Sommige teksten hoopt een mens nooit te hoeven schrijven. Verliezen we een dierbare en willen we daar iets over kwijt, dan doet elk woord, elke letter afbreuk aan wat we werkelijk willen zeggen. Desondanks schreven mijn broer, zus en ik een afscheidsrede aan onze vader, vorig jaar oktober. Precies op zijn zestigste verjaardag, na een wekenlang ziekbed, overleed hij aan kanker.
Een paar dagen geleden, 11 juli, stierf hij opnieuw: zijn favoriete schrijver, Milan Kundera, overleed namelijk in Parijs. Veel van mijn vaders romans heb ik overgenomen, bijna de helft daarvan door de Tsjech geschreven. Bovendien bespraken we vaak zijn werk, mits het over literatuur ging. Zulke gesprekken… dat zat er de laatste maanden van zijn leven niet meer in. Nee, ik bespeurde bij mijn vader een fenomeen dat Milan Kundera over de Tsjechische landsgrenzen heen de wereld in slingerde: litost.
Iedere taal kent zijn eigen onvertaalbare begrip en draagt dit met trots uit. Het Nederlands kent ‘gezellig’, het Deens ‘hygge’, het Portugees ‘saudade’. Het Boheemse ‘litost’ betekent volgens Kundera: een vlaag van verstandsverlichting (over dat ‘licht’ straks meer, zoals u wel zult hebben geraden), die ons onze diepe verlatenheid doet beseffen en gevoelen. Pijn lijden, omdat we weten dat we verloren zijn. Hierover schreef Kundera in Het boek van de lach en de vergetelheid. Diezelfde radeloosheid zag ik in de ogen van mijn dappere, lieve vader. De herinnering daaraan maakt langzaam plaats voor een karaktertrek die hij deelde met de romancier: lichtvoetigheid.
Luidruchtig lezen
Absurdisme en humor, daar zat Kundera’s werk vol mee. Denk aan Het leven is elders, waarin hoofdpersoon Jaromil alleen door te gelóven dat hij een groot dichter hoort te zijn, zichzelf de dood in jaagt. Ook Lachwekkende liefdes, De grap en Het feest der onbeduidendheid nopen de lezer er regelmatig toe het boek weg te leggen van de lachstuipen. Luidruchtig een boek lezen, het kan met Kundera. Een ander kenmerk van Kundera’s oeuvre is zijn voorliefde voor de paradox. Nu wordt deze term wel vaker lukraak van stal gehaald, als er slechts sprake is van een duffe tegenstelling. Bij Kundera versterken de binaire opposities elkaar. Wie kent niet zijn wereldberoemd geworden De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, waarvan de titel alleen al een vuistdikke analyse verdient?
Maar ook zijn essaybundel Het doek bevat er genoeg. Zo blikt hij terug op de zoveelste politieke crisis in communistisch Tsjechië: ‘We lachten onbedaarlijk. Wat onze lachlust opwekte was de smakeloosheid van de geschiedenis.’ In de verhandeling richt Kundera onder meer zijn pijlen op ‘agelasten’: mensen die nergens meer om kunnen lachen. Wie nergens meer om kan lachen, ziet immers evenmin ergens de ernst nog van in, behoudens zijn eigen gelijk natuurlijk. Tegelijk bedankt hij hen: ‘Hun bestaan geeft het komische zijn volle betekenis, laat zien hoezeer het een gok is, een risico, en onthult de dramatische essentie ervan.’ Die essentie was banaal, vluchtig, maar het kostbaarste wat een mens heeft. Waarom streeft hij anders naar onsterfelijkheid?
Komisch sterven
In 1990 schrijft Kundera warempel Onsterfelijkheid. Hierin streven meerdere personages ernaar onsterfelijk te worden. Begrijpen zij dan niet dat hun vereeuwiging pas écht begint bij hun heengaan? Eén manier om te sterven lijkt de Tsjech fantastisch: op een komische manier. Schlemielig. Dan zou zijn dood voor altijd lachwekkend zijn, en misschien zijn leven ook. ‘Geen romanschrijver is mij dierbaarder dan Robert Musil. Hij stierf op een ochtend toen hij halteroefeningen deed.’ Kundera fitnesst zich een ongeluk, want ‘doodgaan met halters in de hand, net als mijn geliefde auteur, zou me tot een epigoon maken, zo ongelooflijk, zo waanzinnig, zo fanatiek, dat ik ogenblikkelijk verzekerd was van de lachwekkende onsterfelijkheid.’
