• Metamorfoses van verdriet

    Metamorfoses van verdriet

    De debuutroman Prooidier van Irene Wiersma draait om drie personages: Kirsten, haar vriend Berend, en Rudi: de man op wie ze hopeloos verliefd wordt en haar de figuurlijke afgrond in helpt. Er ontstaat een toxische relatie tussen Rudi en Kirsten, maar de relatie tussen haar en Berend is ook niet liefdevol. De twee mannen sturen haar continu en er is weinig ruimte voor Kirstens eigen behoeftes en gevoelens. Haar onzekerheid laat haar bij beide mannen blijven, en haar zelfbeeld brokkelt steeds verder af. Totdat er bijna niets meer van over is. Ze leeft haar leven ‘angstig ineengedoken, zoekend naar verlossing in de armen van anderen’.

    Kirsten is een jonge, net afgestudeerde muzikante. Ze benadert de oudere Rudi, een bekende popartiest, om te vragen of hij haar wil helpen met haar debuutalbum. Hij stemt toe, maar al gauw blijkt dat hij andere bedoelingen heeft. Hij zuigt haar mee in zijn wereld, accepteert geen ‘nee’. Hij betwijfelt elke keuze die Kirsten maakt en beïnvloedt haar zodanig dat het lijkt alsof haar hele identiteit vervormt. Ze smelt bij Rudi, vergeet bijna wie ze is. Haar gevoelens voor hem zijn zo intens dat alles ervoor moet wijken. Er ontstaat een destructieve driehoeksverhouding, waarbij Kirsten zichzelf steeds meer verliest.

    Afgebrokkeld zelfbeeld

    Tussen Kirsten en Berend vormt zich ‘een barrière van onbegrip.’ Ze geeft toe verliefd te zijn op Rudi en daarmee jaagt ze Berend behoorlijk in het harnas. Hij lijkt haar te willen kneden tot een persoon die ze niet is. Onder het mom dat hij het beste met haar voorheeft, lijkt Berend in sommige opzichten nog dominanter dan Rudi. Kirsten incasseert een bijna constante stroom van beledigingen en woedeaanvallen van Berend, haar twintig jaar oudere vriend.   Hij had qua leeftijd haar vader kunnen zijn, en zo behandelt hij haar ook regelmatig. Op enig moment komt hij haar halen alsof ze een stout kind is: ‘Jas aan, nu, ik breng je naar je ouders. […] Ik vroeg je niets, ik zei: jas aantrekken’. Hij controleert alles, alsof ze zijn eigendom is. Dit neemt zulke heftige vormen aan dat Kirsten op een gegeven moment haar telefoon en laptop aan hem moet geven zodat hij alle inkomende berichten kan lezen. De rode vlaggen lijken ook bij deze man eindeloos. ‘Mijn adem stokt, ik krimp tot formaat Duimelijntje’. Ook hier is geen sprake van liefde en hij dwingt Kirsten in allerlei bochten en tot seks. Haar schuldgevoel richting Berend neemt buitenproportionele vormen aan en laat haar bij hem blijven en hem zijn gang gaan, terwijl ze eigenlijk los zou moeten komen van beide mannen. Kirsten neemt zich dit vooral steeds zelf kwalijk.

    Vervorming naar de ander

    Het afgebrokkelde zelfbeeld van Kirsten is op meerdere plekken terug te lezen. Niet geheel toevallig zijn er verwijzingen naar De gedaanteverwisseling van Kafka. Kirsten lijkt enkel nog te bestaan in de schaduw van anderen, en transformeert en vormt zich tot een vreemd wezen: ‘Als een levend accessoire’. Alsof ze haar omgeving nodig heeft om zichzelf te definiëren. Kirsten vormt zich naar de persoon die ze voor zich heeft; Rudi en Berend bepalen haar wisselende identiteit. ‘Ik verander in een fluorescerende cartoonversie van mezelf.’ Even later is te lezen: ‘De strelingen van Rudi’s vingertoppen reduceren me tot een graatloos wezen’.   Ook in de vele liefdeloze seksscènes tussen Rudi en Kirsten is dit terug te lezen. ‘Haast teder vouwt hij me open en neemt me; alles draait om hem, precies zoals het moet zijn – de bekende degradatie tot gebruiksvoorwerp’.

