• Alles wat ik doe is opgehangen aan contradicties

    Schrijver en bedenker van de BerberBibliotheek Asis Aynan (1980) groeide op in Haarlem  en verhuisde voor zijn studie filosofie naar Amsterdam. Van huis uit was hij niet bekend met het gebruik van boeken, toch werd lezen van literatuur en schrijven van boeken iets dat hem bovenmatig op dreef bracht. Op zevenentwintigjarige leeftijd debuteerde hij met Veldslag en andere herinneringen, in 2010 verscheen Ik, Driss, (een feuilleton voor het NRC samen met Hassan Bahara) en in 2014 Gebed zonder eind. Verder schrijft hij columns (Trouw) en essays voor de papieren media en geeft hij les aan de Hogeschool in Amsterdam. Literair Nederland bezocht de schrijver in zijn bovenwoning aan een van de (korte) grachten in Amsterdam.

    Wanneer ik het huisnummer heb gevonden en de twee treden naar de voordeur heb genomen, hoor ik iemand roepen. Als ik op kijk, zie ik Asis Aynan in het open raamkozijn op de eerste verdieping. Dat hij de deur voor me zal openen. Even later klinkt een elektronische zoemer, waarna ik de deur openduw. Een lange trap voert naar een op maat gemaakt appartement. Asis Aynan maakt thee; en er is witte wijn. We lopen van de keuken door de kleine overloop naar de woonkamer. Op de grond langs de muur staan honderden boeken gestapeld, tot ruim anderhalve meter hoog. Allen met de bladerkant naar voren. Een andere muur is gevuld met boekenkasten waarin volgens een eigen systeem de titels staan opgesteld. Tijdens het gesprek staat Aynan geregeld op om een exemplaar uit de kast te halen.

    Een gesprek over het schrijven van een migrantenfeuilleton, over het begrijpen en verdwijnen van taal, het geschreven woord, boeken, bibliotheken, verhalen en waar het echte leven zich ophoudt.


    Ik, Driss
    gaat over Marokkaanse jongemannen die een droom hadden en hun familie achter zich lieten. Hoe kwamen jullie op het idee en waarom was het gesitueerd in de jaren zeventig?

    ‘Ik wil je eerst vertellen dat ik deze week op een middelbare school een lezing gaf. Ik las een stukje voor uit Ik, Driss. Ze vroegen me, ‘Waarom schrijf je daarover? (migrantenlevens Iv/dG). Ik vertelde dat mijn vader naar Nederland was gekomen omdat hij honger leed en omdat de koning van Marokko niet zo aardig was en dat mijn vader hier in een hondenbrokkenfabriek kwam te werken. Op het moment dat ik “hondenbrokkenfabriek” zeg, komt er een hond binnenlopen. Die leerlingen vonden dat geweldig, dachten dat het een act was, dat die hond naar binnen was gestuurd. Ik was helemaal van mijn a propos en dacht: ‘Van wie is die hond?’ Ik had wel opeens de aandacht van die leerlingen. En dat magische van wat er gebeurde past wel bij het boek over Driss. In de tijd die ik met Hassan Bahara aan Ik, Driss, werkte was voor mij een  magische tijd. Hij was in 2006 gedebuteerd met Een verhaal uit de stad Damsko en ik een jaar later met de verhalenbundel Veldslag, toen we elkaar ontmoetten.’

    Dan wil Aynan eerst iets over de Marokkaanse verhalenverteller Mohammed Mrabet vertellen, die met zijn roman Liefde met een lok haar is vertegenwoordigd in de BerberBibliotheek. Hij wijst naar zijn boekenkast, naar het plankje waarop de boeken van Mrabet verzameld zijn.

