• Tragiek van een huwelijk

    Tragiek van een huwelijk

    Natalia Ginzburg wordt wel de grande dame der Italiaanse literatuur van de vorige eeuw genoemd. De novelle Valentino verscheen in 1957 en is nu opnieuw vertaald door Jan van der Haar en samen met het korte verhaal De moeder. In 1957 moeten de Italiaanse grondvesten geschud hebben toen dit kleine maar fijne verhaal verscheen. Zonder iets te benoemen vertelt Catarina (Ginzburg zelf?) het verhaal van een arm gezin, haar zogenaamd veelbelovende broer Valentino, een tragisch huwelijk en een liefde zonder liefde. ‘Mijn vader dacht dat hij een groot man zou worden: daar was misschien geen reden voor, maar hij dacht het wel: hij dacht dat al sinds Valentino klein was en nu kon hij er misschien moeilijk mee ophouden.’ Valentino studeert medicijnen, maar weet zich altijd te drukken, liever gaat hij uit, maakt hij speelgoed voor de kinderen van de conciërge en speelt hij met de kat.

    Klaploper met een lelijke vrouw

    Door de ogen van zijn zus leren we hem kennen als lui en egocentrisch, vooral geïnteresseerd in zichzelf. De ouders hebben moeite om de eindjes aan elkaar te knopen, maar hebben alles voor hun veelbelovende zoon over. De oudste zus, die met een man en kinderen keihard moet werken om haar gezin draaiende te houden, wil zelfs niets met hem te maken hebben.

    Wanneer Valentino, na tal van met knappe meisjes ‘met mutsjes’, thuiskomt met de lelijke, tien jaar oudere, maar schatrijke Maddalena, zijn de ouders ten einde raad, want de familie denkt dat hij op haar geld uit is. Het is het eerste vooroordeel waar je je ook als lezer op betrapt. Valentino en Maddalena trouwen, hij zegt van haar te houden en haar mooi te vinden, trekt bij haar in, en hoewel de lezer nooit de gedachten of beweegredenen van Valentino te weten komt, lijkt het een geslaagd huwelijk.

    Valentino luiert door de dag, zijn vrouw vertrekt al vroeg om haar landerijen te overzien, zij brengt het geld binnen en baart vervolgens hun drie kinderen. Nog een heilig huisje waar tegenaan getrapt wordt.

    Doorheen het hele verhaal blijft Valentino zichzelf. Hij heeft niet in de gaten dat zijn omgeving zich zorgen maakt, dat zijn ouders en Maddalena alles voor hem opofferen, dat het toch een beetje vreemd is hoe hij zich gedraagt in het huishouden van zijn vrouw. Een ras-narcist, denk je als lezer, of zelfs: geeft Ginzburg hier een dwarsdoorsnede van de man in het algemeen? Zijn het feministische zaadjes die Ginzburg in het hoofd van haar lezers plant?

    Empathie en onafhankelijkheid

    Als beide ouders komen te overlijden, ook niet zonder tragiek, gaat de jonge Catarina die voor onderwijzeres studeert, bij Maddalena en haar broer wonen. Ze ontmoet Kit, een neef van Maddalena, net zo’n klaploper als Valentino. Hij komt dagelijks naar haar huis, de twee mannen hangen rond en spelen spelletjes. Zonder het verdere verloop te verklappen: ook hier wordt de lezer met zijn neus tegen een heilig huisje geduwd.

    En daarmee is Valentino, klein maar fijn, een universeel verhaal over verwachtingen en verlangens. De vader verlangt dat zijn zoon een machtig man wordt, maar ziet niet dat die zoon in zijn eigen wereld ook macht heeft en gewoon gelukkig is. Maatschappelijke normen worden op hun kop gezet, zoals de vrouw die een mannentaak uitvoert door haar landgoederen te controleren en tegen de boeren te schreeuwen. De rolpatronen binnen het huwelijk worden bevraagd. Het vooroordeel van de lezer over de lelijke en dikke Maddalena wordt uiteindelijk ook omgezet in empathie, als ze vergeving toont wanneer haar huwelijk uiteindelijk toch mislukt. Zo wordt het verhaal herkenbaar.

    De personages en hun karaktertekening komen voort uit de perceptie van de vertelster, de zus. ‘Soms word ik overvallen door grote woede op Valentino. Ik zie hem door het huis zwalken in zijn versleten kamerjas, roken en kruiswoordpuzzels maken, terwijl mijn vader toch van hem dacht dat hij een groot man zou worden. (…) Ik volg hem met mijn blik als hij de straat opgaat (…) met die kleine krullenkop op zijn stevige schouders. Ik ben blij met zijn nog zo gelukkige, zegevierende tred, waar hij ook heengaat.’ Het verhaal gaat niet over Catarina, en indirect toch wel. Haar behoefte aan onafhankelijkheid is ook een thema in het boek. Zij is degene die bepaalt hoe de lezer het verhaal beleeft, neutraal, mild en vergevend.

    Ongeliefd

    De moeder is eigenlijk een hartverscheurend kort verhaal over een moeder die niet van haar twee zoontjes weet te houden zoals het zou horen volgens de sociale normen. Ze kan het niet, voelt zich ongeliefd en dompelt zich onder in een leven waarin ze ook niet gelukkig is. Ook zij snakt naar onafhankelijkheid, ze kan niet zien welke positieve dingen ze wel heeft en dat is treurig. Na haar moedwillige dood denken de jongens met schaamte aan haar terug en willen haar zo snel mogelijk vergeten. Hun grootmoeder, de conciërge en een tante die hen ook opvoedden, laten een veel prettigere herinnering achter op hun netvlies. Ginzburg deed zelf een poging tot suïcide en wellicht putte ze uit die ervaring voor dit verhaal dat zo krachtig is in zijn kortheid. Beide, Valentino en De moeder roepen genoeg op om nog even over door te mijmeren.

