• Hoe Lampedusa don Fabrizio bedacht… En werd

    Hoe Lampedusa don Fabrizio bedacht… En werd

    Dat Giuseppe Tomasi di Lampedusa (1896 – 1957) de publicatie van zijn beroemde De tijgerkat niet heeft mogen beleven verleent een zekere tragiek aan de man. Toen hij in juli 1957 overleed, had hij net een paar dagen eerder de tweede afwijzing van een uitgever per post ontvangen. Toch zou het boek na zijn dood een daverend succes worden toen collega Giorgio Bassani (die in 1962 vooral bekend werd om zijn De tuin van de familie Finzi-Contini) het manuscript in handen kreeg. Hij wist op dat moment niet wie de auteur was maar toen hij de zin las ‘Alles moet veranderen opdat alles hetzelfde blijft’, wist hij dat het een meesterwerk was. Het is een uitspraak die Tancredi in De tijgerkat doet tegen zijn oom Don Fabrizio, Prins van Salina, die hem (het is dan 1860) verwijt de waardigheid van de adel te grabbel te gooien door met het plebs mee te gaan vechten aan de zijde van Garibaldi.
    Bassani kwam op zoek naar de schrijver terecht bij de weduwe Licy en de geadopteerde zoon Giò; Giò die Lampedusa pas in 1957 officieel had aangenomen als zijn zoon en in zijn testament had bedeeld. Bassani zorgde ervoor dat eind 1958 de eerste druk van De tijgerkat verscheen. Daarna ging het snel.

    In De albatros van Simona Lo Iacono vormen het verhaal van deze merkwaardige publicatiegeschiedenis en de reflectie op de verwevenheid van De tijgerkat met het leven van Lampedusa zelf het hoofdmotief. De albatros verscheen in 2019 in Italië en is nu in het Nederlands vertaald. Lo Iacono (rechter aan het Hof van Catania) gebruikt in haar boek maar een paar keer het woord weemoed, maar bijna elke bladzijde is ervan doortrokken. Net zoals De tijgerkat.

    Antonno

    Voor haar roman baseerde Lo Iacono zich op de biografie van Lampedusa, die zelf van prinselijken bloede was, maar daarnaast op diens De tijgerkat en het eveneens postuum verschenen Herinneringen aan mijn kindertijd. Om die allemaal controleerbare feiten heen bouwt Lo Iacono de reële belevenissen van de kleine Lampedusa in de eerste decennia na 1900 binnen een fictieve vriendschap met een leeftijdgenoot, Antonno. Die Antonno is een wonderlijke jongen die achterstevoren leeft: ‘begin en einde waren in zijn hoofd omgekeerd’. Hij snijdt voortdurend houten beeldjes die hij wolfjes noemt, leest een boek van achter naar voor en trekt zijn kleren verkeerd om aan. Hij zal aan het eind van de roman weer uit het leven van de jonge Lampedusa verdwijnen als deze tot het inzicht komt wat deze dromerige figuur hem te leren had: ‘Ik merkte ineens dat ik andersom begon te denken, net als Antonno’. En: ‘Waarin lag de waarheid? Zat die in wat je zag of juist in de keerzijde ervan?’.
    Dat inzicht breekt door als Lampedusa en Antonno samen kijken naar de opvoering van De dame met de camelia’s door een groep acteurs: ‘Theater was geen masker. Het was de waarheid. Hooguit was de werkelijkheid een verzinsel’. Ineens vallen mysterieuze gebeurtenissen uit zijn kindertijd op hun plek: waarom zijn moeder altijd huilde op 5 januari, wat zijn voorgeschiedenis hem te zeggen had over zichzelf. Antonno verdwijnt na het doorbreken van dat inzicht even geheimzinnig als hij was gekomen. Of, zo zou je kunnen zeggen, Lampedusa heeft hem juist geïntegreerd in zijn denken.

