• Een levendige tegenstrijdigheid

    Een levendige tegenstrijdigheid

    Het is een bijzondere gewaarwording om direct na het herlezen van Tonke Dragts De brief voor de koning – dit jaar voor een prikje te koop in het kader van ‘Geef een boek cadeau’ – Willem die Madoc maakte van Nico Dros te lezen. Beide boeken ademen eenzelfde sfeer en toch ook weer niet. Het eerstgenoemde, een kinderboek, gaat over de bijna-ridder Tiuri. Het tweede over de bijna-geestelijke Beda, en begint op het moment dat hij op het punt staat de gelofte af te leggen in een Benedictijns klooster. Wat beiden vooral gemeen hebben is dat ze het goede of de goede zaak in het leven zijn  toegedaan. 

    Van ridderlijk naar intellectueel

    In de tweede helft van Willem die Madoc maakte heeft Beda de naam Madoc aangenomen. Hij is er met zijn hoofd vaak niet bij, reizend van de ene naar de andere plaats. Hij verkeert bij gedichten en vrouwen, in het bijzonder bij Veerle die hij op een late avond ontzette en wordt haar ridderlijke figuur. Op weg naar Parijs, een gevaarlijke tocht, wordt hij onderweg door de geestelijke Hincmar, graaf van Mourille, benoemt tot secretaris. Madoc is, zoals veel troubadours, onder de indruk van de onbereikbare kasteelvrouwe Adelina, die hem ’s nachts weet te vinden.

    Het kloosterleven ligt al ver achter hem wanneer Madoc zijn vuurdoop met wapens ondergaat, waardoor hij prikkelbaar en introvert wordt. Tijdens een gevecht ontdekt hij dat hij tweehandig is: links heeft hij kracht en met rechts doet hij het fijne werk, zoals schrijven. Het geeft Madocs dualisme weer, dat in het boek knap tot in alle finesses wordt doorgevoerd. De Franse filosoof Emmanuel Levinas noemt dit een ‘levende tegenstrijdigheid’. Eentje die leidt tot ‘een ingrijpende zwenking’ in het levensverhaal van Madoc, die op zijn reis naar Parijs zijn schrijverschap ontdekt. Een ‘omslag van het ridderlijke naar het intellectuele’, waarbij Madoc het geestelijke leven achter zich laat, gelijk opgaand met de metamorfose van Adelina van kasteelvrouwe tot mondaine dame. Hij verdwijnt in gedachten over de relatie tussen filosofie en theologie, bij Aristoteles’ ‘leer van de dubbele waarheid, waarin openbaring en rede zich niet zozeer verzoenen, maar als twee afzonderlijke wegen naar het enige, ware inzicht voeren’.

    In Parijs ontmoet Madoc een priester uit Wales die op grond van een nachtelijk droomgezicht van de bard Maelgwn, Madocs herkomst onthult als de kleinzoon van twee koningen: Owain en Madog. De Welshmen verlangen naar een vorst die de strijdende partijen voor eens en voor altijd kort en klein slaat.

    Een drama in het Diets

    Verder zuidwaarts ontmoet Madoc onderweg Wijchje, die de doopnaam Hadewijch heeft, net zo’n twijfelaar als hij is. Zij zingt Occitaanse liefdesliedjes aan de ene kant en kent de ‘spirituele vervoering van de begijnen’ aan de andere kant. Dat levert zielsverwantschap op. Wanneer hun levens elkaar kruisen, is Madoc op weg naar het zuiden en zij op weg naar het noorden. Hij besluit met haar mee te gaan en trouwt haar. Zij raakt zwanger en verandert ‘in een puur aardse vrouw’. Hun dochtertje sterft kort daarna. Waarna Hadewijch afdrijft ‘naar al te ijle sferen’, naar Antwerpen evertrekt en intreedt in het Begijnenhuis. Madoc wil wraak nemen op het geloof dat hem Hadewijch deed verliezen, en schrijft een drama in het Diets. ‘In een lucide vervoering die in sommige opzichten deed denken aan eenzelfde mystieke extase, als waar Wijchje bij vlagen door werd meegesleept’. 

    Behalve in het Diets, schrijft Madoc ook een in het Latijn gesteld dichtwerk Duo Somnia (Twee dromen). Hierin uit hij zich in termen als een openbaring die zich in zijn geest uitstortte, ‘in momenten van luciditeit’. Hij moet voor een schepenbank komen, op verdenking van ongeloof. Daar komt hij tot de synthese tussen zijn oude geloof en nieuwe ongeloof: ‘Mijn geest werd in een dichterlijk visioen geconfronteerd met een profetie waarin de grenzen van de christelijke leer worden overschreden’. Hij wordt veroordeeld ‘wegens buitensporige blasfemie in geschrifte’ en wordt – speling van het lot – ingemetseld gelijk een incluse als zuster Bertken, die de laatste zevenenvijftig jaar van haar leven in een nis in een kerkmuur doorbracht.