    ‘In 2009 heb ik Mrabet ontdekt en ik werd betoverd door zijn verhalen. Er was één personage in zijn verhalen, Driss Tafersiti en ik dacht, hoe vet zou het zijn als we dat personage naar Nederland laten emigreren. Naar het Nederland van de jaren zeventig, de tijd van de gastarbeiders. Hassan en ik hebben veel gepraat over hoe dat zou zijn: een sprookjesfiguur uit de Marokkaanse literatuur naar IJmuiden laten komen. Niet naar Kanaleneiland in Utrecht dat veel in het nieuws was omdat daar altijd wat gebeurde, maar specifiek naar IJmuiden. Dat is Nederland op zijn lelijkst maar ook weer zo dat het aantrekkelijk is. Zo is Ik, Driss ontstaan.’

    Je geeft nog steeds lezingen over het boek. Staat het op de leeslijst voor scholieren?

    ‘Nee, het staat niet op de leeslijst. Dat zou wel iets zijn. Misschien als er een nieuwe druk komt, er moet echt een nieuw boek komen. Dat zou iets voor de uitgever zijn. Maar inderdaad, het zou mooi zijn als het op de leeslijst komt.’

    Wanneer ontstond het idee om een BerberBibliotheek op te zetten?

    ‘In de tijd dat ik aan Driss werkte, leerde ik Hester Tollenaar kennen. Zij was net afgestudeerd als vertaalster. We zaten wel eens in het theatertje en dichterscafé Perdu. Dan dronken we rode wijn aan de bar en toen ontstond het idee voor een  BerberBibliotheek. We dachten aan de Russische bibliotheek van Van Oorschot en ook aan een vriend van mij (dichter Mohamed Chacha Iv/dG). Hij leeft niet meer maar staat ook in Vallende tijd, het laatste deel van de BerberBibliotheek. Chacha zette in de jaren negentig uitgeverij Izouran (wortels Iv/dG) op. Hij gaf Riffijnse boeken uit in de Riffijnse taal. Het was de taal die we thuis spraken. Toen ik voor het eerst een boek in de Riffijnse taal zag, was dat heel onwerkelijk. Ik wist niet dat je de taal van mijn ouders kon lezen (pakt een boek met glanzend donkerblauwe omslag en witte Latijnse tekens daarop uit de boekenkast en houdt het me voor). Letterlijk vertaald staat er: “Breek het taboe zodat de zon kan gaan schijnen”. Van mijn ouders heb ik meegekregen dat Berbers geen geschreven taal heeft. De taal waarmee ik ben ik opgevoed, is voor mij een orale taal. En de indoctrinatie dat het geen geschreven taal kan zijn, is zo groot, dat ik een taboe in mezelf moest doorbreken. Ik heb mezelf inmiddels aangeleerd het te kunnen lezen. Het gekke was dat ik Arabische leestekens kan lezen, dat heb ik jong geleerd in de moskee. Ik kan het lezen maar begrijp het niet. Ik begrijp de Berberse taal, maar kon het niet lezen. Daar zit voor mij mijn schrijverschap, alles wat ik doe is opgehangen aan contradicties.’


    Welk soort tegenstrijdigheden?

    ‘Ik zal je een voorval vertellen. Ik ging deze week joggen in het Westerpark. Vaak hangen boven dat park politiehelikopters, dat is heel normaal boven Amsterdam. Maar terwijl ik daar rende, vroeg ik me opeens af: “Stel je nou voor dat ze iemand zoeken met zwart haar, donker uiterlijk.” Dat ben ik, die daar nu aan het rennen is. Maar ik bedacht ook, “Gelukkig heb ik wel een hysterisch gekleurde joggingbroek aan, dat is mijn redding. Met zo’n broek zouden ze me nooit aanhouden.” Terwijl dat zo door me heen gaat, komt een politieagent op een motor naast me rijden. Hij kijkt me van opzij aan, ik kijk terug en zie hem denken “Dat is ‘m niet”. De politieagent draait om en rijdt weg. Ik was verbaasd maar begreep ook dat ik als verdacht persoon bekeken werd. Dan gebeurt daar iets, en daar ben ik in geïnteresseerd als het om verhalen of literatuur gaat.’


    Denk je dat de BerberBibliotheek van enig belang kan zijn voor migranten in Nederland?

