• Geestgeworden vrouwenhaat

    Geestgeworden vrouwenhaat

    Wie, of misschien zelfs wat, is er aan het woord in Susan Taubes’ Treurzang voor Julia? Een ‘grijze, onbeduidende geest’ noemt de verteller zichzelf, ergens halverwege het boek. Alleen kun je tegen die tijd, na bladzijdes vol tegenstrijdigheden, al lang niet meer op zijn woorden vertrouwen. Weet de verteller zelf wel wie of wat hij (of zij?) is? Een ‘zwarte prins’? Een ‘jaloerse echtgenoot’? De verteller verbaast zich over Julia’s lichaam — ‘Waar was het banier van haar geslacht?’ —  en toch, een paar bladzijden later stelt hij (of zij?) zich zichzelf voor als een ‘ontzagwekkende matriarch, een bijenkoningin’. Zeker is dat er iemand in Julia leeft. Een tweede bewustzijn, naast het bewustzijn dat Julia wordt genoemd. Waarom dat tweede bewustzijn daar is, kan het ons niet vertellen. 

    Julia is een levenslustig kind, nieuwsgierig en impulsief, een dartelend jong meisje. Ja, ze loopt in zeven sloten tegelijk, maar eenmaal doorweekt, met moddervlekken in haar jurk en haar vol kroos, maakt ze er het beste van. Helaas is dit niet hoe de verteller haar beschrijft. Zodra hij haar leert kennen, in haar gaat wonen, bezit van haar neemt, beseft hij dat hij haar niet mag. ‘Ze paste helemaal niet bij me, deze ongedurige, sproetige, duimzuigende, bedplassende Julia. Ze was me te mollig en te snollig; als peuter al dwaalde ze rond door de bediendenvertrekken op zoek naar vrijers van de dienstmeid. En zo wulps als ze begon te kronkelen in het bijzijn van iedere man! Ik schaamde me voor Julia.’ 

    Gevangen veroveraar

    Julia verandert van een jong kind in een tiener. De vraag wie of wat de verteller is wordt steeds prangender. Het zit hem in de niet-verholen vrouwenhaat, de manier waarop Julia’s ontwakende seksualiteit veroordeeld en verafschuwd wordt, een vrouwenhaat die benauwt en schokt. Fantaseert Julia over verkrachting of is het de verteller die de puurheid waar hij zo aan hecht bezoedeld wil zien worden? Als Julia, vijftien jaar oud, op een feest een officier van de in de dertig ontmoet die haar meeneemt naar een herberg laat de verteller hem zijn gang gaan. Geen pogingen om Julia te behoeden voor wat er komt, ook niet als ze geen woord meer kan uitbrengen ‘uit angst om in tranen uit te barsten’. Ze moet de gevolgen van haar, nog kinderlijke, seksuele spel zelf dragen, terwijl de lezer met afschuw toekijkt. ‘Opeens was haar positie van veroveraarster in gevangene veranderd’.

    Ja, wie is toch die verteller? Pas als Julia trouwt, met Peter Brody, de man die haar ‘de goede Julia’ maakt, treedt hij een aantal jaar terug. In eerste instantie lijkt het zelfs even of hij ophoudt te bestaan. Hier rijst de vraag of de verteller, de geest, voor meer staat dan alleen voor zichzelf. Is hij de geestgeworden vrouwenhaat die in een patriarchale samenleving in iedereen, ook in vrouwen, huist? Dat zou verklaren waarom de verteller zich koest houdt tijdens de jaren dat Julia doet waarvoor ze in zijn ogen gemaakt is: baren, zogen, beschikbaar zijn voor haar man.

    Pas als het Julia niet meer lukt deze rol te vervullen — haar arts legt haar een wachttijd van enkele jaren op voor ze opnieuw zwanger mag worden terwijl ze nog geen zoon heeft gebaard — roert de verteller zich opnieuw. Julia voelt zich verbitterd en verdrietig, ze drinkt stiekem gin in de schuur. De verteller jaagt haar voort, van de ene naar de andere huishoudelijke taak. ‘Er viel duidelijk maar één koers te varen wilden we een schipbreuk voorkomen: ze moest een nieuwe schoonheid verkrijgen door te berusten, te gedogen, te verdragen; ze moest zich opgewassen tonen tegen de ernst van haar positie. Dit was de ware toetssteen van Julia’s vrouwelijkheid.’ Deze Julia, in een nieuw gareel gedwongen, is voor de verteller nauwelijks meer herkenbaar. Ze lijkt verdwenen, stelt hij vertwijfeld vast, het meisje, de jonge vrouw, de jonge moeder. Wie is het die een affaire aangaat met Paul Holle, wie baart er een zoontje?