    Prachtig en actueel boek

    Deze roman van Nico Dros kent een meerlagigheid die het boek uittilt boven veel andere historische romans zonder dat de lezer er verstrikt in raakt of het spoor bijster is. Het is – net als De brief voor de koning van Tonke Dragt – zelfs een ware ‘page turner’, al mag zo’n opmerking, die vaak voor een wat populairder boek wordt gebruikt – het prachtige boek van Dros met zijn tot in de finesses uitgewerkt dualisme niet te kort doen.
    Ten diepste ontdekt de lezer, hoe actueel het boek is: de weg van Beda tot Madoc (kerkverlating), Beda die in het klooster werd opgevangen, nadat hij als schipbreukeling (bootvluchteling) was aangespoeld, de in het klooster levende, Godvruchtige monnik Elmus, die ook dingen deed ‘waar de kinderen met geen woord over spraken’ (ontucht in de rooms-katholieke kerk). Ook dit ligt er, net als de filosofische achtergronden, niet dik bovenop, maar is er als lezer zelf uit op te maken.

     

  • Over het einde der wereld en queestende jongkerels

    Over het einde der wereld en queestende jongkerels

    In een interview zei Nico Dros het eens ongeveer zo: ‘Ik ben geworteld in Amsterdam, maar ik heb Texel nooit verlaten’. In zijn juist verschenen verhalenbundel Langzaam afbouwen op deze planeet staat een mooi voorbeeld van dat gevoel van verbonden zijn met twee plekken tegelijkertijd: Doorwaakte nacht. Omwille van zijn werk, maar ook door een ervaring een jaar eerder, blijft de ik-figuur in Amsterdam op de dag dat op Texel Ouwesunderklaas wordt gevierd. Na een merkwaardig verlopen avond en nacht staat hij om half vier op uit zijn Amsterdamse bed: ‘Zolang het feest op Texel nog voortduurde kon ik niet slapen’.

    Dros werd in 1956 geboren op het Waddeneiland en ging op zijn 18de in Amsterdam studeren. Daar bleef hij wonen, maar zijn hart bleef uitgaan naar zijn geboortestreek. Bijna al zijn boeken getuigen ervan. Zoals trouwens ook de geur van de Bijbel, zoals die op Texel werd gelezen, uit veel verhalen opstijgt. In deze bundel van acht verhalen geeft Dros bovendien een proeve van zijn veelzijdigheid als stilist. Hij wisselt even moeiteloos tussen luchtigheid en ernst als tussen documentair en bijna mythisch.

    Neem het titelverhaal, waarin het besluit van de terminaal zieke Max – hij heeft zelfs al het tijdstip voor zijn euthanasie bepaald – wordt ingebed in een explosieve situatie in het Midden-Oosten, die sommigen het einde van de wereld doet vrezen. De gesprekken met Max hebben in de verte iets Carmiggeltiaans. Zijn besluit om te sterven komt ineens in een ander licht staan nu de ondergang van de wereld zijn eigen persoonlijke plan dreigt in te halen. Ieder reageert op zijn eigen manier op de wereldcrisis. De een sluit zich af voor het nieuws, de ander vlucht de kerk in, zich vastklampend aan een plotselinge verschijning van Maria in een zakje koffiedrab, en anderen kruipen in de kroeg bijeen. Zelfs de herinneringen worden gekleurd door de angst voor de dood: Max begrijpt plotseling waarom zijn gesprekspartner vroeger altijd zijn tanden poetste en dure aftershave op deed als hij een uur ging rennen: ‘En opeens begreep ik het: jij rekende erop dat je met een fris gezicht en een schone mond eerder door een passant zou worden beademd, mocht je onder het lopen onwel zijn geworden en op het asfalt liggen.’

    Zo dreigend als in dit verhaal is het niet steeds, maar altijd is er wel iets onheilspellends dat voor een onverwachte wending in de loop van de gebeurtenissen zorgt. Soms vertelt Dros zo levensecht dat je gaat geloven dat er niets aan verzonnen is. In het eerste verhaal, Maagdenbloed, zet hij dat nog eens kracht bij door te beginnen met een citaat van Nabokov: ‘het Leven heeft meer talent dan wij. De intriges die het af en toe verzint! Hoe kunnen wij zo’n god naar de kroon steken? Zijn werk is onvertaalbaar, onbeschrijfelijk.’

