• Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Wanneer je gezond bent, zul je niet snel een bundel over ziek zijn oppakken. Toch leeft meer dan de helft van de wereldbevolking met een chronische aandoening. Lezen over hun ervaringen in deze nieuwe bundel opent de ogen. Over ziek zijn is vernoemd naar het essay On Being Ill, dat Virginia Woolf honderd jaar geleden schreef. Zij verbaasde zich er toen al over dat ziekte zelden een hoofdthema is in de literatuur — in tegenstelling tot onderwerpen als liefde, macht, strijd en jaloezie. En dat is nog steeds zo: boeken waarin ziekte centraal staat, zijn schaars.

    Susan Sontag schreef in Illness as Metaphor (1978) over kanker en tuberculose. Thomas Mann behandelde tuberculose in zijn werk, Hanna Bervoets publiceerde de roman Welkom in het rijk der zieken (2021) over chronisch ziek zijn en nooit meer beter worden. Maar verder blijft het verrassend stil.

    Gezondheid is niet vanzelfsprekend

    De coronapandemie zorgde voor hernieuwde aandacht voor de impact van chronisch ziek zijn. In 2020 gaf uitgeverij HetMoet het essay van Woolf opnieuw uit, samen met twee hedendaagse essays van Lieke Marsman en Mieke van Zonneveld. Inmiddels zijn we, vijf jaar later, alweer gewend aan een wereld waarin gezondheid vanzelfsprekend lijkt. Deze nieuwe bundel herinnert ons aan het belang van het thema en bevat twaalf essays van auteurs die zelf leven met een chronische aandoening.

    Virginia Woolf opent deze bundel opnieuw met haar essay. Een uitdagende start die concentratie vereist. Woolf kampte met uiteenlopende gezondheidsklachten — koorts, flauwvallen, hevige hoofdpijn, slapeloosheid en manisch-depressieve periodes. Haar essay leest als een hallucinatie, een koortsdroom waarin ze allerlei onderwerpen aanraakt. Ze gebruikt haar bekende stream of consciousness-stijl: associatief en rijk aan meanderende metaforen.

    Nadia de Vries reageert op Woolf met een essay dat eveneens aanvoelt als een koortsdroom, maar met heldere beelden en subtiele humor. ‘In de tram probeert een man mee te kijken op mijn telefoon. Om hem af te schrikken zet ik een filmpje van een hoornvliestransplantatie aan, waarop hij, de lafaard, gauw wegkijkt.’

    Michaël van Remoortere schrijft een filosofische tekst over zijn ziekte, waar hij eigenlijk niet over wíl schrijven. In ‘Geschiedenis van mijn waanzin’ reflecteert hij op ziekte en waanzin, geïnspireerd door Woolf en Sontag. Zijn conclusie: niet de mens is waanzinnig, maar de samenleving. De mens is juist het toonbeeld van gezond verstand.

    In ‘Gister fietste ze nog naar de bakker’ schetst Jan van Mersbergen een ontroerend portret van zijn moeder, die zichzelf volledig wegcijferde in haar werk en zorg voor anderen. Zelfs met een lichaam dat was verwrongen van de pijn, bleef ze doorgaan — tot ze er letterlijk bij neerviel.

    Stef Hulskamp schrijft over zichzelf als dakloze man met kanker. In korte, soms onaffe zinnen, vaak zonder leestekens. Daar waar hij weglaat komt de boodschap sterk binnen. Zijn besef dat liefde en vaderschap aan hem voorbijgaan, snijdt diep. Zijn conclusie: ‘Nooit ziek worden als je arm bent, is het niet waard.’

    Alexandra Phillipa onderzoekt in ‘Over ziekte en wachten’ het langdurige wachten dat ziek zijn met zich meebrengt. Wat doet ziekte met je? Welke gradaties van pijn zijn er? Hoe bepalend is taal om pijn uit te drukken. Hoe uit een baby die pijn heeft zich? En: ‘Hoe zou een zieke het verhaal van wachten moeten vertellen als het plotloos is.’