Over die lachwekkende, ondraaglijke lichtheid gesproken… Matthijs van Nieuwkerk had het lef Kundera’s magnum opus bij DWDD te ontheiligen. Wat hem betreft ging het toiletboek Antiglamour van Halina Reijn en Carice van Houten over grote vragen des Levens: ‘Er is namelijk ook de ondraaglijke lichtheid van ons bestaan. Namelijk, wie vind je leuk? Wie vind je minder leuk? Dat verschilt misschien per dag.’ Kundera zou er vast hard om hebben gelachen. Omineuzer klinkt zijn aankondiging in Onsterfelijkheid hoe het ons allen vergaat, als we het hoekje omgaan: ‘Op een dag toont de camera ons een mond, vertrokken in een trieste parabool, als het enige dat ons van hem zal bijblijven, dat hij achterlaat als een parabel van zijn hele leven.’ In het licht van zijn indrukwekkende oeuvre is de doodsgrimas wel het laatste waarmee we Kundera zullen associëren. Ik dank mijn onsterfelijke vader dat hij mij nog altijd laat genieten van deze onsterfelijke auteur.
De Italiaanse schrijver en journalist Andrea Bajani (1975) is in eigen land een gelauwerd schrijver. Over zijn debuutroman, Cordiali saluti, (2005), schreef de schrijver Antonio Tabucchi (1943-2012) dat hij dit boek gelezen had ‘met een opwinding die ik in tijden niet meer heb gevoeld in de Italiaanse literatuur’. Het boek won vier prijzen. Zijn tweede boek, Ogni promess, verscheenin Nederland als De belofte. In 2014 verscheen een bundel ultra korte verhalen in de trant van Italo Svevo, Het leven is niet alfabetisch. Beide boeken vielen in de prijzen.Zijnroman Un bene al mondo (2016) Het hoogste goed (deze romans werden vertaald door Yond Boeke en Patty Krone) werd onlangs verfilmd. Vanaf 2017 publiceerde Bajani verschillende poëziebundels, ook schrijft hij essays voor de krant La Repubblica.
Het boek van de huizen is een fascinerende vertelling over de ontwikkeling van een kind tot jongeman, student, echtgenoot, schrijver en de verschillende huizen waar het personage Ik, heeft gewoond. Het is geen chronologisch vertelling, de schrijver springt door de tijd. Er zijn plattegronden van de verschillende huizen in afgedrukt en zonder een toekomstroman te willen zijn, is er een hoofdstuk gesitueerd in 2048, waarmee het idee een traditionele roman in handen te hebben, geheel verworpen wordt.
Sinds enkele jaren woont Andrea Bajani in Houston, Amerika waar hij Creative Writing geeft aan de universiteit. Een groot deel van Het boek van de huizen schreef Bajani in Rome, de uiteindelijke vorm van het boek kwam in Houston tot stand. Rond de verschijning van de Nederlandse vertaling verbleef Bajani enkele dagen in Amsterdam. Voor het interview ontmoetten we elkaar in de Cobra Lounge van het Ambassade Hotel aan de Herengracht.
Wat betekent een huis voor u?
‘In Italië is ieder huis een herinnering die behouden blijft voor de familie. Daar is het normaal dat mensen in oude, beschadigde huizen wonen. In Texas, waar ik op dit moment woon, kopen ze alleen het stuk land, vernietigen het huis dat erop staat en bouwen iets nieuws omdat het voordeliger is. Dat is in Italië ondenkbaar.