    Hamlet

    De opvoering van De dame met de camelia’s is ook terug te vinden in Herinneringen aan mijn kindertijd. ‘Dit soort gezelschappen, dat op het platteland van dorp naar dorp trok, bestaat niet meer, en dat is jammer’, schrijft Lampedusa daarin: ‘de acteurs waren slecht, dat kon een kind zien, maar ze speelden vol inzet en vuur’. Door zo’n gezelschap maakte de jonge Lampedusa tevens kennis met Hamlet. Ook die voorstelling verweeft La Iacono in haar verhaal als zij Lampedusa de gedachte ingeeft dat het enige antwoord op de dood poëzie is: ‘Er was een remedie voor de tijd, en dat was schrijven’. Lampedusa laat Antonno gaan met Hamlets woorden: ‘Twijfel dat de sterren vuur zijn, twijfel dat de zon beweegt, twijfel of de waarheid liegt, maar nooit dat ik u bemin’. Lampedusa heeft van Antonno geleerd dat hij hoop moet houden. Alles zal een betekenis krijgen, het verleden, de geheimen uit de kindertijd, de tegenvallers.
    Kort nadat Lampedusa sterft begint zijn De tijgerkat aan een zegetocht. Zo wordt ook de opvatting van Antonno dat de dood een begin is bewaarheid.

    Metgezel

    Zijn leven overziend beseft Lampedusa dat hij steeds meer op don Fabrizio uit die roman (hij is de tijgerkat, naar het wapen van diens familie) is gaan lijken: ‘Het is vreemd, maar deze don Fabrizio, die een vluchtig personage zou moeten zijn, een gecultiveerd en weemoedig edelman die zijn blik verliest in de hemel om van de aarde weg te vluchten, is veranderd in een barmhartige metgezel’. Zelfs dat is geen romantisch bedenksel van Lo Iacono, want Lampedusa schreef het kort voor zijn dood in een brief: ‘Don Fabrizio drukt volledig mijn ideeën uit en Tancredi, zijn neef, is het evenbeeld van Giò’. Parallel aan de tijgerkat die Fabrizio is blijkt de fictieve Antonno voor Lampedusa de albatros te zijn geworden uit een gedicht van Baudelaire waarnaar Lo Iacono een paar keer verwijst, een vogel die vliegend achter een schip het lot van een kapitein blijft volgen en hem niet in de steek laat.

    Als Lampedusa met kanker in het ziekenhuis in Rome is opgenomen, voelend hoezeer hij zijn geliefde Palermo mist, krijgt hij in De albatros een schrift van zijn Letse vrouw Licy. Ze wil dat hij zijn jeugdherinneringen opschrijft. Zo komen in de genummerde hoofdstukken van de roman het verhaal van Antonno en Lampedusa’s jeugdherinneringen tot stand, terwijl in de meer reflectieve gecursiveerde teksten daartussen diens ziekbed wordt beschreven. Daarin lezen we hoe hij ertoe komt om toch nog enkele hoofdstukken toe te voegen aan De tijgerkat en dat hij besluit om don Fabrizio te laten sterven in juli. Zoals Lampedusa zijn eigen maand waarin hij zal sterven, al kent. Op 25 juli 1957 treft zijn schoonzus hem ’s morgens dood aan.

    Je kunt Simona Lo Iacono verwijten dat ze af en toe misschien een wat al te pathetische toon aanslaat. Toch is De albatros een mooie liefdesverklaring aan een groots schrijver en een grootse roman. Ze bereikte in elk geval dat deze lezer hele passages in De tijgerkat en Herinneringen aan mijn jeugd met hernieuwde bewondering ging opslaan.

     

     

  • Twee zonen en hun moeders

    Twee zonen en hun moeders

    Margaret Mazzantini (1961, Dublin) is schrijfster en actrice. Ze begon haar acteercarrière in 1980 in de beruchte horror cult film Antropophagus, en speelde bijna twintig jaar in diverse films, het theater en voor televisieproducties.
    In 1994 debuteerde ze met haar roman Il Cantino Di Zinco (Het zinken teiltje), waarvoor ze de Campiello Prijs en Rapallo-Carige Prijs won voor het beste debuut. In 2004 werd haar succesvolle roman Non ti muovere (Ga niet weg) verfilmd door haar partner Sergio Castellitto, met in de hoofdrol Penelope Cruz. In het voorjaar van 2014 verscheen haar korte roman Morgenzee.

