• Niemand in Knockemstiff wil daar zijn

    Niemand in Knockemstiff wil daar zijn

    Denk je de meest naargeestige, zielloze plek in en je bent in Knockemstiff. Knockemstiff is een plaats in de Amerikaanse staat Ohio. Het stadje zou zijn naam hebben overgehouden aan een ruzie tussen twee vrouwen over dezelfde man. De een was zijn vrouw, de ander zijn vriendin. De predikant hoorde een van beide vrouwen zweren dat ze de ander ‘stijf zou slaan’ en zo zou het stadje zijn charmante naam hebben gekregen.

    Het boek geeft in achttien verhalen een sfeerportret van het stadje. Al is er daar weinig sfeer te vinden. Het ene verhaal is nog zwarter dan het andere. In elk verhaal komen er weer andere ‘rednecks‘ voor die moorden, vechten en incest plegen. Niemand is er echt gelukkig en niemand gunt elkaar geluk. De dagen zijn er lang, helemaal voor degene die zonder baan zitten, en worden draaglijk gemaakt door een goede hoeveelheid alcohol en drugs.

    Het boek begint bij het verhaal van Bobby. ‘Toen ik zeven was, leerde mijn vader me op een augustusavond in de Torch Drive-in hoe je een man aan gort moet slaan.’ De vader van Bobby is zwaar aan de drank, zoals iedereen in het boek, en is er ook niet vies van zijn vrouw een corrigerend pak slaag te verkopen. Hij vindt Bobby maar een watje en zal hem die avond leren hoe hij voor zichzelf op moet komen. De ongelukkige man die die avond de vader van Bobby treft, komt er niet goed vanaf. Terwijl de sirenes van de ambulance in de verte al klinken, zit Bobby met zijn ouders alweer in de auto terug om er zo snel mogelijk vandoor te gaan.

    De hoofdstukken van het boek zijn op zichzelf staande verhalen. Hier en daar kom je dezelfde naam tegen van iemand die ook in het stadje woont, waardoor je weer weet dat al die nare verhalen zich op dezelfde nare plek afspelen. Het laatste verhaal in het boek gaat ook weer over Bobby. Zijn ‘stoere’ vader is inmiddels een oude, zieke man, maar het gevecht tussen de twee is nog steeds niet afgelopen. Bobby is op dit punt al vijf maanden nuchter, maar wanneer hij zijn ouderlijk huis betreedt, krijgt hij spontaan zin in een borrel. Ondanks alles vindt hij het toch jammer dat hij zijn vader nooit echt zal leren kennen voor hij zal overlijden.

    Knockemstiff is erg knap geschreven. Een hoofdstuk is maar tussen de tien en twintig pagina’s lang, maar na de eerste bladzijde zit je al vol in het verhaal. De algemene sfeer in de verhalen blijft hetzelfde, maar voor het ene personage voel je sympathie terwijl je van de volgende hoofdpersoon alleen maar kan walgen. Elk verhaal heeft iets triest en er is een totaal gebrek aan hoop in het boek, maar je blijft de pagina’s gretig omslaan. Misschien door het besef dat dit echt de werkelijkheid is in sommige plaatsen en door het ongeloof dat dit echt iemands verhaal kan zijn. Elk hoofdstuk heeft een open einde, wat je even de illusie geeft dat het verhaal voor deze persoon nog een positieve wending kan nemen, maar tegelijkertijd weet je dat dit niet zo zal zijn.

