• Mooi coming of age verhaal

    Mooi coming of age verhaal

    In de boeken van Monika Sauwer (pseudoniem van Yolande Noordhoek-Nusselder) speelt haar familie vaak een grote rol. Opa van moeders kant was arts in Maassluis en getrouwd met haar ononderbroken door pratende oma. Ze pasten eigenlijk niet goed bij elkaar leren we in Sauwers verhalen. Maar vroeger was dat geen reden om te scheiden. Haar vader, zoon van een jong gestorven militair, studeerde aan de kunstacademie en had kunstschilder willen worden, maar gaf die ambitie op toen zijn vriendin zwanger werd en Monika werd geboren. Hij werd een hardwerkende kantoorman, thuis bivakkerend achter de krant. Alleen op zondag schilderde hij nog. Haar moeder, ook al vervuld van kunstzinnige ambities, vormde zich om tot huismoeder van uiteindelijk drie kinderen. Die ouders kregen een liefdevol memoriaal van Sauwer in Een liefde in 1945  en Héloïse en het Inwonen 1947-1952De jeugd van haar vader beschreef ze in Vluchtpogingen 1934-1940.
    Alle drie zijn het bewonderenswaardig knappe reconstructies van gebeurtenissen uit vroeger tijden, geschreven in een soepele en precieze stijl.  

    En nu was het kennelijk tijd voor Monika Sauwer voor het beschrijven van haar eigen plek in dit gezin. Aan dat verslag gaf ze de titel Afwasgesprekken 1953 – 1964Een heel toepasselijke titel, want de gesprekken die zij tijdens de afwas met haar moeder had in haar jeugd zijn de rode draad in dit verhaal dat loopt vanaf 1953 toen Monika zeven was tot 1964 toen zij psychologie ging studeren in Amsterdam. Zij leerde de roodharige ‘Jim’ kennen (in wie radiomaker en schrijver Wim Noordhoek te herkennen is) met wie ze de rest van haar leven wil doorbrengen. 

    Lezenswaardige  herinneringen

    Het zijn zeer lezenswaardige  herinneringen die Sauwer trefzeker neerpent. Zo begint het boek: ‘Mijn moeder kon en wist alles. Zij, Wies, legde mij de wereld uit. Ik vroeg, zij antwoordde. Ze voerde me mee in haar beeldende verhalen. Vaak was het radionieuws de aanleiding. Tijdens mijn boterhammen, eerst een met kaas of pindakaas, dan pas die met hagelslag, vertelde ze die middag wat slachtoffers waren. Dat woord kende ik nog niet. Ik was nog geen zeven, februari 1953, de Watersnoodramp. Dagelijks werden de aantallen slachtoffers per Zeeuws en Zuid-Hollands dorp door de nieuwslezer omgeroepen. Vooral Oude Tonge was zwaar getroffen, driehonderdvijf slachtoffers. (…) De dagen na die rampnacht volgden we de radionieuws-berichten met wijd open oren. Overal gaten in de dijken. Het brullende zwarte water dat alles en iedereen verzwolg… Ik zag het voor me, wanhopig wuivende mensen op de daken, verdronken kinderen en koeien, maar deinsde terug voor de werkelijkheid. Dit mocht niet echt gebeurd zijn! “Drink je melk eens op,” zei Wies. “Hier, je stukjes appel.”’

    De jeugd van Monika zal geleken hebben op die van veel andere meisjes en jongens uit de babyboomers generatie. Geen oorlog meer maar nog wel zuinigheid. Vrijheid van denken en doen maar wel regels waaraan je je moest houden. Ambities maar geen hooggespannen verwachtingen. De botsingen en drama’s die vaak de basis zijn voor hedendaagse romans over opgroeien ontbreken geheel in Monika’s verhaal over haar jeugd. En dat is een verademing. De lezer kan onbekommerd genieten van de herinneringen die zij heeft aan haar jeugd in Bussum. De strijd op het schoolplein om duivenringen bijvoorbeeld: ‘Het was duivenringentijd. (…) Op het plein werd me een gesloten vuist voorgehouden. ‘On of eef?’ vroeg Marten Leander dreigend. Hij stond pal voor me, geen ontkomen aan. ‘Eef,’ zei ik. En ik had geluk, het wás eef. Een even aantal, zo was ik in een minuut veertien duivenringen rijker. Veertien!’ 

    Afwachten toe het leven begint

    Natuurlijk is ook een onbezorgde jeugd niet zonder problemen en tegenvallers. De dreiging van de koude oorlog en de  atoombom  is natuurlijk een onderwerp voor de afwasgesprekken, want vader is wijkhoofd van de plaatselijke BB en Monika weet: als de witte telefoon afgaat is het eind van de wereld nabij. ‘’s Avonds durfde ik niet te gaan slapen. Stel dat die blinde alarmtelefoon midden in de nacht zou gaan rinkelen, wat moest ik dan doen? Bij mijn oma beneden onder de dekens kruipen als ik eng gedroomd had was al jaren verboden. Mijn moeder vond het vies, “ín bed bij zo’n oud mens”.’ 