     

     

  • Oogst week 28 – 2025

    Oogst week 28 – 2025

    Valentino & De moeder

    De novelle Valentino van de Italiaanse Natalia Ginzburg (1916-1991) verscheen in 1957. Caterina vertelt het verhaal van haar broer, Valentino. Zijn ouders verwennen hem en hij groeit op in de wetenschap bijzonder te zijn. Zijn zussen daarentegen zien hem zoals hij werkelijk is: lui, apathisch, egocentrisch. Valentino is vooral geïnteresseerd in feesten, waar zijn studie aan de medische faculteit onder lijdt. Wanneer Valentino, uit het niets, zich verlooft met de rijke maar opvallend lelijke Maddalena is de familie geschokt, ze vertrouwen hem voor geen cent. Ginzburg, een van de grootste Italiaanse schrijfsters van de vorige eeuw, zet in dit korte verhaal een hele wereld uiteen van gecompliceerde familierelaties.

    In het korte verhaal De moeder dat in 1948 verscheen observeren twee jonge broers hun moeder. Een verhaal over een opvoeding in eenzaamheid, angst en hulpeloosheid, waarin de moeder zich niet kan conformeren aan de heersende, starre sociale normen. Een intiem en tragisch portret van een vrouw die weigert te accepteren dat moederliefde haar enige lotsbestemming vormt.

    Valentino & De moeder
    Auteur: Natalia Ginzburg
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    De man die achteromkeek

    De bundel De man die achteromkeek van de Palestijnse schrijver Amer Almassri ontstond dankzij het project Stemmen uit Gaza, dat in de zomer van 2023 werd opgezet om Palestijnse schrijvers een stem te geven in tijden van escalatie en repressie. In acht verhalen laat Almassri de alledaagse complexiteit van leven onder bezetting zien.

    Amer Almassri combineert tragiek en humor, waarmee hij bewijst dat een lichtvoetige en absurdistische toon krachtig werkt bij zware thematiek. Hij geeft meer inzicht in de Gazaanse samenleving, waarin de schrijnende situatie van de Palestijnen weliswaar altijd op de achtergrond sluimert. Maar de enorme veerkracht en menselijkheid van de personages staat centraal.

    Almassri werpt ook een kritische blik op de sociale conventies waarmee hij de lezer verrast en raakt. Zoals in het verhaal van Zainab. Ze is ongelukkig in haar huwelijk, haar moeder geeft advies, maar steeds zijn er redenen waardoor ze niet kan vertrekken.

    Eén staat niet gelijk aan één gaat over de ongelijkheid tussen meisjes en jongens. Tweelingbroer en zus, Safwaan en Asiel groeien zeer ongelijk op. De broer krijgt vrijheid, onderwijs en liefde, terwijl Asiel wordt opgesloten in tradities en schaamte.

    Amer Almassri schrijft over verlies, ontheemding, familiebanden, genderongelijkheid, religie, herinnering, ontmenselijking en veerkracht. Verhalen met een brede thematiek. Hij publiceerde reeds drie verhalenbundels en een roman. Hij is in 1995 geboren in Khan Younis, Palestina, en studeerde civiele techniek. Momenteel woont hij in Turkije. Over zijn werk zegt hij: ‘Ik ben er altijd op gebrand menselijke gevoelens op een literaire manier over te brengen.’

    De man die achteromkeek
    Auteur: Amer Almassri
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    De verkavelingen

    De verkavelingen is het debuut van Arthur Goemans, een Vlaamse dorpsroman.
    In de lente van 2020 wordt een fiets uit de Wildaalse Vaart gevist. Hoe die daar terechtkwam, is een verhaal dat twintig jaar eerder begint, bij het ontstaan van de woelige drievuldigheid Robert, Wes en Jenny – drie vrienden die elk op hun manier een weg zoeken uit een ingeslapen plattelandsdorpje. Drie vrienden die gewapend met poëzie, alcohol en elektrische gitaren de strijd aanbinden met al wat te klein is. Drie vrienden die, terwijl hun dorp langzaam verkaveld wordt tot hippe randgemeente, architect worden van hun eigen tragedie.

    De Vlaamse Arthur Goemans (1995) is onderzoeker bij Google DeepMind, waar hij zich bezighoudt met de veiligheid van artificiële intelligentie. Hij voltooide de opleiding Creatief Schrijven aan de Schrijvers Academie in Antwerpen en woont en werkt in Londen.

    De verkavelingen
    Auteur: Arthur Goemans
    Uitgeverij: Horizon
  • Wereld van onvermogen

    Wereld van onvermogen

    Dat je aan niemand, zo in het dagelijkse leven, kunt zien dat er seks in het spel is. Dat er verlangens zijn. Ik bedoel, de mens, netjes gekleed, goed gekapt, zeg maar, presentabel. Hoe vreemd gedachten kunnen zijn, hoe goed verborgen de dingen kunnen blijven. Alleen ik zelf ken mijn slechtste gedachten. In een boek vinden die hun plaats. Een boek als manier om onverbloemd de waarheid te zoeken.

    Wie ik ben, van Levi Jacobs is rauw en dwingend. De ik lijdt aan eenzaamheid. ‘Een eenzaamheid zo diep dat ik erin verdrink.’ Schrijven de manier zichzelf te ontdekken. ‘Ik moet gewoon ergens beginnen. De rest komt later wel.’ Om die eenzaamheid te overwinnen, verlaat hij zijn vriendin. Begint een relatie met een jongere vrouw. Is verslaafd aan porno en drugs. Het wordt er allemaal niet mooier op als hij tijdens een triootje een van de vrouwen tegen haar zin penetreert. Diezelfde nacht een zwerver in elkaar slaat. 

    Dit boek voelt als het betreden van een gebied waar vergeten is het bordje ‘Verboden toegang’ bij te zetten. Het is intiem, en heftig. Al is er met de constructie, de intentie van de schrijver, niets aan de hand. Ik lees over de transitie van een jonge advocaat naar schrijver.

    Over het verlaten van zijn vriendin zegt hij tegen zijn vader, een gepensioneerde huisarts die in zwijgzaamheid excelleert, ‘Ze belemmerde me. Een schrijver hoort niet in een gerenoveerd appartement in een Haagse yuppenwijk.’

