• Op wolken lopen

    Op wolken lopen

    Het oorspronkelijk in het Duits geschreven boek Boven aarde, beneden hemel van de Duits/Japanse schrijfster Milena Michiko Flašar (1980) heeft een aangename nonchalante toon. Deze is ongetwijfeld het resultaat van juist niet nonchalant schrijven. Er zit zes jaar tussen de publicatie van haar vorige roman — Meneer Katõ speelt familie — en deze. Haar debuut, Een bijna volmaakte vriendschap, verscheen in 2015.

    Boven aarde, beneden hemel wortelt ondanks de half-Duitse achtergrond van de schrijfster in de Japanse cultuur. Het boek speelt zich bijna geheel af in Tokio. Flašar kiest in de 25-jarige juffrouw Suzu een hoofdpersonage dat haar dagen het liefst in volledige eenzaamheid slijt. Saai? Niet als het fijne pennetje van de schrijfster haar tot leven wekt. ‘Landschappelijk bekeken situeerde ik mezelf ergens tussen woestijn en steppe.’ Haar hamster Punsuke spiegelt haar leven. Punsuke kruipt weg in zijn holletje, weigert elk contact, maar als juffrouw Suzu noodgedwongen haar zieke collega Takada een tijdje in huis opneemt, leeft de hamster helemaal op. Hij komt uit zijn holletje en laat zich zelfs weer een beetje aaien.

    Kodokusha

    Juffrouw Suzu komt vooral goed tot haar recht in het contrast met de energieke meneer Sakai. Hij is de uitbater van een hoogst merkwaardig bedrijf waarvoor juffrouw Suzu als schoonmaakster gaat werken. Het bedrijf, met nog een aantal grappige en bijzondere werknemers, is gespecialiseerd in het opruimen en schoonmaken van huizen waarin lijken langere tijd onopgemerkt hebben gelegen. In het Japans worden dat soort overledenen kodokusha genoemd. ‘Het gaat erom dat je iets voor een dode doet wat je anders alleen voor een levende doet’, zegt meneer Sakai om uit te drukken dat elke dode, ook al is hij of zij nog zo eenzaam en verlaten gestorven, respect verdient.

    Via meneer Sakai en juffrouw Suzu brengt de schrijfster in een aantal adembenemende portretten de zo tragisch gestorvenen tot leven. ‘Samen met de bewoners waren ook de spullen blijven liggen, en hoewel het dode, onbeweeglijke voorwerpen waren, weerspiegelde hun toevallige groepering iets van het moment waarop een mens een lijk was geworden’, bedenkt juffrouw Suzu bijvoorbeeld. Zodoende houdt elke dode de levenden een spiegel voor. Als juffrouw Suzu steeds geconfronteerd wordt met haar eigen tamelijk levenloze bestaan, begint er iets te veranderen. De vraag is of ze uiteindelijk het lef heeft haar leven op de kop te zetten. Want, zo bedenkt ze, als de aarde boven en de hemel beneden was, zouden we op wolken lopen.

     

     

  • Oogst week 36 – 2024

    In den vreemde – Kronieken

    Frida Vogels (1930) is bekend geworden met het driedelige De harde kern (1992) en vooral door het tweede deel waarvoor ze in 1994 de Libris Literatuur Prijs ontving. Tussen 2005 en 2014 zijn elf delen van haar dagboeken gepubliceerd, over de jaren 1954-1978. Vogels schreef meerdere boeken, en vertaalde uit het Italiaans. Haar onderwerp is haar eigen leven, altijd in relatie tot familieleden en vrienden die dan ook uitgebreid beschreven worden, soms als hoofdpersoon. Zichzelf en anderen doorgronden is wat haar drijft, en verantwoording afleggen – aan de onbekende lezer. Ze wil kennen en gekend worden.

    In de proloog van In den vreemde schrijft ze: ‘Ik schrijf woorden op het papier. De lezer zit op mijn schouder en leest mee. (…) Hij heeft me door. Dat is trouwens precies wat ik verlang. Ik stel me voor dat hij me ongenadig zal ontmaskeren, (…) dat ik woorden op papier schrijf is geen gekkenwerk; ik heb me te verantwoorden.’ Het is een veel directere stijl dan de meer omfloerste van haar vroegere boeken. In den vreemde beslaat haar jeugd in Bloemendaal en Laren, de oorlog, haar studietijd in Parijs en Milaan, haar huwelijk met de Italiaanse Ennio, haar leven in Bologna en de jaarlijkse gang van enkele maanden naar Amsterdam om er te schrijven.

