• Wijnbergs eigenzinnige logica

    Wijnbergs eigenzinnige logica

    Het onderwerp van zijn jongste dichtbundel, Namen noemen, heeft Nachoem M. Wijnberg dichtbij huis gevonden: het domein van de Nederlandse, maar ook buitenlandse literatuur, met name poëzie. Aan de hand van associatieve gedachten en citaten van collega-dichters worden zaken als schaamte en trots in de poëzie, onderlinge solidariteit en concurrentie, het belang van gedichten, nominaties, bloemlezingen, literaire tijdschriften, voordrachten en zo meer verkend. 

    Alles uiteraard tussen het noemen van vele namen door, want de titel van de bundel wordt wat dat betreft meer dan waar gemaakt. Niet gehinderd door welk onderwerp ook, bewandelt Wijnberg uiteindelijk volop de zijpaden van zijn gedachten. Zodoende kan er zomaar een aarzelend antwoord gevonden worden op waarom het nooit iets geworden is tussen Nederlandse soldaten en Nederlandse poëzie: ‘misschien omdat we daar enkel door de lucht zweefden / en alles uit onze handen lieten vallen wat we niet naar huis wilden nemen.’ 

    De deur hoeft niet op slot

    Wijnberg heeft gedichten ooit wel eens ‘betekenismachines’ genoemd, instrumenten om tot inzicht te komen. Gelijkwaardig aan hoe in de wetenschap kennis wordt opgedaan. De onderzoekende toon graaft zich een weg door het aan de orde gestelde onderwerp heen. Eerder is ook gezegd dat deze dichter werkt in de talmoedische traditie, waarbinnen kwesties eindeloos bediscussieerd worden door opeenstapeling van commentaar op commentaar. Opeengestapelde eenvoud die geleidelijk aan complexer wordt. Een beeld als ‘alle kleren over elkaar aantrekken’ duikt in diverse bundels en opnieuw in deze bundel op. Het geruststellende van al zijn opgeworpen probleemstellingen is dat ze niet op een definitief antwoorden aansturen. De deur van wat wij niet weten staat altijd open en hoeft niet op slot. Beter dan met een antwoord te zijn gediend laat een vraag zich met een andere vraag vergelijken. Geen dichter die de voegwoorden zoals en alsof zo vaak bezigt. Bedwelmend hoe hij beelden inpakt, oproept en uitruilt tegen andere vergelijkingen. Bijna laat ontsporen. Deze vaak overvolle gedichten hebben de eigenzinnige logica van Wijnberg van harte nodig om overeind te blijven. Een logica waarin tegengestelde begrippen tegen elkaar worden uitgespeeld, tot er een schijn van dichterlijke harmonie lijkt bereikt, waarin dingen even ver van elkaar als tot elkaar komen. 

    Een typische Wijnbergconstructie zit in de titel van het gedicht: Makkelijker dan wie sneller van mij wegliep dan ik die achterna kon. Het is Wijnberg te doen op dit soort tegenstellingen aan te sturen om zich er vervolgens middels gedachtesprongen van te bevrijden. Voor wie Namen noemen niet een eerste kennismaking met Wijnberg vormt, zal het soort meanderende, van rijm en metrum verstoken zinnen zeer vertrouwd zijn. Een soort maniëristisch parlando met ingebedde zinsconstructies die het best in mondeling taalgebruik gedijen. ‘Hoe kan ik zo slecht / in luisteren zijn, denk ik, wanneer ik terugkom op wat ik eerder vond, / omdat iets in de toon van het gehoord hebben / van Alfred Schaffer klinkt als het gehoord hebben van Frank O’Hara / en die hoort wat iemand had kunnen zeggen die allang weg is, / waarheen hij niets had hoeven mee te nemen / want wie hem ontvangt heeft precies dezelfde maten als hij, / zelfs van zijn schoenen.’ 

    Brodsky

    Met deze spreektaalachtige constructies en hoge mate van terloopsheid van zijn zinnen wekt Wijnberg de schijn de opgeroepen associaties niet echt te structureren en te sturen, maar dat ze zelf op ieder moment er met het gedicht vandoor kunnen gaan. Zijn gedichten bestaan vaak uit een concrete, anekdotische en een daarop voortbordurende beschouwende laag. In een gedicht als Waar een gedicht goed voor is doseert Wijnberg het anekdotische met het zich daarvan loszingende beschouwende. Het begint met: ‘Als mij gevraagd wordt waar poëzie goed voor is / maak ik het altijd iets groter dan ik kan verdedigen, dat is de afspraak / tussen dichters die hun vak een beetje kennen. Voor de tweede keer deze week / lees ik een aanval op Brodsky omdat die gezegd had dat poëzie schrijven / het hoogste doel van de menselijke soort was, een versneller van het bewustzijn / en van het begrijpen van de wereld’. Hoewel dit raakvlakken heeft met de poëtica van Wijnberg zelf wordt hierop niet ingegaan, maar volgen particuliere mededelingen over Brodsky ‘die twee of drie dichters / probeert te zijn (ik wil hem vragen waarom zo weinig)’ En dan komt de dag dat ik opgeef / en op weg ga naar Artaxerxes’. 

    Hiermee wordt de anekdote de rug toegekeerd en flitsen namen uit diverse citaten over en weer: ‘Wat ik over Themistocles / kan zeggen komt uit een gedicht dat zo sterk is dat ik de precieze woorden / niet hoef te weten. Wie over Kaváfis zei dat hij nog beter kon worden / in vertaling kende niet eens de taal / waarin het gedicht geschreven was. Brodsky mocht het zeggen / omdat hij wist wat ballingschap kostte, / zoals Herbert schreef in nog zo’n gedicht.’ 