    Dodelijke kritiek

    Gaat het bij een roman om de bedoeling van de schrijver of om wat de lezer erin ziet? Veel mensen hebben er behoefte aan een schrijver over zijn werk te horen vertellen, waarom anders al die interviews en boekpresentaties? Hoewel Treurzang voor Julia pas na Taubes’ dood is gepubliceerd staan we toch niet met lege handen. We kunnen haar zelfs uit het werk horen voorlezen, in deze opname van 25 januari 1966. Taubes werd in 1928 geboren als kind van Hongaarse ouders in een Joods gezin. In 1939 emigreerde ze met haar vader naar de Verenigde Staten, waar ze aan het Bryn Mawr College studeerde en een doctoraat behaalde aan Harvard. Ze publiceerde één roman, in 1969, Scheiden. Die roman gaat, volgens Deborah Levy in The Guardian (27 februari 2021), over veel meer dan het uiteenvallen van een huwelijk. ‘Misschien vooral over misogynie en hoe deze een slimme vrouw kan ontmoedigen en verdoven.’

    Het is diezelfde vrouwenhaat die Taubes ertoe leidt zichzelf te doden. Vier dagen nadat literair criticus Hugh Kenner haar werk in The New York Times afdoet als het werk van een ‘lady novelist’ en ‘a quick-change artist with the clothes of other writers’ verdrinkt Taubes zichzelf aan de kust bij Long Island in East Hampton. De herwaardering van haar werk die erop volgt, waar de publicatie van Treurzang voor Julia onderdeel van is, heeft ze dus niet mee mogen maken. Hoe schrijnend dat Atlantic Magazine haar roman Scheiden in 2024 zelfs opnam in zijn lijst van ‘The Great American Novels’ en het een herontdekt meesterwerk noemde.

    Precies zo schrijnend is Treurzang voor Julia. De verteller praat meer dan tweehonderd bladzijden lang over niets anders dan zijn ‘protegé’ en toch is het onmogelijk een beeld van haar te krijgen. Julia blijft onzichtbaar achter sluiers van vrouwenhaat. De vraag is niet alleen wie de verteller is, maar ook wie Julia is als we haar niet noodgedwongen door zijn ogen zouden bezien. Het maakt van het lezen een pijnlijke ervaring, een die het vrouwbeeld van de samenleving blootlegt. Hoeveel mensen lukt het zich daar werkelijk aan te onttrekken? Het boek voelt, vijfenvijftig jaar na dato, actueel, alsof er aan vrouwenhaat in al die decennia niets is veranderd. Geen opwekkende leeservaring maar misschien wel een geruststellende. Wie last heeft van vrouwenhaat verbeeldt zich dat niet. 

     

     

  • Schrikwekkende kindertijd in een gelukkig gezin

    Schrikwekkende kindertijd in een gelukkig gezin

    Als hoofdpersoon Ernest Pontifex op 6 september 1835 wordt geboren, zijn we in De weg van alle vlees van Samuel Butler al op pagina 88. Maar de lezer heeft zich in de lange aanloop allerminst verveeld. Met nietsontziende ironie is dan al het milieu geschetst waarin de jongen ter wereld komt: de Victoriaanse zeden, de strenge kerkelijke moraal en de hypocrisie waaronder zijn opa en vader ook al gebukt gingen.

    Timmermanszoon George, de opa van Ernest, werkte zich op tot de enige eigenaar van een uitgeverij van stichtelijke lectuur en peperde zijn kinderen vooral in wat hun opvoeding hem wel niet kostte. Zijn zoon Theobald wordt er het slachtoffer van als hij tegen het einde van zijn opleiding besluit dat het predikantschap toch niet is waar hij de rest van zijn leven aan wil spenderen. Maar tegen de druk van zijn ‘liefhebbende’ vader kan hij niet op. Hij wordt toch voorganger. Met zijn vrouw Christina krijgt hij drie kinderen, waaronder Ernest.

