• Eigenlijk begrijpen we helemaal niets

    Eigenlijk begrijpen we helemaal niets

    De novelle Futility van Morgan Robertson gaat over het oceaanschip Titan, dat in de Noord-Atlantische Oceaan op een ijsberg vaart. Er zijn te weinig sloepen om alle opvarenden te redden. Menigeen zal meteen denken dat het verhaal gaat over de ondergang van de Titanic in 1912. Futility werd echter al veertien jaar daarvoor geschreven, in 1898.

    Olivier Rolin zal die feiten ook wel kennen. Hij heeft een antenne voor de wankele verhouding tussen fictie en werkelijkheid en tussen toeval en causaliteit. In zijn Veracruz uit 2016, nu in het Nederlands verschenen in een mooie vertaling van Rolin-kenner Katelijne de Vuyst, vermeldt hij dat het Mexicaanse Veracruz in de nacht van 15 op 16 september 1990 werd getroffen door de cycloon Susana. Het Medina-Schmidt-paleis in de stad werd in de as gelegd door een brand toen de storm kortsluiting veroorzaakte. In het pand werden volgens sommige kranten drie verkoolde lijken gevonden van mannen. Die cycloon uit 1990 hield huis, drie maanden nadat de ik-figuur uit de roman het verhaal las over een vermoedelijk fataal incident tussen de bekoorlijke Susana en drie mannen in dat zelfde paleis.

    Korreltjes zout
    In een Postscriptum bij zijn lijvige en indrukwekkende roman De uitvinding van de wereld uit 1993 (in het Nederlands verschenen in 2007) haalt Rolin met instemming Italo Calvini aan: ‘De literatuur kan alleen bestaan als zij zich mateloze, zelfs onhaalbare doelstellingen oplegt. Slechts wanneer dichters en schrijvers zich ondernemingen ten doel stellen waar niemand anders aan zou durven denken, slechts dan behoudt de literatuur een functie.’
    Voor die roman uit 1993 verrichte Rolin een titanenarbeid, die hem dan ook jaren werk kostte. Hij verzamelde artikelen in 31 talen uit 491 kranten, allemaal van 22 maart 1989 (en dus handelend over 21 maart, waarop dag en nacht even lang zijn) en voegde die samen tot een doorlopend verhaal. ‘Alle “verhalen” die in dit boek worden verteld zijn werkelijk gebeurd’, schrijft hij in het Postscriptum, om daar verder aan toe te voegen dat de waarheid met veel korreltjes zout moet worden genomen.
    Ook De weerman en De leeuwenjager en Manet beschrijven historische gebeurtenissen, maar worden in Rolins handen fictie. Zelfs zijn Suite in het Crystal, waarin hij op Pereciaanse wijze een exacte beschrijving probeert te geven van alle hotelkamers waarin hij verbleef, staat in dienst van de verbeelding.
    De romancier Rolin gebruikt de feiten, maar wat zijn dat, feiten? ‘De literatuur is een eindeloos bedrog’ laat hij de hoofdfiguur uit Veracruz zeggen. Ook in deze nieuwe roman is dat zo. Rolin construeert zelf ‘feiten’ met een griezelige exactheid. Ja, er woedde een tropische storm in 1990 boven Mexico, maar die heette Rachel. En ja, er was een cycloon Susan, maar die trof het land in 1998. En wellicht kent de stad niet eens een Medina-Schmidt-paleis. Maar je denkt als lezer met feiten te maken te hebben.

    Envelop
    Veracruz vertelt het verhaal van een Proustkenner die in de Mexicaanse stad een aantal lezingen geeft over de auteur van de À la recherche du temps perdu. Hij raakt er verliefd op de Cubaanse zangeres Dariana. Na een onstuimige tijd met haar verschijnt ze plotseling niet meer in de bar El Ideal waar ze elkaar steeds ontmoetten. Hij rekt zijn verblijf in Veracruz, vooral lijdend aan en piekerend over de mogelijke reden van haar verdwijning. Het raadsel wordt nog groter als hij op een dag in zijn hotel een anonieme envelop ontvangt met vier verschrikkelijke verhalen. Ze gaan over vier betrokkenen bij smokkelactiviteiten in het Medina-Schmidt-paleis, de jonge Susana, haar vader El Griego, haar brute minnaar Miller en de jezuïet Ignacio. De mannen hebben alle drie een seksueel geïnspireerde verhouding tot Susana. Gevieren vertellen ze hun eigen kijk op hun onderlinge betrekkingen. De Proustkenner leest en herleest de verhalen en vraagt zich af wie de anonieme afzender is en wat de verhalen hem te zeggen hebben. Gaandeweg vallen hem in de vertellingen details en beelden op die lijken te verwijzen naar zijn relatie met Dariana.