    Dan leest men wat Brodsky zei over Kaváfis ‘dat hij van een metafoor enkel het eindpunt gebruikte, wie het leest / kan terugkijken naar waar het een metafoor van was / of niet – ik denk dat ik weet wat hij bedoelt, maar ben niet zeker / of het woord metafoor hier het meest juist is. (…) Wat niet betekent / dat ik moet toegeven dat wat iemand van een gedicht niet begrijpt / een groter begrijpen is’. 

    Een teveel van het ene kan soms het best in het licht van het tekort van het tegendeel bezien worden, zoals hij in een ander gedicht over Tsjechov schrijft: ‘Tsjechov zei enkel dat het makkelijk was een verhaal te vinden, / niet het te schrijven, maar misschien voelde hij sterker dan anderen / dat het aantal ongeschreven verhalen minder groot moest worden’. Men kan in ieder geval stellen dat Wijnberg het speelveld \ breder maakt met het inzetten van metaforen bij wijze van gevolgtrekking. Voortdurend kantelt het beeld in een volgende metafoor en intussen ontsnapt de vraag aan zijn ultieme antwoord.

    In het openingsgedicht van de bundel staat: ‘een naam is gast van wat is (wie heeft dat gezegd?) / en daarom geeft wat is wat de naam heeft de beste kamer’. Wijnberg betoont zich in Namen noemen een even royale gastheer als naamgever. De beste kamer krijgt de poëzie zelf: ‘De lichtste droom / van wie in de bergen woont: dat de rivier / mij naar de zee brengt’. Uiteindelijk is poëzie de zee waaruit alle rivieren van dichters gevoed worden en voeden dichters elkaar. En zo bekent ook Wijnberg dat hij ‘iemands echo wil zijn / alsof die in mijn naam schrijft.’ 

    Lappen woestijn

    Wie gemeend had met deze gedichten iets wijzer te worden van hoe de maker ervan zich verhoudt tot zijn collega-dichters, wie hij werkelijk goed vindt en wie minder, komt bedrogen uit. Bij uitzondering geeft hij prijs dat hij is afgehaakt bij Kees Ouwens. En ook Brodsky rekent hij niet tot de allergrootsten. Evenmin verschaffen de gedichten poëticaal inzicht. Al lezen de meeste qua toon als volgens een herhaalrecept geschreven, echt voorspelbaar wordt het nooit. De kern van zijn poëzie is een ware oase, maar men moet de lappen woestijn eromheen voor lief dulden. Ook Namen noemen is vele parels rijk, maar ze worden met de hele oester opgediend. 

    De vraag is of de schoonheid van deze parels door de soms behoorlijke taaie anekdotiek verdund of verrijkt worden. Met alle 62 gedichten achter elkaar lezen komen deze pareltjes dan ook niet tot hun recht. Maar de geduldige fijnproever zal aan zijn trekken komen met juweeltjes van zinnen, als: ‘De magerste zijn als de laatste / die nog door een deur die gesloten wordt / heen gekund had’. Of iets ronduit ontroerends als: ‘blijf stil tot jullie zacht kunnen huilen’. In het gedicht Je mag mij een naam die je nog niet aan het vertalen bent noemen wordt de lezer uitgenodigd: ‘Alsof je zo veel gedichten / van mij gelezen hebt mag je mij de naam geven van de beste regel die je van mij kent’. Na lezing van Namen Noemen zou de naam van deze dichter best mogen luiden: ‘want woorden als om te vinden / zijn snel niet meer alsof ze achtergelaten zijn’.

     

  • Een rijke bundel over de Joodse cultuur

    Een rijke bundel over de Joodse cultuur

    Joodse gedichten is simpelweg de titel van de twintigste poëziebundel van Nachoem M. Wijnberg (1961). Bestreek de vorige bundel van de P.C. Hooft-laureaat, Afscheidswedstrijd uit 2018, het terrein van de voetbalsport, ditmaal heeft de dichter zijn speelveld verruimd tot de rijke geschiedenis van de Joodse cultuur. Onder veel meer biedt deze cultuur  met haar ballingschap, diaspora, het wachten op de echte Messias in plaats van een valse, anti-semitisme, (anti)zionisme, hoe Joden elkaar en anderen zien, hoe anderen Joden zien, een bont en uitdagend palet. Niet het minst voor Wijnberg die inmiddels heeft aangetoond dat alles voor hem aanleiding kan zijn er zijn gedachten in gedichtvorm over uit te spreiden. Deze rijke bundel met 69 gedichten, illustreert dat opnieuw. 

    De bundel wekt niet de indruk het product te zijn van iemand die met zijn Joodse identiteit worstelt noch ermee te koop loopt. Integendeel, Wijnberg spreekt de hoop uit dat hij ‘vreemdeling zal blijven in het midden van [zijn] eigen vreemdheid.’ Die bekentenis maakt het minder vreemd dat de Holocaust er geen vooraanstaande plaats inneemt. Hoewel er gestrooid wordt met referenties aan prominenten uit de Joodse cultuur als Abraham, Mozes, Maimonides, Nachmanides, Einstein, Celan, Seinfeld tot en met Judith Herzberg, valt deze poëzie prima zonder achtergrondkennis van de Joodse cultuur te lezen. Deze bundel  is op z’n plaats in het oeuvre van Nachoem M. Wijnberg met als vanouds af en toe een gedicht met een titel waarbij op het aantal woorden niet is gespaard:

    DE SABBAT VAN TROOST DIE VOLGT OP DE VERWOESTING VAN DE TEMPEL, DE PLAATS WAAROVER IK KON ZEGGEN: ALS JE NAAR MIJ WIL ZOEKEN, AAN HET BEGIN VAN DE AVOND, BEN IK IN DIE PLAATS DIE MAKKELIJK TE VINDEN IS

    ‘Als er iets is wat ik elke dag moet doen
     is er een dag van de week dat ik niet hoef.