    ‘Panter’ van Marijn Sikken is een prachtige metafoor voor iemand die opgroeit in ‘een kooi van een chronische ziekte. (…) Net als een dier in de dierentuin betekent een chronische ziekte, tot op zekere hoogte, bestaan bij andermans gratie.’

    Maureen Ghazal wilde schrijver worden en ontwikkelde ‘zitvlees’. Zo extreem zelfs, dat ze door stekende pijn in haar bekken op een gegeven moment letterlijk niet meer kon zitten. Ze vond andere manieren om met haar situatie om te gaan – bijvoorbeeld via verbeelding. Ze accepteert haar lot, wat een teken van grote veerkracht is.

    Bewustzijn

    Virginia Woolf schreef over de ‘staanders’: degenen die gezond zijn, vechten en proza lezen. De ‘liggers’ daarentegen zijn de deserteurs, ze hebben hun wapens in stilte neergelegd. Ze lezen poëzie. Susan Sontag beschrijft twee koninkrijken, ‘het koninkrijk der gezonden’ en ‘het koninkrijk der zieken’. Twee werelden die onafgebroken naast elkaar voorkomen, waarmee het eeuwige wachten, de chronische pijn, het energie-lek, frustrerende politieke systemen, schaamte en zwijgen over pijn door de ‘staanders’ nauwelijks wordt opgemerkt. Ze beseffen niet wat chronisch ziek zijn betekent en nemen hun eigen leven voor lief. Terwijl de ‘liggers’ mede overleven dankzij acceptatie van hun lot, de betrokkenheid van geliefden en gevoelige zintuigen een veel dieper besef hebben dat ondanks hun ziekte het leven een verrijking kan zijn. Ze hebben een sterk bewustzijn dat ze leven.

    Dat het thema ziek zijn meer aandacht zou mogen hebben in de literatuur, maar ook in het dagelijks leven, staat buiten kijf. ‘Je moet in gesprek blijven met jezelf en met anderen. Het is belangrijk verbindingen te leggen en daarin vrijheid te vinden.’ Aldus Elte Rauch in het voorwoord. Over ziek zijn is een geslaagde bundel met twaalf verhalen die het thema van vele kanten belicht en een helder en empathisch licht werpt op leven met een chronische aandoening.

     

     

  • Als je alles hebt wat je wilde: bitterzoete verhalen van A.M Homes

    Als je alles hebt wat je wilde: bitterzoete verhalen van A.M Homes

    Recensie door Maartje Spoelstra

    In Dagen van inkeer concentreert Homes zich op de menselijke relaties en het dagelijkse leven van Amerikanen die alles hebben wat hun hartje begeert. Dit is de derde verhalenbundel van Homes. Recent verschenen verschillende van haar romans in het Nederlands, waaronder Dit boek redt je leven, Een brandbaar huwelijk en In een land van moeders.

    Het eerste verhaal, ‘Broer op zondag’, sleept de lezer gelijk binnen in de wereld van welvarende dertigplussers tijdens een dagje op het strand. In dit verhaal kijkt de lezer door de ogen van Tom, plastisch chirurg. Hij bekijkt mensen door hun lichamen te bestuderen.  ‘Van alle mensen weet juist hij wat wel en wat niet echt is. Je hebt degenen die zich het vlees van hun botten af hebben gehongerd en degenen die het chirurgisch hebben laten weghalen of laten verplaatsen. Iedereen takelt anders af – de putjes in de dijen, de zwembandjes, het onvermijdelijke uitzakken. Hij kan er niets aan doen dat hij het ziet.’

