• De eenheid van verhaal

    De avond had een feestelijk karakter, want er werd een prijs – de J.M.A. Biesheuvelprijs – toegekend en uitgereikt. Dé prijs voor de beste verhalenbundel van het jaar. Een prijs die indirect bijdraagt aan de acceptatie van het korte verhaal als volwaardig literair genre.
    Er werd die avond ook een vrij fundamentele vraag gesteld. Een vraag waar je een hele avond aan zou kunnen wijden. En toch kreeg die vraag niet de aandacht die hij verdiende. Moderator Daan Windhorst stelde hem. Lodewijk Wiener, Ad van den Kieboom en Sander Blom – die aantraden als pleitbezorgers voor de genomineerde bundels van Joubert Pignon, Annelies Verbeke en Vonne van der Meer – probeerden hem te beantwoorden.

    ‘Is een bundel een relevante eenheid?’ Dat was de vraag. Een vraag die een ontsnappingsmogelijkheid biedt. Wie hem beantwoordt, kan nadruk leggen op de relevantie van een zekere thematische verwantschap tussen verhalen die samen een bundel vormen. Die kant ging het die avond vooral op. ‘Het begint bij wat een schrijver wil. Bij Annelies is het uitgangspunt een thema. Op basis van dat thema – in Halleluja is het thema “begin en einde” – kiest of schrijft zij de verhalen die gebundeld worden.’ Dat was de kern van het antwoord van Ad van den Kieboom, als redacteur verantwoordelijk voor het werk van Annelies Verbeke.
    In het verlengde van dat antwoord kwam ter sprake dat het voor het onder de aandacht brengen van een bundel heel handig is dat verhalen iets met elkaar te maken hebben. Een opmerking die nogal wat impliceert en daarom verontwaardiging had moeten oproepen, maar die avond geen enkele ophef veroorzaakte. Blijkbaar waren de aanwezigen reëel genoeg om zich niet tegen deze door de commercie ingegeven realiteit te verzetten.

    Beide antwoorden suggereren dat de kleinste eenheid van verhaal niet het korte verhaal maar de verhalenbundel is. Als dat echt zo is en als een bundel geen verzameling losse verhalen mag zijn (ook dat werd gezegd), dan – merkte Sander Blom, als redacteur betrokken bij de totstandkoming van het werk van Vonne van der Meer, op: ‘ontneem je de schrijver de mogelijkheid om af en toe een kort verhaal te schrijven.’
    Dat is natuurlijk niet waar. Het staat iedere schrijver vrij om af en toe een kort verhaal te schrijven. De vraag is alleen waarom hij dat zou doen als dat ene verhaal niet de aandacht krijgt die het verdient.

    In het kader van de emancipatie van het genre is het mooi dat er een prijs bestaat voor de beste verhalenbundel, maar iemand die incidenteel een (heel) goed verhaal schrijft, schiet daar (helemaal) niets mee op. Zo kun je de vraag van Daan Windhorst ook interpreteren. Als een kleine kanttekening bij een gewaardeerd initiatief.
    Wat het genre naast de J.M.A. Biesheuvelprijs nu alleen nog nodig heeft, is een aanmoedigingsprijs. Een prijs die ook iemand die nog nooit een kort verhaal geschreven heeft weet te verleiden (zoals de Turing Gedichtenwedstrijd mensen aanzet tot het schrijven van een/één gedicht). Een prijs die recht doet aan de eenheid van verhaal: het verhaal.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • J.M.A. Biesheuvelprijs 2018 voor Annelies Verbeke

    J.M.A. Biesheuvelprijs 2018 voor Annelies Verbeke

    Voor de vierde maal werd woensdagavond 21 februari in het Amsterdamse Lloyd Hotel & Culturele Ambassade de J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt. Annelies Verbeke werd met haar verhalenbundel Halleluja (De Geus, 2017) de gelukkige winnaar.  Volgens de jury is: ‘Halleluja is een doorwrochte bundel vol prachtige zinnen, sterke vondsten, geloofwaardige eigenaardigheden en personages om in je hart te sluiten – en soms ver van je vandaan te houden.’

    De Biesheuvelprijs is de eerste literaire prijs voor de beste Nederlandstalige korteverhalenbundel. Aan de prijs was dit jaar een bedrag van € 7.336 verbonden. Dit bedrag is geheel door middel van crowdfunding bijeengebracht – wat uniek voor een literaire prijs is.

    De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs 2018 bestaat uit Babs Gons (schrijver, performer, theatermaker, docent), Marieke de Groot (boekverkoper), Theo Hakkert (journalist, recensent) en Sanneke van Hassel (schrijver).

