook bezoek ze het geboortedorp van de vroegere dictator Salazar, de bedevaartgangers in Fátima en studenten in Coimbra, stad van tradities.
    Een boek vol herinneringen aan goede en minder goede (oude) tijden, daarbij steeds weer een beeld gevend van het Portugal van nu.

     

    Portugal! Portugal! Portugal!
    Auteur: Lieke Noorman
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Revisor 22

    Literair tijdschrijft De Revisor #22. getiteld Periferie heeft een vernieuwing ondergaan: andere uitgever, vormgeving en website. Met periferie als thema moet het wel gaan over de buitenranden, de randgebieden en de uitwassen, het achterland, bij uitstek de plaatsen om tijdens de zomervakantie naar toe te trekken. Weg van het datgene wat niet het centrum is, maar zich er wel toe verhoudt, uit voortgekomen is.

    Twaalf schrijvers hebben het woord periferie vanuit hun eigenheid onderzocht, wat het voor hen betekent. Het leverde een verzameling teksten op die van Brussel naar Istanbul, Luanda en Overschie gaan.
    In het midden van De Revisor ligt ‘Binnenin’, waarin gedichten staan waaromheen de verhalen en essays de grenzen opzoeken. De grenzen van het thema, een gebied, een gedachte. Twaalf bijdragen van: Esther Jansma, Arjen van Veelen, Ondjaki, Floor Milikowski, Rob van Essen, Maria Barnas, Charlotte van den Broeck, Çağlar Köseoğlu, Antonio Ortuño, Delphine Lecompte, Astrid Haerens en Jan van Mersbergen.

    En nog altijd, zoals bij oprichting (1974) door Dirk Ayelt Kooiman en Thomas Graftdijk gegrond werd, geldt voor De Revisor nog steeds ‘het scherpe oog voor kwaliteit’ bij gevorderde en beginnende schrijvers.

    Revisor 22
    Auteur: Diverse auteurs
    Uitgeverij: Querido

    Sofia draagt altijd zwart

    Paolo Cognetti (1978) schreef meer dan de boeken waaronder De acht bergen (2016), die hem beroemd maakten. Sofia si veste sempre di nero (2012), verscheen in 2013 al eens in vertaling bij Polak & Van Gennep en werd onlangs door De Bezige Bij opnieuw uitgegeven onder de titel: Sofia draagt altijd zwart, in een herziene vertaling van Yond Broeke en Patty Krone.

    Het verhaal speelt in de jaren tachtig in Milaan en omgeving. Sofia is een dromerig meisje, zo droomt ze ervan gelukkig te zijn. Haar ouders zijn druk met zichzelf, moeder is manisch-depressief en verwaarloost haar dochter. Haar tante, een links activiste, ontfermt zich over  Sofia, die zich altijd in het zwart kleedt, alsof ze zich verbergen wil. Op haar zestiende doet Sofia een zelfmoordpoging, op haar achttiende vertrekt ze naar Rome voor een theateropleiding en zoekt daarna in New York naar erkenning als actrice. Uiteindelijk blijft Sofia vluchten, voor haar vrienden, voor haar ouders.

    Cognetti laat in deze roman het leven zien van een jonge vrouw die eenzaam opgroeit in een tijd waarin alles constant in beweging is.

     

    Sofia draagt altijd zwart
    Auteur: Paolo Cognetti
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Het veld

    In de nieuwste roman, Het veld van de Weense schrijver Robert Seethaler (1966), wordt aan de hand van de levensverhalen van overleden individuen die op het kerkhof begraven liggen, een beeld van het stadje Paulstadt geschetst. Levensverhalen die samen, door hun onderlinge verbondenheid een indruk geven van een persoon en vooral van een samenleving in een klein stadje. Hierbij de openingszinnen van het eerste hoofdstuk: De stemmen,

    ‘De man keek over de grafstenen dei als verstrooid over de weide voor hem lagen. Het gras stond hoog en insecten gonsden in de lucht. Op de afbrokkelende, door vlierstruiken overwoekerde kerkhofmuur zat een merel te zingen.’

    Voorwaar een aanrader voor wie ervan houdt begraafplaatsen te bezoeken, zich afvragend welke verhalen achter al die gestorven levens schuilgaan, en die altijd ook het verhaal van de stad, waar je je bevindt vertellen.

     

    Het veld
    Auteur: Robert Seethaler
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Hoofd leeg, maag gevuld maakt het leven verdraagzaam

    Hoofd leeg, maag gevuld maakt het leven verdraagzaam

    Tatjana Almuli heeft een monogenetische vorm van obesitas. Ze is de dochter van een in Brazilië geboren vader van Servische afkomst en een moeder die er niet echt voor haar was, enkel voor haar broertje en zusje. Haar vader heeft een bipolaire stoornis en slaat haar moeder. Tati – zoals hij haar noemt – heeft vaak woordenwisselingen met hem. Om rustig te worden, plundert ze de koelkast. ‘Als mijn buik gevuld is gaat mijn hoofd uit en is de volheid van mijn maag het enige wat ik voel.’

    Normaal

    Ze wil graag ‘een normale tiener (…) met een normaal uiterlijk en een normale eetlust’ worden. Om dat te bereiken wordt Tatjana opgenomen in een kliniek aan de rand van Hilversum. Na bijna dertig kilo af te zijn gevallen, voelt ze zich niet zozeer beter, maar blijft net zoveel aan eten denken als voor haar opname. Het voelt niet goed. Helemaal niet, wanneer een mentor haar spottend van achter zijn brillenglazen en met een zuinig lachje toevoegt dat ze nu eenmaal niet zo slim is.
    De dikte wordt weggelachen, de faalangst ook. Omdat Tatjana er geen weg mee weet en er niet over kan of wil praten. Omdat toch niemand het begrijpt. Het is haast een mantra, die in alle hoofdstukken terugkomt. Misschien zelfs een beetje teveel, of het moet zijn dat Almuli hiermee wil uitdrukken dat ze zelf ook niet in staat is om achter het ‘waarom’ van haar eetbuien te komen.

