• Een gast op deze aarde

    Een gast op deze aarde

    Na de machtsovername door de nazi’s in 1933 in Duitsland vlucht Joseph Roth naar Parijs. Daar schrijft hij in 1934 zijn roman Tarabas. Het verhaal speelt zich af tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog in het oude kozakkenland ten noorden van de Zwarte Zee. In die tijd behoorde dat gebied tot tsaristisch Rusland, dat tijdens en na de oorlog verwikkeld raakte in revolutionaire woelingen. De hoofdpersoon is Tarabas, zoon van een Russische grootgrondbezitter. Nadat hij, in zijn jeugdige overmoed, deelgenomen heeft aan een aanslag op de gouverneur van Cherson, zorgt zijn vader ervoor dat hij wordt vrijgesproken. Zijn vader eist daarop dat hij vertrekt naar Amerika.

    In New York laat hij zich op een kermis de hand lezen door een zigeunerin. Zij vertelt hem dat hij een moordenaar en een heilige zal zijn. Geschrokken van deze voorspelling zwerft de bijgelovige Tarabas, ontheemd en gedesillusioneerd door de metropool New York. Tijdens een liefdesaffaire raakt hij verwikkeld in een vechtpartij met een bareigenaar, die door hem flink wordt toegetakeld. Tarabas vlucht weg, bang voor de politie en de juridische gevolgen van zijn daad. Als hij in de krant leest dat er oorlog is uitgebroken tussen Rusland en Oostenrijk, is zijn besluit snel genomen. Hij gaat terug om dienst te nemen in het Russische leger. Zijn thuiskomst wordt een desillusie en eindigt, na de ontdekking van zijn stiekeme vrijage met zijn nichtje, in een handgemeen met zijn vader. Tarabas verbrandt alle schepen achter zich en beschouwt voortaan de oorlog als zijn vaderland.

    Taras Boelba

    Dan ontvouwt zich een klassiek avonturenverhaal met veel moord- en doodslag. Tarabas laat zich kennen als een ouderwetse kozakkenleider, voor wie onverschrokkenheid, kameraadschap en dronkenschap de voornaamste waarden zijn in het leven. Het relaas doet sterk denken aan Taras Boelba, de beroemde, korte roman van Gogol uit 1835, waarin deze het kozakkenleven verheerlijkt. Deze vergelijking is in twee opzichten interessant. Beide verhalen spelen zich af in dezelfde streek en geven een scherp inzicht in het wijdverbreide antisemitisme in dat gebied door de tijd heen. Hoewel hij geen enkele sympathie koestert voor de revolutie, wordt Tarabas, na de ineenstorting van het tsarenrijk, kolonel in het revolutionaire leger met als opdracht een garnizoen te vormen in Koropta. Als daar in een schuurtje van een joodse logementhouder door toedoen van een militaire branieschopper onder een stuclaag een portret van de maagd Maria tevoorschijn komt, ontstaat er onder de bijgelovige soldaten een antisemitische furie, daartoe opgezweept door enkele muiters, die uitloopt op een orgie van geweld tegen de joodse bevolking van Koropta.

    De beschrijving van deze pogrom is huiveringwekkend en stellig exemplarisch voor de vele pogroms, die zich in Oost-Europa vóór en na die tijd hebben afgespeeld. Ook hier treedt Joseph Roth in de voetsporen van Gogol en zien wij het sterk beeldende karakter van zijn schrijfstijl, waarmee hij dit alles trefzeker, je zou bijna zeggen ‘in geuren en kleuren’ beschrijft.