    In Why I Write zegt Joan Didion dat ze schrijft ‘om te ontdekken wat ik denk [..] Wat ik wil en waar ik bang voor ben.’

    Levi Jacobs raakt aan zijn diepste zelf, iets om te herschrijven. Juist vanmorgen belde ik met een vriendin die zei dat ze een nieuw mensbeeld van zichzelf moest schrijven. Haar zelfbeeld klopte niet meer met hoe ze de wereld om zich heen verdroeg.

    Hokwerda’s kind was een heftig boek. Zelfdestructie, mentale verwaarlozing, seksuele uitbarstingen die in vechtpartijen eindigen. Wie ik ben blaast je van je sokken. Levi Jacobs overschrijdt de grens van het toelaatbare. Dat is wat schrijven vraagt, de naakte waarheid.

    Hij wil Salinger, zegt hij tegen zijn ex-vriendin als hij met zijn sleutel haar (voorheen hun) huis binnendringt om zijn boeken te halen. Welke boeken zou ik willen als ik huis & haard verlaten had? Ik denk Ginzburg, Zo is het gebeurd, Pruis, die me in het gelid zet, in schrijvende zin. En Braaf meisje van Philip Roth.

    Het noemen van schrijvers als Nanne Tepper zijn als een plaatsbepaling van Jacobs  in het literaire veld. Jeroen Brouwers schreef over Nanne Tepper: De avonturen van Hilliebillie Veen is even autobiografisch als De eeuwige jachtvelden […]  men komt er dezelfde ingekookte ikken in tegen en Hillie Veen, […] is geen ander dan Nanne Tepper zelf.’ Ik zou hier kunnen zeggen dat de Levi in Wie ik ben, de ingedikte ik, geen ander is dan de schrijver Levi Jacobs zelf. Ondanks de roman aanduiding.

    Als twaalfjarige zet Levi een jongen die hem had afgerost met een afgebroken ruitenwisser, een revolver tegen het hoofd. De macht die hem bij deze overspoelt. ‘Ik Levi, onaantastbaar. Gevreesd. Niemand kan mij wat maken.’ Een beeld dat zijn leven toonzet, hem opbreekt.

    Meer over schrijven. Toen hij in Marokko was. ‘Ik struinde wat door Marrakesh, was vrij en gelukkig. Schreef verhalen, at tajine, rookte aan een stuk door’ Het is de enige passage in het boek waar van geluk gesproken wordt. Annie Dillard karakteriseert het maken van een boek als ‘het leven in zijn meest vrije vorm’. Dat we onszelf een beeld maken waarin we geloven, ten goede of ten kwade.

    Dan, de onbetrouwbare moeder. Als kind las ze hem voor uit Marga Minco en Mulisch. De jongen wil niets liever dan dat het leven zo blijft. ‘Mama die op me wacht. Mij rondrijdt, haar jongste kind, haar cadeautje, verrassing, haar kroonprinsje, haar liefje.’ Onbetrouwbaar omdat de volgende dag er geen warm welkom is, moeder rokend in haar stoel, haar theemok als asbak. Houdt ongemakkelijke monologen over de wereld die naar de klote gaat. God, wat laat dit zich goed lezen.

    Levi voelt de ogen van zijn moeder overal, het stempel dat ze op hem gezet heeft. ‘In alles wat ik deed schemerde haar oordeel door. […] Ik raakte angstig terwijl ik vree, bedacht op het beeld van haar dat zomaar weer kon komen opzetten.’ En dan: ‘Iets in mij is misvormd.’

    De moeder: ‘Waarom nemen mijn kinderen me zo serieus?’

    Het is nog niet genoeg. Levi is onaardig, een obsessieve mastrubeerder, een fetisjist van dames ondergoed, sokjes, en dat alles kan zijn onpeilbare eenzaamheid niet dempen. Hij wil een raadselachtig figuur zijn, een schrijver. Net las Robert Bolanõ en B. Traven. ‘Ik sla mijn notitieboek open en schrijf dat ik naar het vliegveld moet gaan en een vlucht moet boeken naar Mexico.’ Wat hij niet doet. Er is een wereld van onvermogen die aan zijn voeten ligt.

    Wat er doorschemert. Zijn ouders hebben hem gevormd, maar zijn niet verantwoordelijk voor zijn eenzaamheid, het ontbreken van geluk. Dat is wat waard.
    ‘Waarom, vraag ik me af, waarom moeten we overal woorden aan toekennen?’, denkt Levi als zijn vader bij de uitvaart van diens zus enkel, ‘Lieve zus… Slaap zacht.’, in de microfoon fluistert. Dit is geen biecht, maar een knap geschreven bildungsroman.

     

     

    Wie ik ben / Levi Jacobs / 205 blz. / Atlas Contact


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en wat haar beweegt.

     

     

  • Oogst week 25 – 2024

    Deze vreemde bewogen geschiedenis

    In de Aantekeningen achter in Deze vreemde bewogen geschiedenis schrijft Claire Messud (1966) dat haar boek fictie is: ‘Maar de wederwaardigheden van de familie Cassar sluiten nauw aan op die van mijn eigen familie. De ouders van mijn vader waren geboren en getogen in Algerije’.
    Deze vreemde bewogen geschiedenis begint op 14 juni 1940 in Salonika (Thessoloniki) waar Fransman Gaston Cassar marineattaché is op de ambassade van zijn land. De Duitsers hebben op die dag Parijs bezet en daarmee veranderen leven en werk van Cassar. Hij gaat niet in op de oproep van De Gaulle vanuit Londen aan alle nog vrije Fransen om zich bij hem aan te sluiten, maar besluit zijn eigen weg te gaan. Zijn vrouw Lucienne en de kinderen naar haar geboorteland Algerije. Daar worden ze bepaald niet meer welkom geheten omdat ze getrouwd is met een vertegenwoordiger van de koloniale heerser. Zo is zij, die al vreemdeling was in Salonika, nu ook in hun land van oorsprong niet thuis.
    Vanaf dat moment volgen we de familie Cassar gedurende drie generaties, om in 2010 te eindigen in Connecticut. Het verhaal van deze familie ontrolt zich in wisselende perspectieven en verspringend door de jaren.
    Van Claire Messud (1966) verschenen in Nederland eerder Het vorige leven, Meisje in brand en De kinderen van de keizer.