    ‘Migreren is een vermoeiende bezigheid. Ik wil de Nederlanders niet lastig vallen met Riffijnse poëzie. Wil niet steeds uitleggen dat Berbers geen Arabieren zijn en niet per definitie moslim zijn en dat we een eigen literaire traditie kennen. Als je teveel praat over je eigen traditie, je eigen taal dan ben je al gauw een nationalist. De eerste grote romanschrijver Apuleius, ( ± 150 na Chr. Iv/dG) is een Berber. Ik vond het zo’n leuke ontdekking, dat mijn ouders niet uit een of ander gat kwamen waar alleen maar honger en oorlog heerste. In culturele zin hebben zij ook bijgedragen aan deze wereld.


    Hoe draagt het bij aan de achtergrond van migranten?

    ‘Ik was vooral geïnteresseerd in hoe ik – Hafid Bouazza noemt dit hoe ik hier kan landen – met mijn achtergrond, hier mijn weg mee kan vinden. Ik zeg niet dat Apuleius iets aan mijn achtergrond heeft bijgedragen. De koran is vele malen meer van invloed geweest op mijn leven. Dat kerkvader Augustinus, die ook een Berber was, ontdekte ik toen ik filosofie ging studeren. Daarvoor had ik nooit van hem gehoord. Ik vind dat leuke historische feiten. Het enige wat ik hoorde over onze achtergrond was: Hassan is de koning en daar moet je voor uitkijken. De islam is onze religie en God is de baas en daar moet je voor uitkijken. En dat is je vader, daar moet je ook voor uitkijken. Mijn achtergrond, daar was niet veel aan, maar er was wel veel angst. Het was de bedoeling dat de cultuur waaruit ik kom, zou verdwijnen. Zoals dat met veel culturen en talen is gebeurd in Europa.

    ‘Ik weet dat ik uit een cultuur kom die geen boeken heeft, geen taal kent die erkend wordt en op het punt van verdwijnen staat. Wat ik kon doen was naar Marokko gaan om er tegen te protesteren. Maar daar zou ik het niet lang volhouden want de koning is een dictator en ik zou binnen een dag opgepakt worden. Maar ik wilde wel mijn verantwoordelijkheid nemen. En dat is door die boeken uit te geven. En dat is door die Berber boeken uit te geven. Ik ben er trots op dat dit is gelukt, dat we dit hebben kunnen doen. Wat erbij komt is het willen verrijken van de Nederlandstalige literatuur. De BerberBibliotheek is heel positief ontvangen. Onder andere Wim Brands en Mathijs Deen hebben zich hiermee bezig gehouden. Aan media-aandacht heeft het niet ontbroken. Nu het er is, zal het zijn weg verder wel vinden. Ik ben er heel positief over.’


    Wat was het moment waardoor je bent gaan lezen en wat waren je ontdekkingen in de Nederlandse literatuur?

    ‘Mijn held uit mijn jeugd is Evert Hartman. Ik las zijn boek Gegijzeld toen ik elf was. Ik vond het fantastisch. Mijn broers namen ons mee naar de bibliotheek. We hadden een gezin met negen kinderen en als mijn oudste broers ons mee namen naar de bibliotheek, ontlastten ze mijn moeder. In de bibliotheek waren mevrouwen die het leuk vonden om je wegwijs te maken. Voor mij is literatuur begonnen als uitje met mijn broers. Kruistocht in spijkerbroek, Oosterschelde dat ben ik toen gaan lezen.


    Hoe kwam je in een huis zonder boeken in aanraking met de Berber literatuur?

    ‘Toen ik twaalf was, las ik voor het eerst Hongerjaren van Mohamed Choukri. Dat was al vertaald en verschenen bij Novib Wereldvenster. Mijn broers haalden het uit de bibliotheek. Het was een super spannend dat boek, hoeren en snoeren, honger, gekte en dan die rauwe taal. Het was een uitgebeende taal, daardoor ook makkelijk te lezen, Toen begreep ik er niet veel van maar dat boek is mijn hele leven bij me gebleven. In 2007 heeft Van Gennep het opnieuw uitgegeven, bij Novib was het een bulkboek, er werden 50.000 exemplaren gedrukt. Toen zijn er bij Rainbowpockets ook nog eens drie drukken verschenen. Voor de BerberBibliotheek hebben we het opnieuw laten lezen en vertalen. Er zijn nog veel fouten uitgehaald. Binnenkort komt er trouwens een tweede druk bij de BerberBibliotheek. Het is gewoon een everseller.’