Ik ben een nomade, maar in mijn manier van rondtrekken zit altijd de behoefte het perfecte huis te vinden. Als ik het zou vinden betekent dat het einde van mijn zoektocht. Ik pleit er dan ook voor dat geluk een streven blijft, niet een bestemming die je bereiken moet. Mijn culturele achtergrond zegt me dat een huis een plaats voor altijd betekent, meer algemeen denk ik dat een huis een goed narratief is voor een betekenisvol leven. Huizen zijn een soort van fictie. Als schrijver is dat interessant voor mij.’
Naast dat het een boek over huizen is, gaat het ook, in haast onopvallende noteringen ook over klassenverschillen, zoals, ‘Bij de uitgang van de supermarkt valt het muntje dat ze als wisselgeld bij het bonnetje hebben gekregen vaak in de hand van de derde wereld die tegen de muur zit.’
Wat wilt u hiermee aantonen?
‘Tegenwoordig hebben we enkel een middenklasse, met daarbinnen de hogere- en lagere middenklasse. De arbeidersklasse wordt niet meer genoemd, alsof men zich daarvoor schaamt. Iedereen kan nu bereiken wat hij wil. En als je dan zelf iets bereikt hebt, wil je wel een aalmoes aan daklozen geven. Ik wil laten zien hoe we onszelf voor de gek houden, zo snel vergeten waar we vandaan komen.’
Het boek van de huizen is fragmentarisch en zonder uitgesproken emoties geschreven. Toch spreekt er een verlangen van Ik naar geborgenheid, naar liefde uit. Er is sprake van geweld en verwaarlozing in de jeugd van Ik, iets dat gaandeweg duidelijk wordt.
Waar vond dit boek zijn oorsprong?
‘In 2015 werkte ik voor een fellowship op de Amerikaanse Academie in Rome. Een paar blokken van de de academie was het huis waar ik ben geboren. In het boek is dat het ‘Huis onder de Grond’. Toen ik drie was verhuisden mijn ouders met mij en mijn zus naar een ander huis. Mijn oma bleef daar achter. Tot 2001 kwamen we met kerst en pasen nog bij haar op bezoek. Daarna ben ik er niet meer geweest. Het was beangstigend dat dit huis zo dicht bij de academie lag, beangstigend omdat mijn familieverhaal een verhaal vol pijn is. Eerst observeerde ik het huis een paar dagen van een afstand. Toen heb ik aangebeld. Het was een klein huis, ik heb op het buitenplaatsje gestaan waar ik als kind speelde. Toen ik daarna terugliep naar de academie, had ik de structuur van dit boek en de eerste zin: “Ik gaat wandelen.” Ik had de visie van het hoofdkarakter en alle huizen waar Ik gewoond heeft voor ogen. Ik wist dat dit een puzzel van huizen zou worden. Terug in mijn appartement ging ik strijken, dat is voor mij de enige manier om me te kunnen focussen op een idee. En ik wist, dit boek moet ik schrijven. Ik heb er vijf jaar over gedaan.’
Waarom moest het hoofdpersonage ‘Ik’ genoemd worden?
‘Die eerste zin “Ik gaat wandelen.”, had een bedoeling. Die zin kwam niet voor niets bij me op. Ik vertrouw de woorden die in me opkomen, en ik weet dat ik ze moet volgen. Het hele punt van schrijven is dat je begint te schrijven en gaandeweg pas ontdekt wat de bedoeling is. Toen ik bij mijn geboortehuis aanbelde, wilde ik op dat moment terug naar het kind dat ik toen was. Toen ik binnenkwam wist ik dat dat niet kon. Hoe moet ik het zeggen, ik was toen een kind, nu ben ik een ander persoon. Daarom geloof ik niet in memoires. Alles wat je hebt gedaan in je leven, wordt in een memoir verklaard. Het boek van de huizen is voor mij precies het tegenovergestelde. Wat ik met dit boek wilde, was ervoor te zorgen dat elke ik die ik geweest ben, de driejarige, de zestien- en vierentwintigjarige gerespecteerd werden om wie ze toen waren, hun handelen wilde ik niet verklaren.’
Zijn huizen herinnering bewaarders?
‘De enige manier om te herinneren is het verleden te bezoeken. In de huizen van vroeger vind je jezelf uit het verleden weer terug. In een andere gedaante, maar jij was het wel. Herinneringen zijn een verzameling momenten in de tegenwoordige tijd.