    De objectiverende woordkeuzes, waarin ze zichzelf of haar lichaam degradeert tot een ding,   zijn door het hele verhaal te lezen en laten zien dat Kirstens gevoelswereld en eigenwaarde steeds verder aftakelen. Haar emotionele afhankelijkheid wordt daarmee ook fysiek beleefd. Kirsten gaat uiteindelijk in therapie en vindt zichzelf terug. Ze breekt zowel met Rudi als met Berend en krijgt een nieuwe relatie met Vincent. Die relatie is wel liefdevol, en ze verlangt ‘niet langer naar het kruipen over de bodem, naar het schaven van mijn knieën bij het aanbidden van een defect persoon.’ Hoewel ze getekend is voor de rest van haar leven, krijgt het verhaal hiermee toch een geruststellende afsluiting.

    Een literaire traktatie

    Wiersma trakteert de lezer op een prachtig taalspel. Zinnen als ‘de lamellen voor de ramen snijden de zomeravond aan repen; verlangend gluur ik naar de lucht achter het glas, naar het laatste restje licht dat gloeit aan de horizon’ laten de lezer, ondanks het zware thema, genieten van de luchtige tussenstukken. Het kost daardoor geen moeite om begrip te krijgen voor Kirsten. Hoe onzekerheid onder de huid kan kruipen, en iemand kan vervormen en van zichzelf kan vervreemden. Hoe vatbaar iemand dan kan zijn voor een ander, die een persoon kneedt tot een ding dat hij of zij amper herkent. Wiersma heeft de complexiteit van zulke gevoelens en relaties prachtig beschreven. Rauw, ongefilterd en niet te overdreven. Een indrukwekkend debuut, en een aanwinst voor het literaire landschap.

     

     

     

  • Volharding der herinnering

    Volharding der herinnering

    De beknopte versie van De Violist van Ingrid de Vries behoorde tot de zeven beste inzendingen voor het boekenweekgeschenk 2025. Er waren zo’n honderdvijftig inzendingen, dus dat is een knappe prestatie. De Vries publiceert sinds 2021, De Violist is haar derde roman. Haar eerder gepubliceerde boeken – Schijnvrucht en Water val – werden goed ontvangen. De Violist is een kleine roman, in een krappe honderdvijfenzestig pagina’s wordt er grofweg en heel mensenleven beschreven.

    Het verhaal gaat over de vriendschap tussen Laurens en Guido, verbonden via de viool. Ze ontmoeten elkaar in Zoutkamp als Guido met zijn raam open staat te spelen en Laurens als zestienjarige jongen aanbelt en hem vraagt: ‘De muziek…wat was dat voor muziek?’ Geobsedeerd door het instrument en de muziek moet en zal hij viool leren spelen. Guido wordt zijn leraar en vriend. In drie jaar wordt Laurens klaargestoomd voor het conservatorium waarna hij met de noorderzon vertrekt. Na eenenvijftig jaar ontmoeten ze elkaar weer, maar Laurens heeft dan inmiddels Alzheimer.

    Vriendschap als rode draad 

    In de tussenliggende jaren zijn ze elkaar in gedachten trouw gebleven. Tenslotte is een lange vriendschap eigenlijk ook een soort huwelijk, met zijn eigen beloftes en verwachtingen. Elkaar achterlaten doe je niet zomaar zonder reden. Omdat het verhaal, met grote hink-stap-sprongen, een tijdspanne van ruim vijftig jaar behelst, blijft hun vriendschap wat oppervlakkig. Ze schelen twaalf jaar, en vinden het zelf ook moeilijk om hun band te definiëren. Tijdens hun laatste moment samen is te lezen: ‘In gedachte probeert Guido hun band een plaats te geven. Zijn ze vrienden, leraar en leerling, vader en zoon, broers? Alles tegelijk, denkt Guido.’ Hun levens worden afwisselend verteld. Laurens gaat naar het conservatorium in Utrecht, studeert af, speelt bij orkesten, doet concerten, trouwt, krijgt kinderen, gaat scheiden, hertrouwt en krijgt Alzheimer. Guido blijft in Zoutkamp, krijgt een relatie die uiteindelijk toch strandt en volgt Laurens’ leven via nieuwsberichten uit de muziekwereld. Beiden blijven hun hele leven viool spelen. Alle levensfases in die vijftig jaar dat ze elkaar niet zien, blijven ertussen hangen.