    Ze leert zich te uiten op het toneel en neemt zangles. Het lukt: ‘De ruimte die mijn lijf inneemt is nu iets positiefs: ik sta sterk, ik word eindelijk gezien’. De omslag van het boek, (Moker Ontwerp), drukt dit mooi uit: een vrouw die ervoor gaat, al wordt haar foto omringd door gretige monden. Eten blijft namelijk een punt en zorgt nog steeds ‘voor iets dat op geruststelling lijkt’.

    Eetstoornissen

    Wanneer Tatjana’s moeder ziek wordt en sterft, lijkt dat het moment om opnieuw te beginnen met afvallen. Ze gaat naar een psycholoog die over haar eetgedrag niet of nauwelijks ingaat, enkel de dooddoener: Het hoort bij je.
    Nadat ze op verschillende theaterscholen is afgewezen, schrijft ze zich in bij een eetstoornissenbehandelcentrum. Niet dat ze vindt dat ze een stoornis heeft; het is toch geen boulimia of anorexia? Ze is in ieder geval wel – zo blijkt – depressief en komt in een therapeutische werkgemeenschap terecht. Negen maanden, drie keer per week.

    Na die periode gaat ze Nederlands studeren aan de Universiteit van Amsterdam en overweegt een maagverkleining, hoewel iets in haar zegt: Doe het niet. Ze blijft in het voortraject steken (165 kg.), – al moet je dat tussen de regels door lezen – een fraai voorbeeld van het omschrijven van faalangst. Dan meldt ze zich aan voor het televisieprogramma Obese, wordt aangenomen (156 kg.), raakt overtraind en krijgt een bijnieruitputting. Toch haalt ze de laatste uitzending (iets meer dan 100 kg.), maar weet rationeel dat ze van zichzelf nog steeds niet mag ‘genieten en vrijuit leven, want ik kan nog meer afvallen’.

    MC4-receptordefect

    Haar hoofd loopt achter bij de concrete situatie die niet, of zelfs steeds minder veilig voelt, ondanks het feit dat ze inmiddels samenwoont met haar vriend Tobias voor wie haar omvang vanzelfsprekend is en die haar ‘huidhonger’ kan stillen. Ze weet inmiddels dat haar overgewicht mede wordt veroorzaakt door de ziekmakende variant van het MC4-receptordefect, maar haar angst om dik te zijn, gaat verder dan dit: ze heeft de maatschappijkritische kijk op dikke mensen geïnternaliseerd: ‘ze’ zijn ‘lui, ongedisciplineerd, dom, lelijk, onverzorgd en niet fit’. Tatjana voelt zich gevangen in de denkwijze van anderen. Vanaf dat moment worden citaten ingelast van interviews met mensen die dik zijn die ze schreef voor de website Women’s Health. Er is zelfs een heel hoofdstuk voor ingeruimd: ‘Ruimte’.

    Emotieloos

    Haar eigen denken evolueert in die tijd richting het concept dat ‘lichaamsneutraliteit’ wordt genoemd: minder nadenken over hoe je lichaam eruit ziet en meer over waartoe het in staat is. Daarin gaat ze dieper dan de lofzang op het dikke vrouwenlichaam in bijvoorbeeld Kjell Sundbergs De geschiedenis van het Dikke Meisje (in: Het grote land Coïtha, vertaling J. Bernlef). De opmerking van een therapeut in het eetstoornissenbehandelcentrum legt de vinger op de zere plek: ‘Je hebt veel inzichten, maar je vertelt over de heftigste gebeurtenissen zonder greintje emotie’.
    Het autobiografische boek eindigt daar, wanneer de auteur onderkent dat niet (alleen) haar dikke lichaam de schuld heeft, maar ook de fixatie hierop en haar diepgewortelde onzekerheid. Ze besluit daarmee aan de slag te gaan.

    Inclusiviteit

    Hoewel het boek soms wat te uitgesponnen lijkt, is het wel een manier om de lezer te laten zien hoe lang de weg is om tot het concept ‘lichaamsneutraliteit’ te komen. Er zal ongetwijfeld een vervolg komen (‘Dit boek is nog maar het begin’ valt tweeledig op te vatten), maar het idee dat Almuli aan de redactie van Women’s Health voorlegde, namelijk om te schrijven over inclusiviteit (jong-oud, dik-dun, wit-zwart, hetero-queer) maakt zeker nieuwsgierig. Immers: een boek als bijvoorbeeld Waarom ras ertoe doet van Afna Hirsch leert dat er veel overeenkomsten zijn: de vragen die aan deze bi-raciale vrouwen worden gesteld en die nooit aan witte mensen worden gesteld, lijken op de vragen die aan dikke, en nooit aan dunne vrouwen worden gericht.

    De eetangsten van de zwarte Pompey die Colson Whitehead in De intuïtionist opvoert, zijn tot op zekere hoogte ook vergelijkbaar met die van Almuli: ‘Geen caramel soda, geen cassis, en beslist geen koffie: Pompey zal niets drinken dat donkerder is dan zijn huid, uit angst nog donkerder te worden dan hij al is. Alsof zijn huid een vlek was die nog vuiler zou kunnen worden, ondergedompeld en doordrenkt in het Pikkedonker van de Hel.’
    Daarom zijn verhalen als van Almuli, Hirsch en Whitehead zo nodig om door een groot publiek te worden gelezen en begrepen. Juist in de verbreding daarvan en de emancipatie voorbij, hoewel daar misschien nog wat tijd overheen zal moeten gaan.

