• De geschiedenis herschrijven

    De geschiedenis herschrijven

    De korte roman Egelskop van de 37-jarige Teddy Tops uit Utrecht heeft als motto een gedicht van Ester Jansma. Hierin wordt ‘de tijd’ bevraagd en wordt geopperd onszelf voortdurend uit te vinden en in ‘het nu’ te bewaren. Tops heeft dat ter harte genomen in deze debuutroman. Zij beschrijft, bevraagt en herschrijft de tijd waarin wij en onze (groot)moeders leven en geleefd hebben. Wat er zou gebeuren als alles nog mogelijk was is het gedachte-experiment van waaruit ze een knip in de tijd maakt. Van daaruit worden de persoonlijke geschiedenissen van de hoofdpersonages Jo en Levi, die voor de Tweede Wereldoorlog zijn geboren, in het korte tweede hoofdstuk herschreven.

    In het lange eerste hoofdstuk ‘Bovengronds’ beschrijft Tops verschillende geschiedenissen. In de eerste plaats die van een ik-persoon van in de dertig. Als ze vier jaar jong is raakt de auto waarin ze met haar vader en moeder zit te water. Zij overleeft dat ongeluk, haar ouders niet. In zeven intermezzo’s worden de zeven minuten beschreven van het te water raken tot het verdrinken. Schijnbaar krijgen de hersenen vanaf minuut zes te weinig zuurstof en begint dan een fase van hallucinatie. Stel dat we in die hallucinatie blijven, oppert de vertelster, en de kloktijd niet meer geldt… Daarmee is de overgang naar het korte, tweede hoofdstuk ‘Ondergronds’ een feit. Het vervolg van het leven van de personages Jo en Levi krijgt een alternatieve wending. In dit laatste ‘wat als’-hoofdstuk loopt het defecte horloge van de verdronken moeder weer en bevinden we ons in het ‘nu hier’!

    Terug in de tijd

    De levensgeschiedenissen van Jo en Levi spelen zich twee generaties eerder af. Zij zijn de oma’s van de ik-persoon. Deze beide vrouwen hebben genoeg in hun mars, maar zijn helaas als vrouw geboren in de vroege 20e eeuw. ‘Mijn oma’s stierven ongelukkig, omdat ze moesten leven naar wat van hen verwacht werd,’ schrijft de ik-vertelster in het begin van de roman. Jo komt uit een straatarm turfstekersgezin uit het Drentse Erica dat vanwege perspectieven op een beter leven naar Brabant verhuist. Zij is dan nog maar één jaar oud. Daar levert Philips met zijn innovatieve gloeilampenfabriek werkgelegenheid, ook voor jonge vrouwen, de zogenoemde ‘lampenmeisjes’. Jo is geboren in een plaggenhut onder de grond, de Joodse Levi moet als jonge Amsterdamse tiener ondergronds om aan deportatie en een wisse Duitse dood te ontkomen. In 1941, zij is dan tien jaar, ‘verdwijnt’ haar moeder. Ze heeft haar voor het laatst gezien toen ze haar en haar zussen naar school had gebracht, zwaaiend vanaf de brug.

    Jo voert in haar jonge jeugd vage collaboratieklusjes uit, gaat na de Philipsschool voor de fabriek aan het werk. Na de oorlog hoort ze via vriendin Nena voor het eerst van het verschijnsel homoseksualiteit. Aard en omvang van de holocaust dringen tot haar door als ze een Vogue bij de tandarts doorbladert, en de politionele acties worden werkelijkheid via haar getraumatiseerd teruggekeerde broer Ger. Ze ‘ontwaakt’ als nieuwsgierige, wakkere, strijdlustige vrouw en bezoekt bijeenkomsten van vrouwenclubs, eerst in Eindhoven, later ook in Amsterdam. Daar is Levi na de oorlog als wees groot geworden, ze wil groots en meeslepend leven, zoekt dat eerst in het circus, wordt later danseres. Ook zij leert – op onorthodoxe wijze – de vrouwenliefde kennen. Tegen de tijd dat ze de oma is die de vierjarige ik-vertelster opvangt heeft ze een alcoholprobleem en staat ze zo nu en dan op een brug met een verdwijnwens.

    Wapenfeiten uit de sociale, politieke, economische, culturele en welvaartsgeschiedenis van met name de 20e eeuw worden tussendoor onder andere in cursief gedrukt droneperspectief aangestipt. Enkele hoaxen passeren daarbij de revue zoals die over ondergronds communicerende bomen en, erger, over ‘Jodenzeep’, naar verluidt geproduceerd uit mensenresten. Voor het overige blijft de vertelster gelukkig bij feiten: van Wim Kan tot een door Duitsland gewonnen WK-voetbal, van de eerste tv tot de eerste vrouw in de Tweede Kamer, van een laat negentiende-eeuwse feministische roman tot Teddy Scholtens winnend songfestivalliedje in 1959 (Een beetje verliefd). Verliefd is, zoals Scholtens in dat liedje zingt, iedereen wel eens en zo ook de personages in deze roman. En hoewel de titel van de roman lijkt te verwijzen naar een waterplant, dringt zich toch ook de associatie op met de benaming die in sommige Utrechtse studentenkringen wordt gebezigd voor (meestal oudere) lesbiennes met een kort, pittig kapsel, namelijk een ‘egel’. Verschillende vrouwen in Egelskop genieten de vrouwenliefde.

    Vrouwenstrijd

    Water, treurwilgen langs de rivier, schrijvertjes, de rietachtige egelskopwaterplant en (op) een brug (staan) zijn belangrijke motieven. Figuurlijk is de brug een brug die verleden, heden en zelfs een potentieel alternatief scenario met elkaar verbindt. Als Jo en Levi aan de man raken en beiden zwanger zijn, grijpt de vertelster in. ‘Hier stopt het verhaal.’ Er komen geen kinderen en deze ‘knip’, zoals de schrijfster dat zelf noemt, refererend aan het doorknippen van de navelstreng, geeft hun ruimte voor een eigen leven. Paradoxaal genoeg zou de verstelster er zelf in haar alternatieve scenario niet zijn geweest: ‘Wanneer [Jo en Levi] niet mijn opa’s maar elkaar hadden ontmoet, zou ik niet geboren zijn, hadden zij misschien een vol leven kunnen leiden.’ Ze brengt daarmee symbolisch een ode aan deze vrouwen, wier leven uitgegumd lijkt, en een persoonlijk offer namelijk het uitgummen van haar eigen bestaan. Het beeld van de noodlottig gezonken gezinsauto is daarbij veelzeggend: de ‘bel’ die de auto achterlaat op het water wordt beschreven als een knoopjesnavel, een litteken.

    Egelskop is toegankelijk geschreven en hoewel uitgebracht als volwassenenroman ook zeer geschikt voor leerlingen uit de bovenbouw van de middelbare school. Soms is er een leuke woordspeling zoals ‘bukkenootjes’ voor beukennootjes, waarvoor je immers moet bukken om ze op te rapen. Een enkele keer gebruikt Tops opvallende beeldspraak, bijvoorbeeld ‘knieën als hopjesvla’ of een Brabants woord zoals ‘een haffeltje’. Teddy Tops heeft haar roman over vrouwengeschiedenis, moederschap en feminisme zorgvuldig ingebed in de grote geschiedenis én verbonden met persoonlijke geschiedenissen. ‘Verzet begint niet met grote woorden, maar met een kleine daad,’ parafraseert ze in het begin van haar roman Remco Camperts gelijknamige gedicht, om er tegen het eind van het eerste hoofdstuk als eerbetoon aan haar grootouders aan toe te voegen dat hun verzet een aaneenschakeling van kleine daden bevatte.

     

     

  • In de ban van leegte

    In de ban van leegte

    Het vlees van David Szalay, het boek waarmee hij in 2025 de Booker Prize won, opent opvallend terughoudend. In plaats van een dramatische gebeurtenis of een expliciete psychologische inleiding presenteert Szalay een opeenvolging van alledaagse momenten, nauwelijks ingekaderd en zonder duidelijke spanningsboog. Die keuze is wezenlijk voor de roman. Door het verhaal vrijwel zonder richting te laten beginnen, dwingt Szalay de lezer om het leven van zijn hoofdpersonage, István, te ervaren zoals het zich voor hem ontvouwt: als een aaneenschakeling van situaties waarin hij zelden zelf sturend optreedt. De Hongaarse flatwijk in de jaren tachtig waarin hij opgroeit vormt daarvoor een logische achtergrond. Het is een omgeving waar perspectieven schaars zijn, waar gezinnen onder druk staan en waar jongeren vooral leren te verdragen in plaats van te sturen. In zo’n wereld is het niet vreemd dat Istváns jeugd bestaat uit gebeurtenissen die hem overkomen. Zijn passiviteit is geen karakterzwakte, maar het resultaat van omstandigheden waarin initiatief weinig oplevert.