    Laurens is mysterieus en gesloten vanaf het moment dat hij bij Guido binnenstapt. Over zijn thuissituatie laat hij niets los. Maar dat hij Zoutkamp zo snel mogelijk wil verlaten, laat hij al snel blijken. Zonder tussenkomst van Guido schrijft hij zich in bij het conservatorium en zoekt een kamer. Hij laat Guido maar tot op een bepaalde hoogte toe. Want zodra hij zijn eigen uitvlucht heeft gepland, speelt Guido geen rol in zijn vertrek. Hulp met verhuizen wordt afgewimpeld, en zijn nieuwe adres krijgt Guido niet. Bij het afscheid blijft Laurens koeltjes. ‘Laurens maakt zich als eerste los. “Dan ga ik maar.” Hij beent weg met haastige passen. Zonder om te kijken verdwijnt hij om de hoek van de straat.’

    Geen hoop op een weerzien

    Guido is gevoeliger, van hem krijgt de lezer een stuk meer te weten. Hij mist Laurens, staat meerdere keren op het punt om hem op te zoeken. Maar doordat Laurens een schild om zich heen heeft gebouwd, is er iets wat hem tegenhoudt. Andere aspecten van Guido’s leven worden niet uitgebreid behandeld, zoals de band met andere vrienden of familieleden. Hij blijft zijn hele leven in Zoutkamp wonen, en verliest de hoop om Laurens ooit terug te zien niet.

    Laurens’ mysterie wordt pas op het eind van de roman opgeheven, dan weet het verhaal echt te raken. Ironisch genoeg leert de lezer Laurens het beste kennen wanneer hij al dement is. Zijn gedachtegang, gevoelens en frustraties komen in die fase uitgebreid aan bod. Evenals zijn thuissituatie en de reden van zijn trauma. Bijvoorbeeld tijdens een verwarde autorit die maar liefst zes pagina’s in beslag neemt. Of in de hallucinaties die Laurens heeft over zijn broer. Ontsnapping is een terugkerend thema in het verhaal. Laurens is op de vlucht. Eerst van thuis naar Guido, dan van Guido naar Utrecht en vervolgens blijft hij nergens lang wonen. Ook tijdens zijn ziekte stapt hij vaak in de auto, waarna hij een paar keer verdwaald. In zijn vlucht verliest hij het contact met Guido, zijn familie en uiteindelijk zijn geheugen. De vergankelijkheid van het leven wordt daardoor pijnlijk beschreven. De muziek blijft Laurens’ enige stabiele identiteit, zelfs als al het andere is weggevallen. De viool geeft hem een stem. Om het thema meer kracht bij te zetten had de vriendschap tussen hem en Guido wel wat meer uitgediept mogen worden. Hun gevoelens voor elkaar hadden het verhaal nog meer versterkt.

    Afscheid en vergankelijkheid

    Soms zijn er lange beschrijvingen van de omgeving en mist er  een verdieping van de plot. Die twee kunnen elkaar prima complementeren, maar dan moet het wel een natuurlijk verloop hebben. Nu ontstond er soms een afkeer in plaats van de beoogde verplaatsing in het perspectief en de situatie. Ook had die ruimte wellicht beter gebruikt kunnen worden voor meer diepgang van de personages en hun vriendschap, meer achtergrond over Laurens’ familie of zijn emotionele worstelingen.

    Het nawoord is ontroerend, wat een verdriet zit er in dit verhaal verweven. De Vries baseerde deze kleine roman op Albert Huisman en haar vroegere levensgezel Willem Jan Wegerif. Beide violist, beide getroffen door Alzheimer. De muziek bleef voor hen intact, zoals dat ook bij Laurens het geval was. Eigenlijk verdient het boek een tweede lezing omdat aan het eind de fundamenten van Laurens’ leven pas duidelijk worden. Afscheid en vergankelijkheid zijn universele thema’s die het verdienen om vereeuwigd te worden op papier.