     Dat is alles wat de sabbat betekent
     en dat mag ik ook op de sabbat bedenken.

     De sabbat kan ik elke dag uitroepen,
     zo zijn ook hemel en aarde gemaakt.

     Alsof ik elke dag iets nieuws moet maken
     en op de sabbat maak ik wat er al was.’

    Raadselachtige eenvoud

    Wijnberg is een dichter die het ingewikkelde terugbrengt tot een raadselachtige eenvoud. Met een simpele zin weet Wijnberg de humanistische inslag van de orthodoxe Yeshayahu Leibowitz te schetsen. Hij laat hem zeggen, ‘dat de wet zo vrijgevig is een Jood toe te staan zich aan de wet te houden’. Voor wie de Joodse cultuur niet erg vertrouwd is, loopt in deze Joodse gedichten toch tegen een vertrouwde Wijnberg aan. Om onder het fijne weefsel van Wijnbergs gedachtensluier de schoonheid van poëzie te ontdekken hoeft men niet dieper te graven dan in vorige bundels. De zinnen blijven met hun alledaagse woorden en parlando genoeg aan de oppervlakte om er een diepere laag onder te vermoeden. ‘De Messias komt / als iedereen enkel nog boeken schrijft / alsof ze door een ander geschreven zijn.’ Of: ‘Beter dan eten / is kijken naar kookwedstrijden op tv / en het begin gemist hebben en het einde / overslaan.’ 

    De kracht van Wijnberg is dat zijn manier van denken, met schijnbewegingen en uitweidingen per bundel niet zo verschilt. Waar de onderwerpen dat wel doen, blijft een nieuwe Wijnberg toch altijd weer verrassen. Waar een dichter als Kouwenaar de pijl in de roos van een perfecte gedicht tracht te splijten door nog eens zo’n pijl af te schieten, biedt Wijnberg meer variatie.

    Uitwerken van gedachten

    In interviews heeft Wijnberg geregeld benadrukt dat gedichten schrijven voor hem een manier van het uitwerken van zijn gedachten is. Het zal duidelijk zijn dat hij met het onderwerp Joodse cultuur alle kanten op kon. Met de wetteksten, de bijhorende commentaren en uitweidende verhalen, gelardeerd met discussies tussen rabbijnenscholen. Daarbij wordt van de ene stelling op de andere tegenstelling gesprongen en moet de Talmoed voor Wijnberg een zeer rijke, inspirerende bron voor zijn denken, en dus zijn gedichten zijn geweest. Maar meer dan in de Joodse identiteit lijkt Wijnberg thuis te zijn in zijn gedichten. Hij heeft in zijn gedichten een scherp oog voor de benarde positie van het Joodse volk. Door zijn lange geschiedenis heen ziet hij dat ‘enkel de Joden op het land overblijven, / waar ze als vissen zijn.’ Het kwetsbare is bij Wijnberg in veilige handen, zoals blijkt uit de prachtige zin: ‘dat een Jood niet gevraagd kan worden op te geven / waar er maar één van is.’

    Aan het slot van deze bundel, waarin men aan de hand van de dichter een eind heeft opgelopen met werkelijke en mythologische vertegenwoordigers uit de Joodse cultuur, kan men zich wellicht goed vinden in de allerlaatste woorden: ‘vreemdheid heeft in mij bezit genomen, / ik heb vreemde gedachten, / de enige die ik nog heb.’

     

     

  • In de VPRO serie ‘DichterBij’ Nachoem M. Wijnberg

    Het gras dient gemaaid alvorens te kunnen schrijven. Het gedicht dat onderwijl wordt voorgedragen is, ‘Staat en markt’.

  • Nachoem M. Wijnberg ontvangt P.C. Hooft-prijs voor poëzie


    ‘Eerst dit en dan dat’

    Allebei de schoenen?
    Een schoen doe je uit
    als een vrouw bij je op bezoek komt
    en je niet met haar wilt trouwen.

    Eerst stilte, dan uitleg;
    eerst duidelijk, dan verbazend;
    eerst de rechterschoen, dan de linkerschoen,
    dan de linkersok, dan de rechtersok.

    Is er iemand die daarover geen gedicht zou willen schrijven?

    Er is nog iets wat ik niet moet vergeten te doen, maar ik hoef er nu niet aan te denken.

    Een kenmerkend gedicht van Nachoem M. Wijnberg (1961) die vandaag te horen kreeg dat hem de P.C. Hooft-prijs – belangrijkste literaire oeuvreprijs van Nederland – werd toegekend. De prijs, vernoemd naar de Nederlandse dichter en toneelschrijver Pieter Corneliszoon Hooft (1581- 1647), werd toegekend door het bestuur van de Stichting voor Letterkunde voor zijn poëzie-oeuvre.

    Kenmerkend in bovenstaand gedicht van Wijnberg is de speelsheid en het afvragen, waardoor je als lezer nooit weet welke kant je op moet kijken. En dan die oproep aan het einde met als laatste de raadselachtige strofe: Er is nog iets wat ik niet moet vergeten te doen, maar ik hoef er nu niet aan te denken. Waardoor de nieuwsgierigheid gewekt is en het gedicht nog eens gelezen wordt om te ontdekken dat de raadselachtigheid vergroot wordt.

    Nachoem Wijnberg debuteerde met De simulatie van de schepping (1989), waarna hij een indrukwekkend oeuvre opbouwde waarvoor hij geregeld prijzen ontving, waaronder de Herman Gorter-prijs voor Geschenken in 1997, de Jan Campertprijs voor  Eerst dit dan dat in 2005 en de VSB Poëzieprijs voor Het leven van  in 2009. Hij schreef ook enkele romans, maar bovenal is hij dichter. Zijn laatste bundel Voor jou, van jou verscheen onlangs bij Atlas/Contact.