    Deze vreemde bewogen geschiedenis
    Auteur: Claire Messud
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Nooit moet je me vragen

    Eind vorig jaar verscheen in de privé-domeinreeks een heruitgave van de beroemde verzameling herinneringen, Familielexicon, van Natalia Ginzburg in de vertaling van Jan van der Haar. Nu, amper een half jaar later, is er de bundel essays en verhalen van de schrijfster, die in 1916 werd geboren als Natalia Levi en stierf in 1991 (Ginzburg was de naam van haar in de oorlog vermoorde man). De bundel die oorspronkelijk verscheen in 1970 is eveneens door Jan van der Haar vertaald. Eén van de verhalen is ‘De ouderdom’, geschreven in december 1968, toen ze dus 57 jaar oud was. Het begint als volgt: ‘Nu worden wij wat we nooit wilden worden: oud. Ouderdom hebben we nooit gewild of verwacht; en toen we ons die trachtten voor te stellen was dat altijd oppervlakkig, grofweg en vaag. Ze heeft ons nooit zo nieuwsgierig of belangstellend gemaakt. (In het verhaal van Roodkapje was degene die me het minst nieuwsgierig maakte haar grootmoeder, en het kon ons geen bal schelen dat ze veilig en wel uit de buik van de wolf kwam.) Het merkwaardige is dat we, nu ook wijzelf oud worden, geen belangstelling voelen voor de ouderdom (…) Onze blik zal altijd nog op de jeugd en kindertijd gericht zijn’.
    In het boek zijn tal van commentaren op het werk van Ginzburg opgenomen.

    Nooit moet je me vragen
    Auteur: Natalia Ginzburg
    Uitgeverij: Nijgh en Van Ditmar

    Jericho

    Jericho is de vierde roman van schrijver en dichter Lammert Voos. Een roman over het behouden van waardigheid en menselijkheid in oorlogstijd. De journalist Adam bevindt zich als correspondent in de denkbeeldige stad Jericho. Het boek begint met een proloog waarin Adam worstelt met zijn herinneringen aan zijn oorlogcorrespondentschap in Jericho. ‘Niets had hem voorbereid op de stank en de chaos, de beelden die ’s nachts terugkwamen.’ Voos werkte als vluchtelingenwerker tijdens de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië. Deze roman is gebaseerd op zijn ervaringen. In het boek raken enkele mensen ingesloten in een belegerde stad waar vervolgend de anarchie uitbreekt.

    ‘De pantserwagen ploegde voort en bereikte het oude stadscentrum, reed langs de neoklassieke gebouwen, de eens zo mooie parken die nu allemaal kerkhoven waren, langs het station, in de richting van Hotel International. Achter het hotel lag de vn-compound en in het hotel huisden de fixers, de journalisten, hulpverleners, hoeren, pooiers en de gangsters die de stad in werkelijkheid controleerden. Mogadishu, Kabul, Goma, Bagdad; al die steden hadden zo’n hotel. Binnen heerste wapenstilstand, één stap buiten en je was vogelvrij.’

    De gebeurtenissen zijn schrijnend en beklemmend, ieder moet zichzelf redden (je maakt je een levendige voorstelling van Gaza als je dit boek leest). Ook denk je aan dat bijbelverhaal, ‘Val van Jericho’. En ja, zie dan je menselijkheid en waardigheid maar eens te behouden. Het boek is opgebouwd in kleine hoofdstukken, onderscheiden door steeds een witte bladzijde. Zo kan dit belangrijke verhaal in afgepaste stukje gelezen worden.

     

     

    Jericho
    Auteur: Lammert Voos
    Uitgeverij: Thomas Rap
  • It’s actually brown

    It’s actually brown

    De dagen waren zonder begin of einde. Je treinde van stad naar stad. Bakte in de ene stad pannenkoeken voor de tweelingmeisjes, daarna ging je door naar Den Haag. Daar nam je de metro naar Rotterdam, Theater Zuidplein, de openingsavond van Poetry International. In de wandelgangen enkel aardige mensen. Je ontmoette de Portugese dichteres Maria do Rosário Pedreiraeen van de twintig dichters die het festival openden. Ze vertelde over haar nieuwste bundel O meu corpo humano, gedichten als ‘ouvidos’ (oren) en ‘ombros’ (schouders). Je overnachtte in Den Haag. In bed bladerde je door de bundel The Oysters I bring to Banquets, van Gary Geddes. Een van de dichters van die je bijbleef.

    ‘It’s actually brown, not green, to mach
     the colours of the house, and erected
     where the rotten deck once stood. […]’

    De volgende ochtend liep je de tuin van je dochter in. Las op de tuinbank verder in Familielexicon van Natalia Ginzburg, er wachtte een leesclub die avond. Je nam de bus naar het station, huurde een OV fiets, fietste naar Den Haag West. Stapte af bij elke afslag om de ingestelde route op je mobiel te checken. Je stalde je fiets voor het huis van de vorige vriendin van de jongste zoon. Ze is ceramiste. Je was er om een theepot, gestookt in een zoutoven, met als handvat een steel met een bol aan het einde om de pot op te tillen, thee uit te schenken. Een kunstobject. Je nam er twee kommetjes bij.

    Je fietste terug naar het station. Om zes uur moest je in de binnenlanden van Salland zijn, voor die leesclub. Er was een trein uitgevallen. Op het perron las je de laatste stukken van Familielexicon. Ginzburg is, nadat haar eerste man in de oorlog door fascisten is vermoord, opnieuw getrouwd. Ze staat op het punt van Turijn naar Rome te verhuizen, en haar moeder zich overal mee bemoeit. ‘“Maar in Rome moet je leren stoppen!” zei mijn moeder. “Of anders moet je een poetsvrouw vinden die daar goed in is! Vind een naaister aan huis, zo iemand als Tersilla.”’