    Wat is de magie van Hongerjaren waardoor het nog steeds gelezen wordt? Welke titels zijn ook opmerkelijk te noemen.

    ‘Choukri’s  laatste boek Gezichten is stilistisch gezien zijn mooiste boek. Hongerjaren is als een vulkaanuitbarsting, als gestolde lava. Choukri komt uit grote armoede, toen hij dat was ontgroeid, wilde hij laten zien dat hij geen analfabeet is, dat hij gelezen heeft. Hij noemt veel Franse schrijvers in Gezichten. Emile Zola, Jean Genet en William Burrough. Dat was wel belangrijk voor hem. Hongerjaren is mijn lijfboek, ik kan hele passages uit mijn hoofd citeren. Maar een schrijver als Ibrahim al-Koni, (van wie Goudstof is opgenomen in de reeks Iv/dG), dat is echt een kathedraal van een auteur. Hij heeft een oeuvre van meer dan negentig boeken over één thema. Elk boek gaat over de woestijn, de Sahara. Ik zal je iets laten zien. (Hij loopt naar een ander vertrek en komt terug met een omvangrijk Engelstalig boek.) Dit is het magnum opus  van Ibrahim, hij is een echte schrijvers schrijver, niet met Mrabet te vergelijken.

    Wisten jullie van tevoren welke titels er zouden worden opgenomen in de BerberBibliotheek?

    ‘De eerste twee titels hadden we al toen we begonnen. Daarna was het al snel duidelijk welke er verder in zouden komen, tien klassieke romans. Maar daar kwam tussendoor De geschiedenis van mijn leven van Fadhma Aïth Mansour Amrouche, een katholieke Berbervrouw. We wisten, als we dit nu laten liggen wordt het nooit vertaald. Met dit boek konden we aangeven welk een grote rol het katholicisme speelde in die streken voordat de islam daar kwam. En het laatste deel Vallende tijd was ook niet gepland. We wilden daarmee de actualiteit een stem geven. In de streek waar ik vandaan kom wordt weinig proza geschreven, maar poëzie des te meer. Ik ben alle grote dichters weer gaan lezen en kwam uit bij deze vier dichters, Mohammed Chacha, Ahmed Ziani, Fadma el Ouariachi en Mimoun el Walid. De gedichten zijn geschreven tussen eind jaren zeventig en begin jaren negentig en hebben nog niets aan actualiteit ingeboet. Ik wilde hiermee de lezer laten zien waar de Marokkaanse mensen vandaan komen. En wil je begrijpen wat er in een land gebeurt, dan moet je niet de krant lezen, maar de dichters van dat land. Deze generatie dichters laat een schreeuw om emancipatie en vrijheid horen. Er is weinig hoop in Marokko, en ik vind het hoopvol dat dat dat nu zichtbaar wordt. Poëzie die een beetje tegenwicht biedt aan de leugen, zonder de pretentie te hebben dat het de waarheid vertelt.’


    De boeken van Mohammed Mrabet, waarvan Liefde met een lok haar in de reeks is opgenomen, zijn door de Amerikaanse schrijver Paul Bowles geschreven. Wat is hun verhaal?

    ‘Paul Bowles heeft vijftig jaar in Marokko gewoond, in Tanger. Dat was een vrijplaats voor alles in de jaren zestig, voor drugs, drank, vrouwen. Er werden daar veel internationale deals gesloten, maar ook gehandeld in jongens en meisjes. Op die plek kwam Paul Bowles terecht. Mrabet werkte voor hem, was zijn chauffeur, zijn kok. Bowles was aan het einde van zijn schrijverschap. Je zou kunnen zeggen dat de pen van Bowles was opgedroogd en daar was Mrabet die niet wist hoe hij een pen moest gebruiken maar die verhalen had. Daar ontstond de samenwerking tussen hen. Soms weet je in die verhalen niet waar Bowles en waar Mrabet is.’