    Diens eerste bewuste kennismaking met zijn vader – ‘nog voor hij kon kruipen’- zijn straffen, bestaande uit pakken slaag of andere vernederingen. En zijn moeder vereert haar man, die volgens haar voorbestemd is om het tot bisschop te schoppen. Er is dan al een filosofische beschouwing gepasseerd over de dood: is die niet vergelijkbaar met de pijnlijke passage van het embryo naar het aardse leven? Stel je het leven in omgekeerde richting voor: hoe zou het zijn om weer een embryo te worden? ‘Bestaat er een gruwelijker dood dan de geboorte? Of een schrikwekkender levensavond dan een kindertijd in een gelukkig, eendrachtig, godvrezend gezin?’

    Rehabilitatie van delen tekst

    De geciteerde passage is overigens één van de ‘rehabilitaties’ die door de vertaalster zijn toegepast. Toen Butler (1835-1903) zijn roman in 1884 af had, durfde hij hem niet uit te geven. Hij kwam pas een jaar na zijn dood uit, maar wel nadat een aantal tekstgedeeltes om uiteenlopende redenen (waaronder de lange tenen van de kerk) waren geschrapt. Die vervallen stukken werden in een Penguinuitgave uit 1966 als noten vermeld en zijn in de Nederlandse vertaling wel in de tekst opgenomen.

    Butler had een brede belangstelling, hield erg van Händel, de klassieke en eigentijdse literatuur, was zeer geïnteresseerd in de evolutietheorie van Darwin en de opkomst van de psychoanalyse. Dat is in De weg van alle vlees te merken. Het wemelt van de citaten uit de Bijbel, uit de grote teksten van de klassieke Oudheid tot aan Butlers eigen tijd, en uit werken van Händel. Het prominentst natuurlijk in de titel van het boek, (‘De weg van alle vlees’ als synoniem voor sterven, samengesteld uit woorden van 1 Koningen en Jesaja). Butler verweeft ze zo in zijn eigen vertelling dat je voortdurend voelt hoezeer het leven van Ernest in die traditie staat. Een fraai voorbeeld daarvan is het begin van hoofdstuk 41 waarin Ernest op het matje moet komen bij zijn vader om een flinke uitbrander te krijgen: ‘Lang voordat Ernest in de eetkamer aankwam, had zijn onheil voorspellend hart hem al verteld dat hij de gevolgen van zijn zonden zou ondervinden.’ Dankzij het uitstekende notenapparaat achter in de roman weten we dat ‘het onheil voorspellend hart’ ontleend is aan Romeo en Julia van Shakespeare en ‘dat hij de gevolgen van zijn zonden zou ondervinden’ aan het Bijbelboek Numeri.

    Het relaas van Ernest wordt verteld door zijn peetvader en latere vriend Edward Overton. Deze wat vaag blijvende figuur heeft het leven van Ernest in zijn jeugdjaren van zo’n afstand gevolgd dat hij zijn kennis over hem zogenaamd uit herinneringen, brieven en gesprekken van betrokkenen komen. Dat maakt dat ook de zwakke kanten van zijn ‘held’ worden beschreven. Daardoor kan deze geschiedenis vol spot en ironie zijn zonder dat hij afglijdt naar het karikaturale.

    Opstand tegen zijn ouders

    Ernests jeugd was niet om te harden, toch zoekt hij de schuld daarvoor bij zichzelf: hij is zondig, houdt te weinig van zijn ouders en heeft een bijzonder lage eigendunk. Dat verandert als hij op kostschool terecht komt. Dan komen de eerste scheuren in de vanzelfsprekendheid van het ouderlijk gezag. De terreur van zijn vader weet zich over ruim 60 kilometer (de afstand tussen zijn ouderlijk huis en de kostschool) uit te strekken. Hij voelt de eerste rebellie tegen zijn vader opkomen. Aanvankelijk denkt hij nog zijn hart vrij te kunnen uitstorten bij zijn moeder in het besef dat een brandschoon geweten van levensbelang is. Tot hij ontdekt dat zij alles doorbrieft aan zijn vader. ‘Mijn moeders geweten zwijgt nooit’, vertelt Ernest een medeleerling, ‘het kletst aan een stuk door.’