    Je zal te laat voor de leesclub komen. Appte degene met wie je zou meerijden, dat hij vast moet gaan. Thuis poetste je je tanden. Zette een fles wijn klaar die je vergat mee te nemen. De man reed je met behulp van googlemaps naar een plek met onbegaanbare paden. Het leesgezelschap zat rond een rijkelijk gedekte tafel, je had alleen het voorgerecht gemist. Er was veel te zeggen over Familielexicon. Weer buiten keek je naar de reikwijdte van stilte, geloofde plots dat de wereld eindig was. Rond middernacht rolde je in bed, de man in diepe slaap. Zaterdagochtend leek tijdloos. Maar wacht, er kwamen vrienden te eten. De man deed boodschappen. Jij kookte. De volgende dag stond een bezoek aan een wijngaard gepland. Je vraagt je af wie je agenda heeft bijgehouden.   

    Maandag houdt je je schuil op de bank. Slaat een jublileumbundel open waarin negentien auteurs over Gerard Reve schrijven. Je leest het verhaal van Marina Kuipers, dat alles in zich heeft wat je nodig hebt. Kuipers vatte eens het plan op het huis La Grâce van Reve in Frankrijk te kopen. Joop Schafthuizen als bemiddelaar, lijkt bereidwillig. Dromend over de inrichting van het huis schaft Kuipers het hele oeuvre van Reve opnieuw aan. Voor de bibliotheek in het huis dat een soort bedevaartsoord voor Reve liefhebbers zal worden. Joop is geen man van daden, lijdt aan depressies, moet naar de kapper, maar komt de deur niet uit. Er zijn lange telefoongesprekken. Een keer vertelt hij dat hij onderweg naar de ‘coiffeur’ was, maar niet goed was geworden. De dorpsarts kwam erbij. Die vond, ‘dat hij voor een man van zijn leeftijd, die drie flessen rode wijn per dag drinkt, twee pakjes sigaretten wegpaft en nauwelijks beweegt, nog een puik werkend hart had.’ Na vier jaar eist Kuipers ‘concretere toezeggingen’. Joop wordt narrig. Tweemaal belt hij haar nog, om ‘keiharde fanfaremuziek’ op haar voicemail af te spelen. De werkelijkheid is bitter, het verhaal geweldig. Je denkt, ‘It’s actually brown’.

     

     

    U heb ik lief, De eeuw van Gerard Reve / samenstelling Æ de Jong / uitgeverij Nobelman


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Melkkroes

    Melkkroes

    De man had geen enkele wens beroemd te worden. Hij is geen man die met de eer gaat strijken, wel zijn overhemden, tafelkleden, kussenslopen, zakdoeken. Bij het uitdelen van complimenten stapt hij opzij als het zijn beurt is. Toch dacht hij, na het interview over gemeentelijke bouwplannen op de plek van het zogenoemde voedselbos waar iets tegen gedaan moest worden als in een overeenkomst die het voortbestaan van de tuin veilig stelde, dat zijn uitspraken vetgedrukt, tussen aanhalingstekens in de krant zouden staan. Maar nee, kwam de man die de krant gehaald had, net vertellen, er is niets van overgebleven, wel een goed stuk, maar voor mij zit er geen Nobelprijs voor geweldige uitspraken in. Ieder mens wil gehoord, gezien worden. Je hoeft er maar een stukje over te schrijven of het raakt aan het kind op een bankje in het plantsoen dat dacht, Als ik nu ‘Spiegelbeeld’ van Willeke Alberti zing, dan word ik ontdekt.

    Nu droom je in ambities, reproduceert prachtige zinnen, belangrijke, citeerbare frases die je beslist moet opschrijven. Op een nacht niet lang geleden, schreef je zomaar een boek, het was precies zoals het zijn moest. Prachtige dialogen, intense somberheid, toch verlichtend. Het toonde de uitkomst van de dingen des levens waaruit alles ontstaan is, (God, de aarde, liefde, de mens), en waartoe dat geleid heeft, op volstrekt nieuwe wijze. Door een wrange speling van het lot lag er op dat moment geen schrijfgerei naast het bed. In een oude editie van Hollands Diep (2007) schreef Connie Palmen, ‘De roman is af, ik kan beginnen.’ Later schreef je in je slaap het essay waarmee je een grote prijs zou winnen, waarna een uitgever zou bellen, zou vragen of er een boek in je zat. ‘Ja ja’, zou je zeggen, ‘als een meer dan voldragen zwangerschap’. Het kind is af, alleen het persen, dat lukt niet zo.

    Ondertussen lees je opnieuw Natalia Ginzburg, opnieuw verwondering. Haar verhalen waarin thema’s als verraad, fascisme en de onverzettelijke rol van vrouwen in dit alles steeds terugkomen. Je leest over Italiaanse families. Over Nebbia, door fascisten gemarteld en vermoord. Ginzburg’s man, vader van haar kinderen, werd in de oorlog door fascisten vreselijk gemarteld en vermoord.

    ‘In een doos bewaart ze [personage Gemmina, ooit verliefd op Nebbia] nog een melkkroes, die helemaal is ingedeukt. De kroes waaruit zij en Nebbia samen hebben gedronken, de nacht van de sneeuwstorm.’ In persoonlijke stukken schrijft ze over de sporen die oorlog nalaten. ‘Ik heb altijd het gevoel dat we op een goede dag weer ‘s nachts moeten opstaan en vluchten en alles, rustige kamers en brieven en herinneringen en kleding, achter moeten laten.’
    En over schrijven, ‘Als ik iets schrijf, denk ik meestal dat het heel belangrijk is en dat ik een heel groot schrijver ben. Ik denk dat iedereen dat wel heeft. Maar ergens vanbinnen weet ik altijd goed wat ik ben: een kleine, kleine schrijver. Ik zweer dat ik dat weet. Maar het maakt me niet zo uit.’