    Venijnig is hij in De meisjes, een verhaal vol jaloezie, rivaliteit en kleineringen, waarin een literair criticus een romanauteur en vorige minnaar van zijn vrouw bij het vuilnis zet door in zijn recensie te concluderen: ‘Ties Weinacker lijkt me een kleinzoon van Simon Vestdijk, overigens een schrijver die om begrijpelijke redenen tegenwoordig nauwelijks wordt gelezen’.

    Bijzonder beeldend is Dros dan weer in het verhaal Going native  als hij het straatleven in Jakarta en de kampongs in de buurt ten tijde van Soeharto beschrijft. Dat doet hij letterlijk in geuren en kleuren: ‘Over de stad hing een walm, opstijgend uit open riolen die onder de tropenzon lagen te sudderen. Daarmee vermengde zich roet en rook van het altijd denderende verkeer (…) de Chiliwung, een rivier vol riekende zwadder (…) Maar er waren ook geuren in deze stad waaraan ik werkelijk verslingerd raakte: die van aanbrandende klapperolie (…) Onweerstaandbaar was de zoete nevel van inheemse tabak met kruidnagelen erin’. Bij het lezen van zulke beschrijvingen proef je de stad bijna op je tong.

    Een heel ander register spreekt Dros aan in het prachtige (en tragische) Twee dooilingen. Ook dit verhaal uit de tijd van de VOC speelt zich grotendeels op Texel af. Het is een wrange liefdesgeschiedenis tegen de achtergrond van een ziekte die de schapenpopulatie op het eiland decimeert, terwijl de ‘jongkerels’ zich gretig overgeven aan het queesten: een praktijk waarin zij ’s nachts door los staande ramen in de kamers van Tesselse maagden klimmen om ze te beslapen. Dominee Slaterus schreeuwt van de kansel zijn keel schor om de causaliteit tussen de onzedige nachtelijke klauterpartijen en de sterfte onder de schapen te bewijzen. Dros gebruikt in dit verhaal een exuberante taal, doorspekt met humor en ironie, zonder de magie ervan te kort te doen. In één zin vat hij de wanhoop van dominee Slaterus: ‘ Zijn baard werd nat van schuimend speeksel toen hij links en rechts uit de Schrift citeerde om zijn waarschuwing voor de straf van de eeuwige vermorzeling kracht bij te zetten.’

    En dan zijn we nog niet eens toe aan de aandoenlijke verwikkelingen tussen Jozef en Nanie, de protagonisten van deze geschiedenis. Met zo’n rijkdom neem je een enkel verhaal dat wat oppervlakkiger blijft, zoals Het weerzien, graag op de koop toe.
    Langzaam afbouwen op deze planeet

    Auteur: Nico Dros
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot (2015)
    Aantal pagina’s: 186
    Prijs: € 16,50

  • Oogst week 15

    Door Carolien Lohmeijer

    Helle Helle is een Deense populaire en bekroonde schrijfster van wie al eerder werk in het Nederlands werd vertaald.
    In Als je wilt komen twee verdwaalde hardlopers, een man en een vrouw, elkaar in een bos tegen en moeten noodgedwongen de nacht buiten doorbrengen. Het is koud, ze hebben honger en kunnen niemand bereiken. Om wakker en warm te blijven, vertelt de vrouw het verhaal van haar ontwortelde leven.

    Als je wilt, Helle Helle, Uitgeverij Querido, € 18,99

     

    Ica‘Op haar veertiende besloot Ineke Cornelia dat Ineke Cornelia geen naam voor een groot schrijver was, en na een tijdje broeden kwam ze op de samenvoeging. Ica was vreemd, en vreemd viel op, bleef hangen: precies wat een groot schrijver nodig had.

    Zo introduceert Eva Postuma de Boer een van de hoofdpersonen uit Ica, waarin boekenbaldebutante Nadine Sprenger kennis maakt met en gefascineerd raakt door de schrijfster Ica Metz die ze zozeer bewondert. Tussen haar en de schrijfster bestaat onmiddellijk een vanzelfsprekende, maar onverklaarbare vertrouwdheid.

    Ica, Eva Posthuma de Boer, Kor Vries, uitgeverij Ambo/Anthos, € 19,99

     

    Langzaam afbouwen op deze planeetHoe klein Texel ook mag zijn, het is de vruchtbare voedingsbodem voor de boeken van Nico Dros. Onwillekeurig wil je zijn boeken ‘nareizen’ als je op het eiland bent. Ook sommige van de verhalen in zijn nieuwe bundel Langzaam afbouwen op deze planeet spelen zich daar af, en vinden plaats zowel in het heden als verleden, maar ook in de nabije toekomst.
    In de werelden die hij in deze bundel oproept is steeds iets grondig mis. Het kwaad is nooit ver weg. De sfeer is vaak suggestief of zelfs sinister.
    Binnenkort verschijnt ook een herdruk van Dros’ debuutroman Noorderburen.