De hoofdstukken ‘Huis van de Dode Dichter’ en ‘Huis van Gevangene’, gaan over schrijver en filmmaker Pier Paolo Pasolini die in 1975 werd vermoord en de ontvoering en moord op politicus Aldo Moro in 1978. Waarom noemt u ze niet bij hun naam?
‘Ik besloot hun namen niet te noemen, te weten wie het zijn is een extra laag aanbrengen die ik niet wilde. Je hoeft ook niet per se te weten dat Ik, Bajani is. Ik ben geboren in augustus 1975, de Ik uit het boek is wat later geboren. Bij Aldo Moro was ik drie jaar, de tv beelden waren gewelddadig. In het huis waar ik als driejarige woonde stond de tv altijd aan. Ik herinner me de beelden niet, maar ze zijn toch ergens opgeborgen in mijn geheugen. Een belangrijk gereedschap voor een schrijver is zijn geheugen. Tijdens het schrijven kwamen deze twee personen naar boven. Ik had niet gepland over hen te schrijven. Het kwam mee met de beschrijving van het huis waar ik geboren ben. Het schrijven aan dit boek was het willen vinden van een huis waar geen pijn bestaat, een huis waar liefde kan bestaan. Daar slaagt de Ik niet in. Uiteindelijk voelt de Ik zich thuis als hij schrijft op zijn laptop. Woorden geven hem het gevoel van veiligheid. Hij voelt het belang van woorden, hoe ze gebruikt worden.’
De eenzaamheid van Ik doet denken aan het jongetje in Bajani’s boek Het hoogste goed, dat geen ander gezelschap heeft dan zijn verdriet. Als een trouwe hond blijft het bij hem, ligt aan zijn voeten als hij aan tafel zit.
Gaat het in beide boeken over dezelfde jongen, over hetzelfde verdriet?
‘Zonder het te willen hebben over een trilogie is Het hoogste goed het eerste deel. Dit boek is het tweede deel en in mijn computer zit het derde boek, net zo’n kleine roman als de eerste. Alle drie zijn ze compleet verschillend maar komen uit dezelfde bron. In het Het hoogste goed gaat het over verdriet. Daarin werd de pijn uitgewerkt, ik huilde elke regel die ik schreef. Dit boek, het tweede, kon ik met meer afstand schrijven en gaat over vergiffenis. Het derde boek, dat ik schreef tussen 2020 – 2022, is confronterender.’
Er is een zus die Ik probeert te bereiken, maar het zijn vruchteloze pogingen. Het maakt verdrietig over deze pogingen te lezen. Wat is er met de zus?
‘Je bent de eerste die me hier naar vraagt. Soms blijven mensen achter, komen ze niet mee in het leven dat je gekozen hebt. Ik verstoot zijn ouders, hij ziet ze nooit meer, wat begrijpelijk is. Maar hij laat ook zijn zus achter. Zij is eigenlijk het echte slachtoffer, de geofferde. Zij kon haar ouders niet verlaten, Ik liet haar daar achter. Meer dan alle andere dingen in het boek laat dit de eenzaamheid van Ik zien. Zijn zus was de enige die hij kon vertrouwen, waarmee hij zich wilde verbinden, en dat is niet gelukt.’
Voorin het boek is een citaat van Milan Kundera opgenomen. Wat betekent deze schrijver voor u?
‘Ik ben schatplichtig aan Milan Kundera. Hij is de schrijver die me initieerde tot een vorm van fragmentarisch schrijven. Het heeft jaren geduurd voor ik zo kon schrijven. Kundera stopt politiek, engelen (er komen twee engelen in Bajani’s boek voor I v/d G) en seks in zijn boeken. Zo te schrijven als hij schreef, was een manier om hem te eren, mijn dankbaarheid aan hem te tonen. Ik was zeventien toen ik hem voor het eerst las. Zijn boeken waren metafysisch, in eerst instantie begreep ik niet alles. Ik kon hem in zijn schrijven niet opvolgen. Ik vind ook dat je als beginnend schrijver eerst op de traditionele manier moet leren schrijven. Pas na vijftien jaar werd Kundera’s manier van schrijven een keerpunt in mijn leven. Je moet eerst sterk in schrijven worden om een puzzel te kunnen schrijven. Kundera is nu vergeten. Toen hij in het Frans ging schrijven, verloor hij iets.’