    Dat wordt pijnlijk zichtbaar in de scène waarin hij, vijftien jaar oud, een seksuele relatie krijgt met een oudere buurvrouw. Szalay vertelt het zonder sensatie, alsof het een alledaagse gebeurtenis is. Voor de lezer ontstaat daardoor een ongemakkelijk gevoel. Je weet dat het niet normaal is, maar het wordt zo gepresenteerd. De focus ligt op Istváns reactie: een mengeling van afkeer en nieuwsgierigheid, zonder protest, zonder volledig besef van wat er gebeurt. Zijn ‘oké’ is veelzeggend. Het is geen instemming, maar een houding die het patroon van zijn hele leven samenvat: meebewegen, aanpassen, verdragen. Dit moment vormt geen traumatisch breekpunt, maar een vroege aanwijzing voor wie István is en hoe beperkt hij zich voelt door de verwachtingen van anderen en de grenzen van wat hij durft te voelen of te zeggen.

    Een leven in stappen die hij niet zelf kiest

    Over een periode van ongeveer veertig jaar volgt de roman Istváns ontwikkeling – of beter gezegd: zijn verschuivingen. Szalay kiest bewust niet voor een klassieke ontwikkelingslijn. De stappen in Istváns leven hebben geen duidelijke opbouw en komen niet voort uit ambitie of besluitvorming. Ze komen in sprongen: militaire dienst, werk als uitsmijter, klusjes in de beveiligingssector, en uiteindelijk een onverwachte entree in de wereld van de Londense superrijken.

    Belangrijk is dat Szalay steeds laat zien hoe deze sprongen tot stand komen. Niet omdat István iets nastreeft, maar omdat anderen hem verplaatsen. Een sergeant die hem opmerkt. Een werkgever die hem ergens neerzet. Een vrouw met geld en invloed die hem betrekt in haar wereld en hem kansen geeft die hij zelf nooit zou hebben gezocht. Zijn latere werk als vastgoedontwikkelaar wordt daardoor geen bewijs van bekwaamheid, maar van afhankelijkheid. Hij bezit geen visie, maar passeert door deuren die anderen openzetten. Zo laat Szalay zien hoe succes soms weinig zegt over zelfsturing en veel over beschikbaarheid en toeval.

    István als stille lens

    Wat István vooral kenmerkt, is zijn manier van in de wereld staan. Hij verklaart zichzelf nauwelijks, hij denkt weinig hardop, en hij reageert vaak aarzelend of ondoorgrondelijk. Dat maakt hem geen traditioneel romanpersonage dat de lezer via innerlijke monologen of conflicten leert kennen. In plaats daarvan fungeert hij als een lens. Doordat hij zelf weinig initiatief neemt, vallen de bewegingen van anderen des te meer op.

    In de flatwijk is hij iemand waarop mensen projecteren: familieleden die hem zien als een last of hoop, leeftijdsgenoten die hem als doelwit gebruiken, volwassenen die hem proberen te kneden volgens hun verwachtingen. In Londen verandert dat mechanisme niet; de context wordt groter, de huizen ruimer, de macht zichtbaarder, maar Istváns positie blijft die van iemand die observeert en wordt waargenomen. Zijn stille houding maakt hem tegelijk zichtbaar en onzichtbaar. Zichtbaar als lichaam dat aanwezig is, onzichtbaar als persoon met een eigen wil.

    Dat zijn zoon langzaam hetzelfde gedrag vertoont, onderstreept de herhaling van patronen. Szalay toont hiermee hoe een manier van leven – gedreven door aanpassing, stilheid en gebrek aan zelfvertrouwen – kan worden doorgegeven zonder dat iemand expliciet leert of kiest. Het komt voort uit wat men ervaart, niet uit wat men besluit.

    Het lichaam als drager van ervaring

    Szalays stijl is doelbewust sober. Hij werkt met korte, precieze zinnen en scènes die vaak breken op het moment dat een gevoel of gedachte zich zou kunnen uitkristalliseren. Door die keuze ontstaat ruimte voor lichamelijke details. Een hand die te lang blijft liggen, een blik die ongemakkelijk is, een schouder die wegdraait. Het zijn precies die momenten die de betekenis dragen. Niet wat István zegt, maar hoe hij fysiek reageert; niet wat anderen verwoorden, maar wat hun lichaam prijsgeeft.

    De titel Het vlees krijgt daardoor een dubbele lading. Enerzijds verwijst het naar lichamelijkheid en seksualiteit, die door het hele boek terugkomen als bronnen van verlangen én macht. Anderzijds benadrukt het hoe het lichaam functioneert als een soort geheugen. Waar István mentaal weinig vastlegt of doorvoelt, onthoudt zijn lichaam alles: spanning, onderwerping, afkeer, aantrekkingskracht. Zo maakt Szalay voelbaar dat een leven niet alleen bestaat uit gedachten en keuzes, maar evenzeer uit aanrakingen, nabijheid en ervaringen die zich in het lichaam nestelen.

    Het contrast tussen Hongarije en Londen versterkt dit effect. In de kleine, krappe appartementen in Hongarije beweegt István tussen de bewoners door, aanwezig maar nauwelijks opgemerkt; hij maakt geen deel uit van hun leven. In de grote, luxueuze huizen in Londen is hij zichtbaar tussen de mensen, maar slechts als figurant. Hij leeft mee aan de rand van hun wereld, fysiek onder de mensen maar emotioneel en sociaal afgescheiden. Zijn aanwezigheid is het enige constante, zijn plek in de wereld blijft onzeker. Szalay laat zo zien dat sociale verschillen niet alleen abstract bestaan, maar voelbaar worden in hoe iemand wel of niet onderdeel kan zijn van de ruimtes en levens om zich heen.

    Aandacht voor het minieme

    Het vlees is uiteindelijk geen verhaal over groei of bevrijding. Het is een roman die laat zien hoe omstandigheden iemand kunnen vormen, beperken en opsluiten in patronen. Szalay toont hoe een jeugd zonder goede begeleiding, zonder duidelijke grenzen of steun, iemand een leven lang kan achtervolgen. István is soms onaantrekkelijk en vaak onbegrijpelijk, maar precies daardoor geloofwaardig. Hij staat voor velen die geen grote gebaren maken, maar vooral proberen te overleven in de omstandigheden die ze krijgen.

    De spanning in het boek komt voort uit stiltes, uit details, uit het ongemak van kleine momenten. Een blik kan een hele relatie veranderen, een aanraking kan een machtsverhouding blootleggen, een korte misser kan een levenspad verzegelen. Szalay vraagt de lezer om aandacht voor het minieme. In die kleine details schuilt de ware lading.

    Een roman die blijft nazinderen

    Het vlees vraagt geduld, omdat het weigert de lezer te belonen met een climax of een ommekeer. Maar juist dat maakt het boek krachtig. Het toont een leven dat grotendeels in de marge wordt geleefd, maar dat daardoor een scherp licht werpt op hoe afhankelijk mensen zijn van hun omgeving en van andermans wil. Szalay confronteert de lezer met vragen die zich niet laten afschudden: hoeveel invloed hebben we werkelijk op ons leven? Hoeveel van wat we doen is keuze, en hoeveel is reactie?

    István is geen gids of voorbeeld, maar een spiegel. Hij toont hoe een leven eruitziet wanneer richting verdwijnt, wanneer gebeurtenissen elkaar opvolgen zonder dat iemand ze naar zich toetrekt. En juist daardoor blijft de roman lang hangen: het is een verhaal dat weinig zegt, maar veel laat zien.

  • Oogst week 50 – 2025

    Een Cyborg Manifest – Wetenschap, technologie en socialistisch feminisme aan het eind van de twintigste eeuw

    Het boek Een Cyborg Manifest – Wetenschap, technologie en socialistisch feminisme aan het eind van de twintigste eeuw van Donna Haraway begint met een voorwoord van vertaler Karin Spaink. Zij heeft de vertaling licht bewerkt en schrijft een uitgebreide inleiding, getiteld ‘Cyborgs zijn heel gewone mensen (ze denken hooguit meer na)’, omdat Haraway’s essay ‘geen lichte kost’ is, zo laat ze weten. Cyborgs zijn organische robots of mensenmachines. De cyborg, schrijft Spaink, ‘bestaat eigenlijk al lang, wij zijn het zelf.’

    Filosoof Haraway schreef Een Cyborg Manifest in 1985. Ze onderzoekt daarin de verhoudingen tussen mens en machine en verenigt engagement, kritisch feminisme, onrustbarende ideeën en verstand van moderne technologiestudies. Volgens Haraway zijn allerlei oude tweedelingen achterhaald. Ze introduceert een nieuw politiek perspectief: een kruising tussen mens en machine zou daarvoor een mogelijkheid zijn.

    Het nawoord is van Lydia Baan Hofman, filosoof en adviseur bij de Wetenschappelijke Klimaatraad. Ze bestudeert het werk van Donna Haraway. In een interview op Kennislink zegt ze: ‘Haraway bekritiseert het idee van de menselijke uitzonderingspositie. Zij leert ons dat we leven in een web van relaties met bomen, dieren, mensen, maar ook technologieën en andere dingen. Alles is ergens mee verbonden, wat weer met iets anders verbonden is. Als we willen begrijpen hoe de wereld werkt en welke consequenties onze handelingen hebben, dan vereist dat een bepaalde manier van denken (…)’ Haraway noemt dat tentaculair denken.