    Langzaam afbouwen op deze planeet, Nico Dros, Uitgeverij Van Oorschot, € 16,50

     

  • Zonder aanziens des persoons, ook als het de vijand is

    Zonder aanziens des persoons, ook als het de vijand is

    Oorlogsparadijs van Nico Dros is een aanrader. Het is een aangename mix van een historisch gegeven, een subtiel liefdesverhaal en menselijke verhoudingen in oorlogsomstandigheden. Het boek leest vlot, de taal is helemaal passend in die tijd, de jaren ’40 tot ’60, en op de een of andere manier is dat heel prettig.

    ‘Voor een arts waren er, als het er werkelijk op aankwam, alleen maar mensen die medische hulp behoefden. En de persoon die er het ergst aan toe was, moest als eerste geholpen worden, ook als het een vijand was’.

    Dit is de kern van een lezing die Adriaan Wiering, chirurg in het Academisch Ziekenhuis in Leiden, in april 1962 houdt voor een groep van 44 legerartsen en een aantal artsen in opleiding. De lezing is gebaseerd op zijn eigen ervaringen in de Tweede Wereldoorlog en op de jaren na de oorlog, waarin hij in Indonesië als arts werkzaam was.
    Vlak voor hij aan zijn lezing begint, treft hij bij zijn post een brief van een vrouw uit Texel. Deze brief en de op handen zijnde koloniale oorlog op Nieuw-Guinea roepen bij Adriaan heftige herinneringen op.

    Ruim twintig jaar eerder, in het voorjaar van 1941, hij is dan zevenentwintig en pas afgestudeerd, wordt hij gevraagd om buiten werktijden medische hulp te verlenen aan patiënten in moeilijke omstandigheden. Ofwel, hij raakt betrokken bij het werk van een verzetsgroep. Na een mislukte actie in Amsterdam in maart 1942 waarbij een Duitse officier wordt doodgeschoten, moet hij onderduiken. De mensen uit het verzet organiseren een andere naam voor hem en een nieuwe identiteit en zij regelen dat hij op Texel in een noodziekenhuis geplaatst wordt. Voortaan heet hij Luc Walraven. Hij krijgt een kamer bij een schapenboer en maakt kennis met een warme, gulle familie, Jo Keijzer, zijn vrouw Engelien en hun tweelingdochters Merel en Mila. Beide dochters werken als wijkverpleegsters op het eiland. Luc Walraven maakt kennis met dokter Oosterling, de hoofdarts van het ziekenhuis, in de volksmond het Gesticht (van Weldadigheid) genoemd. Er is plaats voor 35 tot 55 patiënten en al vrij snel legt dokter Oosterling hem uit, dat een arts hier van alle markten thuis moet zijn. Er komen allerlei verschillende patiënten en veelal moeten er echt noodoplossingen bedacht worden, omdat de faciliteiten niet zo uitgebreid zijn als op het vasteland. De arts, even autoritair als grootmoedig, is zeer geliefd en legt zijn nieuwe collega haarfijn uit dat er op Texel soms geen keuzes zijn. Gewoon doen wat voor je handen komt. Dit geldt zowel voor de zieken en ziekten, als voor de patiënten zelf. Dit kunnen eilandbewoners zijn, maar ook Duitsers van de bezettingsmacht die zich op het eiland bevindt.

    Op het eiland wonen naast de negenduizend oorspronkelijke Tesselaars ruim 2.500 soldaten van de Wehrmacht en de Kriegsmarine. Daarnaast zijn er nog ongeveer vierhonderd arbeiders voor de bouw van bunkers en verblijven er zo’n zes tot zevenhonderd onderduikers. Hoewel de Duitsers een eigen legerarts hebben, kan het voorkomen, dat moeilijke gevallen in het ziekenhuis in Den Burg terecht komen. Dokter Oosterling wijst Luc Walraven erop dat hij zich moet houden aan zijn eed: hulpverlening zonder aanziens des persoons.
    De twee mannen blijken uitstekend te kunnen samenwerken, veelal geholpen door een goed team van verpleegkundigen en een monteur-chauffeur, die niet alleen alles kan repareren wat los en vast zit, maar ook van alles weet te ritselen en regelen aan hulpmiddelen en goederen.

    Na zijn lange werkdagen in het ziekenhuis komt Luc Walraven ’s avonds thuis bij de hartelijke familie. Er is begrip voor elkaar, er heerst een ongedwongen sfeer en ook over de houding ten opzichte van de bezetters bestaan weinig verschillen. Luc krijgt regelmatig studiemateriaal mee van dokter Oosterling. Eén van de zussen, Mila, wil eigenlijk wel een opleiding volgen tot hoofdverpleegkundige en het komt steeds vaker voor dat Luc en Mila ’s avonds samen zitten te studeren. En praten. En langzaamaan naar elkaar toegroeien.