Heeft u er wel eens over gedacht uw boeken in het Engels te schrijven?
‘Ik geef les in het Engels, mijn leven is in het Engels, tachtig procent van de boeken die ik lees zijn in het Engels. Deze taal heeft een grote invloed op mijn Italiaans. Taal is ook een houding, door het Engels ben ik veel directer geworden. Maar ik zou niet in het Engels kunnen schrijven. Ik ben verweven met mijn taal, mijn herinneringen zijn in het Italiaans. Ik zou iets verliezen als ik in het Engels zou schrijven.’
Wordt met het verschijnen van het derde boek dat nu nog in uw computer zit, een periode afgesloten?
‘Elk boek dat ik schrijf voelt als het laatste, maar het is belachelijk als schrijver te denken dat je je laatste boek hebt geschreven. Met Het boek van de huizen dacht ik alles gezegd te hebben. Maar schrijven is een manier van denken, een manier van leven. Een schrijver zoekt naar de zin van het leven en als je die gevonden denkt te hebben, dan is dat je laatste boek. Maar gelukkig komt er steeds opnieuw iets dat onderzocht moet worden, en dat wordt dan weer een idee voor een boek dat geschreven moet worden.’
Foto: Emiliano Ponzi
Het boek van de huizen / Andrea Bajani / vertaald door Manon Smits / Uitgeverij Van Oorschot
In 2017 debuteerden meer dan honderd Nederlandstalige schrijvers bij een gerenommeerde uitgeverij met een roman, poëzie- of verhalenbundel. Enkelen werden in de landelijke pers besproken of genomineerd voor een literaire prijs. Weinigen halen met hun eersteling een herdruk. Van velen blijft het debuut onopgemerkt. Wie van deze debutanten moet je in de gaten houden?
Literair Nederland liet zijn oog vallen op Gerda Blees, zij debuteerde begin 2017 met de verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet bij uitgeverij Podium. Een titel waarvan je wilt weten wat zich daarachter ophoudt. Tien verhalen die stuk voor stuk verbluffend goed geschreven zijn en je geregeld naar adem doen happen. Zo goed dat je wilt weten hoe ze dit gedaan heeft. Duidelijk is dat ze het detail niet schuwt en heeft ze een soort brutale flair in haar schrijven waarmee ze het onwaarschijnlijke als uiterst waarschijnlijk voorstelt. De lezer gaat er grif in mee; een overtuigend schrijfster.
Gerda Blees (1985) publiceerde in de afgelopen jaren met enige regelmaat verhalen en gedichten in literaire tijdschriften (Kortverhaal, Hollands Maandblad,Het Liegend Konijn). In 2016 kreeg ze de (laatste) Nieuw Proza Prijs Venlo uitgereikt, een prijs voor het beste debuut in een Nederlandstalig literair tijdschrift. Ze won de prijs met ‘Zomerkroos’, dat in 2015 in Tirade werd geplaatst en in haar debuut als openingsverhaal is opgenomen. Toen ze in 2015 meedeed aan Poetry Slam, stuurde iemand van de organisatie een gedicht van haar naar uitgeverij Podium. Ze werd uitgenodigd voor een gesprek en zo kwam van het een het ander.
Twee romans
We treffen elkaar in café Broers aan het Janskerkhof te Utrecht. Terwijl Gerda Blees haar rugzak onder de tafel zet, er een bestelling wordt opgenomen en we onze stoelen aanschuiven vertelt ze als in een ‘by the way’, dat ze ‘eerder twee romans heeft geschreven’. Waarop ik verbaasd vraag of die uitgegeven zijn.