     

    Auteur: Donna Haraway
    Uitgeverij: Isvw uitgevers 2021

    In verlatenheid

    L.H. Wiener (1945) schrijft sinds 1966 verhalen. Zijn eerste bundels, die hij nog publiceerde als Lodewijk-Henri Wiener, leverden niet veel waardering op. De verhalen die hij daarna schreef verschenen in literaire tijdschriften, soms werden ze gebundeld. In 2003 ontving Wiener de F. Bordewijk-prijs voor zijn roman Nestor. Daarna verschenen twee delen met zijn verzamelde verhalen. Het publiceren van verhalen ging door, soms in heel kleine oplagen en gesigneerde exemplaren.

    Nu is er In verlatenheid, een ‘document humain’ waarin Wiener de eenzaamheid probeert te overwinnen nadat zijn Laatste Vriendin hem heeft verlaten. De proloog begint hij met: ‘Vrouwen hadden het gaande mijn leven nogal eens op mij voorzien, maar verlieten me na verloop van tijd weer steevast, vermoedelijk door gemankeerde aandacht mijnerzijds, (…)’ De schuldige is zijn schrijverschap; hij was ‘als leraar geboren maar als schrijver in de wieg gelegd’. In een stream of consciousness kijkt Wiener terug op zijn leven en bedenkt wie hij was of had willen zijn als jongen, student, vader, drinker, schrijver, zeiler, want de dood is ‘talmend, maar onvermurwbaar’ in aantocht.

    Wiener begon In verlatenheid als tekst om mee te dingen naar de prijs van Boekenweekgeschenkuitgave. Het verhaal werd iets langer. ‘Nu trof het goed dat mijn vriendin Kenau, een naam die zij voor zichzelf bedacht had, mij na een omgang van veertien jaar verlaten had (…) De titel van mijn novelle werd me als het ware in de schoot geworpen,’ zegt hij in zijn toespraak bij de presentatie van In verlatenheid. De novelle noemt hij een afscheid, een zwanenzang.

     

    Auteur: L.H. Wiener
    Uitgeverij: Pluim 2025

    Watermeloenman

    Henk van Straten (1980) is journalist en schrijver. Na een paar afgebroken hbo-opleidingen en banen, onder meer in de horeca, bij een poppodium en een uitzendbureau, richtte hij zich op het schrijven. Op het omslag van Watermeloenman staat als ondertitel Een fris-fruitige misdaadroman, wat aangeeft dat de roman niet al te serieus hoeft te worden genomen. Er valt te lachen.

    Alleenstaande hoofdpersoon Nico Waltzman is boswachter en als hij op een nacht zijn bos inspecteert, struikelt hij over een watermeloen. Nico maakt zich zorgen over de verandering in de natuur, over pesticiden en over de in het bos verschijnende exoten. Gefrustreerd over het vinden van een watermeloen in zijn bos, die daar helemaal niet hoort, trapt hij ertegenaan. De meloen barst open en er komt iets onverwachts tevoorschijn. Wat volgt is een wereld van drugs, criminaliteit, chaos en moord. Nico krijgt te maken met crimineel Schele Ted, en dan staat er ook nog plotseling een twaalfjarige zoon voor de deur van wiens bestaan zijn ex hem nooit had verteld.

    Bizarre verschijningen als een wolf, een panter en een nest hoornaars doen het verhaal geregeld een andere kant op gaan en relativeren de harde criminaliteit. De personages lijken stereotiep, maar Van Straten geeft ze in deze hilarische pageturner complexiteit en diepte mee, terug te vinden in vriendschappen en deals.

     

    Auteur: Henk van Straten
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar 2025
  • Oogst week 47 — 2025

    Bigi Yari — Tien Surinaams-Nederlandse schrijvers reflecteren op vijftig jaar Surinaamse onafhankelijkheid


    Op 25 november 2025 is het vijftig jaar geleden dat Suriname onafhankelijk werd. Dit maakt 2025 een bigi yari, vijftig jaar srefidensi. Veel families hebben moeten kiezen: blijven we in Suriname of gaan we naar Nederland? Wat betekende deze historische gebeurtenis voor hen en hoe werkt deze vandaag nog door? In Bigi Yari — Tien Surinaams-Nederlandse schrijvers reflecteren op vijftig jaar Surinaamse onafhankelijkheid, samengesteld door Bodil de La Parra en Jeffrey Spalburg, vertellen schrijvers met Surinaamse wortels hun verhaal. Met bijdragen van Iwan Brave, Nina Jurna, Tessa Leuwsha, Cynthia McCleod, Bodil de la Parra, Chris Polanen, Shantie Singh, Jeffrey Spalburg, Prof. Soortkill & Etchica Voorn.

    Bodil de La Parra (1963) is acteur en toneelschrijver. Na de Akademie voor Kleinkunst en een jaar Toneelschool speelt ze onder andere bij Stichting Theater Het Amsterdamse Bos, ’t Muztheater, het Theater van het Oosten, Theater Artemis, het Noord Nederlands Toneel en Toneelgroep Amsterdam. Ze schreef meerdere toneelteksten en een roman, Het verbrande huis. Een Surinaamse familiegeschiedenis.

    Jeffrey Spalburg (1971) is cabaretier, acteur, stand-upcomedian, tekstschrijver, columnist, schrijver en regisseur. Hij deed de theateropleiding aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en begon zijn carrière in de hiphop. Sindsdien speelde hij onder andere in theatervoorstellingen en televisieseries, schreef hij voor theater- en televisieshows en werkte hij als regisseur aan verschillende (muziek)theaterprogramma’s.

    Auteur: Bodil de La Parra en Jeffrey Spalburg
    Uitgeverij: Atlas Contact


    Hoeveel duizend uren — Tegen de wanhoop

    Wie het nieuws kijkt wordt dagelijks overspoeld met ellende. Voor veel mensen is dit genoeg reden zich ervoor af te sluiten. Caro Van Thuyne deed juist het tegenovergestelde. Ze keek al het wereldnieuws alsof het haarzelf overkwam in een poging te onderzoeken wat er gebeurt als je pijn echt dichtbij laat komen. In  Hoeveel duizend uren — Tegen de wanhoop neemt ze de lezer mee in die pijn. Wat zou er gebeuren als iedereen naar het nieuws kijkt zoals Van Thuyne deed? Zou het de wereld rechtvaardiger maken?

    Caro Van Thuyne (1970) is een Belgische schrijver die in 2018 debuteerde met de verhalenbundel Wij, het schuim. Met haar roman, Lijn van wee en wens won ze een Bronzen Uil. Sindsdien verschenen er nog twee boeken van haar. Het natuurlogboek Hier begint de natuur en het moederboek Bloedzang. De opbrengst van Hoeveel duizend uren — Tegen de wanhoop gaat naar Child Smile, een organisatie die zich inzet voor kinderen in Gaza.

    Auteur: 
Caro Van Thuyne
    Uitgeverij: Koppernik


    Egelskop


    In Egelskop laat Teddy Tops een naamloze verteller de geschiedenissen van diens beide grootmoeders herschrijven. De ene oma, Levi, een joodse Amsterdamse, zoekt na de hele oorlog ondergedoken te zijn geweest naar een dansschool. Ze wil eindelijk weer in het volle licht kunnen staan. De andere, Jo, wordt als dertiende kind geboren in een plaggenhut in Drenthe. Het gezin verhuist naar Eindhoven, waar ze werken in de Philips-fabriek. Ook zij stapt daarmee van een ondergronds bestaan in het licht.

    Teddy Tops (1989) is presentator, interviewer, schrijver en programmamaker. Ze interviewt gasten voor programma’s als het Marathoninterview, Nooit Meer Slapen en Een Uur Cultuur. Ook organiseert ze festivals, culturele avonden en clubnachten. Voor het platform Mensen Zeggen Dingen leidt ze spoken word. Naar eigen zeggen heeft ze talloze studies geprobeerd, omdat ze maar niet kon kiezen. Aan de Academie voor Journalistiek en de Schrijversvakschool hield ze het het langst vol.

    Auteur: Teddy Tops

    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

  • Tragiek van een huwelijk

    Tragiek van een huwelijk

    Natalia Ginzburg wordt wel de grande dame der Italiaanse literatuur van de vorige eeuw genoemd. De novelle Valentino verscheen in 1957 en is nu opnieuw vertaald door Jan van der Haar en samen met het korte verhaal De moeder. In 1957 moeten de Italiaanse grondvesten geschud hebben toen dit kleine maar fijne verhaal verscheen. Zonder iets te benoemen vertelt Catarina (Ginzburg zelf?) het verhaal van een arm gezin, haar zogenaamd veelbelovende broer Valentino, een tragisch huwelijk en een liefde zonder liefde. ‘Mijn vader dacht dat hij een groot man zou worden: daar was misschien geen reden voor, maar hij dacht het wel: hij dacht dat al sinds Valentino klein was en nu kon hij er misschien moeilijk mee ophouden.’ Valentino studeert medicijnen, maar weet zich altijd te drukken, liever gaat hij uit, maakt hij speelgoed voor de kinderen van de conciërge en speelt hij met de kat.

    Klaploper met een lelijke vrouw

    Door de ogen van zijn zus leren we hem kennen als lui en egocentrisch, vooral geïnteresseerd in zichzelf. De ouders hebben moeite om de eindjes aan elkaar te knopen, maar hebben alles voor hun veelbelovende zoon over. De oudste zus, die met een man en kinderen keihard moet werken om haar gezin draaiende te houden, wil zelfs niets met hem te maken hebben.