     

     

  • Alleen dode vissen gaan met de stroom mee

    Alleen dode vissen gaan met de stroom mee

    De schelmenroman Overgave op commando (2025) van Nadia de Vries volgt Schelvis in haar zoektocht naar volwassenheid en betekenis. Schelvis groeit op in een rustig kustdorpje, waar netheid en conformisme centraal staan. Haar moeder verslijt mannen bij de vleet en heeft maar weinig aandacht voor ‘onze held’, zoals ze in de tussentitels wordt aangeduid. De Vries maakt het gender van Schelvis overigens niet geheel duidelijk, maar dat doet er voor de verhaallijn ook niet toe. 

    Schelvis dus, onze held, heeft gedurende haar jeugd een vast vriendengroepje. Aan de leiding daarvan staat de knappe, mysterieuze Jeremy op wie ze stapelverliefd is. Jeremy heeft echter ook een donkere kant. Op een dag besluit hij Pim, een jongen uit het dorp, te ontvoeren en te mishandelen. Schelvis gaat met de stroom mee zoals verwacht wordt. Ze ontvoeren Pim en verzinnen sadistische spelletjes om hem te laten lijden. Schelvis neemt daarin ineens de bovenhand, maar dat wordt haar niet in dank afgenomen. De mishandeling verplaatst zich van Pim naar Schelvis, en ze wordt voor dood achtergelaten met een gapend gat in haar wang. Sindsdien heeft haar uiterlijke verschijning zelfs wat weg van een vis: een gat in haar wang, als een kieuw, en haar blauwe haar als de zee. 

    Na de mishandeling besluit Schelvis het dorp te ontvluchten. ‘Nadat mijn gezicht permanent veranderd was, wist ik dat ik uit het dorp weg moest’, zegt ze stellig. Naar de stad. Waar alles vuil en meedogenloos lijkt te zijn. ‘Het leven in de stad is duur, en een veelheid aan gebouwen en adressen betekent nog niet dat er voor iedereen een huis is.’ Ze leeft er als zwerver en wordt na haar oproep op een prikbord om onderdak, in huis genomen door Ruud, een eenzame pensionaris. Maar dat onderdak heeft een prijs. Ruud verlangt geen huur, maar s’ avonds moet ze wel naast hem op de bank zitten en haar schoot laten bevoelen. ‘Na wekenlang op straat te hebben gewoond klonk dit als een aantrekkelijke ruil’, aldus Schelvis. 

    Werkgeverschap in al zijn vormen

    Ze vindt een baan – om wat geld te hebben en van Ruud weg te zijn – bij Sophie, eigenaresse van een bistro en later bij journaliste Tanja. Voor iemand werken houdt ze echter niet lang vol, daar is ze te anarchistisch voor, en ze besluit om weer dakloos te worden. Al snel ontmoet ze Marjorie die in een woongroep woont en bedelt om rond te komen. Schelvis sluit zich bij hen aan. De filosofie van deze groep alternatieve kunstenaars bevalt haar wel. ‘Door een baan te hebben geef je een ander toestemming om over je te heersen, voor een uur of dertig per week, tenminste’, luidt de uitspraak van Marjorie.
    Om indruk te maken op de vrienden van Marjorie neemt Schelvis een baan in een paardenslagerij. Van de opbrengst koopt ze geschenken voor hen. Hoe vrijgevochten en open de bohemiens ook lijken te zijn, het gaat hier om valse vrijheid. Want wanneer Schelvis bekent dat ze in de paardenslagerij werkt, volgt wederom een traumatische mishandeling. Deze alternatieve wereld lijkt even dwingend als die in het dorp. 