    Een incident met de huishoudster Ellen doet hem beseffen dat hij zelfs een afkeer van zijn ouders heeft. Toch is hij vooral nog schuldbewust als hij op school meewerkt aan de verbranding van een getekend portret van zijn vader. Voor een werkelijke opstand tegen zijn ouders is Ernest nog te week. Geheel volgens hun wens gaat hij in Cambridge theologie studeren en raakt daar in de ban van een predikant die in een preek over de roeping van de apostel Paulus zijn toehoorders maant alles op te geven voor God. Butler verwoordt zijn strijd humorvol: ‘Ernest voelde dat het keerpunt in zijn leven nu was gekomen. Hij zou alles voor Christus opgeven – zelfs zijn tabak.’ Maar ’s avonds is de verleiding te groot en bedenkt hij dat tabak, welbeschouwd, in dezelfde categorie valt als thee en koffie. De twijfel mondt uit in een bijna hilarische passage waarin Butler laat zien hoe de gelovigen zich door drogredenen en hypocrisie laten leiden:

    ‘Dat kon Ernest niet loochenen, en hij erkende dat Paulus de tabak, als hij van het bestaan had geweten, vrijwel zeker in onomwonden taal zou hebben verboden. Misbruikte hij deze apostel dan niet op een vrij goedkope manier door zich op het ontbreken van zijn verbod te verlaten? Anderzijds kon God hebben geweten dat Paulus roken zou verbieden, en de ontdekking van tabak daarom opzettelijk hebben laten plaatsvinden in een tijd waarin Paulus niet meer zou leven. Dat leek misschien onrechtvaardig tegenover Paulus, in acht genomen wat hij allemaal voor het christendom had gedaan, maar zou hem op andere wijze worden vergoed.
    Deze gedachten overtuigden Ernest ervan dat hij uiteindelijk toch beter kon blijven roken (…) Alles met mate, dacht hij, ook deugdzaamheid; dus die avond rookte hij onmatig.’

    De grote kentering

    Het is duidelijk dat Ernest door zijn opvoeding een onzeker persoon is geworden. Hij voelt zich snel de mindere van iemand en bij keuzes laat hij zich steeds leiden door figuren die hem imponeren. Als hij na ‘Cambridge’ besluit hulppriester te worden in een armenbuurt in Londen blijkt hij gemakkelijk manipuleerbaar door een collega, die hem bovendien financieel plundert. Als zijn keuzes niet goed uitpakken, zoekt hij de schuld bij zichzelf. Dat wordt allemaal erg geestig beschreven, zoals het moment dat Ernest twijfelt aan het effect van zijn werk voor de armen. ‘De samenleving was volkomen ontwricht, en in plaats van het als een vervloekt corvee te zien dat hij ertoe was voorbestemd die te genezen, vond hij zichzelf geknipt voor deze taak en popelde hij om aan de slag te gaan, alleen wist hij niet goed hoe te beginnen, want het begin dat hij (…) had gemaakt [hij heeft een vrouw een shilling gegeven], gaf geen uitzicht op grote ontwikkelingen.’

    De grote kentering komt als hij in het ongure kosthuis waar hij woont wordt gearresteerd op de verdenking dat hij een eveneens inwonende prostituee, die hij met de beste priesterlijke bedoelingen had benaderd, wordt gearresteerd. Hij ervaart de zes maanden gevangenis als een bevrijding; een verlossing van de dwang van het christelijke geloof. In de roerige tijd die volgt, kruisen personen uit zijn jeugd opnieuw zijn pad. Hij leert dat hij een keuze heeft. ‘Ik zal leven zoals ik dat graag wil, niet zoals anderen graag zouden willen dat ik leef.’

    Gelouterd door verschillende manieren om zijn bestaan zin te geven komt hij tot schrijven. Zijn boeken maken hem niet populair, maar hij is overtuigd van zijn nieuwe inzicht, er is geen geloof dat verheven is boven een ander of zelfs boven niet-geloven zolang we doen wat in rationeel opzicht goed is.

     

     

  • Observaties met een anekdotisch karakter

    Observaties met een anekdotisch karakter

    Stelt u zich voor, een dorp in het noorden van de Verenigde Staten met de onvermijdelijke Mainstreet waardoor men nog te paard gaat en de huizen vrijwel allemaal van hout zijn. Dit dorp kent aan het begin van de twintigste eeuw achttienhonderd zielen en ligt volgens Google twintig kilometer onder het Eriemeer. In de winter sneeuwt het er en in de zomer stikt men er van de hitte. Buiten de dorpskern bevinden zich de krotten van dagloners en eromheen liggen boerderijen, waarvan de rijke Jesse Bentley er meerdere bezit.
    De landelijke rust van de agrarische samenleving loopt na de Burgeroorlog op zijn laatste benen en de maatschappelijke veranderingen dringen zich langzaam op.
    Het hoofd van een boer die vandaag de dag in een dorpswinkel bij de kachel staat is tjokvol met de woorden van anderen, zegt de verteller, die daarmee aangeeft dat het tijdperk van de zelfgenoegzame enkeling voorbij is.