    . ‘Ik droom er ’s nachts van, opnieuw beginnen.’ ‘Ik was hier opgegroeid, maar ik had me er nooit thuis gevoeld.’ Iedereen droomt ervan in de auto te stappen, weg te rijden en nooit meer aan Knockemstiff te hoeven denken. Sommige krijgen deze kans en andere durven de mogelijkheid niet eens te overwegen. Maar of je je nu bij de eerste of de tweede groep kan scharen, maakt niet uit. Uiteindelijk durft niemand uit Knockemstiff te vertrekken. Niemand durft zich in het onbekende te storten en dus eindigt het verhaal voor iedereen hetzelfde: ‘Het deed er niet toe hoeveel kilometer we per dag aflegden, we eindigden ’s avonds altijd weer in de vallei…’

    Donald Ray Pollock werd in 1954 geboren in Knockemstiff en heeft daar tot zijn vijftigste in de Mead Paper Mill gewerkt. Na zijn werk in de papierfabriek heeft hij zich aan de Ohio State University ingeschreven voor een cursus Engels. Zijn eerste roman, The Devil All the Time, werd heel goed ontvangen en met verschillende prijzen bekroond. Ook Knockemstiff  kreeg positieve reacties. Het boek heeft de PEN/Robert W. Bingham Prize ontvangen en ook de Devil’s Kitchen Award gewonnen. Is Donald Ray Pollock dan de eerste in het verhaal die zich wel uit Knockemstiff heeft kunnen redden?

    Knockemstiff
    Roman in achttien verhalen

    Auteur: Donald Ray Pollock
    Vertaald door: Charles Bors, Mon Faber, Jona Hoek en Stefanie Liebreks
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 18,95

  • Inleiding tot de duurste orgie uit de geschiedenis

    Inleiding tot de duurste orgie uit de geschiedenis

    The Jazz Age worden ze genoemd, de jaren die volgden op de Eerste Wereldoorlog en die duurden tot 1929. Toen brak met de beurskrach van 24 oktober de grootste economische crisis van de moderne geschiedenis uit. Twee jaar daarna blikte Scott Fitzgerald in een prachtig essay terug op die jaren. Echo’s van de Jazz Age heet het. Het is samen met zijn eerste novelle Een dag in mei en een ander essay, Mijn verdwenen stad uit 1932, opgenomen in een Nederlandse vertaling die vorige maand uitkwam in de serie Moderne Klassiekers van Uitgeverij Karaat.
    De novelle verschijnt net nu in de bioscopen een nieuwe verfilming van The Great Gatsby draait, naar dé succesroman van Fitzgerald. Ook die speelt in de troebele jaren kort na de Eerste Wereldoorlog met de veteraan Gatsby in de hoofdrol.

    ‘Veel mensen beginnen spontaan te kokhalzen’ als ze aan die jaren terugdenken, tekent Fitzgerald in 1931 in zijn Echo’s op, ‘maar schrijver dezes kijkt er al met nostalgie op terug’. De Jazz Age viel dan ook samen met het succes van zijn schrijversschap. In 1917 had hij dienst genomen in het leger toen de VS troepen naar Europa stuurden om daar in te grijpen in de Eerste Wereldoorlog. Maar voor het Fitzgeralds beurt was, was de vrede getekend. Hij hoefde niet meer in actie te komen en zag zijn voormalige maten die wel uitgezonden waren terugkeren met onder andere de vraag voor welke vrijheid ze eigenlijk gevochten hadden. Tegelijk keken ze met een begerig oog naar de welvaart die in Amerika mogelijk was en die tot nu toe buiten hun bereik was gebleven. Met hen groeide een generatie op die totaal niet in politiek was geïnteresseerd. ‘We waren het machtigste land. Wie kon ons nog vertellen wat modieus en wat amusement was?’, poneert Fitzgerald in Echo’s. Alles veranderde in snel tempo en in het kielzog van de jongeren gaven de ouderen zich over aan de vrijheid om te genieten van dans en jazz, seks en drank. Dat laatste illegaal, want in Amerika gold de Drooglegging, een verbod op alcohol. Het leven was ‘als de wedstrijd in Alice in Wonderland, er was een prijs voor iedereen’. Maar toen kwam de krach van 1929: ‘Iemand had het verknald en de duurste orgie uit de geschiedenis was voorbij (…) omdat zijn voornaamste kenmerk, het grenzeloze vertrouwen, een enorme klap kreeg toegedeeld’.