    Het verhaal speelt tijdens een afspraak met vrienden, waarin Tom zijn eigen leven overpeinst. Hij twijfelt aan zijn bestaan, aan zijn vrienden, aan zijn beroep. ‘Hij luistert maar half, denkt aan de veranderlijkheid van het leven. Als hij deze mensen nu zou ontmoeten, weet hij niet of hij vrienden met ze zou worden, of hij elke zaterdagavond met ze zou eten (…)’. Zijn vrienden zoeken hem privé vaak op om advies te vragen over bepaalde lichaamsdelen, en dan vinden vaak intieme gesprekken plaats, waarin zijn vrienden niet alleen hun lichaam maar ook hun angsten blootgeven. ‘De vrouw van een van zijn vrienden buigt zich voorover en laat hem een rood plekje tussen haar borsten zien. “Wat denk je dat het is?” “Een insectenbeet”, zegt hij. “Geen huidkanker?” “Geen kanker”, zegt hij. “Niet ontstoken?” “Een insectenbeet?” zegt hij. “En dit dan?” Ze laat hem iets anders zien, alsof ze op bonuspunten hoopt.’ De vriendenclub lijkt niet in staat om de dingen die ze persoonlijk tegen Tom zeggen ook onderling te delen, en ook Tom lijkt niet in staat onderwerpen die hem bezighouden aan te snijden. Het verhaal meandert voort in betekenisloze gesprekken, terwijl de lezer weet dat er onder de oppervlakte veel meer speelt.

    Ditzelfde thema komt terug in het verhaal ‘Hallo allemaal’ en hierin wordt het tot het absurde doorgevoerd. Personages zijn obsessief bezig met hun uiterlijk: ze geven een aantal calorieën door aan de chef in plaats van een gerecht en hebben de hond liposuctie laten ondergaan. Homes schrijft buitengewoon goed, met name de gesprekken tussen personages zijn puntig en leuk. Haar stijl is ironisch op het riskante af, zoals in het verhaal ‘Dagen van inkeer’ waarin een oorlogscorrespondente op een congres over genocide aanwezig is. Ze beschrijft hoe een vrijwilliger haar vlak voor de lift bij de arm pakt en haar een linnen welkomsttas geeft, ‘afgeladen met genocidespullen’. Wanneer ze in haar kamer is pakt ze de tas uit: ‘… een beker van de plaatselijke universiteit, een schrijfblok en pen van een bekend wenskaartenbedrijf- “Als u de woorden niet kunt vinden, laat ons het dan zeggen” – en een enorme plak chocola van een farmaceutisch bedrijf dat een populair antidepressivum produceert. Op de wikkel staat: ‘Soms zou gelukkig worden simpel moeten zijn.’

    De oorlogscorrespondente ontmoet een oude studiegenoot op de conferentie en deze ontmoeting zorgt ervoor dat ze beiden reflecteren op hun leven tot nu toe. Af en toe wordt de nadruk op de crisis van de hoofdpersonages iets te nadrukkelijk, zoals de talloze keren dat de oorlogscorrespondente bij zichzelf bedenkt welke dingen ze tegen haar therapeut gaat zeggen, of wanneer ze reflecteert op haar momenteel moeilijke relatie. ‘Ze is eeuwig gefrustreerd en teleurgesteld. Ze vraagt zich af of dat typisch Joods is, een relatieding, of dat het gewoon aan haar ligt?’ Dit geldt voor meerdere verhalen in de bundel, waaronder ook het eerder genoemde ‘Broer op zondag’In het merendeel van de verhalen vindt er geen wending of abrupte verandering plaats waardoor het verhaal voor de lezer soms wat voorspelbaar wordt. Het is niettemin een krachtig stijlmiddel omdat het de lezer confronteert met dezelfde zoektocht als de personages.

    Het lijkt alsof Homes zichzelf af en toe heeft beperkt door te strak aan dit thema te willen vasthouden. Het zijn de verhalen waarin ze het dit thema wat losser behandelt die echt meeslepen en verrassen. Een voorbeeld daarvan is Je moeder was een vis, een familiekroniek in de vorm van een kort verhaal. Het heeft een mythische, sprookjesachtige sfeer, iets dat gelijk aan het begin van het verhaal duidelijk wordt: ‘Ze naait een verhaal, borduurt een sprookje, regel voor regel. Dit relaas gaat over haar overgrootmoeder die een zeemeerminnenpak voor zichzelf naaide en naar Amerika zwom. Het was een lange, zware tocht, en tegen de tijd dat ze in Maine aankwam, was haar pak een geworden met haar vlees.’ Een verrassend, sprankelend verhaal.