    In mei 1943 heeft er intussen een wisseling van soldaten plaatsgevonden. Er is een bataljon van Brits-Indiërs gekomen, soldaten die er onder Duitse supervisie moeten verblijven. Deze Indiase jongens ondervinden veel sympathie bij de bevolking van Texel, zij spreken Engels en zij gaan tamelijk soepel met allerlei regels om. In september wordt het bataljon overgeplaatst naar Frankrijk, en veel eilandbewoners komen hen uitzwaaien.
    In de zomer van 1944 komt er een grote groep soldaten van het Rode Leger, Noordkaukasiërs, die eerder krijgsgevangen waren, maar die overgelopen waren naar de Duitsers. De sfeer op het eiland verandert, mede door de berichten uit Frankrijk. De repressie van de bezetter neemt toe. Onder de Georgiërs breekt begin april ’45 een opstand uit tegen de Duitsers. Er volgt een week met felle gevechten en beschietingen. In het ziekenhuis worden talloze gewonden binnengebracht. Dokter Oosterling en Luc Walraven staan dag in dag uit te opereren. Het dorp wordt zwaar beschadigd als gevolg van de gevechten.

    460 Opstandelingen zijn inmiddels vermoord. De Duitsers, die nieuwe troepen weten aan te voeren, willen alleen nog maar wraak en gaan op zoek naar alle nog overgebleven Georgiërs.
    Vier mei ’s avonds hoort dokter Oosterling van de op handen zijnde bevrijding.

    De brief, die Adriaan Wiering kort voor zijn lezing ontvangt, roept alle herinneringen aan de jaren op Texel weer op. Hij gaat terug naar het eiland en ontmoet enkele mensen uit die tijd en  komt tot het besef, dat hij zijn herinneringen niet ontlopen kan.

    Nico Dros, in 1956 op Texel geboren, heeft de roman gebaseerd op verhalen van zijn ouders en mede-eilandbewoners. Op basis van verschillende interviews is hij uitvoerig ingegaan op de historische feiten en de personen. Het is een roman geworden, waarin historische gegevens in een fictieve vorm prachtig zijn uitgewerkt. Een aanrader dus.

     

     

  • Tirade – nieuwste nummer – maart 2011

    Recensie: Ingrid van der Graaf

    In het eerste nummer van Tirade van dit jaar is het schotschrift Te licht bevonden van historicus en publicist Ronald Havenaar opgenomen. In 1990 promoveerde Havenaar op een studie over het politieke denken van Jacques de Kadt (1897-1988). Havenaar geeft inhoudelijk kritiek op De schijn-elite van de valsmunters (2010) van PVV ideoloog Martin Bosma, die zich gretig beroept op het gedachtegoed van De Kadt. Bosma ontleende de titel van zijn boek aan een passage uit Het fascisme van de nieuwe vrijheid (1939) van Jacques de Kadt.

