• Een prachtige, poëtische en theatrale roman

    Een prachtige, poëtische en theatrale roman

    Volgend jaar viert Peter Handke zijn zestigjarig jubileum als schrijver. In 1966 verscheen zijn debuut Die Hornissen (De wespen, 1979) en trok zijn toneelstuk Publikumsbeschimpfung (Hooggeëerd publiek, 1968) internationale aandacht. Geboren in Oostenrijk, woonde de jonge Handke in de DDR. Later reisde hij over de hele wereld en sinds 1990 woont hij in de regio van Parijs. Handke is een bijzonder productief auteur, maar zelfs van een Nobelprijswinnaar wordt niet alles vertaald. Al kun je je afvragen waarom de roman Der Hausierer (1967) als enige van zijn vroege werk nooit in het Nederlands werd vertaald.

    Wanneer Handke, zoals vaak, zijn werk in Oostenrijk situeert, dan gaat het eigenlijk om een klein stukje van dat land, het deel van Karinthië dat grenst aan Slovenië. Zoals in Nog altijd storm (Immer noch Sturm, 2010) vertaald door Miek Zwamborn. Zij is dichteres en wellicht daardoor geschikt om deze tekst te vertalen die leest als een roman, maar ook als een toneelmonoloog. Zowel in Duitsland als in Oostenrijk kreeg dit boek een theaterprijs. ’t Barre Land speelde in april dit jaar, ter gelegenheid van de verschijning van Zwamborns vertaling een aantal monologen daaruit. Toch is de tekst moeiteloos als een poëtische, theatrale roman te lezen.

    De verteller en zijn overleden familie

    De verteller, die gezien zijn familiegeschiedenis sterk lijkt op Handke zelf, zit aan het begin van het verhaal op een bank naast een appelboom voor een boerderij in het Oostenrijkse Jaundal, aan de grens met Slovenië, dat Handke voor de gelegenheid als Jaunfeld heeft herdoopt. Er doemen plots overleden familieleden op die op deze plek hebben gewoond. Zijn grootouders en hun vijf kinderen: drie ooms, een tante en zijn moeder, leden van de ‘Svinec-clan’. Een of meer familieleden spreken de verteller toe. Als een clanlid zwijgt, houden de anderen hun adem in. De ‘droom’ van de verteller begint in 1936, ‘een gelukkig jaar’. Twee jaar voor de Anschluss, waarbij de ‘austrofascistische Bundesstaat Österreich’ werd ingelijfd in het Derde Rijk. Daarna volgen er scenes uit 1942, het geboortejaar van de verteller, ook het jaar waarin de drie broers moeten dienen in het Duitse leger, en uit 1945, het jaar van de Duitse capitulatie.

    De moeder van de verteller wil van het leven genieten. Haar zuster Ursula was werkster en woont daarna teruggetrokken in de koestal. De oudste broer Gregor heeft slechts een oog, studeerde over de grens in Joegoslavië voor fruitboom verzorger en heeft het ouderlijk erf van een appel- en perenboomgaard voorzien. Hij werd daarin een echte expert. Wanneer Gregor voor militaire dienst in Nederland verblijft, is zijn hoogtepunt dat hij oog in oog komt te staan met de Schone van Boskoop. Broer Valentin is een rokkenjager en een wereldburger. Hij wil per se goed Engels leren spreken en misschien ooit emigreren naar Amerika. Het nakomertje (Benjamin) valt in zeven sloten tegelijk en heeft een hekel aan alles en iedereen.

    In de oorlog zit Gregor als soldaat in Nederland, verveelt Valentin zich in Noorwegen en bevindt Benjamin zich in de Oost-Europese steppen, vanwaaruit ze brieven naar huis schrijven.

    Omdat de moeder de brieven van haar broers voorleest, speelt ze een belangrijke rol in het tweede deel van het boek. Daarbij is haar grote liefde, de vader van de verteller, een Duitser. Het kind wordt dan ook door de clan verwenst. Peetoom Gregor over de baby: ‘Ja, hij daar is mijn vijand. De koekoek die ons inheemsen tot op de laatste piep en donsveren uit het nest zal smijten. Futiel schepsel, vormbeginsel van de grote vijand, van de usurpator. Familievijand – volksvijand. De wieg uit met jou, het hondenhok in met dat bastaardkind.’

    Stel je voor: de verteller hoort dit aan, op de bank als bejaarde man, ouder dan zijn grootvader tegenover hem, in aanwezigheid van de zuigeling die hij ooit was. Fascinerend, maar ook ontroerend.