    Heeft iemand dat kunnen checken?

    ‘Ik ben bij Mrabet op bezoek geweest in Marokko. Hij is nu tachtig jaar. In Liefde met een lok haar hebben de Amerikaanse hoteleigenaar en de jonge Marokkaanse chauffeur een seksuele relatie. Toen ik hem bezocht, vroeg ik of hij homo was, dat ontkende hij stellig. Mrabet gaf Bowles de schuld dat hij de indruk wekte dat ze een relatie hadden. Mrabet kan heel goed verhalen vertellen. Alles wordt een verhaal, wat ik af en toe wel ergerlijk vond. Dan vroeg ik hem hoe dat dan ging met die verhalen, hoe ze ontstaan. Hij vertelde dat er elke ochtend een vis hem kwam opzoeken, “die vertelt mij een verhaal en het enige wat ik hoef te doen is dat verhaal door vertellen”. Ik zei, “Nu even serieus.” Toen zei hij, “Iets anders kan ik je niet vertellen.” Ik was wel echt in de ban van die man. Ik heb hem toen ook naar Nederland gehaald en Wim Brands heeft hem geïnterviewd bij het Crossing Border Festival in 2009.’


    Wat heeft Mrabet aan zijn publicaties overgehouden aan roem, inkomsten?

    ‘Bowles speelde ook wel een spelletje met de lezer. Toen het debuut van Mrabet in de jaren zestig bij Gallimard in Frankrijk werd gepubliceerd, was er een recensent die er zelf van droomde bij die uitgever te publiceren. Toen kwam daar Mrabet, die hem volledig onbekend was. In zijn recensie voor Le Monde schreef  hij: “Mrabet bestaat niet. Hij bestaat alleen in het hoofd van Paul Bowles.” Uiteindelijk bracht dat alleen maar meer succes, Bowles zei niets.

    Mrabet heeft zich altijd goed kunnen redden. Nu zegt hij wel: “Het zijn allemaal dieven.” Er is wel gesjoemeld met zijn boeken en vertalingen. Maar dat kun je niet allemaal op het conto van Bowles schrijven. Het was interessant bezig te zijn met die twee, de schrijver en de verteller. Uiteindelijk is het ook niet boeiend waar de een begint en de ander eindigt. Er is veel gedocumenteerd over die tijd, Bowles schreef dagboeken, daar is veel in terug te vinden. Belangrijk is dat ze samen literatuur hebben geschreven.’


    In een eerste interview in 2012 over de BerberBibliotheek bij Wim Brands op de radio was er sprake van een grote migratieroman die je zou willen schrijven. Leeft dat nog?

    ‘Die gaat er nu nog niet komen. Maar ik denk er wel aan. Ik zou daarvoor eerst weer meer moeten gaan schrijven. Enerzijds zit ik te veel in mijn columnhoek en mijn docentschap. Ik ben wel blij dat de BerberBibliotheek nu gestopt is, nu kan ik nog meer een breuk forceren om richting die migratieroman te gaan.

    Wij zijn tussen alleen witte Nederlanders opgegroeid, en dat vind ik wel jammer. Ik had geen contact met mijn achtergrond. Maar de andere kant daarvan was dat we daardoor heel hard moesten migreren, ons aanpassen. Ik ben zelf nooit gevoelig geweest voor argumenten als, “Ja, Meneer. Wat ben ik nou? In Nederland ben ik een Marokkaan en in Marokko ben ik een Nederlander.” In Marokko was ik gewoon een verwend kind, met een horloge, en schoenen die niet kapot waren. Er wordt gesproken over tussen twee culturen opgroeien. Dat kan niet, je groeit ‘in’ twee culturen op. Tussen betekent dat de culturen los staan, en de persoon in een vacuüm leeft. Sartre zei het zo: “woorden zijn ook daden.”’