    Datzelfde geldt voor ‘De laatste keer dat het fijn was’. Dit verhaal is minder sprookjesachtig dan het voorgaande, maar hier wordt de kunde van Homes zichtbaar in de precieze beschrijvingen van pijnlijke situaties die een bitterzoete sfeer achterlaten. Wanneer een man de kamer van zijn grootmoeder in een verzorgingstehuis binnenkomt, schrijft ze: ‘Aan de muur rond haar bed hangen posters die het personeel voor haar heeft gemaakt om haar eraan te herinneren hoe ze heet, welk jaar het is en wie de premier is. U HOUDT VAN ZINGEN, staat er op de poster.’

    Wat thematiek betreft is het af en toe wat eentonig, maar Homes’ tragikomische situatiebeschrijvingen en haar ironische dialogen maken dit niettemin een zeer lezenswaardige bundel.

     

     

     

  • Pleidooi voor intellectuele vrijheid voor vrouwen

    Pleidooi voor intellectuele vrijheid voor vrouwen

    De eersteling van uitgeverij Chaos betreft een nieuwe vertaling van Virginia Woolfs A Room of One’s Own uit 1929 met als toegevoegde waarde een briefwisseling tussen Simon(e) van Saarloos en Gloria Wekker. Een jonge generatie feminisme en postkoloniaal denken als opstapje naar Woolfs bekendste feministische werk. Een gedurfde aftrap.

    De vertaling van Monique ter Berg, hier genaamd Een kamer voor jezelf, leest prettig, maar is niet heel erg opzienbarend. Eerlijk gezegd klinkt een vertaald essay van Virginia Woolf in het Nederlands nogal stijfjes. Maar je kunt een vertaler daar moeilijk de schuld van geven, want Woolfs stijl is er een van melodie en ritme die vastligt in het Engels. In vertaling doen Woolfs zorgvuldig gekozen woorden en uitgerekte zinnen denken aan de stem van Anna Blaman of Maria Dermoût. De vertaling laat Woolfs stem in haar waarde. De rebelse dochter uit Londen klinkt eerder als een rebellerende dame uit Wassenaar. Ook prima.

    Woolfs essay ligt voor een groot gedeelte vastgeklonken in het Engeland van het interbellum. De nasleep van de Eerste Wereldoorlog, de eerste feministische golf, het begin van de verbrokkeling van ‘the empire’, nieuwe ideeën over een socialistische maatschappij – het is niet expliciet aanwezig, maar het is wel de achtergrond waartegen Woolfs pleidooi is geschreven. Eindelijk mogen vrouwen kiezen, studeren en werken, en daarmee zichzelf ontwikkelen, maar waarom gebruiken ze die vrijheid dan niet? Woolfs analyse draait in concentrische cirkels rondom haar conclusie: vrouwen zitten te veel vast in denkpatronen die door mannen zijn geschapen. Tijd om daar uit te stappen!

    Woolf stelt iets voor waar ze ongenadig op is teruggepakt door de decennia heen: met een inkomen van vijfhonderd pond per jaar kan een vrouw een kamer huren om daar zelf na te denken, te schrijven, een taal te vinden voor haarzelf. Een ruimte voor intellectuele ontplooiing, een ruimte zonder mannen. Die vijfhonderd pond is Woolf altijd blijven achtervolgen, want Woolf heeft makkelijk praten. Zij heeft als jonge vrouw een leuke erfenis ontvangen van een tante uit de koloniën.  De meeste vrouwen uit haar tijd hebben geen mogelijkheden om vijfhonderd pond te verdienen in een jaar en dat ook nog eens te besteden aan alleen zichzelf.

    De introducerende brieven van Saarloos en Wekker voegen minder toe dan ze op het eerste gezicht lijken te doen. Saarloos’ brief aan Wekker werkt vooral claustrofobisch met haar beschrijvingen van ruimtes, en soms zelfs van ruimtes in ruimtes. In haar brief stapt ze over van ruimte naar ruimte, wat ze lijkt te willen onderstrepen met de claim ‘Ik ben een danser’. Haar brief zou over Een kamer voor jezelf moeten gaan, maar ze lijkt eerdere de begrenzende functie van kamers te willen onderzoeken. Woolfs werk wordt hier en daar aangestipt, maar het gaat vooral over Simon(e) van Saarloos.