    Wanneer Valentino, na tal van met knappe meisjes ‘met mutsjes’, thuiskomt met de lelijke, tien jaar oudere, maar schatrijke Maddalena, zijn de ouders ten einde raad, want de familie denkt dat hij op haar geld uit is. Het is het eerste vooroordeel waar je je ook als lezer op betrapt. Valentino en Maddalena trouwen, hij zegt van haar te houden en haar mooi te vinden, trekt bij haar in, en hoewel de lezer nooit de gedachten of beweegredenen van Valentino te weten komt, lijkt het een geslaagd huwelijk.

    Valentino luiert door de dag, zijn vrouw vertrekt al vroeg om haar landerijen te overzien, zij brengt het geld binnen en baart vervolgens hun drie kinderen. Nog een heilig huisje waar tegenaan getrapt wordt.

    Doorheen het hele verhaal blijft Valentino zichzelf. Hij heeft niet in de gaten dat zijn omgeving zich zorgen maakt, dat zijn ouders en Maddalena alles voor hem opofferen, dat het toch een beetje vreemd is hoe hij zich gedraagt in het huishouden van zijn vrouw. Een ras-narcist, denk je als lezer, of zelfs: geeft Ginzburg hier een dwarsdoorsnede van de man in het algemeen? Zijn het feministische zaadjes die Ginzburg in het hoofd van haar lezers plant?

    Empathie en onafhankelijkheid

    Als beide ouders komen te overlijden, ook niet zonder tragiek, gaat de jonge Catarina die voor onderwijzeres studeert, bij Maddalena en haar broer wonen. Ze ontmoet Kit, een neef van Maddalena, net zo’n klaploper als Valentino. Hij komt dagelijks naar haar huis, de twee mannen hangen rond en spelen spelletjes. Zonder het verdere verloop te verklappen: ook hier wordt de lezer met zijn neus tegen een heilig huisje geduwd.

    En daarmee is Valentino, klein maar fijn, een universeel verhaal over verwachtingen en verlangens. De vader verlangt dat zijn zoon een machtig man wordt, maar ziet niet dat die zoon in zijn eigen wereld ook macht heeft en gewoon gelukkig is. Maatschappelijke normen worden op hun kop gezet, zoals de vrouw die een mannentaak uitvoert door haar landgoederen te controleren en tegen de boeren te schreeuwen. De rolpatronen binnen het huwelijk worden bevraagd. Het vooroordeel van de lezer over de lelijke en dikke Maddalena wordt uiteindelijk ook omgezet in empathie, als ze vergeving toont wanneer haar huwelijk uiteindelijk toch mislukt. Zo wordt het verhaal herkenbaar.

    De personages en hun karaktertekening komen voort uit de perceptie van de vertelster, de zus. ‘Soms word ik overvallen door grote woede op Valentino. Ik zie hem door het huis zwalken in zijn versleten kamerjas, roken en kruiswoordpuzzels maken, terwijl mijn vader toch van hem dacht dat hij een groot man zou worden. (…) Ik volg hem met mijn blik als hij de straat opgaat (…) met die kleine krullenkop op zijn stevige schouders. Ik ben blij met zijn nog zo gelukkige, zegevierende tred, waar hij ook heengaat.’ Het verhaal gaat niet over Catarina, en indirect toch wel. Haar behoefte aan onafhankelijkheid is ook een thema in het boek. Zij is degene die bepaalt hoe de lezer het verhaal beleeft, neutraal, mild en vergevend.

    Ongeliefd

    De moeder is eigenlijk een hartverscheurend kort verhaal over een moeder die niet van haar twee zoontjes weet te houden zoals het zou horen volgens de sociale normen. Ze kan het niet, voelt zich ongeliefd en dompelt zich onder in een leven waarin ze ook niet gelukkig is. Ook zij snakt naar onafhankelijkheid, ze kan niet zien welke positieve dingen ze wel heeft en dat is treurig. Na haar moedwillige dood denken de jongens met schaamte aan haar terug en willen haar zo snel mogelijk vergeten. Hun grootmoeder, de conciërge en een tante die hen ook opvoedden, laten een veel prettigere herinnering achter op hun netvlies. Ginzburg deed zelf een poging tot suïcide en wellicht putte ze uit die ervaring voor dit verhaal dat zo krachtig is in zijn kortheid. Beide, Valentino en De moeder roepen genoeg op om nog even over door te mijmeren.

     

     

  • Oogst week 28 – 2025

    Oogst week 28 – 2025

    Valentino & De moeder

    De novelle Valentino van de Italiaanse Natalia Ginzburg (1916-1991) verscheen in 1957. Caterina vertelt het verhaal van haar broer, Valentino. Zijn ouders verwennen hem en hij groeit op in de wetenschap bijzonder te zijn. Zijn zussen daarentegen zien hem zoals hij werkelijk is: lui, apathisch, egocentrisch. Valentino is vooral geïnteresseerd in feesten, waar zijn studie aan de medische faculteit onder lijdt. Wanneer Valentino, uit het niets, zich verlooft met de rijke maar opvallend lelijke Maddalena is de familie geschokt, ze vertrouwen hem voor geen cent. Ginzburg, een van de grootste Italiaanse schrijfsters van de vorige eeuw, zet in dit korte verhaal een hele wereld uiteen van gecompliceerde familierelaties.

    In het korte verhaal De moeder dat in 1948 verscheen observeren twee jonge broers hun moeder. Een verhaal over een opvoeding in eenzaamheid, angst en hulpeloosheid, waarin de moeder zich niet kan conformeren aan de heersende, starre sociale normen. Een intiem en tragisch portret van een vrouw die weigert te accepteren dat moederliefde haar enige lotsbestemming vormt.

    Valentino & De moeder
    Auteur: Natalia Ginzburg
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    De man die achteromkeek

    De bundel De man die achteromkeek van de Palestijnse schrijver Amer Almassri ontstond dankzij het project Stemmen uit Gaza, dat in de zomer van 2023 werd opgezet om Palestijnse schrijvers een stem te geven in tijden van escalatie en repressie. In acht verhalen laat Almassri de alledaagse complexiteit van leven onder bezetting zien.

    Amer Almassri combineert tragiek en humor, waarmee hij bewijst dat een lichtvoetige en absurdistische toon krachtig werkt bij zware thematiek. Hij geeft meer inzicht in de Gazaanse samenleving, waarin de schrijnende situatie van de Palestijnen weliswaar altijd op de achtergrond sluimert. Maar de enorme veerkracht en menselijkheid van de personages staat centraal.

    Almassri werpt ook een kritische blik op de sociale conventies waarmee hij de lezer verrast en raakt. Zoals in het verhaal van Zainab. Ze is ongelukkig in haar huwelijk, haar moeder geeft advies, maar steeds zijn er redenen waardoor ze niet kan vertrekken.

    Eén staat niet gelijk aan één gaat over de ongelijkheid tussen meisjes en jongens. Tweelingbroer en zus, Safwaan en Asiel groeien zeer ongelijk op. De broer krijgt vrijheid, onderwijs en liefde, terwijl Asiel wordt opgesloten in tradities en schaamte.

    Amer Almassri schrijft over verlies, ontheemding, familiebanden, genderongelijkheid, religie, herinnering, ontmenselijking en veerkracht. Verhalen met een brede thematiek. Hij publiceerde reeds drie verhalenbundels en een roman. Hij is in 1995 geboren in Khan Younis, Palestina, en studeerde civiele techniek. Momenteel woont hij in Turkije. Over zijn werk zegt hij: ‘Ik ben er altijd op gebrand menselijke gevoelens op een literaire manier over te brengen.’

    De man die achteromkeek
    Auteur: Amer Almassri
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    De verkavelingen

    De verkavelingen is het debuut van Arthur Goemans, een Vlaamse dorpsroman.
    In de lente van 2020 wordt een fiets uit de Wildaalse Vaart gevist. Hoe die daar terechtkwam, is een verhaal dat twintig jaar eerder begint, bij het ontstaan van de woelige drievuldigheid Robert, Wes en Jenny – drie vrienden die elk op hun manier een weg zoeken uit een ingeslapen plattelandsdorpje. Drie vrienden die gewapend met poëzie, alcohol en elektrische gitaren de strijd aanbinden met al wat te klein is. Drie vrienden die, terwijl hun dorp langzaam verkaveld wordt tot hippe randgemeente, architect worden van hun eigen tragedie.

    De Vlaamse Arthur Goemans (1995) is onderzoeker bij Google DeepMind, waar hij zich bezighoudt met de veiligheid van artificiële intelligentie. Hij voltooide de opleiding Creatief Schrijven aan de Schrijvers Academie in Antwerpen en woont en werkt in Londen.