‘Ik ben er wel mee langs uitgevers geweest maar niemand zag er wat in. Ik had bij een roman schrijven het idee van een lang uitgesponnen verhaal. Maar dat werkte natuurlijk niet. Uit die eerste roman, waarvan ik ook wel zag dat die niet goed was, is het verhaal ‘Naar het oosten’ gehaald en die tweede roman ligt nog in een la.’
Ze vertelt het alsof het heel gewoon is om aan een roman een kort verhaal over te houden. En dat is het eigenlijk ook voor Gerda Blees. Schrijven is voor haar tevens een ontdekken waar haar kracht zit. De ambitie om eens een roman te schrijven, is met haar twee eerdere pogingen daarbij dan ook niet verdwenen.
Heb je altijd de ambitie gehad om schrijver te worden?
‘Als kind dacht ik er wel eens aan om kinderboekenschrijver te worden. Dat leek me wel wat. Ik zat altijd te lezen, veel van Roald Dahl, Paul Biegel, Thea Beckman. Ik schreef ook graag. Op mijn negende schreef ik eens het langste opstel van de klas. Ik herinner me nog dat dat opviel, maar had zelf niet het gevoel dat het bijzonder was. Op mijn twaalfde had ik met een vriendinnetje het idee opgevat een boek te schrijven.’
Tijdens haar studie (Liberal Arts and Sciences, Communicatiestudies en Bestuurs- en Organisatiewetenschap in Utrecht), was er weinig tijd over om te schrijven.
‘Ik volgde wel schrijvers die aan Write Now! meededen, zoals Maartje Wortel. Maar na mijn afstuderen ben ik
pas echt gaan schrijven.’
Was er sprake van een onvermijdelijke drang om te schrijven?
‘Ik heb eigenlijk altijd geschreven, voor de schoolkrant en op school. Ik wist ook wel dat ik daar iets mee wilde, maar ik dacht eerder in de richting van journalistiek of het schrijven van zakelijke teksten. Dat schrijven als kunstvorm zo goed bij mij past heb ik pas ontdekt toen ik na mijn studie mijn eerste serieuze verhalen en gedichten begon te schrijven. Dat ik taal kon gebruiken om dingen te verzinnen en te verbeelden was echt een ontdekking: ik had het niet achter mezelf gezocht. Het was alsof er een luikje in me open ging en dat luikje is niet meer dicht gegaan.’
Hoe lang heb je aan deze verhalenbundel gewerkt?
‘Ik heb een jaar vrij genomen om aan een reeks verhalen met als thema ‘niet denken aan de dood’ te werken. Ik had al een paar verhalen die in Tirade en Kortverhaal waren verschenen. De rest van de verhalen heb ik erbij geschreven”, vertelt ze op een toon alsof je dat zo even doet. Ik vraag of ze makkelijk schrijft.
“Als ik eenmaal het idee heb voor een verhaal dan gaat het eigenlijk wel. Het concept schrijf ik altijd met de hand. Dan kan ik het tempo van mijn gedachten beter bijhouden. Daarna typ ik het uit, print het en schrijf veel woorden opnieuw, waarna ik het weer uit typ, print en woorden verander. Zo herschrijf ik een verhaal toch wel zo’n tien keer.’
Waar komt de titel vandaan?
‘Ik had de titel ‘Aan doodgaan dachten we niet’, al bedacht maar dat vond de uitgever niet zo’n goed idee vanwege het woord ‘dood’ erin. Maar omdat ik een andere titel niet geslaagd vond, kwamen we uiteindelijk toch weer bij ‘Aan doodgaan dachten we niet’. In het laatste verhaal van de bundel ‘Regen en geen regen’, komt dit ook voor. Daar hebben ze het niet over de dood, daar dachten ze gewoon niet aan.’
In elk verhaal in je bundel las ik ook een waarschuwing. In ‘Zomerkroos’ dat we onze kinderen niet uit het oog mogen verliezen en in ‘Echt vakwerk’, dat ouders niet te veel van hun kinderen mogen verwachten. Wil je iets aantonen met je verhalen?
Ik heb niet echt een boodschap. Het is meer dat ik zelf iets wil ontdekken in mijn verhalen. Extreme situaties intrigeren me. Hoe komt iemand tot iets. Vaak kom ik daar al schrijvende achter. Ik zit er bovenop, wil het onwaarschijnlijke van wat er gebeurt, zichtbaar maken.’