    Ondanks de vele prijzen werd zijn poëzie niet altijd begrepen. Door veel critici werd zijn werk als onbenaderbaar ervaren. Zo liet Erik Menkveld (1959-2014) in de Volkskrant van 23 okt. 2009 weten: ‘Er is studie en doorzettingsvermogen nodig om zijn werk (…) te doorgronden, iets waar lang niet alle lezers zin in zullen hebben.’ En Arie van den Berg wist in het NRC, 20 jan. 2012, de poëzie van Wijnberg als volgt  te omschrijven: ‘De poëzie van Nachoem Wijnberg is zo helder als kraanwater, en toch volslagen raadselachtig’.

    De jury – bestaande uit Remco Ekkers, Maria Barnas, Ellen Deckwitz, Jos Joosten en Anne Vegter – is van mening dat met het lezen van Wijnbergs poëzie er een gebied van scherpzinnig denken betreden wordt; ‘met een taal die loepzuiver is en gevaarlijk: overal kan een val zijn uitgezet, waardoor wat net gelezen is opeens in een ander daglicht komt te staan. Kenmerkend voor alle gedichten is de meerledigheid waarmee de dichter zijn wereld beziet.’

    Wijnbergs werk werd vertaald in het Engels, Duits en Italiaans. Een vertaling van Van groot belang (2016) verschijnt in 2018 in de Verenigde Staten.

    De P.C. Hooft-prijs wordt  jaarlijks toegekend voor afwisselend proza, poëzie en essays. In deze laatste categorie kreeg Bas Heijne in december 2016  de P.C. Hooft-prijs toegekend. Eerdere laureaten in het genre poëzie waren onder meer Anneke Brassinga (2015), Tonnus Oosterhoff (2012) en Hans Verhagen (2009).

    Nachoem M. Wijnberg zal op 24 mei 2018 de prijs ontvangen in het Literatuurmuseum in Den Haag. Aan de prijs is een geldbedrag van 60.000 euro verbonden.

     


     

    Foto: Merlijn Doomernik

     

  • Concrete en eigentijdse gedichten

    Concrete en eigentijdse gedichten

    De bundel Van groot belang, al een tijdje geleden verschenen, is een in meerdere opzichten opvallende bundel van dichter en prozaschrijver Nachoem M. Wijnberg (1961). Gestoken in een kaal, wit kaft dat 256, veelal dichtbedrukte bladzijden bijeenhoudt, verraadt de buitenkant niet dat het een dichtbundel betreft. Het etiket ‘gedichten’ heeft deze dichter al enige bundels geleden afgezworen, maar zijn vijftiende bundel is op het provocatieve af ook nog eens verstoken van een flaptekst of toelichting op het omslag.

    De titel wordt al met al op generlei wijze gehinderd voor zichzelf te spreken. Weinig dichters zullen zich dergelijke vrijzinnigheden durven veroorloven. Maar Wijnberg geniet een dusdanige reputatie als dichter  (o.a. VSB-prijs 2009 voor Het leven van) dat hij niet hoeft te vrezen onopgemerkt te blijven. Werd  in zijn qua omvang ook niet misselijke voorganger Nog een grap het fenomeen van de grap ontleed, zijn nieuwste gedichten kristalliseren zich rond politiek-economische vraagstukken. Niet vreemd voor een dichter die een hoogleraarspost cultureel ondernemerschap en management bekleedt. Goed beschouwd stonden veel van zijn dichterlijke motieven al in het teken van economische verhoudingen, zoals (ver)kopen, schenken, aannemen, schaarste en voorraad enz.. Maar in Van groot belang voeren de economische, politiek bestuurlijke besluitvormingen de boventoon. Ze zijn aanzet, drijfveer van veelal betogende dan wel bevragende zinnen, die meanderend over de pagina’s gaan en waar in eerste instantie alledaagsheid de lezer het zicht op poëzie kan benemen.

    In al deze gedichten is sprake van een zekere ‘je’ tegen wie wordt aangepraat. De stijl leest vlot als van iemand die niet alles op alles heeft gezet om het beste uit zichzelf naar boven te halen. Aangezien de je-vorm consequent is volgehouden, is eenheid bewaakt, maar eentonigheid niet buiten de deur te houden. De bundel is dik maar daarmee niet veelstemmig. De aangesproken ‘je’ bevindt zich in een situatie (niet zelden economisch, of politiek bestuurlijk van aard) waarin hij beslissingen heeft te nemen. Het gedicht ontrolt zich vervolgens als de losgewoelde overwegingen en redeneringen van opgeworpen vragen. Het geeft zicht op de motieven tot handelen in dergelijke situaties. In het licht daarvan kan men deze gedichten zeker niet van enig belang verstoken achten.

    Maar de poëzieliefhebber is allereerst gediend met typische Wijnbergconstructies als:
    ‘Je leest een geschiedenis van iets waarin elke gebeurtenis vergeleken
    wordt met een gebeurtenis uit de geschiedenis van iets anders.’

     Of:
    Je weet dat je afscheid moet nemen
    van wat al bijna klaar is
    met afscheid van jou nemen,’

    Met zinnen die met weinig woorden een nieuw verschiet openen:
    Als je de wet was of misschien vergeving zou je zeggen: je ziet zo waar ik
    woon, het is het huis zonder voordeur.
    Je kwam op de dag terug en zag dat de deuropening leeg was.
    Eerst was je verbaasd, daarna verontwaardigd, daarna opnieuw verbaasd.’

    Dat deze dichter met zijn vorige bundel Nog een grap nog lang niet al zijn humoristisch kruit had verschoten bewijst een passage als:
    ‘als je de God beledigt van wie veel minder macht dan jij
    heeft en hij je vraagt of je die God wilde beledigen of dat je enkel bedoelde
    dat wat je over zijn God gehoord hebt niet overeenkomt met de
    waardigheid die zo’n God zou kunnen hebben, kun je beter die kans, die je
    niet vaak krijgt, nemen en zeggen dat je dat laatste bedoelde.’