    Van kolonel tot heremiet

    Als Tarabas merkt dat zijn trouwe rechterhand, sergeant-majoor Kontsev, die trachtte tijdens de pogrom de orde te herstellen, vermoord is door een van de muitende soldaten, is hij diepbedroefd. Er breekt iets in hem en zijn stoere onverschrokkenheid gaat steeds meer plaats maken voor kwetsbaarheid. Tarabas wordt langzaamaan vermalen door de tijd. Zijn verlangen om moordend en brandschattend rond te trekken als een echte kozak wordt ingeperkt en gefrustreerd door de oukazes van revolutionaire legerbonzen in Moskou, die zweren bij strak geordende militaire operaties passend in een heuse strategie. Eigenlijk is Tarabas een romantisch residu uit voorbije tijden. Hij houdt niet van New York, houdt niet van militaire strategie, houdt niet van bureaucratische pennenlikkers en houdt niet van academische scholing. Hij is stoer mannelijk, impulsief, soms gewelddadig en dan weer sentimenteel gevoelig, hij is bijgelovig.

    Tarabas past niet in de moderne tijd. Misschien vinden we in Tarabas wel iets van Joseph Roth zelf, eigenlijk ook een romanticus teleurgesteld in de idealen van de revolutie. Tenslotte geeft Tarabas gehoor aan de voorspelling van de zigeunerin. Hij verlaat het leger en leeft verder als een zwerver, als een heremiet, onthecht van al het aardse. Het eertijds door hem afgezworen verleden komt weer terug. Hij zoekt de plaatsen en mensen uit het verleden op om te bezien wat hij nog aan boete kan doen. Als een verloren zoon klopt hij aan bij het huis van zijn ouders, waar hij niet wordt herkend en weggejaagd wordt. Na vergiffenis te hebben gekregen van een joodse man, die hij veel narigheid heeft berokkend, sterft hij eenzaam in een kloostercel. Op zijn graf prijkt het opschrift: ‘Kolonel Nikolaus Tarabas, een gast op deze aarde’.

    Hoewel het niet het sterkste boek is van Joseph Roth en niet in de schaduw kan staan van bijvoorbeeld zijn roman Radetzkymars, is het wel een echte Joseph Roth. Het boek kenmerkt zich door een zekere heimwee naar het prerevolutionaire tijdperk. Het bevat prachtige beschrijvingen van de natuur en van een verloren gegane wereld en geeft ook een uniek beeld van Oost-Europa aan de vooravond van de holocaust. In die zin is Joseph Roth een echte romanticus.

    In zijn beschrijving van de karakters is het boek niet zo sterk. Tarabas is een primair reagerend mens, heen en weer geslingerd door heftige gevoelens van liefde en haat. Daarnaast is hij zeer bijgelovig en bevooroordeeld. Dit leidt in eerste instantie tot gewelddadig en wreed machogedrag met veel uiterlijk vertoon en tenslotte tot zelfverloochening en boetvaardigheid. Deze ontwikkeling in zijn persoonlijkheid wordt niet uitgediept, maar blijft vooral verbonden aan de dood van zijn strijdmakker, Kontsev. Tarabas krijgt hierdoor een wat schematisch karakter waarmee de lezer zich moeilijk kan identificeren. De andere personen in het boek worden nauwelijks uitgediept en figureren slechts als klankbord voor, of decorstuk in het drama van Tarabas.

     

     

  • Immer dran denken – nie vergessen

    Titel en ondertitel van dit dagboek van communist en verzetsstrijder Nico Rost geven meteen aan waar het hem om gaat: Goethe staat voorop, want – citeert Rost hem – ‘de oude aarde staat nog en de hemel welft zich nog boven mij’ en andere literatuur volgt. De auteur – voor de oorlog bekend als journalist en vertaler van Duitse literatuur – is zelfs dankbaar dat hij kan lezen en schrijven in wat zijn werkelijkheid van alle dag is: één van de ziekenbarakken van het concentratiekamp Dachau, in de buurt van München. Barakken met een kanariekooi boven de deur en een goudvissenkom op tafel. Rost noteert het allemaal op droge toon en in de hoop dat hij ‘van dit dagboek iets behoorlijks zal maken’, en zijn ‘notities over literatuur enige waarde hebben.’