    Taal als motief

    Taal vormt een cruciaal motief in Nog altijd storm. Tijdens de oorlog is het in het Reich verplicht om in het openbaar Duits te spreken. Daarom is het Sloveens van de clan door de Duitsers verboden als ‘ondermensenkoeterwaals’, dat de censor in de soldatenbrieven van de broers zwart kleurt. Zelfs de namen worden officieel verduitst: Svinec wordt Swinetz. De grootvader vervloekt daarom alle Duitsers, ‘van Arnulf tot Ziegfried, van de Anneliesen tot de Zieglindes’.

    De clan heeft een visie op de eigen taal. Allerlei woorden mogen van de grootouders in hun huis niet worden gebruikt. Zoals ‘liefde’, ‘geschiedenis’, ‘tragedie’ en ‘ik’. De moeder van de verteller herkent haar zoon aan zijn taal, zoals ook de rest van de familieleden: ‘Aan jouw taal herken ik je, apenzoon. Wij allen hier verzameld zijn te herkennen aan onze taal (…). Niemand in het hele land spreekt zoals wij, zal zoals wij gesproken hebben.’

    In de oorlog sneuvelen twee broers. Ursula sluit zich aan bij de partizanen, gevolgd door broer Gregor, die deserteerde uit het Duitse leger. Na veel ontberingen en sterfgevallen heeft hun lokale verzet van Sloveense Karinthiërs uiteindelijk een deel van de streek in handen. Trots dat ze al voor het einde van de Tweede Wereldoorlog als enige verzetsgroep in heel het Derde Rijk zelf een gebied hebben veroverd. Waardoor Oostenrijk zelfs na de Nazi capitulatie bij de onderhandelingen met de geallieerden in een gunstige positie kwam te verkeren.

    Mede daarom en tot de grote teleurstelling van ‘dappere hazenharten’ als oom Gregor, kwam het Sloveense deel van Karinthië uiteindelijk niet bij Joegoslavië. Handke gaat hier verder niet op in, maar het nabije Tolmin, dat door Joegoslavische partizanen werd bevrijd, ging in 1947 wel degelijk van Italië naar dit buurland. Ondanks het ‘familievijand – volksvijand’ heeft oom Gregor een bijzondere band met zijn petekind, ook omdat hij de oorlog heeft overleefd. Overigens in een land dat de hevig ontgoochelde Gregor niet meer herkent, zijn boomgaard is afgebrand en vervangen door een parkeerplaats voor pantserwagens.

    Levensgeschiedenis als materiaal

    De boerderij, de grootouders en hun vijf kinderen komen ook in ander werk van Handke voor. Soms in iets andere gedaanten en omstandigheden. Het gaat er dan ook niet om, zo dicht mogelijk bij de werkelijke levensgeschiedenis van Peter Handke te komen, maar om de verschillende manieren waarop de schrijver die als materiaal gebruikt. Al in zijn debuutroman spelen brieven van en associaties over een oom Gregor die in november 1943 sneuvelde, een belangrijke rol. In Dwars door de dorpen (1981), net als Nog altijd storm een soort dramatisch gedicht, keert een Gregor terug naar zijn vaderland dat hij niet meer herkent. Vervolgens, in het epos Herhaling (1986) lezen we Filip Kobals zoektocht naar zijn verdwenen broer Gregor. En een zekere Gregor Keuschnig is een personage in zowel Het Uur van de Ware Sensatie (1975) en Niemandsbaai (1994) als Nacht op de rivier (2008).

    In Mein Tag in anderen Land. Ein Dämonengeschichte (2021) lijkt het personage dat jarenlang door demonen wordt geteisterd sterk op de fruitboomteler oom Gregor, met het petekind als de verteller en ‘chroniqueur’. Helemaal aan het slot van Nog altijd storm herinnert de verteller zich een epifane ervaring in een voormalig goudgraversdorp in Alaska, dat hij ooit bezocht. Tussen het massale gekrioel van de toeristen ontdekte hij een paar inheemse bewoners. Die bleken een eigen code te hanteren om over en door de toeristen heen met elkaar te communiceren.

    De lezer moet onmiddellijk denken aan de moeder van de vertellen die hem hierboven toevertrouwde: ‘Wij allen hier verzameld zijn te herkennen aan onze taal, kunnen elkaar zo tenminste herkennen, ieder van ons kan de ander als een van ons herkennen.’

    Handke herinnert ons hiermee aan de realiteit dat er tot op de huidige dag – en misschien meer dan ooit – veel en veelsoortige ontheemden in onze wereld bestaan. Daarmee is Nog altijd storm meer dan een prachtige, poëtische en theatrale roman alleen.