    Het was ook een klap voor Fitzgeralds schrijversschap. Dat was zozeer verbonden met de Jazz Age, dat ook dat zo goed als eindigde. Hij schreef alleen nog commerciële verhalen, filmscripts en een enkel essay.

    Een dag in mei ontstond aan het begin van de Jazz Age, in 1920. De auteur van het zeer informatieve nawoord, Luc de Rooy, noemt de novelle ‘venijniger, sarcastischer, tragischer’ dan zijn latere werk. En dat kan de lezer alleen maar beamen.
    We volgen in kort bestek (de novelle telt amper 90 pagina’s) de woelige gebeurtenissen in New York op 1 mei 1919, de eerste keer sinds de oorlog dat er weer een Dag van de Arbeid werd gevierd. Er breken rellen uit, die de opmaat zouden worden voor de ‘roaring twenties’.
    Voor die rellen baseerde de auteur zich op een werkelijke gebeurtenis, de ‘May Day Riots’ die op die dag plaats vonden in Cleveland. Daarin raakten soldaten en studenten slaags en trad de politie hard op. Fitzgerald zag ze als de ontlading van de oorlogstijd, die een uitweg zocht in onbegrensd feesten.

    In Een dag in mei volgen we zeven jongeren, studenten en soldaten, die met elkaar op de vuist gaan rond een campusfeest, het Gamma Psi-bal. Fitzgerald beschrijft de confrontatie door de ogen van die zeven personages die er ieder op een of andere manier in verzeild raken. Ze staan symbool voor de tegenstellingen in het sociale leven. De volgzame tegenover de losbandige, de arrivé tegenover de man in de goot en de socialist tegenover de patriot. In kernachtige karakteriseringen rijzen ze scherp voor je geestesoog op. Daaraan draagt bij dat het perspectief in de elf hoofdstukken van de novelle voortdurend verandert, waardoor we een al beschreven gebeurtenis even later vanuit heel andere ogen zien. De personages tuimelen lallend, zichzelf vergooiend, maar ogenschijnlijk genietend door het verhaal. ‘Ogenschijnlijk genietend’, want de tragiek en de leegte in hun leven zijn steeds voelbaar. Dat is de kracht van de novelle. Die wordt niet alleen bereikt door de compositie van het verhaal, maar ook door het taalgebruik en de compacte stijl. De absurditeit wordt ten top gevoerd als de personages Peter Himmel en Philip Dean de deurbordjes IN en OUT van restaurant Delmonico’s rukken en die voor hun borst hangen om zo de stad in te gaan. Om vervolgens in het Biltmore Hotel enkele van de andere personages elkaar te zien aanvliegen:

    Maar voor meneer In en meneer Out was deze gebeurtenis niet meer dan een bont, regenboogkleurig onderdeeltje van een gonzende, doordraaiende wereld.
    Ze hoorden luide stemmen; ze zagen de zwaarlijvige man springen; het beeld vervaagde plotseling.
    Toen waren ze in een lift die omhoogging.
    ‘Welke verdieping wenst u?’ zei de liftbediende.
    ‘Maakt niet uit’, zei meneer In.
    ‘De bovenste verdieping’, zei meneer Out.
    ‘Dit is de bovenste verdieping’, zei de liftbediende.
    ‘Dan moet je er nog een verdieping op laten zetten’, zei meneer Out.
    ‘Hoger’, zei meneer In.
    ‘De hemel’, zei meneer Out.

     

    Tien jaar na de uitbraak van de roes donderde Amerika in elkaar.

     

    Een dag in mei

    Auteur: F. Scott Fitzgerald
    Vertaald door: Charles Bors en Mon Faber
    Verschenen bij: Uitgeverij Karaat (2013)
    Prijs: € 16,90