    Havenaar toont aan dat de zo onontbeerlijke kenmerken voor een politicus als kennis en inzicht – die Bosma in zijn leermeester De Kadt zo bevallen – bij Bosma zelf ontbreken. Daarentegen is er bij Bosma sprake van schrille dogmatiek, geloofsijver en missiedrang. Ronald Havenaar laat zien dat Bosma uit zijn nek kletst.
    Carel Peeters bewerkte Huid en haar, de laatste roman van Arnon Grunberg met een fijn scalpeermesje en legt ‘de schrijver als sofist’ bloot. Peeters vindt dat Grunberg zijn hoofdpersoon, Roland Oberstein te veel heeft gesouffleerd. Grunberg is als verteller en commentator voortdurend aanwezig waardoor Oberstein geen echt romanfiguur wordt maar een speler in een soap. En dat is tot daar aan toe maar een soap van 523 pagina’s is te veel van het goede, aldus Peeters.
    Kiki Coumans vertaalde werk van de Franse dichter Yves Bonnefoy (1923), Verre stem, Uit: Les Planches courbes, Mercure de France, 2001.
    Bonnefoy geldt in Frankrijk en in de rest van Europa als de belangrijkste levende Franse dichter. In Nederland zijn sporadisch teksten van hem vertaald. Naast dichter is hij een veelgeprezen essayist en vertaler van Shakespeare en Yeats.
    Van de Zweedse schrijver Stig Dagerman (1923-1952) vertaalde Bernlef het verhaal Een partijtje zakschaak dat pas na de dood van de schrijver werd gepubliceerd en nu voor het eerst in een Nederlandse vertaling verschijnt. Bernlef vertaalde eerder van dezelfde schrijver de roman Het verbrande kind en de verhalenbundel Natte sneeuw.
    Lodewijk Pessers (1984) studeert Italiaanse taal- en letterkunde aan de UvA en rondt dit jaar zijn master af. Hij publiceert een stuk over: De tenzone tussen Dante Alighieri en Forese Donati, getiteld Ruzie op rijm. De poëtische correspondentie uit omstreeks 1295 tussen Dante Alighieri en zijn jeugdvriend Forese is een relatief onbekend werk. ‘Tenzone’ is een Italiaanse aanduiding voor poëtische correspondentie, in het Nederlands zou het strijdgedicht genoemd kunnen worden.
    ‘Twee gedichten’ van de dichter Willem Thies (1973), die in dichterlijke taal pijnlijk realistische beelden neerzet.
    Nico Dros (1956) als blogger in residence vraagt zich in Acteur, auteur, malheur af wat Adriaan van Dis er toe bewoog op het Boekenbal 2010 een act op te voeren . En wat een marteling het voor de toeschouwers was dit te moeten aanzien. Een auteur moet zich bij zijn ’leest’ houden, al zijn er uitzonderingen. In het tweede blog een klein eerbetoon aan de op 14 augustus 2010 overleden schrijver Herman Franke. Zijn laatste roman Traag licht werd vorig jaar oktober ten kantore van uitgeverij Podium gepresenteerd.
    In een kort verhaal van toneelschrijver en regisseur Marijke Schermer(1975) De microbiologe, vindt de hoofdpersoon zichzelf terug in een roman.

    Verder bijdragen van: Dichter en schrijver Lloyd Haft (Wisconsin 1946): Kelong: drie zeegezichten; Neerlandicus en tekstschrijver Joris van Groningen (1962) schrijft in Gerrit Krol verbetert de Turingtest over machines als mens en met name over de roman De man achter het raam van Krol uit 1982 waarin een robot figureert en hoe Krol de turingtest verbeterd; Van de Schotse schrijver Norman Douglas (1868-1952) Rome in een vertaling van Astrid Huisman en Inge van Balgooij.
    Gedichten van Kreek Daey Ouwens (1942), haar bundel De achterkant werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2011.
    Van Manet van Montfrans (1944) Terug naar de oorsprong. Geschiedenis en voorgeschiedenis bij Jean Rouaud. Montfrans publiceert regelmatig over hedendaagse Franse literatuur en is redacteur van het tijdschrift Marcel Proust ajour’hui.

    www.Tirade.nu
    Tirade is een uitgave van Uitgeverij G.A. van Oorschot en verschijnt vijf keer per jaar.
    Losse nummers 12,50 Abonnement (vijf nummers) 40,00
    Studenten en CJP-houders, 34,00

  • Twee recensies over een boek

    Twee recensies over een boek

    Freudiaans of niet, feit is dat wij de recensenten Hilde van Vlaanderen en Machiel Jansen beiden  De sprekende slang van Nico Dros toestuurden en dat zij vrijwel tegelijkertijd een bespreking van dit boek aanleverden. Beide recensies zijn zeer de moeite waard. Daarom werd besloten beide recensies in één bericht te plaatsen.


    Door Machiel Jansen
    Religie kan een bindend element zijn in een samenleving maar het kan ook leiden tot grote onenigheid over zaken die voor een buitenstaander onbelangrijk en zelfs moeilijk te begrijpen zijn. De sprekende slang van Nico Dros (1956) is daar een mooi en afgebakend voorbeeld van.

    Dros is geboren en getogen op Texel, in een niet kerkelijk gezin, vlak bij het vissersdorp Oosterend. In 1984 interviewt hij daar als student geschiedenis voor een scriptie, enkele bejaarde dorpsgenoten over een kerkelijk conflict dat zich in 1926 heeft afgespeeld. Praten erover doen ze, zelfs na al die tijd, liever niet. Ze schamen zich nog steeds.

    Dros heeft die scriptie nu uitgewerkt tot het boek De sprekende slang dat zich laat lezen als een religieuze geschiedenis van Oosterend. Het interessante is dat het verhaal van dit kleine dorp met zijn achthonderd inwoners als het ware model staat voor wat je laaglands fundamentalisme zou kunnen noemen. De ondertitel van het boek luidt dan ook: Een kleine geschiedenis van laaglands fundamentalisme.

