• Een kathedraal van woorden

    Een kathedraal van woorden

    Onlangs was ik op een feest waar een literaire quiz werd georganiseerd. Gasten werd gevraagd hun favoriete roman te noemen en ik riep meteen Mystiek lichaam. Anderen riepen Nooit meer slapen en Oeroeg. Vervolgens was het de bedoeling dat de gasten zich groepeerden rondom de persoon die een voor hen bekende titel had geroepen. Van de honderd aanwezigen koos niemand voor mijn boek, behalve een man die zei dat hij alleen tuinboeken las.

    Op 7 januari jl. was het 75 jaar geleden dat Frans Kellendonk, de auteur van Mystiek lichaam, werd geboren in Nijmegen. Hij was een bijzondere jongen die al op jonge leeftijd promoveerde. Zijn werk trok direct de aandacht van literatuurliefhebbers. Hij werd niet oud, overleed in 1990 ten gevolge van AIDS. Op zijn rouwkaart stond: ‘Remember me, but forget my fate.’

    Na zijn overlijden werd het stiller rondom zijn werk. Bij tijd en wijle wordt er aandacht aan besteed, bijvoorbeeld bij de publicatie van zijn Verzameld Werk, zijn brieven en zijn biografie. Bij de plaatselijke boekhandel zijn zijn boeken niet op voorraad.

    Kellendonk is een van de weinigen die in mijn jonge jaren de godsdienstige traditie waarin hij opgroeide een plaats in zijn bestaan te geven. Daar was ik zelf ook volop mee bezig, met Kellendonk als mijn grote voorbeeld. Hij zag de cultuurhistorische betekenis van het christendom en had bewondering voor de schoonheid van de overgeleverde geloofswaarheden waarin hij zelf niet meer geloofde. In een interview met Vrij Nederland zei hij: ‘Het is gevaarlijk het verleden zomaar weg te willen vegen, er niks mee te maken willen hebben, en te willen doen alsof we zomaar opnieuw kunnen beginnen.’

    Een echte schrijver emigreert volgens Jos Palmen uit de familie en het land dat hem baarde. Kellendonk deed dat ook, maar hij wilde op een of andere manier daarmee verbonden blijven in het besef dat hij de traditie waarin hij opgroeide nooit helemaal opzij kon schuiven. Onderzoek doen naar de verbinding met de eigen traditie is overigens heel wat anders dan het verheerlijken van het verleden.

    Bij herlezing van Mystiek lichaam word ik opnieuw gegrepen door Kellendonks taalgebruik. Zijn stijl is hoekig en compact, barstensvol metaforen. Zo beschrijft hij niet bepaald vleiend een oude kunstcriticus: ‘Op zijn voorhoofd groeiden de wenkbrauwen in lange scheefgewaaide pollen, als op een oude vestingwal. Maar het afstotelijkst was de lobbes van een buik die bij hem op schoot zat. De gevlekte handen fladderden en bibberden er onderdanig omheen.’ Kellendonk is niet aardig voor zijn personages. Ze worden tot op het bot uitgekleed en in al hun naaktheid getoond.

    Het boek gaat over de familie Gijselhart, die herenigd wordt rondom de zwangerschap van dochter Magda. Daarvoor komt ook zoon Leendert na een mislukt avontuur in New York terug naar ‘De Doornenhof’. Magda wordt veelzeggend door de andere familieleden Prul genoemd. Van enig onderling mededogen is in deze familie geen sprake. Kellendonk maakt er een rariteitenkabinet van vol groteske figuren. Neem bijvoorbeeld de vrekkige, kille vader. Hij is een geldwolf, een pestkop, een racist, een naarling. Alles in en om hem verwijst naar metaal en steen. Een oude loods achter huis is volgestouwd met oud ijzer en sloopmateriaal. De auteur laat de perenbomen ‘glimmen als lantaarnpalen’. Het gras op vader Gijselharts erf lijkt ‘ijzervijzel’, het jonge boomblad ‘blikkert metaalachtig’. Vader telt zijn geluk in guldens en dubbeltjes. Zijn gezicht is gekreukeld als een oud bankbiljet. Alles is koud bij hem. Als hij ligt te slapen is zijn mond ‘als een kapotte deur opengevallen’. Het is erg verleidelijk met citeren door te gaan.

    In zoon Leendert tekent hij een homoseksuele mislukkeling. Zijn liefde wordt in de roman als parodieliefde betiteld. Hij wordt een seksuele ruimtevaarder genoemd die geen leven voortbrengt, alleen de dood. Hij noemt zichzelf ‘een Frankenstein in het seksuele’ en ‘een uitgebluste draak’. De ‘bloedkankerkliniek’ die hij moet bezoeken omdat hij aan AIDS lijdt, wordt door Leendert ‘Klein Transsylvanië’ genoemd.

    Spot is bij Kellendonk ook zelfspot, door enkele recensenten ‘zelfhaat’ genoemd. Hij sneed met de figuur Leendert in eigen vlees en ironiseerde zijn eigen opvattingen en geaardheid. Toen hij de roman schreef was al duidelijk, waar hij zelf aan leed. Ook dochter Magda en haar geliefde, de Jood Pechman (what’s in a name?), komen er niet best van af. Enkele recensenten beschuldigden Kellendonk zelfs van antisemitisme.