    Zijn opmerkingen zijn vaak raak. ‘Het probleem Luther’, schrijft hij bijvoorbeeld, ‘is zo gecompliceerd, omdat het niet van het probleem Duitsland te scheiden is.’ Maar het is niet alleen lezen en schrijven dat hem hoop geeft, ook gesprekken met geestverwanten doen dat. Hiervan maakt hij al even uitvoerige notities. Schrijven en praten zijn middelen om zijn gedachten en energie op iets anders te concentreren en niet steeds aan zijn vrouw en zoon, of zichzelf, te hoeven denken.

    Je vraagt je af hoe Rost de gelegenheid vond om dit allemaal te noteren. Dat blijkt te danken aan lange periodes van luchtalarm, rusttijden in de ziekenbarak en papier verzamelende medegevangenen. Rost hoopt langer in de ziekenbarak te kunnen blijven door als Stubenschreiber de verpleger te mogen helpen met het noteren van koortstabellen e.d.. Dit lukt hem. Hij wordt later tewerk gesteld op de malaria-afdeling en uiteindelijk wordt hij Revierläufer, bode tussen de verschillende ziekenbarakken. En hij schrijft verder.

    Naast schrijven en van gedachten wisselen met iemand als Wiardi Beckman, waarmee hij eerst weinig affiniteit heeft maar die hij uiteindelijk steeds meer gaat waarderen, geeft de auteur op z’n tijd ook een ‘lezing’ tussen de bedden. Als het licht uitvalt, wendt hij zich, haast associatief, aan om aan de Duitse romantiek te denken.
    Het dagboek wordt gaandeweg steeds beklemmender. Maar – haast gelijk op – ook de geruchten over de komst van de Amerikanen als bevrijders nemen met de dag toe. Op 29 april 1945 wordt het kamp bevrijd. Dat markeert tevens het einde van het dagboek.

    Huiveringwekkend is het verhaal over de zuster van beeldhouwer Frits van Hall die in Dachau komt op het moment dat haar broer vijf minuten ervoor ‘de poort uit is gegaan.’ Ook details die uiting geven aan een gevoel van zwarte humor ontsnappen niet aan Rosts aandacht. Zo vroeg een Poolse vrouw uit het kampbordeel eens naar een exemplaar van Dantes Hel. Ze was bang daar later terecht te komen en wilde zich vast ‘inlezen’, te midden van de hel om haar heen. Maar dat laatste, schrijft Rost, scheen ze niet door te hebben.

    Als lezer kom je in de verleiding de literatuur ter hand te nemen die Rost las. Maar dit heeft in zoverre weinig zin, dat de context nu een heel andere is en de auteur zelf al schreef dat die context juist zo bepalend was voor de manier waarop hij een en ander las, en na de oorlog wilde herlezen om te kijken of hij dat dan met andere ogen zou doen.
    In dat verband had hij ook een droom: ‘Als we elkaar na de oorlog beter willen leren kennen – en dat zal nodig zijn – is, volgens mij, een der beste middelen hiertoe een grondige kennis van elkaars literatuur.’

    Vanaf het begin was het Rosts plan om zijn dagboek na de oorlog te publiceren. Misschien ook, om een regel te citeren die hij uit een lied oppikte, als opdracht: ‘Immer dran denken – nie vergessen.’ Zoals de gevangenen het raam opendeden als ze er lucht van kregen dat mensen terecht zouden worden gesteld. Om de schoten te horen en te proberen ze te tellen: zoveel doden vandaag.
    Soms schuilt er, in die wetenschap van latere publicatie, ook een beetje koketterie in het dagboek. Bijvoorbeeld over redelijk onbekende auteurs, waarvan hij de jaartallen en andere biografische gegevens zo weet op te lepelen.
    Daar staat tegenover dat de gevoelens die Rost beschrijft, o zo herkenbaar zijn. Bijvoorbeeld over een schrijfmap die werd gevonden nadat iemand in de barak was overleden. Er zat één tekening in: van de vrouw van de overledene. De man had geprobeerd haar ‘teer-beminde gelaat terug te vinden.’ Rost ontroerde dit ‘meer dan de honderd doden die vandaag weer in het straatje, voor de Totenkammer lagen.’ Het eerste overviel hem en tegen het tweede wilde hij zich harden.