    In de hoofdstraat staat het New Willard Hotel, dat wordt gerund door het echtpaar Willard. Toms ziekelijke vrouw voelt zich geblokkeerd in haar liefdesverlangen en praat daarover met dokter Reefy. Ze zou haar man het liefste doden vanwege de barse toon die hij aanslaat tegen zijn zoon George, een lokale journalist die al het dorpsnieuws nauwkeurig bijhoudt en vastlegt, maar het liefst romanschrijver zou worden en in dit boek de spin in het web is.

    Het zijn observaties met een sterk anekdotisch karakter, die flarden van het dorpsleven blootleggen. Regelmatig betrekt de verteller de lezer bij het verhaal. ‘Dat moet u goed voor ogen houden,’ zegt hij bijvoorbeeld. De stoet personen die voorbijtrekt, wordt naturel geportretteerd. Anders dan wij tegenwoordig om ons heen zien, rennen ze soms uit wanhoop in het wilde weg door de weilanden. Velen hebben tics of andere lichamelijke gebreken, zoals Wing Biddlebaum (per abuis in het begin George Biddlebaum genoemd), die zijn handen niet kan meer stilhouden, omdat hij eerder in Pennsylvania leraar was met een te groot hart voor zijn jongens waardoor hij verjaagd werd vanwege vermeend seksueel misbruik. Het is dan ook niet vreemd dat er in het dorp twee dokters praktiseren. De meest spectaculaire, dokter Reefy, bouwt wankele pyramides van waarheden en haalt die weer omver. De gezinnen zijn vaak gebroken, het leven is hard, maar de trots van de selfmade man ongebroken.

    Veel verhalen staan in verbinding met elkaar, grijpen op elkaar in en gaan over de gespannen verhouding tussen de seksen, vooral bij de jongeren, maar daar zal de leeftijd van zoon George debet aan zijn. Hij maakt afspraakjes met Bellle of Louise die graag aan de man willlen, maar heeft een oogje op Helen White, de dochter van de bankier, die echter ook wordt begeerd door een potige concurrent. Ook anderen zetten onzekere stappen op het liefdespad, zoals een meisje dat niet weet te kiezen tussen een weinig daadkrachtige jongen die zijn mond vol heeft over maagdelijkheid en een ander die haar meeneemt naar een donker hoekje. Belle gebruikt de omgang met George als uitlaatklep voor haar gevoelens voor een barman. Een andere jongen wil graag met een meisje en zegt, om druk op haar uit te oefenen, dat hij weggaat uit zijn dorp, waarna hij niet meer terug kan komen op dat standpunt.
    Drama is er genoeg. De dominee ziet vanuit de pastorie onderwijzeres Kate, die ook al een oogje heeft op George, in bed roken en lezen en wil haar in zijn zondagse preek bekeren, maar raakt er in de loop der maanden aan verslaafd haar te bespieden. Van een zwaarder soort is het drama van de genoemde boer Jesse Bentley die zijn kleinzoon David meeneemt naar het bos om hem aan God te offeren. Verrassend, want niet zo vaak beschreven, is de zwaarmoedigheid van jongeren op weg naar volwassenheid. Aan het eind van het boek kijkt George achteruit en ervaart de, ook door James Agee zo mooi beschreven, melancholie van het inzicht, dat alleen een volwassene kan voelen.

    Met een paar streken penseelt Anderson het karakter van de dorpelingen. De verhalen doen vaak ouderwets aan door de wat knullige compositie, waarin een spanningsboog net zo gemakkelijk wordt afgebroken als opgebouwd, maar tegelijk geeft dat ongepolijste iets waarachtigs aan dit boek uit 1919. Voorafgaande aan de verhalen horen we over een oude schrijver die aan Het boek van het groteske werkt, dat honderden waarheden bevat. Dat geeft de teneur weer van de rest van het boek, namelijk dat ieder mens zijn eigen waarheid heeft, maar dat het grotesk wordt als men alleen daarin gelooft. Datzelfde denkt George, die voor zijn vertrek uit het dorp met Helen op een bankje zit en zich verplaatst in wat een buitenstaander zou zien.
    ‘Hij [de buitenstaander RS] huivert bij de gedachte aan de zinloosheid van het bestaan, maar als hij zich verbonden voelt met de mensen uit het dorp ervaart hij tegelijk zo’n intense liefde voor het leven dat de tranen hem in de ogen springen.’
    Met zo’n achterdoek kan een beginnend schrijver wel een poosje vooruit.