    De verkavelingen
    Auteur: Arthur Goemans
    Uitgeverij: Horizon
  • De amateur is de grootste liefhebber

    De amateur is de grootste liefhebber

    ‘Keer dit weekend massaal het betaald voetbal de rug toe. Bezoek een amateurwedstrijd, dompel u onder in wat voetbal ooit was. De geur van natte jassen, scheefgetrokken lijnen, bevroren tosti’s met vierkanten plakken natte ham. Twaalf jaar achterstallige contributie, nou ja, vooruit. Nog één wedstrijd en dan volgend jaar betalen! Een ambulance die het veld niet op kan, omdat niemand de sleutel kan vinden. Na de wedstrijd in de kantine… de entree van de voetballers, ongenaakbaar mooi. Allemaal ruikend naar dezelfde shampoo. Verlies uzelf in de geur van beschimmelde kleedkamers en u zult, net als Louis van Gaal, uw dichtader vinden. U zult op het veld staan en denken: “De cirkel is rond. Ik wist niet dat dit nog bestond.”’ Was getekend: Nico Dijkshoorn, die niet als enige inspiratie vindt in amateurvoetbal. Cabaretier en tekstschrijver Jan Beuving brengt een lofzang op deze tak van sport met v.v. Flats Zeist Oost. Zijn cluppie.

    Als schrijver van de Korte Corner bij Studio Voetbal – dit deed hij jarenlang – verwierf Beuving bekendheid bij het grote publiek. Zijn opvolger, Frank Heinen, doet een warme aanbeveling voor Beuvings nieuwste boek: ‘Voor iedereen die heeft gevoetbald, is dit boek een en al vrolijke herkenning. Voor iedereen die nooit heeft gevoetbald, maar bijvoorbeeld wel eens een ander mens heeft ontmoet, ook.’ En die andere mensen máken de club v.v. Flats Zeist Oost, blijkt na lezing van Beuvings ode, speciaal ter ere van het 60-jarig bestaan. Hij draagt het boek onder meer op aan Arjan, de veel te jong overleden penningmeester: ‘Vanavond gaat onze dochter weer trainen. Bij de allerkleinsten in de Onder 7. Ze kan er net zo weinig van als jij en ik, trouwens. Ik hoop dat ze er net zo van gaat houden.’

    De prof werkt, de amateur heeft lief

    Nederlanders zijn gek op in beeld gebracht amateurvoetbal; we kijken naar Atletico Ananas, All Stars of Kelderklasse 15, en we trekken spontaan een paar afgetrapte kicksen aan. Na die faalhazen op tv te hebben zien schutteren, wanen we ons Declan Rice die tot twee keer toe Courtois vernedert met een magistrale vrije trap. En dan ‘kickt’ de realiteit in: zelfs als je het alleen met de Eredivisie vergelijkt, is amateurvoetbal vele malen slechter dan profvoetbal. Maar ook liever. Die liefde zit in elke letter die Jan Beuving aan zijn FZO wijdt: ‘Eén keer in mijn leven heb ik in een ander tenue gespeeld dan dat van FZO. Het was op een Hemelvaartstoernooi.’

    Hoewel Jan zijn eigen clubloyaliteit niet wil overdrijven, brengt hij er heel wat tijd door: ‘Hoe houd je dat geloof in een club? Als ik kijk naar mijn eigen werk voor de vereniging, dan heb ik weleens gevlagd bij het eerste. Wedstrijden gefloten. Wedstrijdverslagen geschreven. Twee jaar in het bestuur gezeten. Pubquizzen gemaakt. Loterijen gepresenteerd. Geld geteld. Bardiensten gedraaid. Maar nooit met de trouw die ik bij ome Jan zie. Niet met de toewijding die een club overeind houdt. Ik hou van de club, maar heb ik er genoeg liefde in gestopt? Ik betwijfel het.’

    Bij profvoetballers is deze introspectie meestal ver te zoeken, hun ego verblind door cameraploegen, grootkapitaal en hemelse roem. Zelfs sentiment blijkt vakkundig geregisseerd, bijvoorbeeld tijdens de FIFA Ballon d’Or-uitreikingen: ‘In al hun gestamelde dankwoorden wordt het elftal bedankt, de coach, de partners, de kinderen en eventueel God.’ Niet één vedette bedankt het team vrijwilligers van zijn eerste amateurclub, valt Beuving op. ‘En dat terwijl de vraag “Waar begint iedere voetbalcarrière?” maar één juist antwoord heeft: bij de mannetjes – en de vrouwen – die op maandagochtend het complex aan kant maken. Zonder hen zou er geen voetbal zijn.’

    De mindere, die stiekem de leukere is

    FZO heeft een grote broer: Jonathan. De succesvolste en rijkste club in Zeist, die dit ook uitwasemt. Des te groter is dus de verrassing als in 1999 een compleet vriendenteam overstapt van Jonathan naar FZO: ‘Als lager elftal ben je bij een grote club als Jonathan een vijfde wiel aan de wagen. Je krijgt een onmogelijk trainingstijdslot, je moet om 16.00u op zaterdagmiddag voetballen en je contributie verdwijnt grotendeels in de budgetten voor hogere elftallen.’ Dit vriendenteam maakt FZO net dat tandje extra amateuristischer en leuker. ‘Menno floot wedstrijden. Leon ook trouwens. Eén keer staakte hij een wedstrijd. Hij had zijn zwarte shirt uitgetrokken en liep briesend naar de kantine. Op zijn enorme, witte borst zaten twaalf rode afdrukken van de noppen van een voetbalschoen, het gevolg van een karatetrap. Omdat Leons 120 kilo daar amper door werd opgeschud, was de woesteling die de schop had uitgedeeld, zelf geblesseerd geraakt.’ Saillant detail: inmiddels werkt Nigel de Jong op steenworp afstand van FZO als directeur topvoetbal voor de KNVB. Keertje meedoen?

    Een hoofdstuk van v.v. Flats Zeist Oost onderstreept meer dan alle andere wat voor lieflijk zooitje een voetbalclub kan zijn: De bestuurskamer. Dankzij één bewustzijnsstroom van 1100 woorden, slechts onderbroken door komma’s, moet de lezer op adem komen als een veteranenteam dat zojuist met 29-0 op zijn flikker heeft gehad van een stel Ajax-junioren. Vooral ook, omdat ieder item wel een liefdevol ‘Oh ja!’ aan de lezer ontlokt: ‘…, een bouwplattegrond van de kantine-uitbreiding in 1987, een handleiding voor de beveiligingscamera, vier geplastificeerde bordjes met OP HET TERRAS VERPLICHT ZITTEN MET MAX. 4 PERSONEN PER TAFEL, overal onder de onderste plank vierkante notitieblaadjes in de kleuren geel, roze en blauw, een spelregelboek Voetbal uit 1977, een handboek Keepers uit 1981 (…) en een lichtschakelaar zodat je met één druk op de knop alle troep niet meer ziet.’ Amateurverenigingen hebben dezelfde charme als kringloopwinkels.

    De bal

    FZO staat regionaal bekend om de beste bal. Niet van Nike, Adidas of Puma, maar van gehakt. Bas den Haan, Ome Bas voor intimi, draait als vrijwilliger en kantinebaas duizenden gehaktballen bij FZO – eerst met Ome Cees, na diens dood alleen. ‘Er zijn toeschouwers bij onze grote buurvereniging die in de rust naar ons complex lopen om daar een broodje bal te halen’, tekent Beuving verbaasd op. Bas deelt zelfs ‘gewoon’ zijn recept en houdt elke draaironde zijn trouwring om. Op zeker moment worden de gehaktballen steeds pittiger: ‘Toen de mensen aan Ome Bas bleven vragen of hij was uitgeschoten met de sambal en de knoflook, ging hij er toch eens op letten. Het viel hem op dat hij er veel meer in deed dan vroeger. Toch proefde hij geen verschil. Hij besloot naar de dokter te gaan, die hem doorstuurde naar de oncoloog. Na twee weken kwam de uitgezaaide diagnose. De gehaktballen wisten het al.’

    Een ode vraagt om gevoel, verdriet, een lach en tragiek. Verloren wedstrijden, gestorven clubleden, kneuterig amateurisme. Als lectuur die verdacht veel van literatuur wegheeft, bevat v.v. Flats Zeist Oost het allemaal. Beuving zou slechts één doelpunt scoren in zijn amateurloopbaan. Belabberd op het veld. Begenadigd op het papier.

     

  • Roman van hoop

    Roman van hoop

    Marieke van der Pol (1953) stu­deerde in 1979 af aan de Amsterdamse Toneel­school en was vijftien jaar werkzaam als actrice. Sinds 1992 schrijft ze scenario’s, onder andere voor De TweelingBride Flight en Zee van tijd. Ze schreef drie romans: Bruidsvlucht, Voetlicht en nu dan Waterland.

    Een ongelukkige, gemankeerde of anderszins niet fijne jeugd is een bron van inspiratie in de literatuur. Denk maar aan ’t Hart, Wolkers, Siebelink en nog vele anderen. Wat moet je dan met een gelukkige jeugd, al die fijne herinneringen aan je (leuke) ouders, vriendjes, omgeving, gebeurtenissen, het weer. Zo’n roman is misschien niet erg spannend, er worden geen diepe zielenroerselen gedeeld, geen verklaringen gegeven waarom de schrijver degene geworden is die zij is. Of zijn wij als lezers zo gehersenspoeld dat we ons graag onderdompelen in de ellende van een ander en dat we daar juist van genieten. Willen we graag negatieve ervaringen lezen om onze eigen gelukkige of ongelukkige jeugd aan te spiegelen. Mag niemand meer een gelukkige jeugd hebben.