    Je zou willen schrijven als Natalia Ginzburg, droevig en prachtig. Je houdt van droevige en prachtige dingen, van ingedeukte melkkroezen.

     

     

    Uit: De stemmen in de avond / Natalia Ginzburg / vert. J.H. KlinkertPötters Vos/ Meulenhoff  (1989)
      De kleine deugden / Natalia Ginzburg / vert. Jan van der Haar / Nijgh & Van Ditmar (2020)


    inge meijerInge Meijer is een pseudoniem, een lezer.

  • Zinnen als vuistslagen met waarde voor het heden

    Zinnen als vuistslagen met waarde voor het heden

    In 2022 kwam in Italië Fratelli d’Italia (Broeders van Italië) aan de macht. De leider van die partij, en thans premier van Italië, Giorgia Meloni, won die verkiezingen met een tamelijk onwelriekende nationalistische, en in feite post-fascistische, agenda (‘God, land en familie’). Meloni is rechtstreeks afkomstig uit de inmiddels niet meer bestaande politieke partij Movemente Sociale Italiano die opgericht is door aanhangers van de Italiaanse dictator Benito Mussolini. Ze zal nu, wellicht voor de bühne, een iets gematigder toon aanhouden, maar dat zoiets zorgwekkend is, staat buiten kijf. Ook nu weer lijkt Italië met andere woorden klaar te staan ‘om zich te plooien naar de ergste regeringen. Het is zoals bekend een land waar alles slecht functioneert. Het is een land waar chaos, cynisme, incompetentie, verwarring heerst.’

    Deze zinnen verschenen echter niet vorig jaar, maar ruim zestig jaar geleden in een essay dat samen met tien andere essays van Natalia Ginzburg uit de jaren veertig en vijftig is gebundeld onder de titel De kleine deugden. De bundel verscheen al in de loop van de jaren zestig, in dezelfde volgorde en met deze titel, maar zijn nu in het Nederlands vertaald en ingeleid door journalist Jan Postma. In deze recensie komen overigens niet alle essays aan de orde.

     Verzet tegen het fascisme

    Ginzburg (1916-1991), geboren in Palermo als Natalia Levi, was een Italiaanse romancière, essayist en op latere leeftijd politica wier leven werk getekend zijn door precies datgene waar Italië nu weer mee te maken lijkt te krijgen: fascisme en nationalisme. Haar vader is joods en haar moeder katholiek, maar gelovig wordt ze niet opgevoed. Haar hele familie verzet zich tegen het in die tijd oprukkende fascisme; haar broer vlucht naar Zwitserland en haar vader en haar eerste man, Leone Ginzburg, een professor in de Russische literatuur worden vastgezet. Wanneer hij vrijkomt, wordt hij verbannen naar een klein dorpje in de Abruzzen.

    Over die tijd komt de lezer meer te weten in het openingsessay ‘Winter in de Abruzzen’, waarin ze in een droge, bijna ironische stijl beschrijft hoe zij die tijd met haar gezin doorbrengt. Ze verhaalt over de manier waarop ze proberen in te burgeren in een klein dorpje waar zij als stadsmeisje in eerste instantie geen voet aan de grond kan krijgen. Uiteindelijk keert haar man terug naar de stad, nadat de Duitsers Italië zijn binnengevallen. Hij wordt daar op gruwelijke wijze doodgemarteld door de Gestapo.

    Geknakt vertrouwen

    Achteraf moet ze constateren dat zij voor de dood van haar man en nota bene in ballingschap nog ‘vertrouwen in een lichte vreugdevolle toekomst [had], vol ingeloste verlangens, vol ervaringen en gewone heldendaden. Maar dat was de beste tijd van mijn leven en pas nu die me voorgoed is ontglipt, pas nu besef ik dat.’ En in een later essay, getiteld ‘De Mensenzoon’ dat na de oorlog verscheen, noteert ze: ‘Ik heb altijd het gevoel dat we op een goede dag weer ’s nachts moeten vluchten en alles, rustige kamers en brieven en herinneringen en kleding achter moeten laten (…). We genezen niet meer van de oorlog. (…) We zullen nooit meer onbezorgde mensen zijn, mensen die nadenken en studeren en in vrede hun leven leiden. Jullie zien wat er met onze huizen is gebeurd. Jullie zien wat er met ons is gebeurd. We zullen nooit meer geruste mensen zijn.’ Het zijn zinnen die je als vuistslagen treffen.

    Het zijn de essays waarin de (nasleep van) de oorlog een rol speelt, die het meest indringend zijn. Het essay waar het citaat in de inleiding uit komt, is zelfs een wat klagerig aandoend stuk over waarom Engeland geen fijne plek is. Ook het bekende en veelgeprezen ‘Hij en ik’, over haar relatie met haar tweede man, is een stuk minder indrukwekkend omdat het de lading lijkt te missen die essays als ‘Winter in de Abruzzen’ en de ‘Mensenzoon’ wel hebben.

    Aansprekend

    Maar onder aan de streep maakt dat niet uit; haar ogenschijnlijk eenvoudige stijl en de als gezegd soms licht ironische ondertoon maken dat ook de mindere essays de moeite van het lezen waard zijn – de zin met actualiteitswaarde aan het begin komt nota bene uit één van de mindere stukken. Maar haar persoonlijke blik op de gevolgen van het nationalisme en fascisme blijven de lezer het meeste bij. Zoals Jan Postma in zijn mooie inleiding terecht opmerkt, is de ‘materie autobiografisch, maar dat geldt niet voor het resultaat. Het proza is tegelijkertijd specifiek en intiem en voorzichtig losgeweekt van de particuliere omstandigheden van Ginzburgs leven. Ja, het is haar leven waarover ze schrijft, maar door erover te schrijven begint dat ene leven toch en beetje te voelen als hét leven.’

    Misschien is dat wel de reden dat de teksten ook nu nog aanspreken. Laten we hopen dat Ginzburg ook in het huidige Italië veel gelezen wordt – zodat Fratelli d’Italia het niet al te lang uithoudt in het centrum van de macht.