    De eerste druk van dit dagboek verscheen in 1948, de tijd waarin ook een standaardwerk als De SS-staat. Het systeem der Duitse concentratiekampen van de Duitse socioloog/politicoloog Eugen Kogon en andere dagboeken op de markt kwamen. Nu is de vierde druk van Rosts dagboek verschenen, met voetnoten en een nawoord van Ewout van der Knaap. Wederom haast weer gelijktijdig met een omvangrijke studie: KL. Een geschiedenis van de naziconcentratiekampen van de historicus Nikolaus Wachsmann.
    Een boek als dit en andere dagboeken vullen dergelijke analytische studies van Kogon en Wachsmann vanuit een persoonlijk perspectief in en aan. Beide genres versterken elkaar opdat niet mag worden vergeten: ‘Immer dran denken – nie vergessen.’

    Wat er van Rost na de oorlog is geworden? Hij zette zich onder andere in voor het herstel van de relatie tussen met name Nederland en Duitsland. Publiceren deed hij nog maar weinig. In 1967 overleed hij. In 1997 verscheen een biografie over hem van de hand van Hans Olink.

    Goethe in Dachau
    Literatuur en werkelijkheid. Dagboek 1944-1945

    Auteur: Nico Rost
    Nawoord van Ewout van der Knaap
    Verschenen bij: Uitgeverij Schokland
    Serie: Kritische Klassieken
    Aantal pagina’s: 272 p.
    Prijs: € 24,00

  • Een kleine man op zoek naar alledaags geluk

    Recensie door: Martin Lok

    De Duitse schrijver Hans Fallada (1893-1947) heeft een flink oeuvre nagelaten: hij schreef tussen 1920 en 1947 meer dan vijfentwintig boeken, oftewel ongeveer één per jaar, waarvan overigens een deel postuum werd gepubliceerd. Het grote succes kwam in 1932, toen hij Kleiner Mann, was nun? publiceerde, dat nu in een nieuwe vertaling bij uitgeverij Cossee is uitgebracht. Het is in korte tijd het tweede boek van Fallada dat in het Nederlands is vertaald. Vorig jaar verscheen reeds Alleen in Berlijn, een andere bestseller van de Duitse auteur. Een boek waarin volgens Adam Freudenheim van het Britse Penguin de kleinburgerlijke alledaagsheid van de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog centraal staat. Ook in Wat nu, kleine man?, de Nederlandse titel van Fallada’s roman uit 1932, is de hoofdrol weggelegd voor de ‘kleine man’, fijntjes geportretteerd in Johannes Pinneberg, eerst boekhouder, later winkelbediende en nog later werkeloze.

    Wat nu, kleine man? speelt zich af tijdens de economische crisis van de jaren twintig. In een beknopt vierluik schotelt Fallada ons een aandoenlijke zoektocht naar geluk voor. Een zoektocht van Pinneberg met zijn jonge vrouw Engeltje, die zorgeloos begint in de ‘grote’ stad Platz, voor het eerst struikelt in de provinciestad Ducherow en hard onderuit gaat in de metropool Berlijn, om zich toch weer uit het moeras der ellende te ontworstelen in een moestuin buiten Berlijn. Alle ups en downs van het leven komen langs. De verliefdheid van twee mensen die elk op hun eigen manier eenzaam waren en in elkaar een soulmate vinden. De tegenslag van een eerste zwangerschap, als de – nog niet gehuwden – enigszins beschroomd een pessarium proberen te bemachtigen. De blijdschap van het voorgenomen huwelijk. Het onbegrip van Engeltje als Pinneberg zijn huwelijk lijkt te ontkennen en haar woede als ze ontdekt dat hij daarvoor een veel te klein overmatig gemeubileerd stoffig hol als kamer heeft gehuurd. De vreugde van de geboorte van ‘het wurm’. En zo kan ik nog wel even doorgaan. De zoektocht naar geluk gaat op en neer, en de emoties van Pinneberg en Engeltje bewegen zich zo op het eerste gezicht willoos op deze baren mee.