    De mensen waar Schelvis voor werkt, leren haar iets over zichzelf en over het leven. Ze hebben allemaal een andere visie. Sophie staat erg ten dienste van haar klanten, is daarin zelfs onderdanig. Tanja is anarchistisch en zelfstandig. De paardenslagerij laat Schelvis beseffen welke rol de dood in het leven speelt. Alles heeft een prijs, het onderdak bij Ruud, het werk in de slagerij. Telkens moet Schelvis haar keuzes met iets bekopen, zoals haar lichamelijke integriteit, vriendschappen die stuk gaan, mishandeling. Ze verhuist terug naar het dorp, en daarmee is de cirkel rond. Ze erkent haar plek en beseft dat ze er thuishoort. 

    Zelfinzicht als grootste goed

    Het format van de hoofdstuktitels is gebaseerd op dat van Oliver Twist van Charles Dickens, wellicht de meest bekende arbeidersroman. Maar waar Oliver Twist wel eindigt in verzoening en opklimming, is dat bij Schelvis niet het geval. Hoewel ze veel ervaringen rijker is, is zelfinzicht hier het grootste goed, en zelfs dat komt met een litteken. Ze is terug waar ze vandaan komt, heeft niets meer dan toen ze vertrok, maar beseft wel wie ze echt is. 

    ‘Waar ik ook keek, door het kijkgat of erbuiten, ik werd omringd door kolossale dingen. De hemel en de zee: ze konden me wel degelijk opslokken, als ze daar zin in hadden, ze konden me alles laten doen wat ze wilden. In het grote plaatje van alles was ik piepklein, vrijwel niets. Ik kon er niet aan ontsnappen.’ 

    Aan het eind van het boek ziet ze zichzelf en erkent zichzelf. Als een vissenkop waar de meeuwen om vechten. De nederigheid die ermee gepaard gaat is inspirerend. Overgave op commando houdt de lezer een spiegel voor. Je leven willen ontvluchten, is soms een illusie. Hoe graag we ook boven onszelf willen uitstijgen, er is altijd iemand beter of groter. En juist daarin, in die visie, ontstijgen we onszelf. Want ook de succesvolste mens blijft een klein zandkorreltje in de ogen van de kosmos. Zoals wij allen. Daarin zijn we pas echt gelijk.

     

     

  • Hoe de eeuwige twijfelaar tot een oordeel komt

    Hoe de eeuwige twijfelaar tot een oordeel komt

    In De Gloed van Annemarie de Gee wordt een 36-jarige vrouw – tevens verteller van het verhaal – met zichzelf geconfronteerd nadat er een riviercruiser met vluchtelingen is aangemeerd voor haar huis. Er volgt een eindeloze stroom van  filosofische gedachten waarin de verteller zich een moraal probeert te vormen. De lezer wordt meegenomen in een innerlijke strijd in de vorm van een ‘Stream of Consciousness’. De vrouw heeft duidelijk bepaalde visies over wat goed en fout is en voelt zich schuldig over haar eigen opvattingen. 

    Dat ze de vluchtelingenboot niet voor haar huis wil hebben, wordt al snel duidelijk. Ze houdt de vluchtelingen nauwlettend in de gaten en kijkt regelmatig, ook ’s nachts, obsessief door de sterrenkijker van haar zoon naar de riviercruiser. Waardoor de vraag opkomt wie nu wie parasiteert. Ze leeft in een ivoren toren van burgerlijke rijkdom, met buren die ze persoonlijk kent, uitzicht op de Leeghwaterplas en heeft kennelijk alle tijd van de wereld. Naarmate het verhaal vordert, groeien haar twijfels en daarmee de verwarring. 

    Moeder als indringer

    Het hoofdpersonage wordt telkens in andere woorden beschreven: als vrouw, dochter, moeder. Nooit wordt ze bij naam genoemd. Alsof ze alleen in een functie bestaat. De lezer komt niet bijster veel van haar te weten, behalve dat ze vriendinnen, een man, zoon, en moeder heeft. Met die laatste is haar relatie moeizaam. Haar moeder lijkt te pas en te onpas binnen te vallen, als een soort indringer, en zich met allerhande zaken te bemoeien, zoals het weggeven van oud speelgoed en meubels aan de vluchtelingen. De vrouw kijkt ernaar en denkt erover na. Haar moeder spoelt over haar heen, maar zich erover uitspreken doet ze nauwelijks. De moeder en dochter zijn daarin tegenpolen: alles wat de vrouw niet doet, doet haar moeder wel. 