    Opgroeien in de jaren vijftig en zestig

    In deze hectische tijden van dystopische beelden uit verre en nabije oorlogslanden en zogenaamde democratieën komt allerlei ellende onze kant op. Somberheid, hopeloosheid, wanhoop: wij als verwende Nederlanders worden ermee overspoeld. Dan is het toch wel mooi als een schrijver als Van der Pol gewoon voor de lol jeugdherinneringen ging opschrijven. ‘Ik ben geïnspireerd door mijn kleinzoon van twaalf. Zodat hij later kon lezen wat zijn oma als kind heeft meegemaakt. Ik had helemaal niet het idee om een boek uit te geven. Heb ook geen research gedaan. Ik ben puur vanuit mijn herinneringen gaan schrijven, uit mijn hoofd. Losse verhalen, maar wel chronologisch.’
    En als je dan zo’n zonovergoten jeugd hebt gehad en van die mooie verhalen kunt vertellen, dan krijg je Waterland. We zouden het een een roman van hoop kunnen noemen. Genieten van een leven zonder sociale media, smartphones, internet en zonder van alles te moeten. Inderdaad, vroeger was het beter klinkt wel eens door in het boek, maar wat overheerst is de positieve herinnering. Van der Pol trapt niet in de valkuil van de streekroman waarin het, behalve over sociale verhoudingen in een bepaalde streek, vaak vooral gaat om leuk en aardig, normen en waarden en nostalgie. Ze voegt wat scherpe randjes toe, zoals grensoverschrijdend gedrag, een depressie, een strenge moeder, een puberale dochter. Gelukkig maar.

    Van der Pol is opgegroeid in de jaren vijftig en zestig. Eerst nog in Amsterdam, later, als haar moeder zwanger is van het vierde kind, verhuist het gezin naar een nieuwbouwwijk in een niet met naam genoemd Noord-Hollands dorp. In korte hoofdstukken beschrijft de auteur dat leven van een jong gezin in de opbouwjaren.  De rode draad in deze korte scènes, je mag ze ook verhalen noemen, is vrijheid. De scènes worden verteld vanuit het kindperspectief. Dat geeft Van der Pol de gelegenheid het frisse, onbezorgde, onschuldige en wat naïeve van haar jeugd weer te geven.

    Liefhebbende moeder

    Moeder is thuis voor de kinderen, bakt en naait en houdt de boel draaiend. Vader bemoeit zich veel minder met de gezinszaken, hij werkt en studeert economie. Vader is een tobber, krijgt wat we nu een burn-out zouden noemen, raakt op een gegeven moment in een depressie, komt zijn bed niet meer uit en wordt opgenomen in een inrichting. Het gezin ontziet hem. Moeder vangt alle klappen op en zorgt ervoor dat de kinderen niet al te zeer onder de situatie lijden. Van der Pol beschrijft deze tijd met een zekere afstand; ze lijkt er inderdaad niet al te zeer onder te hebben geleden en herinnert zich vooral dat ze er niet veel van begreep. Het gezin is katholiek: er wordt communie gedaan, slapen doe je met je handen boven de dekens, er wordt gebiecht. De kinderen moeten een eind fietsen om naar katholieke scholen te gaan. In het nieuwbouwdorp is er gelegenheid genoeg om in de in aanbouw zijnde huizen te spelen, in sloten te vallen, van bergen zand te springen en te glijden en hele dagen buiten te zijn. Moeder maakt zich geen zorgen als de kinderen uren wegblijven, heel wat anders dan de curlingouders vandaag de dag.

    De wereld van de kinderen wordt gaandeweg de roman groter. Van het kleine huis in Amsterdam naar de ruimte van het Noord-Hollandse landschap en een groter huis met licht en ruimte. Van de dorpsschool naar de katholieke school in de stad, van het gezin naar de familie. En zeker als vader opgenomen is komt daar de buitenwereld nog eens bij. Er verschijnen familieleden, waar gelogeerd wordt. Vader en moeder krijgen niet alleen verleden, maar ook een kader. Want wat is er nu precies aan de hand met vader? Waarom studeert hij en lijdt hij daar zo onder?

    Tijdsbeeld waarin mensen gelukkig zijn

    Ook de ik-persoon maakt kennis met andere aspecten van de buitenwereld. Ze wordt aangerand door een jongen uit de buurt die enkele weken later zo’n standje van de moeder krijgt dat hij zich nooit meer zal laten zien.
    De roman kun je ook lezen als een portret van een strenge, katholieke, rechtvaardige moeder die de touwtjes strak in handen heeft en niet veel ruimte lijkt te geven. Ze is echter vooral heel erg liefhebbend: naar haar man voor wie ze onvoorwaardelijk kiest en zorgt en ook (en misschien wel vooral) naar haar kinderen. Het lijkt alsof Van der Pol hier een boodschap meegeeft aan de ouders van nu: leef je in in je kinderen, geef ze aandacht, help ze grenzen aan te geven, zorg ervoor dat je er voor ze bent. Dan hoef je ze niet altijd hun zin te geven, te verwennen. Onaangename zaken horen ook bij het leven. Kijk naar de keren dat de ik-persoon naar een tuinder moet om groente halen. Hij stinkt, is traag, heeft rare dochters, lijkt op een heks. Ze weet dat ze er niet onderuit komt en ze weet dat moeder weet dat ze het verschrikkelijk vindt.

    Vader komt weer thuis, gaat zijn scriptie afschrijven en lijkt weer genezen. De kinderen en moeder hebben geld voor hem gespaard om rijlessen te nemen. Als de ik-figuur naar de middelbare school gaat, begint ze zich los te maken van haar ouderlijk huis, letterlijk. De puberteit slaat toe, ze gaat naar een andere school, gaat roken, wordt zelfstandiger en krijgt een eigen mening.

    Van der Pol is er heel goed in geslaagd een tijdsbeeld neer te zetten waarin mensen gelukkig zijn, de wereld nog niet op hol geslagen is, er wel regels en verboden zijn, maar ook veel vrijheid, aandacht, buitenlucht. Vooral is Waterland een portret van de moeder: liefdevol, streng, aanwezig. Je zou willen dat iedereen zo’n moeder had.

     

     

  • Een autobiografisch beeldverhaal

    Een autobiografisch beeldverhaal

    ‘Een nieuw woord voor liefde, dat is wat ik nodig heb’, dacht Marieke van Ditshuizen toen zij en de vader van haar kinderen uit elkaar gingen. Als illustrator van vooral kinderboeken begon ze haar pijn en ervaringen te verwerken met tekeningen. Een nieuw woord voor liefde, een graphic memoir over vallen en opstaan na een scheiding, is een krachtig en openhartig egodocument. Gescheiden vrouwen en mannen zullen veel herkennen in dit boek, maar eigenlijk geldt dat voor iedereen, omdat het zo’n universeel verhaal is.

    Een nieuw woord voor liefde begint met een groot getekende IK. Marieke stelt zichzelf voor en geeft de lezer inzicht in haar leven aan de hand van korte, met potlood geschreven zinnetjes en losse schetsmatige illustraties, krabbels zonder opsmuk, maar altijd herkenbaar en door het hele boek heen consistent. Soms maakt ze gebruik van roze als steunkleur, wat heftig of verzachtend werkt.

    De roze droom

    Twee jong geliefden beginnen met hoog gespannen verwachtingen aan kinderen. Beiden zijn kunstenaar, Marieke is al doorgebroken als illustratrice, P., zoals ze haar vriend noemt, nog niet. Het leeuwendeel van het inkomen is haar verantwoordelijkheid. Gaandeweg gaat P. meer zijn eigen gang, het wordt moeilijker om afspraken te maken en haast automatisch trekt zij de zorgtaken naar zich toe, terwijl ze toch allebei geëmancipeerd zijn opgevoed, schrijft Marieke. Hoeveel vrouwen herkennen dit patroon niet: naast een volle baan de zorg voor het huishouden en ook ’s nachts is zij degene die opstaat als er een kind jengelt of ziek is. Op dat moment zag ze het niet, er was nauwelijks tijd voor reflectie. Achteraf, terwijl ze haar situatie tekent, ziet ze het feilloos en vraagt ze zich af waarom ze zich onderwierp aan het traditionele rollenpatroon.

    Met de komst van het tweede kind ging de relatie bergafwaarts. Ze zagen het gebeuren, maar konden of wisten niet hoe ze het patroon moesten veranderen. Van Ditshuizen analyseert P.’s. karakter en beseft dat er aan zijn mooie aantrekkelijke kanten een keerzijde zit. De compromisloze kunstenaar waar ze voor viel, heeft nooit geld. Of is zijn volstrekte autonomie ook als egoïsme op te vatten. Kan ze nog met de roze bril naar hem kijken? Hij neemt het steeds makkelijker, gaat vreemd en de eerste barstjes van irritatie ontstaan. Ze besluiten tijdelijk uit elkaar te gaan. Met trefzekere tekeningetjes beschrijft Van Ditshuizen haar situatie: een alleenstaande moeder met twee kleine kinderen.

    Lusten zonder lasten

    P. heeft al snel een nieuwe liefde, met wie hij zelfs trouwt, terwijl hij dat met de moeder van zijn kinderen nooit wilde. Dat doet pijn. Ze moet accepteren dat ze nu met co-ouderschap haar kinderen deels moet afstaan, de vader heeft ook zijn rechten en dat valt haar soms zwaar. Ze vinden het ook leuk bij hem met de kinderen van zijn nieuwe partner.