    ‘Pappa en mammie hielden een Levensboek bij,’ zo begint ze, ‘over mijn eerste levensjaren en dat boek heb ik pas nu, nu ik tweeënnegentig ben, voor het eerst in handen gekregen. Dat ik ooit die bedrijvige, zorgzame kleine Frida ben geweest waar zij twee toen over schreven, “al zo echt een vrouwtje” zoals pappa tevreden constateerde, kan ik nauwelijks geloven, maar zo is het dus geweest.’

     

    In den vreemde - Kronieken
    Auteur: Frida Vogels
    Uitgeverij: Van Oorschot 2024

    Boven aarde, beneden hemel

    Kodokushi is een Japans woord voor mensen wier eenzame overlijden voor langere tijd door niemand wordt opgemerkt. Gespecialiseerde schoonmaakdiensten halen de lijken weg en maken de woning schoon. In Boven aarde, beneden hemel van de Oostenrijkse schrijfster Milena Michiko Flašar (1980, Japanse moeder, Oostenrijkse vader) is Suzu nieuw in het werk, waarvoor behalve eerbied en zorg vooral geduld en een sterke maag vereist zijn. In steden met een toenemend aantal mensen en een kleiner en duurder aanbod van woningen groeien de problemen. Mensen zijn afstandelijk, de grens tussen desinteresse en discretie vervaagt, kodokushi komen vaker voor. Suzu, die thuis haar eenzaamheid deelt met een goudhamster, vindt het moeilijk om met mensen om te gaan, inclusief haar eenzelvige collega die net als zij een gebruiksaanwijzing heeft. Toch leert ze in haar werk iedereen snel kennen. Ook de doden, waarvoor ze groot respect toont. Door hen en hun voorbije leven ontdekt ze de waarde van omkijken naar een ander mens. Ook de kleurrijke collega’s van de schoonmaakdienst helpen Suzu zich te ontwikkelen tot iemand die het belang van contact met andere mensen leert kennen en waarderen.

    Net als in Flašars Een bijna volmaakte vriendschap (2015), waarin een jongeman, een hikikomori, twee jaar het huis van zijn ouders niet uit is geweest, zijn de hoofdpersonages sociaal onhandige, geïsoleerde individuen. Langzaamaan laten ze anderen toe, durven ze toenadering te zoeken en de verbinding met een ander mens aan te gaan.
    Ondanks de zwaarte van de onderwerpen weet Milena Michiko Flašar haar verhalen op droogkomische toon lichtvoetig te vertellen.

     

    Boven aarde, beneden hemel
    Auteur: Milena Michiko Flašar
    Uitgeverij: Cossee 2024

    De vriendschap van bomen – Heropvoeding van een bioloog

    Bioloog Arjen Mulder leerde met bomen communiceren en schreef erover in De vriendschap met bomen. Eerder al schreef hij Vanuit de plant gezien (2019) waarin hij zich in planten verplaatste. Voor meer bomenkennis volgde hij een cursus bij fysisch geograaf en boomdruïde Maja Kooistra die in veel werelddelen onderzoek naar bomen deed. Mulder had al ontdekt dat hij met bomen kon communiceren. In De vriendschap met bomen legt hij uit dat bomen onder- en bovengrondse netwerken hebben waarmee ze met elkaar communiceren en ook met dieren en mensen. Bomen kunnen een stemming oproepen, of actief de menselijke somberheid doen verdwijnen en op vragen reageren, schrijft Mulder. Maar of het allemaal echt zo is weet hij niet. Wel heeft hij ontdekt dat je deze wereld alleen kunt kennen via gevoel, intuïtie en zelfkennis. Als je met bomen wilt communiceren moet je de aannames van het psychologisch model loslaten.