    Morgenzee is het verhaal van twee zonen en hun moeders: de Libanese Farid en zijn jonge moeder Jamila, en de 18-jarige Vito en zijn moeder Angelina op Sicilië.
    Het eerste deel gaat over Farid en Jamila, die in de zomer van 2011 uit Libië vluchten voor het bewind van Khadaffi. Na een zware tocht door de woestijn gaan ze mee op een boot met een groep andere vluchtelingen, hopend op een betere toekomst in Europa. Maar de boot is oud en er is niet genoeg benzine, water en eten. Al snel worden de passagiers ziek, wat Mazzantini uitvoerig beschrijft: ‘Iedereen is bleek, zo grijs als touw. Iedereen heeft overgegeven. Het braaksel stroomt over de bodem, over het weke hout, achter het aanhoudende geroffel van de zee aan.’ Als het drinkwater opraakt droogt Farid uit. Jamila hoopt dat haar zoon eerder zal sterven dan zij, omdat hij anders ‘zou moeten voelen hoe eenzaam de zee is.’ Ze denkt aan een prooidier in de woestijn dat ze ooit heeft zien zitten naast zijn dode moeder, omringd door roofdieren in de nacht.

    Het tweede deel draait om Vito en Angelina, die leven op Sicilië. Vito is net klaar met de middelbare school en weet niet wat hij wil gaan doen met zijn leven. Hij doodt de tijd met hard rijden met zijn vrienden en uitgaan. Angelina overdenkt haar jeugd in Libië, waar ze woonde voordat ze met haar ouders moest vluchten naar Europa en de ontluikende liefde tussen haar en haar vriend Ali achter zich moest laten. Angelina kan het verleden niet loslaten en spendeert de meeste tijd met ronddwalen op het eiland en roken. Als ze de kans krijgt om terug te keren naar haar geboorteland grijpt ze deze. Samen met Vito’s oma keren ze terug naar Libië, om te zien wat er over is van hun vroegere leven. Ze zoeken Ali op. Hij is een rijke man geworden, vriendelijk en knap, maar niet warm. ‘En toch had hij een strakke en doordringende blik. Net zo roerloos als dat huis, zonder frisse lucht, als een bunker.’ Angelina weet zich geen houding te geven bij deze teleurstellende ontmoeting.

    Aan het einde van het boek komen de verhalen samen. Vito vind een talisman op het strand en denkt aan de boten met vluchtelingen die hij eerder heeft gezien, met uitgehongerde passagiers. Niet lang daarna hakt Vito de knoop door en verhuist naar Engeland. Angelina moet haar leven alleen voortzetten.

    Morgenzee vertelt een verhaal over families, liefde, oorlog en nostalgie. Mazzantini’s oog voor detail schept een sfeervol en filmisch beeld van Libië en Italië, wat soms op het randje pretentieus is maar er net niet overheen tuimelt. Dit komt door de afwisseling van verfrissende eenvoudige en poëtische zinnen, zoals ‘[Angelina] beeldde zich in dat ze naar Tripoli zou zwemmen. Dat ze daar half vis en half vrouw aan land zou gaan, net als in het sprookje van de zeemeermin, en in de buurt van de stad van de kalksteen en de johannesbroodbomen zou blijven om haar clandestiene lied te zingen.’ En: ‘Toen kwam die dag in september. De avondklok. De stad werd gehuld in een deken van stiekem gedoe, zwevend in stilte.’