    Overige genomineerden waren: Vonne van der Meer met Brood, zout, wijn (Atlas Contact 2017) en Joubert Pignon met Mooie lieve schat (Atlas Contact 2017)

     

     

  • Klasseflitsen

    Klasseflitsen

    Wie heeft eigenlijk ooit bedacht dat de roman het hoogste literaire genre is? Waarom moet het hele prijzencircus daarrond draaien en worden poëzie, essays en verhalen stiefmoederlijk behandeld? Aan Joubert Pignon, die met zijn ultrakorte verhalen van soms maar enkele regels of hooguit een paar bladzijden zeker een uitzonderingspositie bekleedt in de Nederlandstalige literatuur, zal het alleszins niet liggen. Er zit wel enige samenhang in zijn jongste worp Mooie lieve schat, waarin tientallen stukjes zijn opgenomen, al schieten die onstuimig alle richtingen uit: absurde verhalen en (schijnbaar) autobiografische dagboeknotities wisselen elkaar af. De rode draad is de aandoenlijke hulpeloosheid van de ik-figuur die zijn worsteling met het bestaan onverbloemd laat zien.

    Op zijn best is Pignon als hij zijn fantasie de vrije loop laat. Een hilarisch verhaal als Toekomstvoorspellende dieren, over een koala die tot de diepe teleurstelling van de directeur van de dierentuin in tegenstelling tot Paul de octopus (kent u hem nog?) niet in staat blijkt te zijn om uitslagen van sportwedstrijden te voorspellen, tilt het niveau van dit boek naar boven. Verder is Pignon in zijn element als hij de schrijvende ik-figuur in zijn hemd kan zetten. Dit levert pijnlijk grappige scènes op die je als lezer leest zoals je kijkt naar de Britse komiek Ricky Gervais, bekend van The Office: twijfelend of je lachend over de grond moet rollen of door de vloer moet zakken van plaatsvervangende schaamte (tip: laat uw laptop niet repareren door uw schoonvader als de harde schijf vol porno staat). Er circuleert een filmpje waarin Pignon zegt dat zijn lichaam voor 60% uit water en 30% uit schaamte bestaat. Misschien gelooft hij dat die 30% nog wat omlaag kan door zijn schaamte met zijn lezerspubliek te delen?

    Minder geslaagd zijn de verhalen waarin Pignon een wat ernstigere toon aanneemt en bijvoorbeeld over zijn drankverslaving schrijft. Of beter gezegd, het drankprobleem van de schrijvende ik-figuur, die we uiteraard nooit mogen verwarren met de schrijver. Net daarvoor lijken Pignons ietwat onbeholpen, korte zinnetjes minder geschikt en gaat zijn stijl vervelen: ‘Ze houdt een gaasje tegen mijn wond. Ik moet het gaasje aandrukken. De vrouw plakt het gaasje met een pleister vast. Ze doet het gordijn open.’ Nog zo’n geeuwmoment: ‘Ik zeg dat het steeds beter gaat. Ik zeg dat ik minder moe ben en dat ik steeds beter en dieper kan nadenken. Ik zeg dat mijn geheugen ook met sprongen vooruit is gegaan.’ Toch slaagt hij er in Zwijgend dan weer in om met eenvoudige taal de tragiek van een doodbloedende relatie te vatten: ‘Wanneer mijn vriendin en ik samen in een ruimte zijn zwijgen we en wachten tot de ander begint met praten, maar omdat geen van ons tweeën dat doet zwijgen we.’

    Wijlen Wim Brands loofde Pignon terecht om zijn openingsregels. Die zijn dan ook vaak memorabel, zoals in Moskee: ‘Staand voor het café met iets te veel drank op besluiten we om moslim te worden.’ Helaas stranden zijn verhalen vaak zo snel dat je onvermijdelijk de indruk krijgt dat er méér in zat. Het zijn argumenten die vaak terugkomen in besprekingen van Pignons werk, en in Recensie uit hij daarover klaarblijkelijk zijn frustratie: ‘De musicalrecensent schrijft dat het jazzconcert beter was geweest als het jazzconcert bijvoorbeeld een musical was.’ Point taken, en Pignon hoeft uiteraard helemaal geen roman te schrijven, maar waarom de losse flodders niet laten voor wat ze zijn en iets meer focussen op de echt goede ideeën? Neem nou De zwijgshow, over een programma waarin iedereen zijn mond houdt in plaats van meningen te spuien, of De toekomst, waarin de hoofdpersoon in een boekhandel moet gaan werken en tevergeefs zijn eigen werk aan de man probeert te brengen (‘Er is één keer een boek van mij verkocht, maar de klant die het kocht kwam het na een paar dagen weer ruilen’). Pignon laat af en toe met zulke klasseflitsen zien dat hij nog meer in zijn mars heeft. Plus est en vous.