    S
    Veracruz 
    is, hoewel de roman bij lange na niet de omvang van een standaard Boekenweekgeschenk haalt (hij telt 92 pagina’s, waarvan ook nog eens veel witte), een veelomvattende, zinderende en poëtische vertelling die je na afloop prikkelt tot onmiddellijke herlezing. Je herkent de details die de ik-figuur in de verhalen uit de envelop opvallen, maar misschien heb je er ook over het hoofd gezien. En net als Rolin van elk hoofdstuk in De uitvinding van de wereld een pastiche maakte op een groot werk uit de wereldliteratuur, ontdek je ook in Veracruz tal van literaire verwijzingen. Het verhaal van El Griego bijvoorbeeld, die seksueel opgewonden wordt van zijn kleine dochter Susana, doet onontkoombaar denken aan Lolita van Nabokov. Hij fantaseert over andere namen voor haar die allemaal met een S beginnen, wat herinnert aan het genot dat Humbert Humbert beleefde aan de L van Lolita.
    Rolin betoont zich een stilist met een veeltonig register. Elk van de vier verhalen hebben hun eigen oorspronkelijkheid die hoort bij ieder van de vier vertellers. Bijzonder vermakelijk daaronder is de collectie scheldwoorden die Miller besteedt aan de jezuïet Ignacio, variërend van ‘de zwarte wijnzak’ met zijn ‘anusmondje’ tot ‘wijwaterpad’. En er zijn de mooie beelden als ‘het zand dat door de regen als kippenvel werd gestippeld’.

    Toeval
    Maar vooral mooi is de beschouwing waartoe de ik-figuur (en daarmee natuurlijk Rolin zelf) komt door de anonieme verhalen en de vragen die ze bij hem oproepen. ‘Soms vraag ik me af of datgene wat ik voor herinneringen hou’, mijmert hij – de Proustkenner! –, in feite niet de roman is die een langdurig verdriet me op basis van een roman heeft laten verzinnen’. Een wat complexe zin die opnieuw de diffuse overgang tussen feit en fictie aangeeft. Iets verder lezen we: ‘Het zou een erg simplistische opvatting van literatuur zijn als ik dacht dat zij zonder omwegen, zonder arglist de persoon van de auteur weergeeft.’ En verwijzend naar de dichter Paul Valéry: ‘Luiheid, zaken die je vergeet, onoplettendheid – het zijn allemaal ingrediënten van de literatuur’.
    We willen altijd maar dat een verhaal een einde heeft en dat alles betekenis heeft, maar ‘waarom zou wat later komt niet de oorzaak kunnen zijn van wat voorafging. Waar halen we het vandaan dat er altijd een oorzaak is? (…) Die constructie noemen we ‘begrijpen’, maar eigenlijk begrijpen we helemaal niets. We blijven de droom om de dingen onder controle te krijgen maar achtervolgen, in plaats van gewoon te leven (…) Misschien bestaat de wereld alleen uit toeval’.
    En wie toch op zoek gaat naar betekenis wordt alles uit handen geslagen met de slotzinnen: ‘Geloof geen woord van wat ik heb geschreven. En laat me nu met rust’.

    Rolin heeft met Veracruz een nieuwe fraaie proeve afgeleverd van wat literatuur kan betekenen en van hoe de opdracht die Italo Calvini al eens formuleerde kan worden uitgevoerd. Voor wie nooit aan het complexere De uitvinding van de wereld toe kwam of Rolin nog niet kent, is Veracruz een opwindende kennismaking.

     

     

     

     

  • Fladderend door het oeuvre van Nabokov

    Fladderend door het oeuvre van Nabokov

    Op de Nederlandse uitgave van The enchanter: Nabokov and Happiness staat een achterflapvullende foto van de schrijfster, Lila Azam Zanganeh. Haar verschijning is die van een tere maar tegelijkertijd speelse Sheherazade die, ondanks het feit dat zij de dertig ruim gepasseerd is, iets onmiskenbaar nimfijns heeft.
    “Ze is prachtig, ik zou alleen bang zijn dat ik iets aan haar brak, een oortje bijvoorbeeld” was het commentaar van een vriend toen hij de foto zag. Het had een parafrase kunnen zijn van een terugkerend thema in Nabokovs werk, het verlangen naar schoonheid die niet verdwijnt:

    ‘But he turned away because it hurt to look and because he could not help remembering how many times beauty- or what he called beauty- had passed him by and vanished.’
    (uit: Laughter in the Dark)

    Zanganeh toog met het manuscript van haar eersteling naar Palm Beach, Florida, om de rechten te bemachtigen voor de vele citaten uit het werk van Nabokov die in De tovenaar zijn verwerkt. Daar werd zij ontvangen door zijn zoon en literair erfgenaam, Dmitri Nabokov die haar bij nader inzien vroeg het manuscript aan hem voor te lezen omdat hij zelf te moe was om het door te nemen.
    Gedurende drie dagen en nachten leest Zanganeh voor, onderhandelt met Dmitri over woorden (‘Vladimir and Vera would never ‘argue’ over a weak serve! Perhaps you meant ‘squabble’’) en leert en passant de juiste uitspraak van de Latijnse vlindernamen.
    Deze tot de verbeelding sprekende anekdote staat helaas niet in het boek waar Dmitri uiteindelijke zijn toestemming voor gaf. Ik las het in een essay dat Zanganeh schreef voor The Daily Beast.