    In het radioprogramma Vroege vogels vertelt hij over zijn ervaringen. Hij merkte dat bomen op hem reageren. Of een boom werkelijk zijn onbewuste kan lezen weet hij niet. ‘Ik heb geen flauw idee. (…) Misschien klopt het idee van hoe wij in elkaar zitten wel niet en kunnen wij met ons lichaam veel meer registreren zonder dat we er erg in hebben, maar leren we onszelf om dat niet te doen.’ In het begin nam hij de beslissing om geen verklaringen te zoeken maar het gewoon mee te maken. Hij ontdekte dat er meer mensen waren met dezelfde ervaring. ‘Toen wist ik zeker dat ik niet gek aan het worden was.’

     

    De vriendschap van bomen – Heropvoeding van een bioloog
    Auteur: Arjen Mulder
    Uitgeverij: De Arbeiderspers 2024
  • Zomerlezen – Fijne boeken

    De avant-gardisten

    Voor kunstliefhebbers en geïnteresseerden in de geschiedenis van de Sovjet-Unie is een nieuw boek van Sjeng Scheijen een absoluut feest, zeker na het succes van zijn biografie uit 2009 over Sergej Diaghilev, de oprichter van het vermaarde Ballets Russes. Kunstenaars als Diaghilev, zijn compaan Alexander Benois en de schilder Kandinsky waren verfijnde lieden, zelfbewust en goed opgeleid en, in de tsarentijd, bekend met hofkringen, terwijl Malevitsj en Tatlin, de twee iconen van de Russische avant-garde waaromheen het nieuwe boek van Sjeng Scheijen, De avant-gardisten 1917-1935, is opgebouwd, van veel eenvoudiger komaf zijn.

    Malevitsj was een autodidact, een begenadigd vertolker van zijn eigen ideeën, hoewel niet altijd door iedereen goed begrepen. Malevitsj is een charismatische man die echt school maakt. Vrijwel alle avant-gardekunstenaars van zijn tijd zijn beïnvloed door Malevitsj. Tatlin is de meer ingetogen eenling, die zich tracht te onttrekken aan de al te aanwezige Malevitsj. Tatlin houdt er ook andere artistieke opvattingen op na. Hij houdt zich vooral bezig met conceptuele kunst, met het maken van mechanische constructies, maar ook gebruikskunst als ontwerpen van bedrijfskleding en stoelen.

    Sjeng Scheijen slaagt erin de artistieke wereld van de avant-garde op weergaloze wijze tot leven te brengen dankzij gedegen onderzoek op basis van uniek bronmateriaal.

     

     

    De avant-gardisten
    Auteur: Sjeng Scheijen
    Uitgeverij: Prometheus

    De toekomst die nooit kwam

    Hoe een communistische droom van een nieuwe wereld en de nieuwe mens in duigen valt en ontaardt in terreur wordt beschreven door Marc Jansen in De toekomst die nooit kwam, Een geschiedenis van Oekraïne. De vraag die hem bezighoudt is: ‘Welke toekomst heeft Rusland onder Poetin?’ Tot nog toe zijn de Russen niet in staat gebleken hun eigen revolutionaire verleden onder ogen te zien en rekenschap te vragen aan de verantwoordelijke mensen. Hoewel het duidelijk is onder wat voor schrikbewind de Russen ten tijde van Lenin en Stalin geleefd hebben staan Lenin en Stalin nog steeds in hoog aanzien. Er is zelfs sprake van een zekere Stalin-revival. Poetin laveert tussen de neo-stalinisten in zijn land en de aanhangers van de Russisch orthodoxe kerk, terwijl hij zelf steeds meer verwikkeld raakt in de netten van corrupte oligarchen. Kinderen krijgen op school les over de heldenrol van de Russische soldaten in de Grote Vaderlandse Oorlog tegen Nazi-Duitsland en de grote oorlogsleider Stalin, maar horen niets over het pact dat Stalin sloot met Hitler om Polen te verdelen en de Baltische staten in te lijfen, niets over de terreur van Stalin en de blunders in de voorbereiding op de oorlog, laat staan over de holodomor in de Oekraïne, de bewust door de communisten gecreëerde hongersnood in de jaren dertig waarover Marc Jansen eerder in zijn boek Grensland, een geschiedenis van Oekraïne heeft bericht. Er wordt een mythe in stand gehouden op basis van nepnieuws en geschiedvervalsing, maar voor hoe lang nog?

    In dit verband is het aardig om het boek Kuifje in de Sovjet-Unie te herlezen. Het boek blijkt een groter waarheidsgehalte te bevatten dan menigeen in de tijd van verschijnen voor mogelijk hield.