Als ik zeg dat haar personages eenzaam zijn, klinkt ze verbaasd. ‘Zo heb ik er nog niet naar gekeken, dat ze eenzaam zouden zijn. Dat ze daarom de dingen doen die ze doen. Ik vind het meer dat ze buiten de norm vallen. Dat ze anders doen dan wat er normaal gesproken van iemand verwacht wordt.’
Hoe ontstaan je verhalen?
‘Vaak begin ik met een personage of een bepaalde handeling. Het gegeven voor het verhaal ‘Op reis’ waarin een dochter haar terminale moeder onttrekt aan de medische zorg, las ik in de krant. De werkelijkheid was nog extremer dan in mijn verhaal, de dochter in het artikel nam haar dode moeder mee naar een bos en liet haar daar achter. Een ander verhaal ‘Blauw, blauw’, over een vrouw die een baby wil en die op een gegeven moment steelt, begon met een gedachte, een voorstelling. Ik weet dan nog niet hoe het zal eindigen. Dat ontwikkelt zich tijdens het schrijven. Voor sommige verhalen, zoals bij ‘Echt vakwerk’, bedenk ik een achtergrond om te begrijpen waarom die ouders zo zijn. Ik hoef zo’n achtergrond niet uit te schrijven maar het helpt me wel om personages waarachtig neer te zetten.’
Wie zijn je voorbeelden in de literatuur?
‘Die vind ik vooral in de buitenlandse literatuur. Zo’n alwetende verteller als in het eerste verhaal (‘Zomerkroos’) heb ik ontdekt door Tolstoj te lezen. Bij zijn verhalen dacht ik: “Oh, dat kan je zo doen”. Schrijven alsof je erboven staat. Ik leer schrijven door te lezen. Ik lees ook graag schrijvers als José Saramago; De stad der blinden, Het jaar van de dood van Ricardo Reis. En Gabriel García Márquez en Milan Kundera, vertellers die duidelijk boven hun verhaal staan.’
En de poëzie, waarmee je toch binnenkwam bij de uitgever?
‘Hoewel ik er veel meer moeite mee heb een goed gedicht te schrijven dan een kort verhaal, werk ik graag aan gedichten. Het is niet eenvoudig, wordt niet veel gelezen en uitgeverijen zijn er niet altijd zo happig op. Toch blijf ik het schrijven. Poëzie is een liefde van mij. Binnenkort komt er ook een dichtbundel van me uit.’
Binnenkort blijkt al heel snel te zijn. Donderdag 12 april verschijnt haar bundel Dwaalllichten bij uitgeverij Podium.
Het beschouwende proza van Kundera is zonder meer fascinerend. Hij noemt het zelf een ontmoeting van zijn bespiegelingen en zijn herinneringen en ook van zijn oude thema’s en oude (literaire) liefdes.
Het is voor de geïnteresseerde lezer wel even doorbijten want de auteur veronderstelt een uitgebreide kennis van de Franse literatuur en ook legt hij dikwijls dwarsverbanden met de schilderkunst en de muziek. Een goede encyclopedie biedt in de meeste gevallen uitkomst. Het is in dit verband opvallend dat heel veel onderwerpen die Kundera in zijn essays ter sprake brengt, kort na het verschijnen, op de vrije internetencyclopedie Wikipedia zijn bijgewerkt. Het is alsof de uitgever en zijn medewerkers er een vermoeden van hadden dat sommige schrijvers en vooral ook dichters niet zo erg bekend zouden zijn bij het Nederlandse lezerspubliek. Doordat Martin de Haan met zijn voortreffelijke vertaling de aandacht heeft gevestigd op het werk van Kundera, komt hier wellicht verandering in.
Kundera houdt er, volgens eigen zeggen, een denkbeeldige eregalerij op na. Als eerste daarin verschijnt de opmerkelijke kunstenaar Francis Bacon die uitspraken doet die aanzetten tot nadenken zoals: ‘Als ik naar de slager ga, verbaas ik mij erover dat ik daar niet hang in plaats van het dier’.