    Voor Marieke volgt een periode van verdriet, woede en verwarring. P. heeft de lusten en niet zozeer de lasten van de kinderen als ze in de weekenden bij hem zijn. Van Ditshuizen geeft beelden en woorden aan de omgang met haar ex, de gevoelens die ze heeft jegens zijn nieuwe partner en hoe de kinderen daarop reageren. Ze moet het allemaal leren accepteren. Maar er is een lichtpuntje. Hoewel ze vele avonden alleen is, levert dat ook veel tijd op.

    Fuckingbuddybingo

    Ze gaat weer uit met vrienden en installeert een dating app op haar telefoon. Ze houdt zich voor dat dit niet zozeer is om een nieuwe liefde op te duikelen, maar voor de seks. Echter, steeds weer komt ze van de koude kermis thuis, ze wordt ervaringsdeskundige op het gebied van dating met een heel scala van mannen. Ze tekent een ‘Fuckingbuddybingo’, een juryrapport voor mannen. Voor hen ongetwijfeld confronterend om te zien hoe er over ze gedacht wordt. Naast verdriet komt de aanvaarding, het rouwen om wat was verdwijnt naar de achtergrond. Marieke leert opnieuw te ‘kijken naar wat er wél is’.

    Het knappe van dit boek is dat Marieke van Ditshuizen de clichés van haar situatie dankzij de ijzersterke tekeningen zo goed hanteert. Door haar gevoelens te tekenen kijkt de schrijfster en illustrator vanaf een afstand naar zichzelf en weet daardoor de toon luchtig te houden. Haar relaas wordt nergens sentimenteel gezeur, of larmoyant geklaag. Integendeel. Het is een eerlijk, openhartig en herkenbaar maatschappelijk geëngageerd verhaal.

     

     

  • Oogst week 9 – 2025

    Oogst week 9 – 2025

    Vier de teugels

    Vier de teugels van de Amerikaanse schrijfster Kathryn Scanlan (1980) toont indringend hoe het er achter de schermen van paardenraces aan toe gaat. De zestigjarige paardentrainster Sonia die het verhaal vertelt, houdt onvoorwaardelijk van paarden, en die liefde gaat ver. De elitaire races zijn vooral evenementen met een schone schijn. Daarachter heerst de wereld van het geld. Paardeneigenaren in dure kleding met dure drankjes en hapjes zien in paarden alleen economische waarde. Liefde of zorg voor het dier zijn afwezig. Paarden bezwijken op de baan, ze bloeden uit hun longen tijdens de races en stikken soms in hun bloed. Ze worden gebruikt om geld mee te verdienen.

    Sonia’s leven staat in het teken van alledaagse situaties naast de buitengewone belevenissen op het werk. Twaalf uur werken is geen uitzondering, eerder zijn het er zestien. De paardentrainster weet alles van voeding, verzorging, de fokkerij en het paardenlijf. Aan de uitwerpselen kan ze zien hoe het met het paard gaat. Haar liefde voor deze dieren gaat ver. Ze heeft bewust gekozen voor dit leven en offert het op voor de paarden.
    In korte zinnen en hoofdstukken laat Scanlan Sonia haar verhaal vertellen. Zij hield daarvoor interviews met haar en bewerkte deze tot dit boek.

    Vier de teugels
    Auteur: Kathryn Scanlan
    Uitgeverij: Van Oorschot 2024

    Het persoonlijke is politiek

    Het persoonlijke is politiek van Hedy d’Ancona (1937) is een heruitgave van 2003, met een nieuw voorwoord. D’Ancona staat vooral bekend als oud-PvdA-politicus en feministe. Ze is ook socioloog en sociaal geografe. Ze deed universitair- en beleidsonderzoek, werkte bij de Vara, richtte de feministische organisatie Man-Vrouw-Maatschappij op en was medeoprichter en hoofdredactrice van Opzij. Ze zat in de Eerste Kamer, was staatssecretaris emancipatie en minister van Volksgezondheid, Welzijn en Cultuur, en bracht enkele jaren door in het Europees Parlement. De onderwerpen van deze scherpzinnige vrouw zijn vrouwenrechten, seksisme, strijd tegen seksueel geweld, het recht op zelfbeschikking en op een waardig levenseinde.

    In het boek vertelt ze over haar eigen ontwikkeling en die van de vrouwenbeweging, richting politiek. Iemands geschiedenis kan doorslaggevend zijn voor diens politieke ideeën, zegt D’Ancona. Haar ouders maakten een dramatische geschiedenis mee in de Tweede Wereldoorlog waardoor ook hun dochter getekend werd. Het tastte D’Ancona’s gevoel voor humor niet aan en ook haar haast stoïcijnse levenshouding is terug te vinden in Het persoonlijke is politiek. In 2022 is een documentaire over D’Ancona gemaakt met dezelfde titel.

     

    Het persoonlijke is politiek
    Auteur: Hedy d'Ancona
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar 2025

    Damian

    De hoofdpersoon Damian in Damian van Edzard Mik is jongerenwerker bij het jeugdhonk Viooltjesplein. Als hulpverlener gewend te helpen laat hij zijn moeder binnen die door zijn zus Tess na een app van haar wordt afgeleverd. Zelf moet ze voor haar werk weer eens naar het buitenland en moeder zou dementerend zijn en een gevaar voor zichzelf. Damian had nog teruggebeld om nee te zeggen, maar Tess nam niet meer op, stond korte tijd later al met moeder voor de deur.

    Zijn moeder bekritiseert hem aan een stuk door, vindt Damians werk ver beneden zijn niveau. ‘Ze zag aan hem hoe hij erdoor was veranderd, er was iets onbehouwens in zijn manier van bewegen geslopen, iets vulgairs, alsof het hem niet meer uitmaakte wat hij deed en hoe hij zich aan anderen presenteerde,’. Ze ziet zijn werk en gedrag ook nog als verzet tegen haar, het slachtoffer van haar kinderen die ‘blij zullen zijn’ als ze in haar kist ligt. Van zijn broer Tom, ploeterend kunstenaar, hoeft Damian ook niets te verwachten.

    Hij zit klem tussen zijn dominante en manipulatieve moeder, zijn broer en zus en zijn half criminele cliënten. Zijn relatie met vriendin Bianca, die ook tegen moeders komst was, wordt er niet beter op. Damian vraagt zich af waarom hij zo meegaand is, hoe altruïstisch iemand kan zijn. Wat betekent dat goeddoen eigenlijk?

    Damian
    Auteur: Edzard Mik
    Uitgeverij: Querido 2025
  • De langste nacht van iemands leven

    De langste nacht van iemands leven

    In Zonder slaap ben ik het noodlot voor (2024) van schrijfster en programmamaakster Mirthe Frese besluit een moeder om een nacht wakker te blijven. Terwijl de vroege ochtend aanbreekt, is haar zoon negen jaar en 178 dagen oud: precies dezelfde leeftijd die de naamloze hoofdpersoon had toen zij haar moeder verloor aan kanker. Gedurende de lange nacht reflecteert ze op haar eigen verlies en worstelt met de angst om hetzelfde lot als haar moeder te ondergaan. In eerste instantie probeert ze haar onrust thuis te verdrijven, maar midden in de nacht besluit ze naar het centrum van Amsterdam te gaan, naar de plekken die een grote rol in haar verleden speelden.

    Dat Frese kan schrijven over haar familie, bewees ze al in haar theatervoorstelling Retourtje Polen. Deze voorstelling ging over haar vader, zijn Joodse achtergrond en hun gezamenlijke reis naar vernietigingskamp Sobibor. In deze debuutroman schrijft ze over haar vroeg overleden moeder. Het boek belicht niet alleen hoe er voor haar als jong meisje ruimte was om over het verlies te spreken, maar vooral ook hoe moeilijk het is om de juiste woorden te vinden voor de complexiteit van je gevoelens. Dit geldt zowel voor de relatie die ze had met haar moeder vanaf het moment dat de diagnose kanker werd gesteld, als voor het verwarrende gevoel dat over je komt als je alleen achterblijft: ‘De kracht in haar benen werd minder, waardoor ze met een stok moest lopen en op het laatst in een rolstoel zat. Toen de chemo niet meer aansloeg, besloot mijn moeder dat het genoeg was geweest. Terwijl ze langzaam afscheid nam van het leven, begon ze qua uiterlijk weer steeds meer op haar ware zelf te lijken. Ik kreeg mijn moeder terug en raakte haar op hetzelfde moment kwijt.’

    Frese creëert met taal ruimte voor verlies

    Frese slaagt erin met haar taal emoties en ervaringen vast te leggen die vaak moeilijk onder woorden te brengen zijn, vooral vanuit het perspectief van een jong meisje. Ze beschrijft niet alleen het rouwproces, maar ook de zoektocht naar identiteit en het vinden van een plek in de wereld zonder de persoon die je vanaf het begin van je leven hebt gekend: ‘Een van de vervelendste dingen aan het hebben van een dode moeder, is het keer op keer vertellen dat je moeder dood is. Een moeder komt snel ter sprake, zeker als je nog kind bent. Ik probeerde het “moedermoment” vaak uit te stellen, zinnen te construeren waarin ik het woord kon vermijden. Maar dat was in de meeste gevallen niet vol te houden. Ik geneerde me, plaatsvervangend, voor het ongemak van de toehoorder, wiens mond vaak vertrok in een vreemde grimas.’