    In datzelfde artikel beschrijft zij haar boek als ‘een wonderlijke combinatie van fictie en essay, van verzinsels en interpretaties.’ Een getekende plattegrond van het land GELUK die aan het begin van het boek staat, roept herinneringen op aan De Koning van Katoren van Jan Terlouw,  maar ook de hoofdstukken dragen allen de typische onderschriften die ik mij herinner uit kinderboeken van vroeger: ‘GELUK DOOR DE SPIEGEL (Waar de schrijver voorbij de grenzen van het leven gluurt en de lezer een steelse blik opvangt)’
    Met die lezer bedoelt Zanganeh zichzelf. In haar vroege tienerjaren maakte zij voor het eerst kennis met de boeken van Nabokov. Haar moeder las af en toe passages voor uit Geheugen, spreek, Nabokovs autobiografie over de eerste eenenveertig jaar van zijn leven. Wanneer zij uiteindelijk zelf zijn boeken gaat lezen raakt ze in de greep van de tovenaar:

    ‘Toen het mijn beurt was om Nabokov te lezen, was nostalgie reeds een stap verwijderd: deze had mijn moeder toebehoord. Mijn eigen oren waren afgestemd op de zuivere bekoring van zijn proza, dat mij zong van talen die ik de mijne wist.  ‘(…) Elke bladzijde, elke zin vaak, werd gelezen en herlezen door een kleine maniak in wording, met grote ogen die met de dag iets feller gloeiden. Overal, zo leek het, ontpopten zich zinnen die geheel nieuw waren, maar die je toch meende gefluisterd te hebben in een verre plooi van de tijd, in de schaduw van rasterwerk.’

    In deze Nabokoviaanse stijl wisselt Zanganeh biografische weetjes af met een mengelmoes van fictieve fragmenten en invallen. Er is ook een hoofdstuk gewijd aan de ‘fonkelende woorden’  (Azuurgestreept, Hemelspannend, Kzspygv) van de schrijver.  Met ‘kzspygv’ had Nabokov een nieuw woord bedacht dat was opgebouwd uit de letters die in zijn synesthetische beleving correspondeerden met de opeenvolgende kleuren van een regenboog.
    Zanganeh schrijft hierover:

    ‘Een zonovergoten hiëroglief. In één adem: ‘bosbes k’,
    ‘donderwolk z’, azuren en parelmoeren s’, onrijpe appel p’, ‘goudglanzende y’, rijke, rubberachtige g’, ‘ roze kwarts v’ – kzspygv.’

    Dat Nabokov zijn kleurervaring bij deze letters zelf al beschreef in Geheugen, spreek, maakt van haar onderschrift meer een ijverige invuloefening dan een interessant inzicht.  Iets dergelijks permitteert Zanganeh zich op meer plekken in het boek. Zoals in haar gefingeerde interview met Nabokov, dat zij laat plaatshebben lang voor zij zelf geboren is. Dat interview bestaat voornamelijk uit  knip- en plakwerk van feiten, zoals opgetekend door Brian Boyd in zijn tweedelige biografie uit 1991 over Nabokov.

    En zo fladdert Zanganeh met een knipoog naar Nabokovs voorliefde voor de vlinderjacht van onderwerp naar onderwerp. De licht-hysterische toon waarop zij langs de fonkelende facetten van Nabokovs taaluniversum huppelt, ging mij vrij spoedig irriteren. In het hoofdstuk ‘waar de schrijver zijn literatuur etaleert en de lezer pronkt met verhelderende commentaren’ richt zij zich rechtstreeks tot haar lezers:

    ‘Humbert Humberts geniepigste stem. Een moment tijdens de rondrit van ruim veertigduizend kilometer over de wegen van Amerika. (…) Leest u het, voor optimaal resultaat, hardop voor. De woorden zullen elkaar omarmen en kussen in uw mond. Klanken zullen zwieren en verglijden als een beek ( elegisch – en-  pastoraal – en-  pseudopastoraal- en- wellustig- en- koddig- en – duister- en-manisch- en-erotisch)’

    In het voorwoord en in de eerste hoofdstukken is haar enthousiasme vaak wat beter gedoseerd. Hier concludeert Zanganeh dat bij Nabokov ‘geluk – of althans een element daarvan-  een variatie op heugenis is’. Dat geluk is echter niet alleen de schrijver voorbehouden. In een toelichting op wat Nabokov de ‘creatieve lezer’ noemt,  beschrijft Zanganeh wat die ‘mededromer die de minieme details van de wereld observeert’ volgens haar te doen staat. Die moet zich ‘met gekmakende precisie een roman proberen voor te stellen, en dat wonderbaarlijke optische speelgoed dat vergezichten van beelden binnen beelden opent, grondig onderzoeken. Omdat elk verloren beeld een verloren kans op geluk is.’

    Het is een wat ingewikkelde maar aanstekelijke aansporing om gelukkig te worden van het lezen van een mooi boek. Aldus herlas ik dankzij De tovenaar delen van het werk van de meester zelf en raakte opnieuw prettig bedwelmd. Een gelukszalige ervaring die ik iedereen van harte kan aanbevelen.