     

    De toekomst die nooit kwam
    Auteur: Marc Jansen
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Een bijna volmaakte vriendschap

    Dit prachtige kleinood verdient het om nogmaals onder de aandacht gebracht te worden.  Zelden heb ik zo’n beklemmend boek gelezen, dat bepaald niet zonder humor is. Juist daarom wordt je er in meegezogen. De setting is vervreemdend, bijna een toneelstuk van Pinter. Jongeman zit op een bankje in een park tegenover kantoorklerk van middelbare leeftijd. Op vaste dagen zitten zij daar. Ze merken elkaar op. Ze maken contact. Er komt een gesprek. Ze gaan op dezelfde bank zitten. Het gesprek wordt intiemer. Er ontstaat een band. Wat is dat? Is dat vriendschap, liefde? Is dat wat je aan het leven bindt? Elke zin in dit boek is raak en betekenisvol. Het boek stijgt boven het verhaal uit. Het boek gaat uiteindelijk over jou, de lezer. Voor een recensie van dit boek verwijs ik graag naar Anky Mulders op Literair Nederland.

    Een bijna volmaakte vriendschap
    Auteur: Milena Michiko Flasar
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee
  • Schrijfster Milena Michiko Flašar bij Writers Unlimited festival 2015

    Tijdens Writers Unlimited dragen schrijvers hun favoriete teksten voor uit de wereldliteratuur en vertellen waarom dit gedicht, romanfragment of songtekst hun leven en eigen werk heeft beïnvloed. Milena Michiko Flašar favoriete tekst is een gedicht van de Japanse dichter Kenji Miyazawa (1896-1933). Precentatie Arjan Peters en Nuweira Youskine.

  • Schijn en werkelijkheid

    Schijn en werkelijkheid

    Lezers van de debuutroman Een bijna volmaakte vriendschap (2012) van Milena Michiko Flašar, een schrijfster met een Oostenrijkse vader en een Japanse moeder, zullen blij zijn dat er nu een tweede roman van haar in vertaling beschikbaar is: Meneer Katō speelt familie.
    Omdat beide romans qua thematiek aan elkaar verwant zijn, eerst kort iets over Een bijna volmaakte vriendschap. Op die manier kunnen vervolgens lijntjes worden getrokken naar Meneer Katō speelt familie, en ontstaat er een beeld van Flašars ideeënwereld en schrijfstijl.

    Bijna volmaakt
    Het romandebuut van Flašar speelt net als de tweede roman in een niet nader aangeduide voorstad van een grote stad. Het draait hier om een ik-figuur, die zichzelf omschrijft als ‘een ineengedrukt mens’. Op een bankje in een park ontmoet hij Stropdas, die door zijn rood-grijze stropdas veel kleurrijker is dan het ik-personage. Door een onzichtbare draad, en door de draad van hun gesprekken, zijn ze met elkaar verbonden. Twee mensen, een jonge man (de ik-figuur) en een kantoorklerk (Stropdas), die overdag eigenlijk niet zo lang in het park horen te zijn als er geen reden voor was. De vriendschap tussen beiden is bijna volmaakt, dat wil zeggen: volmaaktheid bestaat niet, want om volmaakt te worden, moet het juist onvolmaakt zijn.