    Ook zijn neiging om sommige gedichten hilarische titels mee te geven (Sigmund Freud op bezoek bij Constantinos Kaváfis, of omgekeerd, maar ze hadden tegen elkaar gezegd dat dat niet zou uitmaken), of titels die langer zijn dan het gedicht zelf, heeft hij niet opgegeven.

    Wat deze bundel anders maakt dan zijn voorgangers, is dat de gedichten concreter, eigentijdser zijn gestoffeerd. In weerwil van enige uitstapjes naar het verleden waarin onder andere Marx, Keynes,  en Kaváfis worden geciteerd, bieden deze gedichten genoeg aansluiting bij de eigentijdse problematiek. Uitgekleed van poëtisch taalgebruik en beeldspraak leggen de zinnen een alledaagsheid bloot die haar weerga niet kent:  ‘Je grootvader was een keer in zijn leven uitgenodigd om te lunchen met een directeur van wat toen de Amsterdamsche Bank was, later de AMRO, en nog later de ABN AMRO’.

    Men stuit ook op veel stukken die in een leerboek niet zouden misstaan: ‘Kapitalisme in de zin van dat de toe-eigening van arbeidsvoorwaarde door / de eigenaren van de productiemiddelen de belangrijkste bron van / investeringen is, ontstaat pas als en doordat er voldoende duurzame en / kostbare productiemiddelen zijn om in te investeren. / Vóór de negentiende eeuw zijn de meeste duurzame goederen geen / productiemiddelen en de meeste investeringen zijn om te handelen‘ enz. Wijnberg mag zich dan als eigenzinnig dichter manifesteren, de eigenzinnige poëzielezer heeft het recht zich af te vragen wat hij met zulke zinnen aan moet. Wijnberg komt de lezer tegemoet door hier en daar een Envoi in te lassen, maar men ontkomt niet aan de indruk dat de professor in deze bundel een thuiswedstrijd speelt.

    Van groot belang lijkt vooral een demonstratie van de verkennende rol van taal in ons begrip van werkelijkheid. Keer een vraag binnenste buiten en kijk welk soort logica komt bovendrijven, zoals in de laatste twee strofen van Worauf man in Europa stolz ist:
    Een grote overwinning,
    omdat bijna niemand die verwacht had,
    en wie die wél verwacht had,
    heeft die ook een prijs
    gekregen?

     En als hij gehoopt had
    dat wat hij verwacht had
    niet zou gebeuren,
    krijgt hij dan nog
    een dag?’

    Dit soort creatieve denkbewegingen strookt met de verwachtingen die men heeft van moderne poëzie en zeker die van Wijnberg die altijd al excelleerde in omkeringen en het blootleggen van de achterkant van logica. De oplossingen evolueren tot relativeringen van het probleem. Zijn gedichten tonen dat als men zijn verbeelding inzet in plaats van zijn logische denkwijze, de vraagstelling in een heel ander licht komt te staan, maar daarmee niet minder geldig wordt.

    Voor wie echter meent dat in poëzie de in zee geplengde druppel wijn door de zee moet worden gezuiverd in plaats van door diezelfde zee te worden verwaterd, is deze bundel te overwoekerend. Na verloop van tijd begint het oeverloze tegen te staan. Wijnberg lijkt dan op de cruisecontrol zijn gedachten alle kanten op te drijven met de ingesleten routine van het tegen elkaar uitspelen en omdraaien van tegengestelde begrippen in de mogelijke veronderstelling tussendoor genoeg poëzie te morsen. Resultaat komt dan uit op iets wat beneden zijn gemiddelde poëtische niveau ligt:

    ‘Een voorraad van iets hebben maakt het je mogelijk later iets te / beslissen omdat er iets gebeurd is en daarom wil je voorraden hebben voor / de belangrijkste gebeurtenissen waarvan je denkt dat ze mogelijk zijn. // Zo heeft elke gebeurtenis haar voorraad en omgekeerd, en kun je kiezen / met welk van de twee je wilt beginnen.’ 

    Overvloed werkt als een omgekeerde verrekijker: het haalt de gemorste schoonheid niet op, maar maakt die nietiger. Om bij een prachtige, ontroerende strofe als: ‘Is het goed als niemand/meer over je weet dan je jezelf/kunt herinneren?’ te komen moet men veel minder fraais voor lief nemen. Wijnberg heeft ooit gezegd van ieder gedicht wel tien versies te schrijven voor hij ze de wereld inzond. Het valt inmiddels moeilijk te geloven dat hij deze werkwijze nog steeds trouw is. Of wil deze poëzie toonbeeld zijn van wat hij zelf in Van groot belang poneert: ‘Maar het is een misverstand dat een gedicht van alle teksten het meest / voltooid is, het is juist wat het sterkst vraagt om beter te worden.’

     

     

  • Ontroerende bundel met gewaagde titel

    Ontroerende bundel met gewaagde titel

    Als er een prijs bestond voor de gewaagdste titel voor een dichtbundel zou Nog een grap, de laatste van Nachoem M. Wijnberg, die haast niet kunnen ontlopen. De verhouding tussen poëzie en grappen is immers een moeizame sinds Remco Camperts misprijzends oordeel: ‘Sinds Buddingh’/ verwachten veel mensen/ van poëzie/ een avondje lachen.// Dat is geen vooruitgang/ geloof ik/ maar eerder een stap achteruit.’