     

  • Een staalkaart van mensen en individuele leegte

    Begin dit jaar debuteerde Oscar Spaans met een bundel korte verhalen, Vacuüm. Veel inspiratie voor zijn verhalen heeft hij opgedaan als verhuizer. Maar hij is toch vooral schrijver en columnist.
    Het aardige is dat hij als verhuizer veel verschillende mensen heeft ontmoet die hij heeft kunnen gebruiken om tot personages in zijn verhalen te komen.
    De titel van zijn bundel slaat op het feit dat iemand die verhuist enigszins onthecht is en nog niet geworteld in de nieuwe situatie: hij bevindt zich in een vacuüm. Spaans heeft vervolgens zijn fantasie losgelaten op die situatie en enkele hilarische verhalen geschreven; zijn stijl is sober, soms somber, maar scherp en bevat voldoende humor om te boeien. Bovendien passeren wel heel verschillende typen ‘verhuizende’ de revue.

    Zo gaat de ik-figuur in het titelverhaal op de kat passen in het huis van een vriend die op vakantie is. Hij is de enige van zijn vriendengroep die nog bij zijn ouders woont. Tijdens de periode dat hij in het huis van zijn vriend zit, denkt hij na over zijn leven en over zijn verbroken relatie met Esther. Dat leidt tot mooie passages als: ‘Een paar weken nadat Esther me had verteld dat ze tijd en ruimte nodig had was ik in een vliegtuig gestapt en richting Melbourne vertrokken, 22 uur later lag er 16.000 kilometer tussen ons in. Veel meer ruimte kon ik haar niet geven.’ Dat is mooi geschreven maar hij krijgt Esther daarmee niet terug. Wanneer hij na terugkomst naar een feestje van vrienden gaat, is Esther er ook: ‘Tijd niet gezien, zei Esther.’ Hij kan niet goed tegen haar aanwezigheid: ‘het leek alsof er langzaam een soort vacuüm in mijn hoofd ontstond. Een gapende leegte die mijn gedachten opslokte en zich net zolang zou uitbreiden totdat ik er niet meer was.’

    In zekere zin is dit verhaal illustratief voor de verhalen in deze bundel. De personages lijken op het eerste gezicht doorsnee-mensen maar hebben bij nadere kennismaking allen iets eigenaardigs. Klaas Hutter die erg op zichzelf leeft en volgens de buurt dus een engerd is; Debbie Schutters die telkens wanneer zij naar het huis van haar buren gaat om de kat eten te geven daar steeds langer blijft; Merel die door haar vrienden Duif wordt genoemd en met hen naar een xtc-feestje gaat, waar vreemde dingen gebeuren. Ieder verhaal kent een eigenaardige twist en dat maakt het spannend om te lezen.

    In de taal die Spaans gebruikt zitten mooie passages zoals hierboven geciteerd. Ook mooi: ‘Je had net de havo afgerond. Op school was er niets geweest waarin je had uitgeblonken, zelfs niet in middelmatigheid, wat tenminste iets zou zijn geweest.’
    Helaas gebruikt hij af en toe ook beeldspraak die wat gezocht overkomt, zoals ‘In de glazen schuifdeur bij de uitgang splijt mijn spiegelbeeld in de lengte doormidden’, of ‘Henny (…) keek uit zijn ogen als door een beslagen raam.’

    Deze bundel verhalen bevat een mooie staalkaart van mensen die ieder op hun eigen manier houvast in het leven zoeken; boeiend om deze verschillende mensen te leren kennen.

     

  • Moeder en dochter als enige constante in elkaars leven

    Moeder en dochter als enige constante in elkaars leven

    Vivian Gornick (1935) noemt het erotiek, datgene wat bij moeder en dochter een aanzienlijke rol in het leven speelt. Haar leven lang worstelt ze met de hang naar liefde en geborgenheid plus de drang naar vrijheid en onafhankelijkheid. Haar moeder is een romanticus die dertig jaar blijft treuren over de dood van haar grote liefde, Vivians vader. Wat hen bindt is het gevoel niet volledig door het leven te zijn bedeeld, aan de kant te zijn blijven staan.

    Met haar moeder heeft de schrijfster een haat-liefde verhouding. Ze irriteren elkaar, willen allebei gelijk hebben en zijn niet echt op elkaar gesteld. Toch kunnen ze niet zonder elkaar. Op hun gezamenlijke lange wandelingen door New York, als Vivian een jaar of vijftig is en haar moeder in de zeventig, gaat het vaak over ‘vroeger’, toen ze in een huurkazerne in de Bronx woonden. Aan de hand van deze herinneringen verhaalt Gornick in Verstrengeld (Fierce Attachements. A Memoir, 1987) over haar jeugd en de latere jaren toen ze studeerde, ging werken en de liefde ontdekte.

    De moeder is een vrouw met weinig opleiding en een geringe kennis van de wereld, maar wel toegerust met de nodige emotionele intelligentie. Ze kan niet bogen op een degelijke maatschappelijke functie. Ooit zocht en vond ze een baan, gaf die na acht maanden op omdat haar echtgenoot bleef protesteren, want ‘getrouwde vrouwen werken niet,’ vond hij. ‘Ik kon kiezen tussen het leven thuis in een hel veranderen of gelukkig worden. Ik wilde gelukkig worden,’ vertelt ze haar dochter op een van de wandelingen. Wat overbleef, schrijft Gornick, was het minachten van anderen om zichzelf te verheffen. Ook jaren nadat haar man is overleden blijft haar moeder de liefde missen en doet ze niets om haar leven inhoud te geven. Dat gooit Vivian haar voor de voeten: ‘Het was jouw keus… […] Je hebt dertig jaar doorgebracht met je vast te klampen aan een voorbije liefde. Je had een leven kunnen hebben.’