    De levens van Farid, Jamila, Vito en Angelina vormen een zwaar verhaal: ze worden allen geteisterd door oorlog en verlies. Maar vooral de moeders zijn sterk en levenslustig, ook als ze zonder hun zonen verder moeten. Jamila houd haar stervende zoon vast en zingt voor hem. Als Vito is vertrokken maakt Angelina haar huis schoon: ‘Ze leefde nog. Het was natuurlijk alleen maar angst geweest.’ Die kracht en hoop inspireert de lezer van het boek: ook ik kan het leven aan.


    Morgenzee

    Auteur: Margaret Mazzantini
    Vertaald door: Miriam Bunnik en Mara Schepers
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s:
    Prijs: € 14,90

     

  • Herkenbare scenes uit het alledaagse

    Herkenbare scenes uit het alledaagse

    Een klein boekje, met een illustratie van een kopje dampende koffie op de omslag. Het doet lieflijk aan. Dat belooft wat, al voordat je het überhaupt hebt opengeslagen.  De achterflap vermeldt dat de auteur ‘met gevoel voor humor herkenbare scènes beschrijft, vrolijk stemmende gebeurtenissen, schandelijke genoegens en hilarische momenten uit het leven van alledag’. Het is dus geen roman maar het zijn korte anekdotes en beschrijvingen.

    Herkenbaar zijn de scènes zeker. Een voorbeeld: ‘Ik vind het ook zo heerlijk als ik tegen haar zeg: ‘Schreeuw niet zo alsjeblieft, praat eens wat zachter…’ En zij antwoordt: ‘Ik schreeuw niet!!’ en dat zegt ze dan schreeuwend.’ Sommige beschrijvingen van hilarische momenten of schandelijke genoegens bestaan maar uit één zin, maar zijn daarom zeker niet minder treffend of leuk, zoals: ‘Toen de kanarie doodging’, ‘Wanneer mijn vrouw een T-shirt van mij aantrekt’ of ‘De augurk van mijn cheeseburger afhalen.’ Piccolo beschrijft momenten van onverwachts, maar alledaags geluk. Als lezer herken je die gebeurtenissen, gedachten, en ook de dingen die hij zegt, al houd je die meestal voor je:

    ‘Als je twee cadeaus krijgt is er altijd iemand die vraagt: “Welk vind je het mooist?” en dan antwoord je altijd: “Het zijn twee verschillende dingen.” Of ze wijzen wanneer er een duidelijk verschil is tussen de twee cadeaus, naar het lelijkste en vragen: “En vind je dit mooi?” en dan antwoord je: “Het is iets totaal anders.”’

    Hilarische momenten komen ook veelvuldig voor, waardoor je je door het lezen steeds vrolijker voelt worden. Bovendien is het taalgebruik prachtig, en daarom alleen al is het een genot om dit boekje te lezen. Als kleine pareltjes spatten de mooi gekozen woorden van de bladzijden. De beschrijvingen zijn luchtig en vrolijkstemmend. Dit is een boekje dat uitermate geschikt is om er tussendoor af en toe even een stukje uit te lezen en het daarna weer even weg te leggen, je zit immers niet in een verhaal. Maar de scènes en gebeurtenissen die beschreven worden smaken naar meer. Het is een boekje om vaker in te kijken, staand voor de boekenkast weer eens glimlachend een scène of een zin te herlezen. Je staat weer stil bij het feit dat de kleinste, alledaagse gebeurtenissen en dingen verantwoordelijk zijn voor het mooiste, meest onverwachte geluk.

    Ten slotte beleeft de Rome-kenner nog extra plezier aan dit boekje: bijna alle scènes spelen zich af in Rome, en in sommige scènes worden ook specifieke plaatsen en straatnamen genoemd. De Rome-leek zegt dit niets, maar ach, wie kan zich niets voorstellen bij zonovergoten, kronkelende straatjes en steegjes die ruiken naar de zomer en waar je de scootertjes continu moet ontwijken?
    Als je op zoek bent naar iets vrolijks, luchtigs, moois, waarin je af en toe een stukje leest om kleine momenten van onverwacht geluk te ervaren, dan is dit werkje van Piccolo een aanrader.