    Nog niet zo lang geleden liet dichter Erik Jan Harmens zich er korzelig over uit dat veel moderne dichters zich aan taalgrapperij bezondigen. Wie zijn gedichten dan toch onder de titel Nog een grap de wereld in stuurt, geeft blijk van een recalcitrante houding. En dat laatste kenmerkt Wijnberg wel degelijk. Hij schuwt met verve de zondagse kant van poëzie in al haar dichterlijke verhevenheid en heeft van meet af aan voor een eigen, afwijkend geluid in de poëzie gezorgd. Inmiddels geldt hij als een der belangrijkste Nederlandse dichters. Waar hij eerder in de bundel Liedjes de mogelijkheid onderzocht om zijn gedichten in de vorm van liedjes te gieten, heeft hij zich nu op het fenomeen ‘grap’ gestort. En zo verwonderlijk is dat eigenlijk niet. Twintig jaar geleden schreef hij al in een van zijn gedichten: ‘Ik ga een grap maken die tien jaar goed blijft. / Ik heb alle ingrediënten’.

    In een interview in de NRC uit 2009 zie hij: ‘ik wil graag verhaallijnen en grappige anekdotes vertellen’. Van zijn VSB-Poezieprijs winnende bundel Het leven, beweerde hij dat er herinneringen aan flauwe grappen in zaten. Maar goed, zet drie apen op het voorplat van je ruim 300 pagina’s dikke bundel en je denkt als lezer toch even bij de neus genomen te worden door deze dichter!

    Wat opvalt is dat deze niet in afzonderlijke delen opgesplitste bundel overwegend korte, gemiddeld niet meer dan tien regels tellende gedichten bevat. Naast veel gedichten die een zelfde titel dragen als Grap, Avond, Middag, Ochtend, gaan er gedichten met extreem lange titels getooid, waarvan deze de kroon spant: Plotseling herinneren ze zich dat ze geen burgemeester hebben, is dat niet iets voor jou, maar dan moet je wel willen meevergaderen, en zeg niet dat je daar nooit over nagedacht hebt of dat het de eerste keer is dat je zoiets gevraagd wordt. Lange titels, korte titels, alle gedichten zijn op eenzelfde praattoon geschreven. In heldere en eenvoudige taal wordt een ‘je’ toegesproken, maar nergens wordt duidelijk om wie het gaat. ‘Je weet dat als je iets koopt, / en je niet had hoeven weten dat het gestolen is, / je het mag houden. // Maar als je iets koopt bij een man / die zijn auto ’s avonds langs de weg geparkeerd heeft / en uit zijn open achterbak verkoopt / kersen, abrikozen, / zou je je toch kunnen afvragen waar hij die vandaan heeft?’

    Zelden was het eenvoudiger uit een bundel een illustratief citaat te lichten, daar bijna iedere regel als illustratief kan gelden. Een ‘ik’ duikt hoogst zelden op in deze bundel, al is er een gedicht, Dag Nachoem, waarin de ’ik’ de voornaam van de dichter draagt. Net als op een schilderij waarin de schilder zichzelf onopvallend in een hoekje heeft geportretteerd. De consequente toepassing van deze ietwat ongewone stijl biedt houvast en houdt daarbij de afzonderlijke gedichten bijeen. De onderlinge eenheid wordt daarnaast ook bewaakt door de voortdurend terugkerende motieven als avond, nacht, hotel, leger, gast, zee en strand. Als lezer word je met deze bundel, een romanlengte lang, overspoeld door gedichten die als gelijkmatige golfjes op je afkomen.

    En hoe zit het dan met de grappen? Nou, af en toe kan er best gelachen worden. ’In welke taal / wil je vertaald krijgen, / dat Donald Duck hoopt / dat als het opnieuw oorlog is, / hij nog weet wat te doen?’ Of: ‘Je zegt, je wilt / lang leven, / heb je nu al genoeg / gekregen van / kort leven?’ En: ‘Maar je had toch / nooit een kat? // Ja, je had er / wel eens een te leen.’

    De dichter last een enkele keer zelf een ‘haha’ in. Maar gelukkig voor de reputatie van Wijnberg als dichter kan men, gevraagd naar de grap, antwoorden dat het gedicht beter was. Hoezeer Wijnberg zich ook heeft laten leiden door het idee van de grap en zijn neiging te onderzoeken in hoe ver een gedicht niet op een gedicht te laten lijken, om er intussen toch een te zijn. Deze gedichten vertellen natuurlijk geen echte grappen, maar leggen veeleer de strategieën van de grap en daarmee die van zijn gedicht bloot. De relatie tussen grap en poëzie is ook gelegd in een titel als Je rijmt steeds vaker, maar als een halve grap die niet beter gaat worden. Via de grap lukt het Wijnberg allerlei interessante vragen te stellen, als: ‘Hoe is het als de zee / slecht nieuws / brengt?’. Kijken of hij in staat is gedichten te schrijven met het mechanisme, de ingrediënten van een grap.

    Het zijn dan ook eerder gedichten waarvan grappen te maken zijn, dan grappen waarvan gedichten gemaakt zijn. Daarbij sluit de anonimiteit van grappen van het soort ‘er loopt een man op straat’ naadloos aan bij Wijnbergs anonieme, van stoffering gestripte anekdotiek. ‘Mijn gedichten zijn helder, makkelijk te lezen en beloven althans dat ze gaan over belangrijke zaken in ieders leven,’ mag hij zijn lezers graag verzekeren in vraaggesprekken. Simpele woorden, zeer concrete zaken,  inderdaad: helderheid is troef. Maar intussen is het soortelijk gewicht van de mededeling vaak aan de lage kant gehouden om de wending in het verhaal te motiveren. Daardoor lijkt er een groter verhaal te worden opgeroepen bij de lezer dan wat het gedicht zelf uitspreekt. En toch is zijn inzet niet minder dan de lezer emotioneel te willen aanspreken. Hoe hij dat doet? Misschien verschaft het gedicht Grap enige toelichting:

    Vroeger schaamde je je
    om te laten zien
    dat je wilde ontroeren.