    Zelf zit Gornick – journalist, recensent, memoirist, essayist en representant van de eerste feministische golf – opgesloten in zichzelf. Al discussieert ze nog zoveel met vrienden, studiegenoten en minnaars, meestal voelt ze zich alleen, tekortschieten, buiten het dagelijks leven staan. Met haar jonge echtgenoot is er geen enkele dialoog, geïsoleerd van de ander door gevoelens die ze nauwelijks kennen en waar ze geen raad mee weten. Alleen seks brengt verlichting, reden waarom ze het nog zes jaar volhouden.

    Op de momenten dat Gornick zich werkelijk vrij voelt, manifesteert dat vrijheidsgevoel zich fysiek. Ze ervaart het in haar lichaam ‘als een rechthoekige ruimte van haar keel tot haar kruis’. Dan komen ook de woorden en stromen haar gedachten het papier op, totdat de ruimte zich sluit en de beperking weer optreedt. Als de rechthoekige ruimte open is ontstaat ‘eenheid van denken en taal’. Hierin vindt Gornick haar schrijverschap.

    Grandioos is de pagina’s lange beschrijving van de week van vaders dood en begrafenis waarin Gornick haar moeders theatrale verdriet beschrijft. ‘Rond het middaguur stroomde het huis plotseling over van mensen […] Deze mensen brachten ons tot aan de afgrond. Bij elk nieuw gezicht dat in haar directe blikveld verscheen, vond mijn moeder het nodig om in een nieuwe storm van tranen en weeklachten uit te barsten. Mijn angst groeide. Weldra zou ze zich verliezen in een hysterie waaruit geen terugkeer mogelijk was. […] Er waren tijdens de begrafenis nog meer momenten die het verdienden geboekstaafd te worden […] In mijn herinnering verbleken ze bij de briljante meedogenloosheid van mama’s waanzin.’ Met dezelfde scherpzinnige, efficiënte formuleringen, waar de humor in besloten ligt, vertelt Gornick over de buren en andere bekenden in de huurkazerne in de Bronx en over haar eigen gevoelens en minnaars.

    De relatie met de getrouwde Joe beantwoordt in eerste instantie aan haar verlangen naar geborgenheid én onafhankelijkheid. Ze kan met hem over alles praten, vooral over zichzelf, haar gevoel van afzondering, alleen zijn, onbeduidendheid. En de erotiek weegt zwaar. ‘Om te beginnen was daar de enorme reikwijdte van de seksuele liefde zelf. Begeerte garandeerde tederheid. Tederheid voorkwam gevaar. Eenmaal buiten gevaar was ik vrij om mezelf terug te trekken in het fascinerende geheime leven van mijn eigen overgave. In bed hoefde ik mezelf niet te zijn.’ Maar na twee jaar ervaart ze wederom zowel letterlijk als figuurlijk de begrenzing van de ruimte als Joe behalve zijn vrouw ook haar bedriegt.

    Het verlangen naar de nabijheid van een man blijft, een intimiteit die ze tegelijkertijd afwijst omdat ze haar onafhankelijkheid wil behouden, of liever omdat ze onafhankelijk ìs. In een interview in The Paris Review zei ze ooit: ‘Ik heb niet het leven gehad dat ik wilde. Ik had gehoopt meer midden in de wereld, in het leven te staan, voor betere feestjes te worden gevraagd.’

    Ondanks de wederzijdse irritaties en nietsontziend commentaar hebben moeder en dochter een vertrouwelijke band met elkaar. Ze hebben geen geheimen, kennen elkaar door en door. In beider leven is hun relatie de enige constante. Alleen heeft Vivian een bredere kijk op de wereld en op menselijk gedrag ontwikkeld, en is de moeder in haar eigen beperkte wereldbeeld blijven steken. Althans, in de visie van de dochter.

    Dit boek is geen volledige autobiografie, het behelst slechts dat deel van Gornicks leven waarin de nadruk op haar moeder ligt. Als ‘memoir-schrijver’ behandelt zij in vele andere verhalen en essays haar carrière, vriendschappen en relaties, met de stad New York alomtegenwoordig op de achtergrond. Dat zij daarover niet uitgeschreven raakt, bewijst de publicatie van haar laatste boek The Odd Woman and the City uit 2015. Op haar 81e laat Gornick nog steeds zien dat worstelen met mens-zijn een eeuwige bron van verhalen is.

     

  • Twee verschillende landen

    Twee verschillende landen

    Het feit dat het dit jaar vierhonderd jaar is geleden dat William Shakespeare overleed, gaat niet ongemerkt voorbij. Naast de vele opvoeringen van zijn toneelstukken zitten er af en toe ook originele bijdragen tussen, zoals The Hogart Shakespeare Series van Penguin Random House. In deze serie komen maar liefst acht hedendaagse adaptaties uit van beroemde stukken van de grootmeester. Nederlandse vertalingen ervan worden op de markt gebracht door Nijgh & Van Ditmar.