    Gloria Wekkers brief gaat eerst nog over haar eigen ervaring van het hebben van een eigen kamer, die min of meer in het verlengde ligt van hoe Saarloos het ervaart. Maar dan legt Wekker als snel de vinger op de zere, economische plek in Woolfs essay. Die erfenis van Woolf is geld dat in India is verdiend – een (post)koloniale nalatenschap die Woolf niet vermeldt als zodanig.
    Op basis van wat Woolf ergens anders in Een kamer voor jezelf zegt over zwarte vrouwen kan Wekker niet anders dan concluderen dat Woolf zoals veel andere schrijvers haar ogen sluit voor koloniale uitsluiting en onderdrukking. Een kamer voor jezelf is in hoge mate een wit essay.

    Woolfs minder verhulde antisemitische trekjes hebben al eerder aandacht gekregen. Doris Lessing, die in 2005 de introductie schreef voor de verzameling korte essays Carlyle’s House was er al snel klaar mee. Een van de verhalen, met de onthullende titel Jews, noemt ze een ‘unpleasant piece of writing’. Maar hier wordt het ook interessant. Virginia Woolf was samen met haar man en vrienden ook geïnteresseerd in socialisme, waren antifascistisch en uiteindelijk stond het echtpaar Woolf ook op een zwarte lijst van de nazi’s. Daarom schrijft Lessing ook: ‘It is always instructive to see what earthly crudities a writer has refined into balance – into maturity.’

    Wekker en Saarloos zijn meer geïnteresseerd in hun eigen positie en leeservaring dan in Virginia Woolf en beschouwen Een kamer voor jezelf als een op zichzelf staand moment. Dat past ook in de huidige debatten rondom canonisering en geschiedenis. Het is echter ronduit jammer dat Wekker haar brief afsluit met: ‘En laten we ervoor zorgen dat onze analyses omvattender en complexer zijn dan die van Virginia Woolf konden zijn.’ Het is niet de meest motiverende slotzin. Na Wekkers brief wordt de lezer in ieder geval gedwongen om zich (opnieuw) te positioneren ten opzichte van deze feministische klassieker.

    Virginia Woolf was een gecompliceerde schrijfster die zelf soms twijfelde over elk woord dat ze schreef, omdat ze ook geloofde in de kracht van het woord. Ze hield hartstochtelijk van discussie en daagde graag uit. ‘Er zullen leugens van mijn lippen vloeien, maar misschien gaan ze gepaard met enige waarheid; het is aan u om die waarheid op te sporen en te beslissen of ze het bewaren waard is. Zo niet, dan gooit u de hele boel maar in de prullenmand en vergeet het verder’ schrijft Virginia Woolf gedurfd in het begin van haar essay. Na bijna een eeuw is dat nog steeds een van de moedigste uitnodigingen om te gaan lezen.

     

  • Op de vlucht naar moed

    Op de vlucht naar moed

    Voor een nieuwe Dave Eggers maakt elke boekhandel onmiddellijk ruimte vrij. De schrijver, die in 2000 met zijn romandebuut Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit de literaire wereld binnen stormde, bleef successen oogsten met onder andere Wat is de Wat (2006), Zeitoun (2009) en De Cirkel (2013). En nu is er Helden van de grens.
    Eggers staat met twee benen in de maatschappelijke vraagstukken en beschrijft invoelend hoe mensen die ondergaan. Zo komt de lezer in Wat is de Wat dichtbij de Soedanese vluchteling Valentino Achak Deng en kan hij in De Cirkel griezelen bij de gedachte hoever de technologische mogelijkheden ons kunnen drijven tot handelen dat we eigenlijk niet willen.
    In het zojuist verschenen Helden van de grens slaagt Eggers er opnieuw in om een deuk te slaan in een leefwijze, vooral de Amerikaanse, die voldoet aan normen die de schijn van een hoge ethiek moeten ophouden, met als knots achter de deur de claimcultuur als het fout gaat. Onder die leefwijze ligt echter de vervreemding van de mens van zichzelf.