    Andere personages worden met slechts een voorletter aangesproken. Zoals O., een journaliste die een reportage maakt over de vluchtelingen en zelf als kind ook gevlucht is. Over haar komt de lezer nog het meest te weten. Ze vertelt haar verleden aan de vrouw en krijgt zo een gezicht, een eigen verhaal. Al moest ze zichzelf wel naar binnen wurmen. Ook zij maakt inbreuk op de privacy van de vrouw. ‘Ze wil de deur sluiten maar O. zet een voet op de drempel. De twee vrouwen kijken elkaar aan. Dan laat de een de ander binnen omdat ze niet anders kan.’ Het contrast tussen O. als standvastige indringer en de vrouw kan niet groter zijn. Later trekken ze vaker met elkaar op, al bloeit het niet op tot een echte vriendschap. 

    Wat is haar werkelijkheid

    Thema’s zijn er in overvloed, niet alleen de vluchtelingencrisis, maar ook feminisme, de klimaatcrisis en kapitalisme. Allemaal thema’s waarover de verteller filosofeert. Het voelt soms wat veel en rijst de vraag: legt ze zichzelf niet te veel op? Ze heeft in bepaalde dingen een erg sterk moralistisch gevoel. Zelfs over het bakje yoghurt dat ze eet vraagt ze zich af ‘of het mag, of het eten van yoghurt nog te rechtvaardigen is tegenwoordig, met de koeien en de overproductie van melk en zo.’ Ze geeft aan dat er zoveel gedachten zijn die niets verklaren. ‘Ik ben ze niet de baas, ze stromen maar door me heen.’ De vrouw lijkt haar eigen gedachten maar niet te kunnen ordenen. ‘Met iedere daaropvolgende dag groeide de discrepantie tussen een wakend zelf, dat ze samen met J. vormgaf, en een slapend zelf’. […] ‘Iedere nacht terugkeren naar iets wat lang en breed voorbij is laat zijn sporen na. Het geeft te denken wat we eigenlijk nog onder de werkelijkheid verstaan.’ Zinnen als deze laten de lezer nog meer twijfelen. Wat is haar werkelijkheid eigenlijk?

    ‘Scherpstellen, dichterbij komen tot aan het water. Ik wil de gloed door het raam zien branden’. Soms zou je willen dat de vrouw haar eigen gedachten wat scherper stelt. Voor een intellectuele vrouw voelt ze erg chaotisch waardoor het hele verhaal met stukken lastig te volgen is. Er zijn veel onbeantwoorde vragen. Het verhaal speelt zich af in haar eigen huis, ze heeft geen baan en heeft overduidelijk veel tijd om na te denken. Het lijkt of ze mentaal  niet in balans is. Een zin als: ‘Klaarblijkelijk heeft ze alle realiteitszin verloren, in beide handen afgescheurde delen van planten. Een klassieke protagonist die grip verliest’, lijkt dat te bevestigen. 

    Alles werkt aanstekelijk

    Waarom heeft deze vrouw zoveel tijd omhanden? Waarom gaat zij niet naar haar werk? Wie is deze vrouw eigenlijk? Waarom zitten er hiaten in haar geheugen en zit ze daar aan die keukentafel over na te denken? En waarom heeft ze zoveel verontrustende dromen over Mark Rutte? De twijfelende vrouw laat uiteindelijk de lezer ook twijfelen, het werkt aanstekelijk. 

    Hoewel de thema’s maatschappelijk relevant zijn, worden de personages en de ontwikkeling van de hoofdpersoon niet volledig uitgediept en dat maakt het verhaal niet overtuigend. Dat is jammer, want het stellen van ongemakkelijke vragen over privileges, xenofobie en fragiele grenzen van onze moraal vergt moed. Iets wat je dit personage zou gunnen. Het mist de emotionele impact die de onderwerpen die ze aanhaalt eigenlijk verdient. Mocht het boek willen aansporen tot zelfreflectie, is dat slechts voorbehouden aan degenen die haar gedachtestroom herkennen en kunnen volgen. Verder blijft het giswerk.