    Tot nu toe zijn er drie boeken verschenen: van Jeanette Winterson (naar The Winter’s Tale), Howard Jacobson (The Merchant of Venice) en recent van Anne Tyler (The Taming of the Shrew). Drie totaal verschillende boeken zijn het, die één ding gemeen hebben: ze trekken Shakespeare naar het hier-en-nu en benadrukken daarmee zijn actualiteit.
    Er zijn uiteraard ook grote verschillen. Winterson schrijft minder tobberig dan we uit eerdere boeken van haar kennen (op het essay aan het slot na misschien) en Jacobsons boek valt wat tegen (is de Koopman van Venetië wel zo antisemitisch als hij beschrijft?). Eigenlijk spreekt het derde boek in de reeks, van Anne Tyler, tot nu toe het meest aan.

    Shakespeare en Tyler
    Tyler blijft van de drie auteurs het dichtst bij het originele stuk van Shakespeare. En toch weet ze, gelijk in het tragikomische origineel, een gelaagdheid in het verhaal aan te brengen die tot nadenken stemt. Ze transformeert het verhaal over seksisme tot een emancipatoir verhaal over etikettering van vrouwen én mannen.
    Het eigenlijke stuk van Shakespeare, The Taming of the Shrew, gaat over de vernedering van een kijvende vrouw (Katharina), die door echtgenoot Petruchio als het ware wordt getemd. In het pocketboek Engelse letterkunde van T.A. Birrell, dat als lesmateriaal wel op scholen werd en misschien nog wel wordt gebruikt, komt dit vroege stuk van Shakespeare er niet goed af: ‘Het is een uitgesproken onaangenaam stuk om te lezen of naar te luisteren.’ Nog los van de vraag of dit werkelijk zo is, geldt dat in ieder geval niet voor de bewerking van Anne Tyler, de Amerikaanse schrijfster die door haar aandacht voor wat buitenissige personages, tragiek en humor bij uitstek geschikt is om juist dit stuk te bewerken.

    Het verhaal
    Zelfs qua naamgeving van haar personages blijft Tyler dicht bij het origineel, zodat de intriges voor mensen die dit kennen makkelijk zijn te volgen: Katharina, de feeks, heet nu Kate. Haar vader, Baptista is Louis Battista geworden. Kates vrijer, Petruchino wordt Pjotr gedoopt, en haar zus Bianca wordt Bunny genoemd. De karaktertekeningen zijn zowel bij Shakespeare als Tyler raak. Petruchio/Pjotr is verre van de onbehouwen kinkel die men er meestal in wil zien en die er op het toneel vaak, soms nog wat dikker aangezet, van wordt gemaakt
    Het verhaal van Tyler is snel verteld. Vader Battista lokt zijn dochter Kate naar zijn laboratorium met de smoes dat hij zijn lunchpakket is vergeten. Hier laat hij haar kennismaken met Pjotr Tsjerbakov, door de vader consequent Pjoder genoemd. Battista roemt de huishoudelijke capaciteiten van Kate en het gemak waarmee zijn dochter volgens hem met kinderen omgaat. Omgekeerd roemt hij de capaciteiten van zijn Russische assistent, die met een speciaal visum zijn land heeft verlaten omdat hij over zeldzame, bijzondere capaciteiten beschikt. Maar dat visum is slechts drie jaar geldig, en het zou zonde zijn als die kennis verloren ging. Een huwelijk zou ervoor kunnen zorgen dat hij een definitieve verblijfsvergunning krijgt.

    De dagen van de week
    De eerste ontmoeting tussen Kate en Pjotr in het laboratorium vindt op zondag plaats. Op maandag doopt de aandachtszieke Bunny haar oudere zus, die haar uitbundige gedrag met jongens een beetje in toom moet houden, tot ‘una bitcha.’ En op dinsdag komt Pjotr al thuis bij de Battista’s eten. Pa maakt met zijn mobieltje alsmaar foto’s van Kate en Pjotr samen, die hij later als bewijs voor hun al enige tijd durende verliefdheid aan de Immigratiedienst wil laten zien. Bovendien is hij complimenteuzer dan anders tegen Kate.
    De structuur van de dagen wordt niet aangehouden, want het verhaal springt na dinsdag telkens met enkele dagen vooruit, zodat het moment van het huwelijk opeens daar is, net als het vertrek van Battista’s dochter uit het ouderlijk huis. Zij is volgens Battista opeens wel erg snel volwassen geworden.
    Aan het eind van het boek maakt het verhaal een verrassende wending, een techniek die Shakespeare zelf trouwens ook als geen ander beheerste. In het origineel houdt Katharine een monoloog waarin ze (in de vertaling van Willy Courteaux) zegt:

    Uw man is uw bewaker, heer en leven,
    Hij is uw hoofd, uw vorst, hij zorgt voor u
    En voor uw onderhoud. Zijn lichaam geeft
    Hij prijs aan hard labeur, op zee, te land;
    Bij nacht houdt storm hem wakker, kou bij dag,
    Terwijl u thuis u koestert, warm en veilig;
    In ruil vraagt hij van u geen andre tol
    Dan liefde, een blij gezicht en volgzaamheid:
    Te klein bedrag voor zulke grote schuld.

    Bij Tyler sluit Kate ook het boek af, op een Epiloog na. Zij zegt in de vertaling van Marijke Versluys:

    Het valt niet mee om een man te zijn. Heb je daar ooit over nagedacht? Als mannen ergens last van hebben, dan vinden ze dat ze dat moeten verbergen. Ze denken dat ze moeten doen alsof ze alles goed in de hand hebben, ze durven hun ware gevoelens niet te tonen. Of ze nou pijn hebben of wanhopig zijn of diep verdrietig, als ze liefdesverdriet of heimwee hebben of gebukt gaan onder een enorm duister schuldgevoel of ze dreigen faliekant te mislukken … “O, het gaat goed met me hoor,” zeggen ze. “Alles gaat prima.” Als je erover nadenkt hebben ze veel minder vrijheid dan vrouwen. Vrouwen bestuderen andermans gevoelens al van kleins af aan, ze perfectioneren hun radar, hun intuïtie en hun empathie of hun intermenselijk hoehetookmagheten. Zij weten wat er onderhuids speelt, terwijl de mannen vastzitten aan sportwedstrijden en oorlogen en roem en succes. Het lijkt wel of mannen en vrouwen in twee verschillende landen wonen! Ik kruip niet in mijn schulp, zoals jij het noemt, ik verleen hem toegang tot mijn land. Ik gun hem ruimte in een oord waar we allebei onszelf kunnen zijn. Grote genade, Bunny, snáp dat dan!’