    We volgen in de Helden van de grens Josie, een jonge vrouw uit Ohio, op een trektocht door Alaska. Ze is weg bij de vader van haar kinderen, Carl, die zich druk maakt om milieu en maatschappij (hij steunt de Occupybeweging), maar geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn gezin. Hun kinderen Paul van 8 en Ana van 5 zijn door Josie meegenomen zonder dat ze dat Carl heeft verteld. De kinderen kennen haar reisdoel evenmin; ze weten zelfs niet dat Carl en Josie uit elkaar zijn. De pientere Paul voelt zich ondertussen verantwoordelijk voor zijn jongere, ondernemende en impulsieve zusje.

    Camper
    Maar er ligt meer ten grondslag aan het vertrek van Josie. De reis is niet alleen een vlucht voor Carl maar ook voor spoken uit het verleden die, naarmate de rit door Alaska vordert, voor de lezer langzaam opdoemen: een jongen, Jeremy, die is omgekomen in Afghanistan, nadat Josie hem had aangeraden zich als militair aan te melden voor uitzending; en een patiënte, Evelyn, die een schadeclaim tegen Josie heeft ingediend omdat ze als tandarts niet heeft gezien dat zij (Evelyn) een dodelijke tumor ontwikkelde. Om van een slepende rechtsgang af te zijn heeft Josie haar praktijk verkocht. Met de kinderen en een beetje geld in een fluwelen zakje dat ze angstvallig verbergt, vliegt ze naar Anchorage in Alaska. Daar huurt ze  een aftandse camper waarmee ze naar haar halfzus Sam wil.

    Het wordt een bizarre tocht door de wilde natuur als een soort spirituele groei naar zelfinzicht. De rit voert haar langs verlaten plekken, brengt haar oog in oog met gevaren en levert bijzondere ontmoetingen met mensen en groepjes die een beetje buiten de maatschappelijke orde lijken te staan – in elk geval buiten de orde die Josie gewend is. Daarbij komt ze voortdurend zichzelf tegen.

    Moedig
    Haar argwaan en achterdocht spelen op als mensen juist heel vriendelijk voor haar zijn, ze neemt voortdurend verkeerde beslissingen en voelt zich de hele reis achtervolgd door Carl of een deurwaarder, hoewel ze er eigenlijk zeker van is dat niemand behalve Sam weet dat ze in Alaska rondtoert. Dat gedrag breekt haar ook bij Sam op – de halfzus die haar weer confronteert met hun vreemde voogdijgeschiedenis – want ook bij haar slaat ze weer op de vlucht.
    Bovenop die bekommernissen is er ook nog eens de grote bosbrand die juist tijdens haar verblijf Alaska teistert en haar uiteindelijk van de laatste hechting aan materie geneest.

    Daartussendoor confronteren de kinderen Josie door hun gedrag met haar falen als moeder. Tot aan het slot van deze roadnovel het inzicht doorbreekt, eerst tijdens een verblijf bij een muziekgroep en daarna in een soort parabel vol donder en bliksem. In een onstuimige klimpartij door de woestenij valt alles voor Josie, Paul en Ana tenslotte op zijn plek: ‘ze wilden moedig zijn, wisten dat er geen andere keuze was dan moedig te zijn, dat er niets groters was dan moedig zijn. Op dat ogenblik begreep Josie dat in plaats van een moedig mens te zoeken – en daar was ze al jaren naar op zoek, besefte ze – het veel beter was om mensen moedig te maken. Ze moest geen integere, moedige mensen zoeken. Ze moest ze maken.’