     

     

  • Het bestaan een flatbread

    Het bestaan een flatbread

    Er stond dit weekend een interview met schrijver en journalist Geae Schoeters in de Volkskrant over de literaire canon. Ze zei veel dingen die ik onderstreepte, omcirkelde. Dit bijvoorbeeld, ‘de mechanismen die achter de voorkeur voor mannelijke auteurs schuilgaan.’ En dat vrouwen meer dan de helft van de wereldbevolking uitmaken, de grootste groep lezers zijn. ‘Als je de wereld nooit door de ogen van vrouwen ziet, ontbreekt een belangrijk perspectief.’ Dat het niet een kwestie van kwaliteit is dat enkel mannelijke auteurs gekozen worden als er lijstjes moeten worden opgesteld, maar dat dat het gevolg is van een mechanisme. En wist u dat werkbeurzen voor mannen hoger zijn dan voor vrouwen? Dat er in deze eeuw (2007) nog werd gezegd dat vrouwelijke auteurs het ‘alleen over onbetekenende wissewasjes en relatieproblemen hebben’. Het is duidelijk dat er iets moet gebeuren om vrouwelijke auteurs op gelijkwaardige voet mee te laten klinken in de canon van de literatuur. Hier aangekomen, keek ik op. Hoeveel vrouwelijke schrijvers staan er eigenlijk in mijn boekenkast?

    In den beginne was er het lezen. Of het door een man of vrouw was geschreven maakte niet uit, toch? Of regeert daar het mechanisme. Ik las alles van Brouwers, Philip Roth, Van der Heijden, omdat ik ze goed vond, hun wereld wilde doorgronden. Of was het omdat ze prominent aanwezig waren in de literaire katernen van opiniebladen en kranten? Ik las ook alles van Natalia Ginzburg, Connie Palmen, Colette, Josepha Mendels, Frida Vogels, later Marja Pruis, Miek Zwamborn, omdat ik ze goed vind, een klankbord zijn. Dat de dingen van twee kanten bekeken pas tot leven komen. Zoals Gummbah gisteren een lesbisch stel op leeftijd futloos afbeeldde met de tekst: ‘Zonder een man in hun leven om alles uit te leggen, bleef het bestaan voor de lesbische Fleur en Anita één groot raadsel.’ Kunnen we twee dikbuikige intellectuele mannen (niet per se homo) neerzetten met de tekst, ‘Zonder boeken van vrouwen deed het bestaan voor Anton en Henk zich voor als een flatbread.’

    Ik nam een A-viertje en noteerde: Pearl Abraham, Karin Amatmoekrim, Christine Angot, Margaret Atwood, Arita Baaijens, Leonieke Baerwaldt, Maria Barnas, De Beauvoir, Hanna Bervoets, Julia Blackburn, Gerda Blees, Amy Bloom, Bianca Boer, Beitske Bouman, Madeleine Bourdouxhe, Désanne van Brederode, Maeve Brennan, Christine Bringreve, Edna O’Brien, Emily Bronte, Carry van Brugge, Andreas Burnier (luister naar de Fixdit podcast), A.S. Byatt, Dulce Maria Cardoso, Emma Cline, Justine le Clercq, Maryse Condé … Het houdt niet op.
    … Colette (zicht op de wereld door een venster), Costello, De Coster, Cusk, Daanje, Davis, Didion, Dillard, Ditlevsen, Van Doornik (kijk uit naar haar tweede boek), Douwesz (snak naar een nieuw boek van haar), Van Dullemen, Duras (de onschuld), Buchi Emecheta, Anna Enquist, Anne Enright, Yolanda Entius (haar eerste boeken vond ik geweldig), Annie Ernaux, Janet Frame, Jenny Erpenbeck, Maggie O’Farrel, Deborah Feldman, Mira Feticu (de vertwijfeling in haar boeken), Max Februari (toen hij nog ‘Marjolein’ heette).

    Ik nam een nieuw blaadje, en nog een, noteerde tweehonderdachtenvijftig namen van schrijfsters, ik was ronduit verbaasd. Alsof er goud in mijn kast stond en ik wist het niet. Je moet jezelf en anderen erop wijzen om iets zichtbaar te krijgen, altijd, hoe dan ook. Dit omcirkelde ik nog: ‘Lees vrouwen, leg ze op een mooie plek (…). Noem hun namen en blijf ze noemen.’ Dat ga ik de komende weken in deze columns doen, een werk laten klinken van elke vrouw in mijn boekenkast.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

  • Veerkracht

    Veerkracht

    Afgelopen vrijdag schreef Michel Krielaars in NRC Handelsblad dat hij Natalia Ginzburg geregeld herleest ‘om er steeds weer iets nieuws in te ontdekken en verbijsterd te staan over haar tijdloze verbeeldingskracht.’ Het verheugde me enorm en las het stuk met plezier, tenminste één iemand die haar boeken geregeld uit de kast haalt. In diezelfde week was ik haar, van wie gewoonlijk zo weinig vernomen wordt, tegengekomen in het fijne boekje Een man alleen, De zelfmoord van Cesare Pavese. De auteurs Jan Kostwinder en Hein Aalders bezochten de plaatsen waar Pavese gewoond en gewerkt heeft. Natalia Ginzburg behoorde met Pavese tot dezelfde groep bevriende intellectuelen in de jaren dertig. Ze werkten enige tijd bij dezelfde uitgeverij Einaudi in Turijn. 

    Op een van de eerste bladzijden in Een man alleen, wordt haar omschrijving van Pavese in zijn functie als hoofdredacteur weergegeven. ‘Pavese zat, met zijn pijp, aan zijn bureau in razend tempo drukproeven te corrigeren. (…) Of hij schreef aan zijn romans en maakte snel en driftig doorhalingen. Pavese ontving zelden bezoekers. Hij zei, “Ik ben bezig! Ik wil niemand zien! Laat ze barsten! Kan me geen moer schelen!” Maar de nieuwe medewerkers, de jongeren, waren erg gesteld op gesprekken met bezoekers; die konden wel eens met nieuwe ideeën komen. Pavese zei dan: “Hier hebben we geen ideeën nodig! We zitten tot over onze oren in de ideeën!”’