    Plezier
    Het plezier waarmee Tyler dit boek moet hebben geschreven, en Versluys het heeft vertaald, spat van elke pagina af. Tyler is met de personages dan ook in haar element: een gezin bepaalt meestal haar boeken, de toon van haar verhalen is vaak humoristisch, en ze heeft aandacht voor de compositie van een verhaal. Kenmerkend, ook hier, is verder dat zij niet van een negatieve inborst houdt. Cultuurverschillen spelen ook in deze adaptatie van Shakespeare een rol, net zoals in Tylers boek Het heimweerestaurant. De auteur kent dit verschijnsel uit ervaring; ze was getrouwd met een Iraanse kinderpsycholoog, die in 1997 overleed.
    Met dit derde deel heeft The Hogart Shakespeare Series er een mooie bijdrage bij. Het volgende stuk dat zal worden bewerkt is The Tempest. Die bewerking komt op naam van Margaret Atwood, de grande dame van de Canadese literatuur. Benieuwd wat zij ervan maakt, net als wat het Shakespeare Theater Diever volgend jaar gaat doen met De getemde feeks. 

     

  • De ‘heks’ uit Kroatië heeft ons veel te zeggen

    De ‘heks’ uit Kroatië heeft ons veel te zeggen

    In 1992 viel Joegoslavië uit elkaar in een landschap van onafhankelijke landen, die de jaren erna voortdurend bezig waren grenzen te trekken ten opzichte van elkaar en vooral te bewijzen dat ze een eigen staat waren met een eigen bestaansgrond. Het nationalisme vierde daarbij hoogtij. Eén van de staten was Kroatië, het land van de schrijfster Dubravka Ugrešić. Ook daar richtte het nationalisme zich op uitsluiting van anderen, ontkenning van het verleden in Joegoslavisch verband en verheerlijking van de nieuwe ‘eigenheid’. In tegenstelling tot het gros van de politici en intellectuelen wenste Ugrešić daar niet aan mee te doen. In haar ogen was het nieuwe Kroatië vergeven van de hypocrisie en geschiedvervalsing. Ze zei en schreef dat ook met als gevolg dat ze door haar landgenoten werd uitgekotst. Op de Universiteit van Zagreb, waar ze onderzoekster was, werd ze door collega’s genegeerd en in de pers werd ze (met enkele andere kritische vrouwen) uitgemaakt voor heks en ‘joegonostalgica’. Ugrešić verliet het land en vestigde zich eerst in Berlijn en later in Amsterdam.

    Vóór het uiteenvallen van Joegoslavië was Ugrešić een schrijfster en onderzoekster die nauwelijks aandacht had voor politiek. Na 1992 is die echter prominent aanwezig in haar boeken. Zo ook in het onlangs verschenen Europa in sepia, een verzameling essays die ze schreef in de periode 2010 tot 2013. De bundel bestaat uit tal van kortere stukken die samenhangend zijn gegroepeerd in vier delen. Vooral in het laatste daarvan, ‘Een bedreigde soort’, meet Ugrešić haar verhouding tot de gebeurtenissen in het begin van de jaren 90 breed uit. Het is het meest persoonlijke en felle deel. Persoonlijk is Ugrešić overigens in alles wat ze schrijft omdat het voortdurend waarnemingen in haar eigen kleine kring zijn die aanzetten tot diepere beschouwingen over ontwikkelingen in de maatschappij; Een ontmoeting met iemand in een winkel, een krantenberichtje, een opmerking van haar dochter, een bezoek aan een winkel, een YouTubefilmpje: alles kan aanleiding vormen tot een scherpe analyse van onze tijd.

    In dat laatste stuk, ‘Een bedreigde soort’, komt bij die persoonlijke ervaring ook nog eens een flinke dosis gif, die degenen die haar al langer volgen ook kennen uit eerdere boeken als Nationaliteit: geen en Cultuur van leugens. Ze herhaalt zich dan ook nogal eens, maar ze doet dat niet omdat de emmer nog altijd niet leeggegoten is. Nee, ze scherpt voortdurend aan en probeert nog dieper tot de kern door te dringen. Ze beschrijft bijvoorbeeld hoe ze in 2012 door krantenknipsels uit de jaren 90 bladert alsof het een onverschillige verzameling papier is die niets meer met haar te maken heeft, maar ‘dan valt mijn oog op de datering van die stukken, ja vooral op de datering, en wat ik destijds aanzag voor een spontane uitbarsting van krantenroddels over mijn persoon, wordt nu steeds meer een samenhangend verhaal. Het is alsof ik mijn hoofd tegen een muur stoot als ik me bewust word van een keiharde paradox: hoe meer samenhang het verhaal krijgt, hoe moeilijker het wordt om er iets tegenin te brengen.’ Die nieuwe schok vormt de aanleiding om te analyseren hoe geraffineerd campagnes om iemand buitenspel te zetten eigenlijk in elkaar zaten en hoe zinloos het is te proberen daartegen ten strijde te trekken.