    Als Monika groter wordt en het Lyceum bezoekt is er de verliefdheid op haar leraar Frans (‘die Indisch bloed had en ribfluwelen jasjes droeg’). Het steeds maar uitblijvende grote moment van de eerste ongesteldheid, de dansles waar zij muurbloem is, de borsten die maar niet willen groeien, de eerste jongen die desondanks interesse toont. En later dan toch nog die eerste zoen. En ja, er is die vervelende pijn in de linker borststreek die ze steeds heeft en misschien duidt op een hartkwaal, maar die ze toch voor iedereen verzwijgt. 

    Het mooie van Afwasgesprekken is dat Monika Sauwer er in slaagt de lezer geboeid mee te nemen in een reeks gebeurtenissen die horen bij het opgroeien en eigenlijk alledaags zijn. Maar voor dit opgroeiende meisje zijn ze gloednieuw en zo vertelt Sauwer ze ook. Knap gedaan!

       

  • Geschreven met een scherp oog voor details

    Geschreven met een scherp oog voor details

    Wie het werk van Monika Sauwer (pseudoniem van Yolande Nusselder) kent, weet dat familieleden er vaak een rol in spelen. Haar actieve opa Boet (arts in Maassluis) was in Huis en hemel (1986) prominent en de laatste levensjaren van haar vader waren de basis voor haar roman Het raadsel vader (2011). Na de dood van haar ouders kwam ze in het bezit van een groot aantal brieven die haar moeder aan haar vader schreef in hun verlovingstijd en in de eerste jaren van hun huwelijk, tijdens en na de oorlog. Die brieven en andere documentatie werden het materiaal voor Een liefde in 1945 (2014) en ook voor Héloïse en het inwonen 1947-1952.

    In het zojuist verschenen Vluchtpogingen 1934 – 1940 is de vader van Sauwers, Simon de hoofdpersoon. Op het omslag staat een foto van het legendarische KLM-vliegtuig De Uiver dat – deelnemend aan de race London- Melbourne – in 1934 boven Australië in een storm terecht kwam en een noodlanding kon maken dankzij de bevolking van het dorp Albury die een weiland met autolampen verlichtte. De foto komt uit de vliegboeken die Simon als kind met zijn vader maakte en na diens vroege overlijden aan tbc, in zijn eentje volschreef en volplakte met krantenfoto’s en verhalen over vliegtochten. Want hij zou later piloot worden.

    Oorlogsdreiging

    De roman speelt in de jaren 1934 – 1940 en Simon is dan in de leeftijd van twaalf tot achtien jaar, een eenzame jongen in het door vrouwen (oma, moeder, zus) overheerste gezin. Nederland was in de Tweede Wereldoorlog neutraal en wilde dat ook blijven. Toch begint het besef door te dringen dat het ditmaal mogelijk niet zal lukken. Alhoewel zijn vader hem op het hart heeft gedrukt dat hij ‘de man in huis’ moet zijn na zijn overlijden, voelt Simon zich dat bepaald niet. Naast de vliegtuigen-passie heeft hij maar één hobby: zijn marionettentheater en het maken van de poppen voor dat spel.

    Simon leert pas uit zijn schulp te kruipen als hij verliefd is geraakt op Petra, de dochter van een KLM-piloot. Zij is wat zijn moeder noemt ‘een wilde meid’, en dat zij ook op hem valt, verbaast en verblijdt Simon zeer. Als de oorlogsdreiging groter wordt vat zij het plan op om naar Italië te reizen, waar haar vader gestationeerd is. En ze wil dat Simon met haar mee gaat. Hij twijfelt, de ‘man in huis’ kan toch niet zo maar vertrekken? En hij heeft ook net een oproep voor het leger gehad. Sauwer heeft zich grondig verdiept en ingeleefd in de werkelijkheid van de jaren dertig bleek al bij haar vorige romans die gebaseerd waren op het leven van haar ouders. Zij brengt die periode perfect tot leven.

    De vluchtpoging

    Aan Sauwers tekentalent (te zien in enkele jeugdboeken die zij zelf illustreerde) is het mogelijk te danken dat zij een scherp oog en geheugen heeft voor kleine details en aan haar schrijftalent dat ze die ook perfect weet te verwoorden. Aan het slot van de roman staan Simon en Petra klaar om aan hun vluchtpoging te beginnen. ‘Op het eerste perron van station Utrecht stond hun trein al klaar, de machtige loc van de Reichsbahn onder stoom, sissend van opgekropte spanning, het zwart op gele embleem van de Duitse adelaar op elke wagon’ ‘Sissend van opgekropte spanning.’ Wie zo kan schrijven verdient veel lezers. Of Simon ook echt instapt zullen zij dan te weten komen.