    Meneer Katō
    In Meneer Katō speelt familie, gaat het in eerste instantie ook primair over twee mensen die met elkaar zijn verbonden: meneer en mevrouw Katō. Zij werken op elkaars zenuwen. Het zijn geen blikken van verstandhouding die ze elkaar toewerpen, zoals de ik-figuur en Stropdas in Een bijna volmaakte vriendschap, maar het lijkt ‘alsof ze elkaar over de tafel heen toeschreeuwen’. Een motief dat verderop in het boek wordt hernomen, wanneer ‘doofstommen (…) elkaar regelrecht met woorden leken te bekogelen’.
    Meneer Katō is gepensioneerd. Misschien is hij wel een ouder geworden Stropdas, die immers ook kantoorbediende was. Hij verveelt zich en gaat in op het voorstel van een jonge vrouw die hij ontmoet en die, zoals ze zelf zegt, ‘familie speelt’. Dat wil zeggen dat ze aanvragen krijgt van bijvoorbeeld een man die gaat trouwen en een zus zoekt om over zijn jeugd te vertellen of een vrouw die een kleindochter zoekt die ‘gewoon nog ‘ns naar een gladde huid van een jong mens wil kijken’. Het visitekaartje van de jonge vrouw is rood, net als de das van Stropdas, met letters die aaneengeregen zijn tot een draad (!) Zoals de draad die Katō’s vrouw tornt uit de vastgenaaide broekzakken van haar man.
    De draden kunnen zo worden doorgeknipt of onzichtbaar zijn. Zo verdwijnt er gaandeweg de roman een en ander, zoals Itō, een collega die meneer Katō veel tegenkwam en opeens niet meer (zou hij dood zijn?), zoals de hangjongeren voor het station, met plastic bankje en al. Of van het echtpaar dat naar hun huis kijkt, terwijl het is afgebrand; ze ‘leken het toch te zien’. Meneer Katō neemt zich voor bij Itō langs te gaan, zoals hij zoveel goede voornemens heeft. Zoals bijvoorbeeld het maken van een aanbouw aan zijn huis, die hij, ‘de niet gebouwde aanbouw, de grond in [wil] stampen’. Zichtbaar en onzichtbaar.

    Schijn en werkelijkheid
    Je herkent het meteen als een kenmerk van het werk van Flašar. Net als de onaffe, losse flarden van zinnen uit het debuut, die in iets gewijzigde vorm terugkomen. Hier heet het bijvoorbeeld: ‘In de zijstraat. Niets verrassends’, ‘Wat anders. Wie zal het zeggen?’ In tegenstelling tot in het debuut, zijn hier twee flarden aaneengesmeed en staan er wel leestekens.
    Het zou zomaar kunnen, dat de auteur heeft ontdekt dat hiermee, meer dan met grammaticaal onaffe, zoekende zinnen, verbindingen kunnen worden gelegd. Verbindingen tussen mensen die zowel worden gezocht als ontweken. In dit verband doet het woord ‘familie’ het hem: ‘een magische cirkel die hen allemaal omsloot (…). Een zacht gevoel in zijn mond. En hij kan het proeven. Met zijn tong ging hij langs zijn tanden’.

    Verdubbeling
    Meneer Katō speelt familie is opgebouwd als een opera, inclusief een ouverture: als hij het niet meer volhoudt in zijn huwelijk is een dakloze bereid voor hem in te vallen als substituut-personage, zoals hij dat later zelfs veelvuldig zal gaan doen. Het is een frase die wanneer Katō hem weer eens op een kruispunt treft, wordt herhaald – als een Leitmotiv in een opera, een paar noten waaraan je een personage herkent.
    Dat zijn elementen die het boek een gelaagdheid en structuur geven die het verhaal boven zichzelf uittillen. De ene lezer zal de roman misschien niet opwindend vinden, minder opwindend dan Flašars debuut, de ander zal misschien juist genieten van de delicaatheid ervan, waarbij een woordkeuze als ‘Voor ze haar mond opentrekt’ opeens, in verhouding, heftig binnenkomt. De delicaatheid lijkt precies wat de schrijfster met de beschrijvingen van de verschillende levens waar meneer Katō als substituut-personage even in binnendringt, wil zeggen: ‘Wat is dat saai! En je wilde dat het allemaal wat opwindender was’. Such is life. Het zit hem in kleine dingen.

    De jonge vrouw, de opdrachtgever van meneer Katō, meent dat het bizar is je andere, soms ongelukkige levens van anderen te willen voorstellen. Bizar? Misschien ook wel de bedoeling in een tijd waarin schijn en werkelijkheid nog dieper ingrijpen dan in de roman het geval is, met de sociale media die het echte leven lijken te vervangen of te verdubbelen, in een tijd die vraagt om empathie. Misschien wil Katō dat óók wel zeggen, en staan de verdubbeling van het ellendige huwelijk van Katō’s en de moeizame relaties waar hij binnenstapt daarvoor symbool. Dat mag iedere lezer voor zich uitmaken.

     

  • Onmachtig om het juiste te doen

    Onmachtig om het juiste te doen

    In Een bijna volmaakte vriendschap draait het om besluiten die geen besluiten zijn. Hoofdpersonen Taguchi Hiro, een zogenaamde ‘hikikomori’, en Ōhara Tetsu, een ‘salaryman’, laten zich drijven door hun gevoel en erkennen tenslotte dat nietsdoen ook een besluit is.