    De status van Ugrešić in Kroatische ogen druppelt ook in de andere essays door. Dat begint al in het eerste deel dat dezelfde titel draagt als de bundel, ‘Europa in sepia’. Daarin legt ze uit wat precies met ‘joegonostalgia’ wordt bedoeld en hoe het mede haar kijk op de westerse wereld heeft gekleurd, zoals je naar oude foto’s in sepia kijkt. Als het over integratie gaat bijvoorbeeld of over de omgang van Nederland met Polen die hier komen werken, krijgt haar blik die kleur van de geschiedenis. Treffend beeld van hoe het met ons is gesteld, is een ervaring die ze opdoet in de hortus botanicus in Dublin waar 17.000 plantensoorten uit de wereld bijeen zijn gebracht. Bij sommige van die planten staan bordjes met de vraag ‘Why is it a problem in Ireland?’ Ze staan bij planten die een bedreiging vormen voor de inheemse Ierse vegetatie en die beter uit het land verbannen zouden kunnen worden. Met een schok lees je vervolgens de parallel die ze trekt met de omgang van West-Europese landen met immigranten: ‘Ja, Europa is net zo ingericht als de hortus botanicus van Dublin, iedereen draagt om zijn hals een bordje waarop al zijn gegevens staan: waar hij vandaan komt, hoe invasief hij is en in hoeverre hij voor de inheemse soorten een bedreiging vormt’.

    Terloops bewijst Ugrešić in dit essay overigens de Nederlandse literatuur eer als ze schrijft: ‘Nostalgie is als een onvoorspelbaar dier dat ons belaagt wanneer het wil, dat ons zonder onaangekondigd en zonder duidelijke reden besluipt en op een verkeerd moment en op een verkeerde plek vanuit een hinderlaag toeslaat’. Zou ze hier bewust Cees Nootebooms Rituelen (‘Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil’) parafraseren? Hoogstwaarschijnlijk wel. Ze las hem in elk geval, want in Ministerie van pijn uit 2005 gaf ze enkele stukken al motto’s van Nooteboom mee.

    Het omvangrijkste deel van de bundel, het derde, is getiteld ‘De karaokecultuur’. Het is eigenlijk één essay in tien paragrafen, waarin de auteur een belangrijke ontwikkeling in de westerse cultuur van het laatste decennium signaleert. De meesten zullen bij karaoke denken aan de uit Japan overgekomen leukigheid om met een orkestband op de achtergrond en met de tekst op een autocue, een eigenwijze versie ten gehore te brengen van het origineel. Maar dat verschijnsel is voor Ugrešić veel breder: ‘Karaoke vertegenwoordigt niet alleen de democratische gedachte dat iedereen kan wat hij wil, maar is ook, en vooral, een bewijs van de democratische realiteit dat iedereen wil wat hij al kan.’ We apen alleen nog na en creativiteit buiten gebaande paden krijgt nauwelijks nog een kans, bedoelt zij. We leven in een ‘cultuur van het narcisme’ en van voldoen aan wat scoort. Daarom verschijnen er zoveel boeken met op het omslag kreten die verwijzen naar bestsellers van anderen, waarmee in feite wordt gezegd dat we met de zoveelste epigoon te maken hebben. En: ‘De media – kranten, televisie, de uitgeversindustrie en internet – bestaan bij de gratie van volkse en populaire popsterren en de populaire popsterren bestaan bij de gratie van de media, en zo scheppen ze samen een populaire cultuur die ze ook gezamenlijk beheersen.’
    Het is heel herkenbaar, maar tegelijk kun je je afvragen of het boekenaanbod inderdaad zo rampzalig is. Er duiken steeds weer schrijvers op die juist wel nieuwe vergezichten weten te openen. Ugrešić’ conclusie is er dan wel weer één om over na te denken: ‘Wat alle vormen van karaokecultuur met elkaar gemeen hebben is de narcistische, exhibitionistische en neurotische behoefte die eruit spreekt om als hulpeloos individu een teken van jezelf op deze onverschillige aarde achter te laten, en het maakt niet uit waarmee of hoe: in de schors van een boom, op je eigen lichaam, op internet, met een foto, met een daad van vandalisme, een moord of een kunstwerk. Aan deze cultuur ligt echter een serieus motief ten grondslag: de angst voor de dood.’

    Laat trouwens door het bovenstaande niet de indruk ontstaan dat Ugrešić louter sombert. Haar stukken zijn hier en daar juist erg humoristisch, bijvoorbeeld als ze schrijft over haar bezoek aan IKEA of over haar opstand tegen de minibar op hotelkamers.

    Europa in sepia

    Auteur: Dubravka Ugrešić
    Vertaald door: Roel Schuyt
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar (2015)
    Aantal pagina’s: 376
    Prijs: € 24,95

  • Fictie en non-fictie lijken in elkaar over te lopen

    Fictie en non-fictie lijken in elkaar over te lopen

    Marly Sanders treedt op bij de boekwinkel in haar woonplaats. Boekhandelaar Koos heeft gevraagd of ze Waldemar Prins wil interviewen, de biograaf van veelschrijver Tolbert. Geen onverdeeld aanlokkelijke opdracht, want ze heeft, zoals ze zelf uitdrukkelijk zegt geen verstand van literatuur. Tolbert is een geweldenaar, die man heeft wel zestig boeken geschreven, zijn kennis is ontzagwekkend. Als ze zich verdiept in zijn werk, raakt ze de wanhoop nabij, want ze begrijpt er niets van … al zou ik de woorden uit mijn hoofd leren en schreeuwend en zingend herhalen, ze kregen geen betekenis. Ze overweegt het verzoek te weigeren, want wat zou ze moeten vragen over de geleerde biografie? Noch boekhandelaar Koos, noch haar zuster Victoria, met wie ze alles in haar leven deelt, nemen haar aarzelingen serieus. Onzin, vinden ze. Je hebt kasten vol boeken gelezen, je schrijft zélf, je publiceert stukjes over schrijven en je geeft schrijfles – roepen ze uit. Het klonk logisch, dacht Marly, ik kon er eigenlijk niets tegen inbrengen.