    Het eerste dat ik van Natalia Ginzburg las, was de bundel met drie novellen De weg naar de stad. Over familie, hang naar onafhankelijkheid, de liefde, onbestemde gevoelens. Haar taal is sober, eenvoudige woorden, maar o zo mooi. Wat zij met woorden deed wilde ik ook. Haar zinnen wilde ik schrijven. Zoals zij schreef, ‘Ons huis was rood geschilderd en had een pergola aan de voorkant. We hingen onze kleren over de leuning van de trap, want we waren met zovelen en er waren niet voldoende kasten.’ De novelle Zo is het gebeurd schreef ik met inkt in een schriftje. Zinnen van eenzaamheid en berusting, ‘Als ik ’s zaterdags in Moana aankwam, ging ik vlak naast de kachel zitten en daar bleef ik de hele zondag tot het weer tijd was om te vertrekken.’ Hopende dat er iets van haar stijl in mij zou overgaan.

    Krielaars heeft het in zijn column speciaal over het autobiografische verhaal ‘Winter in Abruzzen’, uit de bundel Mensen om mee te praten. Vijf jaar zat ze met haar man Leone Ginzburg en hun kleine kinderen ondergedoken ten tijde van Mussolini. Later, na de val van Mussolini in 1943, werd haar man om zijn joods zijn opgepakt en doodgemarteld. ‘Mijn man stierf in Rome in de gevangenis van Regina Coeli, een paar maanden nadat we het dorp hadden verlaten.’ Haar ‘Winter in Abruzzen’, moet juist nu gelezen worden, ten tijde van leven met beperkingen, de veerkracht die daaruit voortkomt. Natalia Ginzburg schreef een prachtig oeuvre bij elkaar dat getuigt van die onnoemelijke veerkracht. Daar kunnen we het mee doen.

     

    Een man alleen, De zelfmoord van Cesare Pavese / Hein Aalders en Jan Kostwinder / Uitgeverij Aalders & Co. (1996)
    Mensen om mee te praten / Natalia Ginzburg / vertaling Etta Maris / Meulenhoff (1990)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Uit de tijd vallen

    Uit de tijd vallen

    Terwijl ik de lijstjes, die nog voor de vakantie moeten worden afgewerkt, met kracht aan de wand prik, denk ik opeens aan een verhaal van Anton Koolhaas. Waarin een woedende vrouw een punaise in de buitenmuur van haar flat drukt waardoor de muur splijt en zij vervolgens naar beneden stort. Niet dat ik dood wil maar toen ik met een punaise die lijstjes in de muur prikte, stelde ik mij in een fractie van een seconde voor, dat die muur zou meegeven en ik, met al mijn kracht in mijn duim verzameld op die punaise drukkend, voorover viel. Het leek me wel heerlijk om in het oneindige te storten. Dat die lijstjes dan van generlei belang blijken te zijn. Ik dacht aan de zweefduik die de vrouw uit het verhaal maakte. Zo diep zou ik niet vallen. Ik zou struikelend en onder het stof van vallend gesteente in de voortuin tussen de hortensia’s terechtkomen.

    En terwijl ik Mijn lief en mijn kinderen de vakantiestress bezorgde waarvan ik zei die zelf niet te ervaren, wilde ik alleen nog maar vallen. Zoals Angelique in de roman Onheilig van Roos van Rijswijk, die steeds het gevoel van vallen ervaart wanneer ze eigenlijk even van de kaart zou willen verdwijnen. Het beste wat mij kan overkomen is een migraine aanval die minstens twee dagen duurt. Wanneer je hoofd totaal gecrasht is dat je zelfs het gefilterde zonlicht door de bladeren van de dichte lindeboom voor het raam niet kunt verdragen, is het tijd om alles te laten vallen.

    Toen de lijstje om me heen fladderden en de dagen wegvielen dacht ik: ‘Zo is het gebeurd, zo is het gebeurd’. Een van de mooiste titels van een verhaal van de Italiaanse schrijfster Natalia Ginzburg, geschreven in een taal zo sober dat je opeens begrijpt dat echt goede verhalen in stilte geschreven zijn. Hoe verzin je een vrouw die met een man trouwt om de simpele reden dat ze altijd wil weten waar hij is? Voor ze deze veel oudere man leerde kennen, fantaseerde ze over haar toekomstige leven. ‘Ik fantaseerde altijd van alles als ik languit op mijn bed lag in het pension. Ik dacht hoe prettig het zou zijn als ik getrouwd was en een eigen huis had. (…) en verbeeldde me dat ik lui achterover in een grote fauteuil zakdoekjes zat te borduren. De man met wie ik zou trouwen zag er nu eens zus en dan weer zo uit, maar zijn stem klonk altijd eender en in mijn hart luisterde ik naar die stem, die steeds weer dezelfde ironische en tedere dingen zei.’

    Ginzburg voert mensen op die hun huis nooit verlaten om de eenvoudige reden dat hun schoenen knellen. Haar verhalen zijn behoorlijk armzalig en tragisch. Als ik die eerste passage lees waarin het hoofdpersonage in een tiental onschuldige zinnen haar echtgenoot introduceert terwijl hij een trein tekent, wat rook uit de locomotief en een mannetje dat zwaait uit het raam van een coupé. Haar echtgenoot kan tekenen en dat is leuk om in een huwelijk te communiceren via tekeningen. Dat het zwaaiende mannetje haar echtgenoot verbeeldt die haar vaarwel zegt, is minder leuk. Na die tien onschuldige zinnen staat daar opeens: ‘Ik heb op zijn ogen geschoten’. Dan wil je pas goed door lezen. Over hoe deze kleurloze jongedame haar leven schwung gaf door haar echtgenoot neer te schieten. Langzaam kwam ik weer in de dag. Echt goede verhalen brengen de tijd weer op gang. Nu die lijstjes nog afwerken en de vakantie kan beginnen.

     

     


    Inge Meijer schrijft over boeken als steunpilaren en over haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.