    Nu kun je dat
    waarmee je wilde ontroeren,
    weglaten,
    en de plaats leeg laten,
    en half open dat niemand het ziet.

    De dichter, zelfverzekerder over zijn vermogen tot ontroering, laat bewust gaten in het gedicht, waarin de lezer zijn ontroering kwijt kan. Zoals de grap net niet gemaakt wordt in deze bundel maar de lezer met lege handen laat, zo laten de gedichten ook door wat ze niet vertellen een lege plek achter waar de lezer zelf de ontroering kan invullen. En als in een gedicht even niets wil gebeuren, kan er wellicht nog een grap van gemaakt worden:

    Dat is een goede
    Je zegt, toen je hier kwam
    was er hier niets,
    behalve dat huis en die berg daarachter,
    en nu is er nog precies hetzelfde,
    moet je dit als een grap uitleggen?

    Ook al gebeurt er weinig in de poëzie van Wijnberg, toch is enige spanning aanwezig. Met thema’s als: verlangen, rijk, arm, herinneren, vergeten, aankomen en weggaan, is er genoeg om die spanning op te voeren: ‘dat aan de plaats waar wij vandaan komen te zien is / hoe lang wij daar al weg zijn.’ Er wordt zeer polair te werk gegaan in de gedichten. Niettemin komt het door de doodeenvoudige taal en  het feit dat hij de scharnierpunten van zijn denkbewegingen uit het zicht houdt, nergens geconstrueerd over. Zo wordt in de laatste strofe van Je kunt leren ernaar te verlangen als je het lang niet gehad hebt, dat is zoals de rijken leven? arm, zeer subtiel tegenover rijk geplaatst: niet het vele hebben maakt iemand rijk, maar het vermogen om veel te kunnen missen en daarmee niet te zitten. ‘Je hebt iets vergeten, / of je gaat een trein missen, / of een vliegtuig, / want dat dat voor jou weinig uitmaakt, / was toch waarom je rijk wilde zijn?’

    Waarom het ene gedicht mooier en ontroerender is, valt moeilijk te verantwoorden. Bovendien is uit deze bundel, die vanwege zijn omvang en gelijkmatigheid zich als geheel laat waarderen, moeilijk een mooiste gedicht te kiezen. Zeker is dat de bundel van het soort is dat bij herlezing opnieuw opbloeit. Dat maakt iedere rangorde van waardering tot een voorlopige. Maar Het leger van rechters treft als een zeer geslaagd gedicht:

    Daar lopen de rechters
    die alvast alle beslissingen
    waarom ze gevraagd zijn
    aan het begin van de dag
    voorlopig nemen.
    Ver genoeg van elkaar
    dat zij om kunnen vallen
    zonder elkaar te raken.
    Het bevel was: probeer maar eens
    door een bos te lopen
    als over een veld.

    De ontroering van dit gedicht zit in hetgeen dat aan het bevattingsvermogen ontglipt, juist als men meent het te pakken te hebben. Ergens doet het denken aan een van die wonderschone regels van Faverey: ‘Soms gaan meerdere zwemmers / met een gelijk aantal schaatsers / van start.’ Of een andere van Faverey: ‘Zonder de ene had ik zonder / de andere nooit kunnen leven.’ Als er een levende dichter is die aan dit soort schoonheid kan raken, zou ik mijn kaarten op Wijnberg zetten. Dat zijn poëzie bij zoveel eenvoud zo bijzonder kan uitpakken, wijst op de grootheid van zijn dichterschap. Met zijn veertiende dichtbundel heeft Wijnberg aangetoond het genre van de grap zijn eigen stijl op te kunnen leggen. Dit is metafoorloze, make-up loze, naturel poëzie van het kaliber: lees maar, er staat wat er staat. In Wijnbergs gedichten hebben de woorden genoeg aan zichzelf. Ze hebben alleen nog een naar ontroering hakende lezer nodig.

     

     

     

  • Veel moois van een dichter met zeer eigen stijl

    Veel moois van een dichter met zeer eigen stijl

    Langzaamaan heeft Nachoem M. Wijnberg als dichter een naam gevestigd die het verschijnen van een nieuwe bundel van zijn hand voor poëzieliefhebbers tot een gebeurtenis van niveau maakt. Als ik als eerste aankom is zijn dertiende bundel en telt maar zeventig gedichten. Nieuw element in Als ik als eerste aankom is dat bij een aantal gedichten sprake is van voortdurend inspringende versregels zodat ze niet onder de regel erboven staan. Dat geeft een springerig effect en breekt het ritme. Maar iedere bundel van Wijnberg heeft die specifieke Wijnbergstijl. Behalve Kouwenaar ken ik geen Nederlandse dichter die zich zo van een eigen stijl bedient.

    Een greep van typische Wijnbergregels uit deze bundel: ‘Als ik ergens veel van had / zou ik het op veel plaatsen neerleggen, / ook die ik niet van tevoren / had kunnen bedenken, / maar waar ik toevallig langsliep.’ Of: ‘Ik heb iets gezien / wat mij liet denken / dat het misschien  mogelijk is / iets te maken / wat in de lucht blijft hangen.’ Of: ‘OK, dat doen jullie / voor de toeristen / die iets willen zien wat niet altijd lukt.’ En ten slotte: ‘Mij wordt gevraagd / of ik, nu ik toch hier ben, / nog iets zou kunnen doen / wat kleiner en eenvoudiger is / dan wat ik al gedaan heb.’