    Marly Sanders is de hoofdpersoon en verteller van De halfbroer, het zesde boek van Nicolien Mizee. De schrijfster en haar personage hebben zo op het eerste gezicht opmerkelijk veel overeenkomsten, af en toe lijken fictie en werkelijkheid daarom in elkaar over te lopen. De gebeurtenissen in het boek spelen zich af in een duidelijk herkenbaar Haarlem, hier en daar worden gemakkelijk identificeerbare situaties beschreven – de biografie van Henriëtte Roland Holst door Elsbeth Etty komt ter sprake, een redactievergadering van het oudste literaire tijdschrift van Nederland, nogal doorzichtig Het baken genoemd. Maar het overgrote deel gaat over huis-, tuin-, en keukenaangelegenheden van de familie Sanders die een schijnbaar hecht netwerk vormt. Marly en Victoria zien elkaar dagelijks. Maar ze klitten ook aan het ouderlijk huis, het ligt allemaal bij elkaar in de buurt. Het gaat slecht met vader. Hij heeft het aan zijn hart en hij dementeert; moeder kan de verzorging niet alleen af en laat haar dochters bij ieder wissewasje opdraven. Ze kennen ook elkaars buren, vrienden, kennissen.

    Er wordt heel wat afgekletst in deze gemeenschap. Marly heeft een man opgeduikeld waarmee het misschien iets zal worden, oude familieverhoudingen worden opgerakeld, er worden uitstapjes ondernomen, vergaderingen bijgewoond, boeken gelezen, poezen gevoerd; er zijn problemen met slaap, drank, werk, kleding, huisdieren en er zijn, hoe kan het anders, liefdesperikelen. De nieuwe vlam van Marly flakkert, dooft uit, wordt weer ontstoken, dooft uit, dit alles met tussenpozen van hooguit een paar uur of een paar dagen – stof voor nieuwe gesprekken en beraadslagingen. Liefst in brede kring. De dood van vader is een climax. Na afloop van de receptie eet het gezelschap bij zus Victoria en in een paar bladzijden lezen we over tante Wanda, Trijntje, Gijs, Gezien, Marieke, Van Slobbe, Priem, Rob, Simon, Mary, Storm, de Haan, oom Piet, Gerlach, Jifke, Victoria. En dat zijn alleen de hoofdrolspelers, daaromheen cirkelt nog een leger figuranten – wie had ook alweer wat gezegd?

    Tussen al deze boompjes verlies je het bos uit het oog. Ook de rode draad, welke is dat. De toestand van vader; de problematische verhouding tot moeder; de ontluikende liefde van Marly en Rob? Hoeveel namen en gezichten er ook rondlopen, niemand maakt voldoende indruk om langer dan een paar bladzijden in leven te blijven. Wie was Victoria, Jifke, Koos, Jaap, Arthur? Alleen Marly zelf komt uit de verf door de nadrukkelijke en herhaaldelijke typeringen: ze weet niets van literatuur, ze is bang voor seks met een man, ze heeft geen oriëntatievermogen, ze begrijpt niets van wetenschap. Ik herken de straten en gebouwen, maar zie het verband niet en weet niet meer wat links of rechts, voor of achter is (…) In de lesstof (op school) kon ik evenmin enige lijn ontdekken. Kortom, het prototype van een onnozel wicht, geen inspirerende hoofdpersoon voor een roman.

    Maar des te stralender schijnt ze als ze de opgaven van haar bestaan toch tot een goed einde weet te brengen, schijnbaar moeiteloos uit de mouw geschud. Het interview met Waldemar Prins, waar ze als een berg tegenop zag, blijkt een doorslaand succes. Boekhandelaar Koos: Je hebt hem geweldig weerwerk gegeven. En wat had je je goed voorbereid! Ik ga je beslist vaker vragen!. Na de toespraak bij de crematie van haar vader krijgt ze allerwegen complimenten: prachtig je toespraak (…) ik vond het heel mooi wat je allemaal zei (…) je toespraak was geweldig. Als ze met Rob heeft geslapen, de eerste man na een jarenlange lesbische praktijk, belt hij haar de volgende dag enthousiast op: Dat was een grootse inwijding vannacht.

    Je zou er misschien voor kunnen vallen als de koketterie er niet zo duimendik bovenop was gesmeerd, een benauwde wollen deken die het literaire drama smoort en verstikt. Mizee is zodanig met haar Marly Sanders ingenomen dat ze de afstand uit het oog verliest, emoties vloeien over in platte sentimentaliteit. Is het de vorm? Wie weet. Mizee is op haar best in korte hoofdstukjes die op zichzelf kunnen staan, bondige typeringen van een situatie of een personage, één of anderhalve pagina. 

    En, o ja, dat is waar ook, laat nou net in de periode die Mizee beschrijft neef Arthur een DNA-test doen … is dat niet toevallig?! Uitkomst: de zojuist overleden vader blijkt eveneens Arthurs vader te zijn geweest. Hoe is het mogelijk. Marly Sanders heeft een keer met Arthur geneukt, toen ze nog jong en onschuldig waren. Dat was dus bloedschande, roept Marly uit, als ze de uitslag van de test hoort. Wacht eens even, De halfbroer … zou dat eigenlijk niet een leuke titel voor mijn nieuwe roman kunnen zijn?