    Wie fundamentalisme met terrorisme associeert, zit hier op het verkeerde spoor. Militant is dat laaglands fundamentalisme nooit geworden en als ‘fundamentalisme’ een negatieve bijklank heeft dan komt dat door de starheid en het gebrek aan relativering die met het woord geassocieerd worden.  Laaglands fundamentalisme is een strijd tussen rekkelijken en preciezen. Een strijd om wat er staat in de Schrift en wat er geloofd moet worden.

    Een analyse van wat fundamentalisme is, kom je in Dros’ boek niet tegen. Hij houdt het bijna voortdurend bij de beschrijvingen van gebeurtenissen die relevant zijn voor de religieuze geschiedenis van Oosterend.  Dat is een compliment waard en maakt zijn boek ook tot een vreugde om te lezen.

    Het conflict waar het allemaal om draait, heeft alles met de sprekende slang uit de titel te maken. De Amsterdamse, gereformeerde dominee Geelkerken komt  met de kerkelijke autoriteiten in botsing omdat hij zich verzet tegen een letterlijke interpretatie van Genesis  3, waarin de slang tot Eva spreekt. Is deze slang een zintuiglijk waarneembaar reptiel geweest, of is de slang hier een zinnebeeld van Satan? Geelkerken verwierp de letterlijke interpretatie als de enige mogelijke.

    Er kwam een synode van, in 1926 in Assen. Daar werd Geelkerken gesommeerd zich te conformeren aan de kerkelijke lezing en, nadat hij weigerde, de kerk uitgezet. Het resultaat was dat 26 kerken in Nederland zich gezamenlijk afscheidden, waaronder ook die van Oosterend. Daar zorgde dit conflict voor grote commotie. Dros legt uit hoe het dorp zich in de voorafgaande vijfenzeventig jaar vast had gebeten in het gereformeerde geloof. Het vissersdorp was arm, de haven verzand, de oesters verdwenen en het vissen op zee gevaarlijk.

    Scheidslijnen liepen er al voor 1926 door de Oosterendse bevolking. In 1900 kende het dorp, dat uit niet meer dan tien straten bestond, al een streng onderscheid tussen fijnen en groven. De fijnen waren de gereformeerden, de groven de anderen: de hervormden, doopsgezinden en katholieken. En natuurlijk haalde de ene groep de neus op voor de andere.

    In 1926 scheurt het gereformeerde kamp in tweeën. Een paar jaar eerder heeft Oosterend eindelijk weer een gereformeerde dominee gekregen. Het is de dan 24e jarige ds. Buskens uit Amsterdam die de Oosterenders als een herder mag gaan leiden. De kudde heeft het dan zes jaar zonder dominee moeten doen. De jonge Buskens maakt een enorme indruk en maakt zich snel geliefd. Maar dan mengt hij zich in het conflict rond de sprekende slang, kiest de kant van Geelkerken en wordt in Alkmaar bij de classis op het matje geroepen. Buskens wordt geschorst en vertrekt uiteindelijk naar Amsterdam, de Oosterenders in verwarring achterlatend. Hoe kon hun zo geliefde dominee nu beschuldigd worden van  Schriftaanranding? Het dorp splijt in tweeën: voor of tegen Buskens, of anders gezegd voor of tegen de synode van Assen. Het conflict splijt vriendschappen, families en gezinnen. De pro-Buskens fractie scheidt zich af en bouwt zelfs een eigen kerk.

    Nico Dros beschrijft zo de geschiedenis van een kerkscheuring en de gevolgen die het heeft voor de lokale gemeenschap. De kleine geschiedenis van een zo geïsoleerd dorp maakt het verhaal tot een mooie eenheid. Het conflict rond de sprekende slang is een apotheose waar netjes naar toe gewerkt wordt. Eerst worden we snel en feitelijk door de Nederlandse geloofsgeschiedenis geloodst. We maken kennis met Oosterend en de langzaam groeiende gereformeerde aanhang. Daarbij verklaart of interpreteert Dros niet of nauwelijks.  Alles wordt verteld zonder nostalgie, romantiek of verbazing over de gebeurtenissen.

    Eén verklaring die Dros wel geeft leent hij van de antropoloog Rob van Ginkel . Die meent dat de hardheid en het gevaar van het vissersleven in de 19e eeuw de Oosterenders ertoe gebracht hebben steun te zoeken in het rechtzinnige calvinisme. Op heel Texel had alleen Oosterend een gereformeerde kerk en daar kwamen ook de meeste vissers vandaan.  Helemaal overtuigen doet die verklaring mij toch niet. Vissers verdronken vrij vaak en konden meestal niet zwemmen, vertelt Dros. Dan zou ik toch willen weten waarom de Oosterenders zich op het strenge calvinisme gestort hebben in plaats van zwemlessen te nemen. Bovendien blijkt fanatiek calvinisme ook meer tot spanningen dan tot innerlijke steun te leiden. Een fijne en een grove visser in één boot leidde nog wel eens tot ruzie, wat de situatie aan boord er niet veiliger op maakte.