    Lafbekken
    Het is een directe terugverwijzing naar het begin van de roman als Josie net in Anchorage is geland: ‘Dus waar waren de helden? Ze wist alleen dat waar zij vandaan kwam de mensen lafbekken waren. Nee, er was één dappere man geweest en zij had aan zijn dood meegewerkt. Eén moedige man die nu dood was. Iedereen nam maar en nam maar en Jeremy was dood. Zoek iemand voor me die dapper is, vroeg ze de donkere bomen buiten. Iemand met inhoud, eiste ze van de bergen daarachter.’

    Het zijn ingrediënten voor een breed en diepmenselijk verhaal. Toch wil het Eggers maar niet lukken om de lezer in deze nieuwe roman blijvend mee te slepen. Om het maar eens simpel te zeggen: het boek had wel wat dunner gekund om er juist scherper in te hakken. Nu is de zoektocht naar zichzelf in de ongerepte natuur soms wat te zweverig en te soft en leidt de opeenstapeling van voorbeelden van Josie’s wantrouwen, onzekerheid en verkeerde keuzes eerder af dan dat ze lezer dichter bij haar brengt. Maar dat heeft er misschien mee te maken dat Helden van de grens ook wel erg Amerikaans is.

    Najaarszonnewende-meezingmiddag
    Dat zit hem primair in de keuze voor Alaska als gebied waar de reis zich afspeelt. Die staat heeft voor de Amerikaan de lokroep van het land waar nog wildernis te vinden is en de natuur nog zuiver is. Er is moed voor nodig om er te wonen omdat Alaska zo haaks staat op alle zekerheden en opgeblazenheid van de Amerikaanse burgermaatschappij. Waarover Eggers ook nu weer hilarisch schrijft, bijvoorbeeld als het gaat over de spagaat van moeders die willen werken en tegelijk 24 uur bij hun kinderen moeten zijn, zelfs bij activiteiten op school:

    Maar die andere ouders met hun oordelende blikken, wanneer werken die? Het is hun baan om al die activiteiten bij te wonen. Dat is hun werk, impliceren ze en ze laten ook doorschemeren dat jij en jouw reële werk oké zijn, maar ook treurig en nalatig. Maar dat zeggen ze niet. Ze zeggen: het geeft niet als je er niet bij kunt zijn, bij de najaarszonnewende-meezingmiddag en de eindewintersleeliederenbraderie-en-hapjesdag. Helemaal niet erg van dat ouder-en-kind-badmintondubbel-lentelichtjesavondfestijn (…) Hoeft niet, hoeft niet, hoeft niet, geeft niet, geen probleem, al ben je natuurlijk een egoïst en gaan je kinderen naar de verdommenis.’

    Nee, dan Alaska! Daar bestaat deze tweestrijd niet.

    IJspriester
    Er zit een mooie verwijzing naar de betekenis van Alaska in de ‘ijspriesterogen’ van Paul. Vermoedelijk zinspeelt Eggers daarmee op pater Bernard R. Hubbard (1888–1962), die in het begin van de 20ste eeuw veel aan het beeld van Alaska als ongerepte wildernis heeft bijgedragen en die door zijn ontdekkingstochten de bijnaam ‘The Glacier Priest’ kreeg.

    Een andere mooie vondst is dat Josie ook fysiek in haar uitgeleefde camper meedraagt wat ze juist dacht ontvlucht te zijn. Zo zijn er de problemen met de toiletafvoer, die de lezer doen denken aan Carl wiens darmen zo opspeelden dat hij voortdurend op de wc zat. En in de camper vindt Josie oude nummers van het tijdschrift Het Westen van Weleer, waarin ze steeds de rubriek ‘Vervaagde sporen’ leest. Daarin zijn mensen op zoek naar familie en hun verleden. Josie, die zelf geen familie heeft (haar vader en moeder zijn al vroeg uit de ouderlijke macht ontzet en broers of zussen heeft ze niet; Sam is alleen halfzus vanwege dezelfde voogdijvoorziening) leest in het blad juist steeds die rubriek.

    Eggers betoont zich in Helden van de grens opnieuw een scherpe en humoristische analyticus van de verhouding tussen de mens en de maatschappelijke ontwikkelingen. Maar mag het ietsje minder breedvoerig?