    Een hikikomori is een Japanse jongere die zich langdurig opsluit in het ouderlijk huis, meestal omdat hij of zij zich niet kan of wil aanpassen aan de prestatiemaatschappij. Een salaryman is in Japan een mannelijke werknemer van een bedrijf.

    Bij ik-verteller Taguchi was het niet de prestatiedruk op school waardoor hij een hikikomori werd. Het was nadat hij zijn vriend Kumamoto door een auto overreden zag worden en in zijn herinnering voortdurend diens hand vanaf het asfalt naar hem opgeheven zag, dat hij besloot voortaan op zijn kamer te blijven en het leven te ontwijken.

    In de jaren daarvoor verloochende en verloor hij vriendinnetje Yukiko door haar zijn steun te onthouden op het moment dat zij die nodig had en ook de neergang van een klasgenoot op school had hij misschien kunnen voorkomen als hij niet had weggekeken bij de treiterijen door andere klasgenoten.

    Twee jaar na zijn zelfgekozen afzondering zoekt hij huiverend de buitenwereld weer op. ‘Op een koude februariochtend, gaf ik toe aan mijn verlangen.’ Hij laat zichzelf vrij, zoals hij het noemt.

    Onwennig vermijdt hij iedere aanraking, ieder contact. ‘De gruwelijkste gedachte was die aan twee blikken die op een toevallig moment in elkaar vasthaken.’

    Als hij in een park waar hij als kind met zijn moeder kwam een plek gekozen heeft om zijn dagen door te brengen, komt een oudere man, Ōhara, die Taguchi later ‘Stropdas’ gaat noemen, dagelijks op de bank tegenover hem zitten. Na twee weken wisselen ze wat blikken en woorden en in de toenadering die volgt vertellen ze elkaar langzaam hun geschiedenis. Ook Ōhara kent situaties waarin hij het liet afweten op momenten dat hij een ander, zijn vrouw, houvast had moeten bieden en in de huidige situatie heeft hij een essentiële gebeurtenis, de reden waarom hij op de bank zit, voor haar verzwegen. De consequenties van hun nalatigheid moeten Taguchi en Ōhara met zich meedragen.

    In treffende bewoordingen en betekenisvolle zinnen laat de Oostenrijkse schrijfster Flašar (Japanse moeder, Oostenrijkse vader) zien hoe de jongere en de oudere man, ieder om verschillende redenen en op een andere manier, lijden onder hun huidige bestaan en hun onvermogen om de moreel juiste keuzes te maken. Ōhara zegt: ‘Verteerd door haat verscheen de dood aan mij als een vriend die me hartelijk zou ontvangen, me vriendelijk in zijn hart zou sluiten.’

    Waar Taguchi in het begin van het boek nog denkt: ‘Ik wilde niemand ontmoeten. Iemand ontmoeten betekent verstrikt raken.’ gloort op de bank in het park gaandeweg de hoop. Het praten over de gebeurtenissen en de erkenning zonder oordeel lijken het begin van genezing, van kracht voor een nieuwe start. Als Ōhara op een dag niet komt opdagen, geeft de ontstane vriendschap Taguchi een paar weken later de moed om te besluiten naar hem op zoek te gaan.

    Flašar gebruikt geen aanhalingstekens, zet punten waar je eerder een komma zou verwachten en schrijft soms heel korte en onaffe zinnen. Zoals ‘Stil blijven liggen, terwijl buiten het leven.’ Dat beroep op invulling door de lezer leidt nergens tot onduidelijkheid en heeft een aangename kant omdat het je belet door de tekst te razen – een optie door het ogenschijnlijk eenvoudige taalgebruik – en de kern van de zinnen te missen. Want vele daarvan zijn de moeite waard om nog eens over te lezen en de betekenis tot je te laten doordringen. Ze belichten de psyche van de mens in het algemeen en van het individu in een prestatiegerichte maatschappij in het bijzonder, waar bij falen schaamte op de loer ligt. Dat is in het westen net zo herkenbaar als in Japan. Maar aan het einde van dit uitmuntende boek is het lijden voorbij en de loutering mild. De lezer kan gerust gaan slapen.
    Een bijna volmaakte vriendschap