    Kellendonks Mystiek lichaam is een stilistisch meesterwerk dat mij, ook bij de zoveelste lezing, geen moment verveelt. Kellendonk zei eens: ‘De stijl is het lichaam van de schrijver. Daarin komt zijn persoonlijkheid tot uitdrukking.’ Hij onthult in deze roman zijn nietsontziende blik op de mensheid, maar ook op zichzelf. De auteur opent vele taalregisters en maakt van zijn laatste roman een kathedraal van woorden. Lees en geniet, zodat zijn tragische leven niet voor niets is geweest.

     

     


    Michiel van Diggelen publiceerde o.a. Ab Visser – Biografie (2013) en de historische roman Hendrik Peter Scholte. Momenteel werkt hij aan een biografie van verzetsman Arnold Douwes.

  • Een boek dat je in de kern van de ziel raakt

    Een boek dat je in de kern van de ziel raakt

    Recensie door Daphne de Heer

    Op vrijdag 9 mei 1986 verscheen de roman Mystiek lichaam van Frans Kellendonk (1951-1990). Het is geen roman met een verhaaltje dat zich even in drie regels laat navertellen. Het boek is een drieluik, bestaande uit de relazen van drie leden van de familie Gijselhart. In het eerste deel verheugt vader Gijselhart zich over de terugkeer van zijn dochter Magda, door hem Prul genoemd. Prul blijkt zwanger van de jood Bruno Pechman, wat haar de spotzucht van haar vader oplevert. In deel twee duikt Leendert, de broer van Prul op. Hij wordt slechts aangeduid met Broer, zijn vader heeft niets met deze jongen. Broer is homoseksueel en ziet groen van jaloezie wanneer hij verneemt dat zijn zus zwanger is: als homo zal hij nooit kinderen kunnen krijgen.

    Deel drie wordt vanuit Leendert verteld en langzaam maar zeker wordt steeds duidelijker dat Leendert dodelijk ziek is. Zonder de naam te noemen weet de lezer dat Leendert aids heeft. Hij beklaagt zijn wrange lot in ‘een hoogliedje’ op de dood: leven kan hij niet geven, maar dood wel: Leendert weet vrijwel zeker dat hij zijn nieuwe geliefde met de dood bezwangerd heeft. ‘De dood, daar kon je staat op maken, die zou nooit verstek laten gaan. Zekerheid die alles onzeker maakt, neuriede hij, trouwe allemansvriend, niet-zijn dat, meer dan wat ook, is; aan jou ben ik al in de moederschoot uitgehuwelijkt.’

    Kritiek op bepaalde denkbeelden

    De schrijver, die op dat moment al een paar bejubelde romans en novellen op zijn naam heeft staan, werd diezelfde dag uitgebreid geïnterviewd in het NRC Handelsblad. In dat gesprek leek Kellendonk zich in te willen dekken tegen eventuele kritiek op bepaalde denkbeelden die uit het boek naar voren kwamen: ‘Ik kies er niet voor niets voor om mijn ideeën in verhalen te vertellen. Daar staan ze in een context, je hebt de mogelijkheid om inclusief te denken. Het is niet goed om literatuur te versimpelen tot filosofie of sociologie.’ Toch was dat precies wat er gebeurde toen Aad Nuis een week later in een recensie in De Volkskrant schreef: ‘Er staan geborneerde opmerkingen in, over homoseksualiteit vooral, die niet gerechtvaardigd worden door het feit dat ze in de mond van een homoseksueel worden gelegd. Nog minder te rechtvaardigen is het waas van dubbel en driedubbel geïroniseerd, maar onmiskenbaar antisemitisme dat over bepaalde passages hangt.’ Nuis zette in zijn nogal slap beargumenteerde betoog de toon voor een koor van nazingers die allemaal om het hardst begonnen te roepen dat Mystiek lichaam een antisemitische en homohaat uitdragende roman was.

    Superieur gevoel voor ironie

    Het is zonder meer waar dat er in de roman bepaalde uitspraken door de hoofdpersonen worden gedaan die je als haatdragend kunt beschouwen. Maar Kellendonks gevoel voor ironie is superieur: het is vanaf het begin van de roman duidelijk hoe de karakters, die messcherp en zonder mededogen door de schrijver worden neergezet, beheerst worden door hun eigen frustraties en obsessies, ze zijn niet tot enig nuttig zelfinzicht in staat: ze kunnen niet anders dan hun tragisch lot buiten zichzelf zoeken.
    Wat altijd zo jammer is aan buitenliteraire kritiek is dat de criticus dikwijls zo vergenoegd is met zijn eigen gelijk, dat hij prompt vergeet zijn vaak toch niet geringe literaire kennis toe te passen. Je hoeft maar een beetje thuis te zijn in de geschiedenis en beeldvorming van joden, homo’s en vrouwen om je te realiseren dat Kellendonk juist de vinger op allerlei gevoelige plekken legt; hij durft de haat bij de wortels aan te pakken.

    Kellendonk pakt stilistisch stevig uit om zijn verhaal te vertellen. Zijn stijl is barok en melodisch. Die muzikaliteit komt vooral naar voren in de interpunctieloze monologen die de schrijver in Pruls mond legt. Ze rebbelt maar door, maar je mist de interpunctie geen moment, door de feilloze ritmiek die in de zinnen besloten ligt.
    Mystiek lichaam is een boek dat je, via het verstand, in de kern van je ziel raakt. Het boek bezit een universele zeggingskracht. In tijden waarin het weer rommelt en knaagt wat betreft onze ideeën over beschaving en medemenselijkheid, is Mystiek lichaam verplichte kost.

     

    Gebruikte literatuur: Gerard Raat, ‘Verhaal en betoog, de affaire Mystiek lichaam’. In De Revisor, 1&2, 1991. p. 41-50