    In de gedichten van Wijnberg komt het onbepaalde voornaamwoord ‘iets’ dikwijls voor. Ik ken geen dichter die het zo frequent gebruikt. Meestal is er sprake van een ‘ik’ die zich voor de mogelijkheid geplaatst ziet ‘iets’ te doen, ‘iets’ te willen, of ‘ergens’ ’iets’ van te vinden, wat al dan niet ‘eerder’, ‘beter’ enz. is gedaan. Er is meestal sprake van ‘iets’ onbepaalds, waarvanuit met behulp van zinnen geladen met (bijvoorbeeld) de comparatief of superlatief,  (rang)telwoorden als ‘eerste’ of ‘laatste’, of een onbepaald woord als ‘enige’, een onderling verband wordt gesuggereerd dat niet zelden uit de pas loopt met de gangbare logica, maar dat het gedicht een eigen soort, en – moet gezegd – goed sluitende logica en luciditeit verschaft.
    Zoals de droomtoestand van de halfslaap zijn eigen logische wetten kent. De logica lijkt vaak niet de woorden te hebben gekozen, maar de woorden de logica. Maar de schoonheid van deze poëzie is niet te vatten, noch in logica noch in analyse, want evengoed verrast de schoonheid je vanuit een onvoorziene vergelijking: ‘Als midden in een bos / waar het midden in de zomer / donker is.’ In een interview heeft Wijnberg eens gezegd dat hij zijn gedichten schrijft om beter na te denken. Zijn gedichten lijken dan ook meer de kaders uit te zetten waarbinnen de dichter variaties, gedachtemogelijkheden exploreert.

    De inhoud van zijn poëzie balanceert op de grens van anekdote en abstractie, van filosofie en waarneming, van mythe en ervaring. Een enkele maal duikt er in deze nieuwe bundel een historische naam op als die van Aristoteles en diens Arabische exegeet Al-Farabi, Napoleon of Talleyrand, maar de meeste gedichten zijn in de ik-vorm. Ook verschijnt er soms, evenals in vele andere Wijnbergbundels, iemand ten tonele die makkelijk alles weggeeft wat hij had, terwijl hij buitenstaander lijkt. Hier lijkt de invloed van Oosterse levenswijsheden zich te laten gelden. Soms is er een geliefde jegens wie in een quasi laconieke setting een verregaande tederheid aan de dag wordt gelegd.

    De toon is vaak zeer licht, absurdistisch haast, maar met een niet mis te vatten emotionele diepgang, waarbij het geluid van de schreeuw, de pijn lijkt uitgezet: ‘Je kunt mij gerust / nog zo’n vraag stellen / waarmee ik niets beters kan / dan zo’n antwoord geven / dat mijzelf laat huilen.’
    De haast ontroerende kwetsbaarheid, naïviteit soms, is ook een motief van Wijnbergs poëzie. De in indirecte rede gestelde uitspraken in zijn gedichten zijn nooit apodictisch, maar maken die ze uitspreekt eerder kwetsbaar. Wie ze voor zijn rekening neemt is niet altijd duidelijk, laat staan dat helder is waar de uitspraak ophoudt. ‘Als ik ’s ochtends iets doe / is het alsof / ik het ook ’s nachts gedaan heb / omgekeerd is het niet altijd zo / soms wel.’ Die toevoeging ‘soms wel’ ontroert door zijn bescheidenheid. Met de woordgevoeligheid van deze dichter zit het wel goed. Wijnbergs gedichten lijken haast achteloos te zijn ontstaan, maar niets is minder waar: aan ieder gedicht is een flink aantal kladversies voorafgegaan. Deze dichter is niet van het soort dat zijn verzen aus einem Guss over het papier uitstort. Wanneer men bedenkt dat Nachoem Wijnberg in zijn werkzame leven hoogleraar economie is, en gegeven de royale omvang van Als ik als eerste aankom mag men gerust van een productieve dichter spreken.

    Hoog tijd voor het citeren van een compleet gedicht:

    Katten en honden

    ‘In een kleine stad
    ben je geboren
    en ze zeggen tegen je:
    het is een kleine stad hier.

    Als iemand hier
    in een oude auto rijdt
    met een open dak dat niet meer dicht kan
    is hij de enige.

    Maar er zijn er zoveel
    die iets als enige doen,
    je bent een hele dag bezig
    als je ze een voor een optelt.

    Vroeger dacht je
    dat je liever met een kat dan een hond was,
    nu merk je dat je graag hebt
    dat een hond naast je komt zitten.

    Je bent zo groot
    geworden en dit is
    wat ze tegen je zeggen:
    we dachten niet dat je zo groot zou worden.

    Neem iets wat klein is
    en maak het groot
    alsof dat genoeg was
    om er iets over te zeggen.

    Zodat je de beloning kan krijgen
    die iemand krijgt
    als hij iets zegt
    waar lang geleden om gevraagd is.

    Beste wereldreiziger.
    wat verwachtte je dan,
    de winkels zijn dicht
    omdat het avond is.

    Het is avond
    en je ligt op je rug
    in je zwarte pak
    op een bank op een plein

    In het Engels zeggen ze:
    het regent katten en honden
    en het is midden in de zomer
    en je bent toch ook geboren in de zomer.’

    De meeste gedichten treffen direct. Slechts een enkel gedicht bijvoorbeeld Gratis (dat zo begint: ‘Betaald voor wat ook gratis gedaan was / en als niet, was het niet / nodig geweest.’ en waarin een op de wc zittende hogepriester voorbijkomt en dat zo eindigt: ‘Ik weet veel van wat niet van de hemel is, / dat heb ik allemaal op de wc geleerd.’) kon niet direct bekoren. In dit gedicht willen de woorden zich niet loszingen van hun betekenis. Alsof ze de schijnbewegingen van de dichter hadden doorzien.

    Maar hoeveel moois blijft er over! De lezer van deze bundel zal het zo vergaan als de ‘ik’ in het korte slotgedicht Een nacht

    ‘Ik kwam door de voordeur naar binnen,
    sliep een nacht in een goed bed,
    ’s ochtends door de achterdeur naar buiten,
    zag het water van de grote vijver,
    ik wist niet dat dit er was.’