    Nico Dros eindigt De sprekende slang met een voorspelling. Nadat hij eerst kort de jaren zestig en zeventig heeft beschreven waarin het dorp de religieuze teugels doet vieren, constateert hij ook een begin van een mogelijke opleving van het strenge gereformeerde geloven. Het dorp kent momenteel een kleine zwartekousenkerk. ‘Wanneer de gezinsgrootte in deze kring gehandhaafd blijft (…), zal deze minderheid sluipenderwijs en zonder slag of stoot in het jaar 2050 de overhand in het dorp hebben gekregen.’

    Dat ‘demografische’ argument kennen we. Het is vaker gebruikt, o.a. om aan te tonen dat Nederland katholiek of islamitisch zou worden. Zo’n uitspraak wordt nog wel eens gezien als waarschuwing voor naderend onheil. Maar waarschuwen doet Dros hier niet. Hij doet zijn voorspelling na de constatering dat de verhoudingen tussen rekkelijken en preciezen in het dorp verlopen als een getij. Over tsunami’s heeft hij het niet, wel over eb en vloed. En kennis van eb en vloed  heeft Dros als geboren Oosterender wel.

     

     Hilde van Vlaanderen
    De eerste keer las ik het boek als een spannende roman. Wat er zich allemaal op het eiland Texel afspeelde in de kerken, in families, met predikanten en hun volgelingen. Het was bijna ongelooflijk. Laatst vroegen Russische vrienden mij, hoe het toch kwam dat er binnen de protestantse kerk zoveel stromingen zijn en het kostte me moeite om enige verschillen uit te leggen. Na lezing van dit boek, zal me dat beter afgaan, vermoed ik.

    Toch begon ik nog een keer aan het boek, ik wilde preciezer weten, hoe het gegaan was. En bij de tweede lezing werd ik steeds verbaasder, maar ook kwader. Als je nog niet weet, waar oorlog en strijd in het klein vandaan komt, dan moet je dit boek lezen. Het is toch niet voor te stellen, dat hele families uit elkaar gaan vanwege de interpretatie van een tekst uit een boek van bijna tweeduizend jaar geleden? Natuurlijk leerde ik op school over de rekkelijken en preciezen, na dit boek heb ik eindelijk begrepen, waar het om ging. Maar begrijpen kan ik het niet.

    De ondertitel van dit boek: Een kleine geschiedenis van laaglands fundamentalisme is meer dan toepasselijk. Fundamentalisme van de bovenste plank is het, de strijd om de Bijbeltekst, de interpretatie van bepaalde fragmenten (de sprekende slang ? echt of een metafoor?), het onbegrip en vervolgens het verdriet in families, onder vrienden, onder buren en collega’s om een verloren gewaande broeder of zuster. Waar fundamentalisme toe kan leiden…

    Helaas kan ik het mijn moeder niet meer vragen, maar ik meen me te herinneren, dat zij begin jaren ’60 in Amsterdam dominee Buskes heeft ontmoet, hij was modern, progressief. Nu las ik dat deze dominee op Texel de Bijbeltwist en de strijd om de juiste interpretatie helemaal heeft meegemaakt. Met zijn vertrek hoopte hij de gemoederen te bedaren, maar dit bleek achteraf niet het geval. Hij heeft er later nog gepreekt en zich altijd verwant gevoeld aan de eilandbewoners en met name een groep mensen in Oosterend. Toch is het ook hem niet geluk de kemphanen tot elkaar te brengen. Zoals we ons gevoeglijk kunnen afvragen, of al die stromingen: hervormden, gereformeerden, remonstranten, doopsgezinden elkaar ooit zullen bereiken. In iedere stroming zitten immers scherpslijpers en… fundamentalisten.

    Nico Dros heeft een mooi boek geschreven. De geschiedenis vanaf de 12e eeuw heeft hij in heldere taal weergegeven, de persoonlijke strijd in het dorp op Texel illustratief uitgewerkt. Hij heeft als kind in die omgeving gewoond en zijn ervaring bij zijn gereformeerde vriendje is een mooi verhaal, dat een uitstekend beeld geeft van de sfeer in die tijd. Het is dan wel weer schokkend om te lezen, dat er nog mensen waren, die de grootste strijd in de jaren ’20 en ’50 hebben meegemaakt en er niet over willen vertellen als hij een opnamerecorder wil gebruiken. Vergeven en vergeten. Het schijnt moeilijk te zijn. Dit boek is een aanrader voor een ieder die inzicht hoopt te krijgen in, inderdaad het fundamentalisme in de Lage Landen.