     

     

    Kijk hier voor alle titels van de BerberBiblitheek
    Uitgeverij Jurgen Maas

    Foto door: Friso Spoelstra

     

     

  • Eerste deel Berberbibliotheek was tot 2005 verboden in Marokko

    Eerste deel Berberbibliotheek was tot 2005 verboden in Marokko

    Mohammed Khaïr-Eddine wordt beschouwd als een van de grondleggers en het enfant terrible van de Marokkaanse literatuur. In 1965 werd hij verbannen naar Frankrijk waar hij jarenlang fabriekswerk verrichtte. Zijn eerste boek Agadir (1967) werd in Marokko geweigerd vanwege de kritische toon. Khaïr-Eddines boeken zijn een tijdlang verboden geweest, pas sinds 2005 mogen ze weer gelezen worden.

    Mohammed Khaïr-Eddine keerde in 1979 terug naar Zuid-Marokko. Met een soortgelijke terugkeer als uitgangspunt begint het boek. Een man keert na twintig jaar afwezigheid terug naar zijn land. Door de ogen van deze remigrant wordt de lezer  het verhaal binnen geleid. Er volgen beschrijvingen over het landschap en over de teloorgang van de Berbervrouw die, ‘immer hoedster is geweest van de verborgen betekenissen van de wereld. Zij was het die de kleine kinderen de voorouderlijke cultuur inprentte en niet de man, want die was te lui (…).’ Volgens de verteller waren deze vrouwen zich niet bewust van de paradijselijke staat waarin zij leefden, tot ze met hun mannen mee emigreerden naar Europa. ‘Zij waren toen nog vrij om waar dan ook te gaan in de vallei en de bergen; (…) Nu laten ze zich opsluiten in villa’s of benauwde appartementen, komen ze alleen onder begeleiding buiten (…).’

    Opnieuw beginnen

    De remigrant is in eerste instantie teleurgesteld door wat hij ziet en levert kritiek op de veranderingen in zijn dorp. Maar zo gauw hij herkend wordt als de lang geleden vertrokken jongeman, wordt hij overrompeld door de gastvrijheid van zijn dorpsgenoten. Hij raakt hierdoor zo ontroerd dat hij op onderzoek uitgaat naar het bestaansrecht van zijn volk, de Berbers.

    Dan verweeft  Khaïr-Eddine de terugkeer van de remigrant met de legende van Agoun’chich en begint het boek opnieuw met het sprookjesachtige:
    Er was eens… . We maken kennis met een herder die met zijn omvangrijke familie en enorme kudden geiten en schapen op de vlucht slaat voor een verwoestende natuurramp. Ze trekken door onherbergzame gebieden waar ze belaagd worden door wilde dieren en strijdlustige stammen. De afstammelingen van deze herder ontwikkelen zich tot een moorddadig en strijdlustig volk. Ze leven van plunderingen en ze gaan uiterst gewelddadig de strijd met elkaar aan. Het is een tijd van desperado’s: bandieten voor de eer die niets anders bezitten dan een muilezel, een patroongordel, geweer en een dolk. Een van die desperado’s is Lahcen Agoun’chich.

    De legende van Agoun’chich speelt zich af ten tijde van de Franse bezetting (1912-1925) in Marokko. Agoun’chich had nog nooit een mens gedood dan alleen uit zelfverdediging. Maar wanneer zijn zus door een bandiet wordt vermoord, raakt hij vervuld van wraak en onderneemt een strafexpeditie door de bergen en dorpen van de Anti-Atlas. Als een ware (geweldadige) Don Quichot trekt hij ten strijde met als enig gezelschap zijn dierbare muilezel waar hij een liefdevolle relatie mee onderhoudt.