    Soms is het ongeluk ongelofelijk alledaags en vertederend. Zoals de waterige erwtensoep die onervaren kokkin Engeltje haar man als eerste gerecht hun eerste echt gezamenlijke dag in Ducherow voorzet. En als je dan als lezer denkt dat het niet erger kan, laat Fallada haar de volgende dag de waterige soep zo ver inkoken dat het op het laatst ‘steenkool’ is. Ook de tweede dag in Ducherow is Pinneberg blijkbaar geen gevulde maag gegund.

    Wanneer Pinneberg als boekhouder ontslagen wordt trekken de jonggehuwden naar Berlijn, waar Johannes na enige tegenwind aan de slag gaat als winkelbediende. Het leven blijft sober, maar er breken nu duidelijk gelukkiger tijden aan. Symbool hiervoor staat de aanschaf van een cadeau van Pinneberg voor zijn Engeltje: een kaptafel, waaraan hij vrijwel zijn gehele eerste maanloon in Berlijn spendeert. Alhoewel deze kaptafel de Pinnebergs overal blijft volgen, geldt dat niet voor het geluk. Dat lijkt voor hen louter voor enkele vergeten minuten weggelegd lijkt te zijn. Het ongeluk ligt voor de ‘kleine man’ steeds weer op de loer. Als in de winkel waar Pinneberg in Berlijn werkt een organisatieadviseur zijn intrede doet en de verkoop met verkoopquota rationaliseert zet de neergang opnieuw in. Een neergang die uiteindelijk leidt het ontslag van Pinneberg en hem en Engeltje uit hun huis drijft.

    Fallada schreef zijn roman in een fijne, lichtvoetige taal, vol humoristische kwinkslagen. Als lezer moest ik dan ook vele malen glimlachen, hoe groot de teleurstellingen van de ‘kleine man’ ook waren. Zoals bij de kennismaking van Pinneberg met de vader van Engeltje: ‘Zo, bent u de jongeman die met mijn dochter wil trouwen? Aangenaam kennis te maken. Gaat u zitten. Misschien komt u er nog wel van terug.’ Op vergelijkbare ludieke wijze vat Fallada de verwachting van het burgerlijke geluk samen: ‘Uit de verte ziet een huwelijk er heel simpel uit: twee mensen trouwen met elkaar en krijgen kinderen. Je hebt een gezellig leventje samen, bent zo lief mogelijk voor elkaar en probeert hogerop te komen. Kameraadschap, liefde, een beetje vriendelijkheid, eten, drinken, slapen, de zaak, het huishouden, ‘s zondags een uitstapje, een enkele keer ‘s avonds naar de bioscoop. Klaar is Kees.’ Een verwachting die in het leven van de Pinnebergs alledaags wreed verstoord wordt als ze weinig geld bezitten en ze de vraag moeten beantwoorden of je als pasgehuwd stel echt beter een vierpits dan tweepits gasstel kunt bezitten. Het zijn dit soort futiele problemen die Pinneberg en Engeltje steeds weer van hun koers op geluk afdrijven. ‘De mens is vrij, Pinneberg’ zegt Heilbutt, een vriend van Pinneberg halverwege de roman, als deze de terneergeslagen winkelbediende probeert op te monteren. Deze menselijke vrijheid is de tobberige Pinneberg echter geheel vreemd. Wat hem evenwel niet de das blijkt om te doen. Steeds weer houdt Pinneberg het hoofd – letterlijk en emotioneel – toch weer boven water. Fallada’s ‘kleine man’ is in al zijn onzekerheid en fragiliteit toch weerbaar en robuust.

     

    Wat nu, kleine man?

    Auteur: Hans Fallada
    Vertaald door: Nico Rost
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee (2011)
    Aantal pagina’s: 349
    Prijs: € 21,90