    Twee verhalen, twee waarheden

    Het begin van de roman schetst een eenzijdig beeld van het gezin van de hoofdpersoon: de moeder is ziek maar altijd aanwezig, terwijl de vader wordt neergezet als de grote boosdoener. Wat deze roman zo krachtig maakt, is dat dit beeld geleidelijk wordt genuanceerd. Zowel de vader als de moeder krijgen elk een hoofdstuk waarin hun perspectief centraal staat. Dit geeft de lezer inzicht in beide kanten van het verhaal, en benadrukt dat er in veel pijnlijke en verdrietige situaties meerdere waarheden naast elkaar kunnen bestaan. Frese vermijdt hiermee de valkuil van starre denkpatronen en eenzijdige oordelen.

    Zo belicht ze in het hoofdstuk ‘Mijn vader’ de invloed van opa: ‘Hoe kwaadaardig zijn vader zich tegenover zijn moeder gedroeg – de vernedering van zijn moeder voelde hij vaak in zijn eigen botten. Hij probeerde haar te beschermen, het voor haar op te nemen. Maar vaak leek het alsof ze helemaal niet zat te wachten op zijn bemoeienis.’ Hieruit blijkt hoe de geschiedenis van opa het gedrag van de vader heeft gevormd. In het hoofdstuk ‘Mijn moeder’ komen juist de overeenkomsten tussen de moeder van de hoofdpersoon en haarzelf naar voren. Dit roept Frese op met veel emotie en mooie beeldende taal.

    Deze verschuiving in perspectief geeft niet alleen diepgang aan de ouders, maar helpt de hoofdpersoon ook om een beter begrip te ontwikkelen voor de complexiteit van haar gezinssituatie, zelfs van vóór haar geboorte. Deze gelaagdheid maakt duidelijk hoe de gezinssituatie is ontstaan, en hoe deze tot op heden doorwerkt. Wat aanvankelijk leek op een simpele zwart-witverdeling tussen goed en kwaad, transformeert door deze hoofdstukken in een genuanceerd beeld van de ouders als volwaardige personages met eigen angsten, motieven en tekortkomingen.

    Ook ruimte voor humor en herkenbaarheid

    Ondanks de zware thematiek heeft Frese zorgvuldig voorkomen dat het verhaal somber wordt. Integendeel, het zit vol momenten die je doen glimlachen, herkenbare situaties uit het gezinsleven die door de lichte, soms humoristische toon de zwaarte van het verhaal in balans brengen.

    Een voorbeeld is de scène waarin de vader zijn zestigste verjaardag viert en samen met zijn dochter naar een experimenteel jazzconcert gaat – een ervaring die de dochter moeilijk kan waarderen: ‘Terwijl de drummer met een schelpenkoord over zijn snaredrum streek, keek ik naar mijn vader in de hoop een blik van erkenning voor deze verschrikking te kunnen vangen. Maar hij had zijn ogen dicht, zijn armen lagen zoals altijd gekruist over zijn buik, deinend op het totaal onnavolgbare ritme van de muziek. Op zijn gezicht een glimlach van verrukking. Ik besloot het ook mooi te vinden.’

    Deze subtiele humor en warme observaties maken de personages levensecht en menselijk. Het contrast tussen de dochter en de vader in deze scène benadrukt hun verschillen, maar ook de genegenheid die hen ondanks alles verbindt. Door dit soort scènes krijgt de roman een zekere luchtigheid die de zware thema’s verlicht zonder hun impact te verminderen.

    Zonder slaap ben ik het noodlot voor is een mooi verhaal dat raakt aan universele thema’s zoals verlies, familiebanden en de zoektocht naar identiteit. Freses vermogen om zware emoties in woorden te vatten, gecombineerd met herkenbare momenten, zorgt voor een unieke balans die zowel ontroert als doet glimlachen. De kracht van deze roman ligt in de eerlijkheid waarmee de complexiteit van menselijke relaties tot uitdrukking komt, zonder te vervallen in sentimentaliteit of simplistische oordelen.

     

     

  • Oogst week 47 – 2024

    Een rijke oogst – Schrijver, verteller en wereldburger Ton van Reen

    De Nederlandse schrijver, dichter en journalist Ton van Reen zit 60 jaar in het vak. Hij debuteerde in 1965 als dichter met Vogels. Van halverwege de jaren zeventig tot 1984 had hij samen met zijn vrouw een uitgeverij voor voornamelijk Afrikaanse literatuur die toen nog alleen in het Engels of Frans beschikbaar was. Daarna werd Van Reen full time schrijver en journalist, voor welke job hij de wereld bereisde.

    Om het jubileum van zijn schrijverschap te vieren zorgden tien schrijvers en journalisten voor de uitgave van Een rijke oogst – Schrijver, verteller en wereldburger Ton van Reen. Het bevat twaalf verhalen, interviews en studies over leven en werk van Van Reen. Deze wist wel dat er een boek aankwam maar dat tien schrijvers en journalisten eraan werkten was nieuw voor hem. ‘Het is heel verrassend dat ze zoiets voor je maken,’ zegt hij. In het liber amicorum wordt zijn leven behandeld, vanaf zijn jeugd in Panningen tot nu toe. Ook zijn negentig boeken, waarin hij vrijwel altijd maatschappijkritiek verwerkte, en de boeken waaraan hij nu werkt komen aan bod. Veel van zijn romans en verhalen spelen in Noord-Limburg. Van de vier jeugdboeken over de Bokkenrijders is de tv-serie De legende van de Bokkenrijders gemaakt. Van Reen werkte zijn leven lang voor Afrika en de Afrikanen en ziet dat als zijn levenswerk, meer nog dan zijn schrijven. Samen met zijn zoon richtte hij in 1999 de stichting Lalibela in Ethiopië op om kansarmen te helpen.

     

    Een rijke oogst – Schrijver, verteller en wereldburger Ton van Reen
    Auteur: Samenstellers: onder meer, Wim van Grinsven, Hans Hendriks, Wiel Kusters
    Uitgeverij: In de Knipscheer 2024

    Revolutiekoorts – Onrust en oproer in november 1918

    In Revolutiekoorts – Onrust en oproer in november 1918 brengt historicus Wouter Linmans de lezer naar stinkende Amsterdamse grachten en rokerige lokalen waar arbeiders vergaderden, ruzie maakten en revolutionaire plannen smeedden. Direct na de eerste wereldoorlog ontstond er in Nederlandse steden als Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Leiden revolutionaire onrust, net als in Hamburg en Berlijn waar arbeiders staakten en militairen muitten, in navolging van de revolutie van 1917 in Rusland. In Amsterdam werd op 13 november 1918 in de Sarphatistraat met geweerschoten een einde gemaakt aan de dreigende socialistische revolutie.

    Het gebeuren wordt ‘Troelstra’s vergissing’ genoemd. Sociaaldemocraat Pieter Jelles Troelstra (advocaat, journalist, dichter, politicus) had in de Tweede Kamer opgeroepen tot een revolutie. Tevergeefs weliswaar, maar de onrust leidde wel tot de confrontatie tussen de revolutionaire demonstranten en het leger, waarbij doden en gewonden vielen.
    Linmans vertelt in Revolutiekoorts wat er precies gebeurde, wie er bij het oproer betrokken waren en hij gaat na waarom deze geschiedenis in de vergetelheid is geraakt.

    Revolutiekoorts – Onrust en oproer in november 1918
    Auteur: Wouter Linmans
    Uitgeverij: Atheneum 2024

    Een nieuw woord voor liefde

    Verliefdheid, huwelijk, kinderen, donkerte, scheiding, woede, verwarring, verdriet en uiteindelijk veerkracht. Voor velen herkenbaar, net als het daaropvolgende gevoel van bevrijding en toch weer ruimte voor liefde, al zoekt illustrator Marieke van Ditshuizen daar een nieuw woord voor. ‘Dat is wat ik nodig heb, dacht ik, toen de vader van mijn kinderen en ik uit elkaar gingen’ schrijft zij. Want de realiteit van nieuwe liefdes blijkt weerbarstig.

    Van Ditshuizen laat in Een nieuw woord voor liefdeEen graphic memoir over vallen en opstaan na een scheiding alle gevoelens en ervaringen passeren, niet alleen in woorden maar vooral in tekeningen.

    Autodidact Van Ditshuizen experimenteerde al jong met tekenen en schrijven van haar eigen verhalen; schrijven en tekenen gingen altijd hand in hand. Op de kinderboekenbeurs in Bologna liet ze haar werk zien aan uitgeverij Leopold, waarna ze haar eerste prentenboek mocht illustreren. Sindsdien maakt ze voor veel uitgeverijen  vooral illustraties voor kinderboeken en tijdschriftillustraties. Van Ditshuizen geeft ook cursussen kinderboekillustraties. Het autobiografische beeldverhaal Een nieuw woord voor liefde is haar eerste boek voor volwassenen.

     

    Een nieuw woord voor liefde
    Auteur: Marieke van Ditshuizen
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar 2024