Zo nu en dan is er wat somberheid in de betogen, bijvoorbeeld wanneer hij zegt nog steeds door te gaan met de zoektocht naar het van zin verstoken toeval dat het leven is. Geestverwanten als Francis Bacon en Samuel Beckett hebben gezegd getuige te zijn van de ondergang van een beschaving. Ook wordt gerefereerd aan het werk van de van oorsprong Roemeense toneelschrijver Eugene Ionesco die in zijn absurdistische stukken voortdurend thema’s als de dood en de zinloosheid van het leven behandelt.
Heel bijzonder is ook de door Kundera aangehaalde uitspraak van Samuel Beckett: ‘De kunst wordt vaak besmeurd door een theoretische ondoorzichtige woordenbrij waardoor een kunstwerk niet meer in contact word gebracht met de kijker of luisteraar zonder pre- interpretatie’. Een boodschap die sommige recensenten van concerten en tentoonstellingen zich aan zouden moeten trekken.
Nooit is Kundera scherp kritisch in zijn beschouwingen. Als hij al kritiek uit is deze zeer mild. Zo maakt hij gewag van de grote literaire kwaliteiten van Louis-Ferdinand Céline zonder aandacht te schenken aan zijn antisemitische pamfletten en zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog zeer laakbare gedrag. In de volgende hoofdstukken worden steeds kunstenaars ten tonele gevoerd (vooral veel schrijvers) wiens werk door Kundera van commentaar wordt voorzien. Soms lijkt zijn boek op een bundel boekrecensies en op een ander moment heeft het iets van een ‘Dode dichters almanak’ omdat hij soms heel ver terug gaat in het verleden.
Grote verdienste van Milan Kundera is onder andere dat hij steeds bij zijn lezers belangstelling weet te wekken voor de meest uiteenlopende literaire onderwerpen. Zo vestigt hij de aandacht op het werk van Jacques Anatole François Thibault, beter bekend onder de naam van Anatole France. Nieuwsgierig geworden zullen er onder de lezers van Kundera’s ontmoetingen, velen zijn die zich naar de boekhandel spoeden om zijn werk Les dieux ont soif in een Nederlandse vertaling te bemachtigen.
Ook interessant, voor vooral de Nederlandse lezers is de briefwisseling met de Mexicaanse schrijver Carlos Fuentes. Hij hield in 2006 de Huizingalezing aan de universiteit te Leiden. Nog nieuwsgieriger worden we als Kundera vermeldt dat tijdens een door de Frankfurter Algemeine Zeitung in 1999 gehouden enquête, de trilogie, Die Schlafwandler van Hermann Broch, door Fuentes als grootste van deze eeuw wordt aangemerkt.
De literatuur in de verschillende voormalige Franse gebiedsdelen zoals Martinique komen ter sprake. Het Frans wordt nog steeds op scholen onderwezen maar het alledaagse taalgebruik (la parole immédiate) is het Creools. Patrick Chamoiseau heeft zijn romans verrijkt met Creoolse uitdrukkingen en heeft daarmee de unieke historische en culturele wortels van het Caribische gebied willen benadrukken. Kundera zegt dat hij dat gedaan heeft omdat ze grappig, betoverend en onvervangbaar zijn.
Een opera van landgenoot Janacek wordt besproken. En daarna komt Theresienstadt ter sprake. Herinneringen worden opgehaald aan een ontmoeting die Kundera had in zijn jonge jaren met een Joods echtpaar dat tijdens hun verblijf in deze ‘vitrine’, waarmee nazi Duitsland zijn misdaden trachtte te verhullen, de herinnering aan Mahler en Schönberg levendig probeerde te houden.
Tenslotte wordt er nog vrij uitvoerig aandacht besteed aan het werk van Curzio Malaparte en zijn twee meest bekende romans, Kaputt en De huid. Alweer een aanbeveling.
Eigenlijk wordt er door Kundera aan ons te veel aangereikt om in één keer te verwerken. Regelmatig zal dit boek moeten worden herlezen. Lees maar goed want er staat veel meer dan er staat.