    Naamloze bandiet

    Na enige tijd ontmoet Agoun’chich ‘de verkrachter’, een naamloze bandiet die elke vrouw die hij tegenkomt als zijn bezit beschouwt. Hij laat zich door de verkrachter overhalen hem te vergezellen naar het Noorden om moderne geweren te kopen. Dan wordt het een haast mythische vertelling waarbij ze bezocht worden door de doden, verleid door vrouwelijke demonen en gekweld door honger en kou. Wanneer Agoun’chich uiteindelijk arriveert in Taroudant, een stad aan de voet van de Hoge Atlas, ontmoet hij een kaïd (stamhoofd) die uit de gevangenis van de Franse bezetter is ontsnapt. Samen met deze man trekt Agoun’chich ten strijde tegen de bezetter. Hij is getuige van de gevolgen van een luchtbombardement op een dorp en van de executie van een zwakzinnige man die ten onrechte wordt verdacht van verkrachting en moord op de vrouw van een Franse officier. Op dat punt in het verhaal veranderd er iets in Agoun’chich’. ‘Alles wat hij had gekend en waarvoor hij vol overgave had gestreden zou verdwijnen. Ik heb niets meer te zoeken in deze wereld, dacht hij.’

    Het verzet van de Berbers wordt gebroken en Agoun’chich trekt zich in eerste instantie terug in de bergen en later in de stad Tiznit. Daar wordt zijn muilezel door een vrachtwagen aangereden. Agoun’chich verlost het dier met een dolksteek in het hart uit zijn lijden. Waarna het gevoel hem overvalt dat hij niet meer bestaat. Een grote verandering in zijn leven dient zich aan.
    ‘God! Moet ik net als de anderen worden, een gewone man, terwijl ik mijlenver van ze afsta?’
    Een stem fluistert hem in dat hij moet opgaan in de anonimiteit van de grote stad. ‘Word koopman of misschien politieagent, maar keer niet terug naar de bergen ze zijn niet meer van jou. (…) Neem de bus en ga!’
    En dat is wat hij doet. Hij begraaft zijn wapens nog diezelfde dag naast zijn muilezel en neemt de bus naar Casablanca.

    Het verhaal leest als een western. Het is een ruig en woest leven dat de mannen leiden die Khaïr-Eddine beschrijft. Op drift geraakte mannen zijn het, die zich door het leven slaan door ongestructureerde paden te betreden en over lijken gaan om hun (vaak primitieve) doel te bereiken. Helemaal geloofwaardig is het niet dat Agoun’chich zijn leven van vrijheidsstrijder aan de wilgen hangt en zich ontpopt als burgerman. Maar het is een legende, dan kan een karaktermoord uitkomst bieden om de legende een wending te geven waardoor het achterliggende verhaal meer zichtbaar wordt. Want het gaat natuurlijk over de grote veranderingen die de schrijver, daardoor geschokt, aantrof in het Marokko van de jaren zeventig/tachtig van de vorige eeuw.

    Eerbetoon

    Er zijn meerdere verhaallijnen waarvan er niet één tot echte ontwikkeling komt (zo is de verkrachter zomaar uit het verhaal verdwenen.) Maar zonder twijfel is Leven en legende van Agoun’chich in alle opzichten een eerbetoon aan de orale traditie van Berberverhalen, die terugklinkt in de toonwisselingen van de schrijver die dan weer explosief, dan weer lyrisch poëtisch of humoristisch is.

    Leven en legende van Agoun’chich van Mohammed Khaïr-Eddine is het eerste deel van De Berberbibliotheek die uiteindelijk tien klassieke, uit het Frans vertaalde Noord-Afrikaanse werken zal bevatten. Een initiatief van schrijver en columnist Asis Aynan die het NRC-feuilleton Ik, Driss schreef, en vertaalster Hester Tollenaar. Het feit dat er inmiddels miljoenen Berbers buiten Noord-Afrika wonen heeft geleid tot een wedergeboorte van de Berbercultuur buiten Marokko. Met name in Nederland ontstonden Berber muziekfestivals, is er Berbertelevisie op internet en zelfs een Berberfaculteit aan de Universiteit Leiden. Het is daarom niet vreemd dat de Berberbibliotheek in Nederland zijn oorsprong vindt en met  Leven en legende van Agoun’chich een intrigerende start maakt.