     

  • Verslavend

    Verslavend

    In de nacht klonk door het open raam de roep van een uil, twee uilen. Of was er een mens in nood? Je dacht aan de buurvrouw twee huizen verderop. Aan hoe je haar moest redden, of je degene die naast je sliep daarbij moest betrekken. Toen verdween het menselijke uit het roepen in de nacht, was er de zekerheid van een uil. Het was prachtig, je ging er eens goed voor liggen, zei, ‘Hoorde je dat?’, maar degene naast je hoorde niets. Later zocht je het op, uilen gaan in december al een nestgebied uitzoeken. Het mannetje begint luid te roepen als hij een plek vindt waar muizen zijn. Achter in de tuin bij de composthoop leven genoeg muizen om een uilenfamilie te onderhouden. Een uil is net zo slim als een boer die op het land dat hem moet voeden gaat wonen. Het tot zijn territorium maakt met hekken en tractor geraas, zo roept de uil luid zijn onzichtbare omheining in het rond.

    ‘Het gezang buiten wordt luider en lijkt nu als een lasso om ons heen te slaan. Ik kan het niet laten de tent een stukje open te ritsen. De stem blijft zingen en sterft dan weg. Even later zwelt het lied weer aan, op een andere plek, meer vanuit de kant waar de aalscholvers nestelen.’ Dit schrijft Miek Zwamborn in Onderling, Langs de kustlijn van Mull. Ze viert Kerst met haar vriend R. op een afgelegen strand. Vanuit Knockvologan, waar ze sinds 2016 woont, zijn ze in twee uur naar het strand gelopen. Ze bouwden een tent, maken vuur om hun ‘driegangenmenu’ op te warmen. Tegen de ochtend worden ze wakker van gezang, denken aan ‘fairies’, aan bos-, moeras- of zeegeesten. Ze ritsen voorzichtig de tent open, het gezang verplaatst zich. Er is het schijnsel van een lamp, dan een visser die zijn fuiken binnenhaalt, en de stem van een radiopresentator die iedereen een zalig kerstfeest wenst. ‘R. en ik laten ons schaterlachend terug op de mat vallen.’

    Hier is het bijna Kerstmis. Er moet van alles gedaan. Je maakt lijstjes, schuift met de tijd, kijkt naar de stapel boeken op de grond. Voor elk gelezen boek, kocht je drie nieuwe. Je reisde in een week twee keer naar Amsterdam, bezocht de boekhandel op het Spui, kocht daar Onderling van Miek Zwamborn. Nu ben je steeds op weg naar de bank, om dat ene boek te pakken. Een neerslag van hoe Zwamborn zich tot het eilandleven verhoudt, het eiland tot haar. ‘Het veen eigende zich een onderbeen toe (stelde zich tevreden met een kaplaars), een rotsspleet deed me bijna voorgoed verdwijnen en in een van de beken loste ik nagenoeg op.’

    Dit boek is reden genoeg om uit de dag te stappen. Je bekijkt foto’s, tekeningen, leest een gedicht, de brieven die Zwamborn schreef aan kunstenaars en dichters die zij bewondert. Ze schreef aan Rosa Luxemburg, geïnspireerd door een brief in het brievenboek van Luxemburg, geschreven in 1917 vanuit de gevangenis waar ze toen verbleef. Zwamborn schrijft:
    ‘Lieve Rosa, / Wat klink je uitgelaten. Zijn er veel dagen als die je beschreef? Na het lezen van je brief heb ik Wagners Die Meistersinger von Nünberg afgespeeld en ik begrijp nu hoe het lied je naar de zomer voerde.’ Om Rosa dan te vertellen over de stand van zaken op het eiland, de windhozen, boompjes die geplant zijn. Hoe schrijvers over eeuwen heen een inspiratiebron zijn, zo inspireert dit boek uit te kijken naar een eiland.

    Je kijkt naar de afbeelding van een ‘urinewiel’. ‘Ooit getekend door een dynastie van artsen op het eiland die hun eigen onderzoek vastlegden. ‘Aan de hand van kleur, geur en smaak van urine dacht men de kwaal van de desbetreffende patiënt te kunnen vaststellen.’  Zwamborn vond het in een vademecum. Ze dacht terug aan het moment dat haar inwijding in de eilandcultuur moet zijn geweest.

     

    Dat was in de eerste maanden van haar verblijf op Mull, ze was uitgenodigd door een van de dichters van The Ross of Mull Poets. De dichter, een man van in de tachtig, liet haar die middag zijn werk zien, ‘(…) in houten panelen gekerfde gezichten en op doeken geborduurde verzen waaromheen hij uit stof geknipte en geschilderde dieren gerangschikt had.’ Bij het afscheid stak de dichter haar een twee liter melkpak gevuld met een gelige vloeistof, of ze die wilde afgeven bij zijn vriendin. ‘Sue (…) nam snel het vocht in ontvangst terwijl ze wel drie keer een excuus mompelde.’ Toen begreep Zwamborn wat de inhoud van het melkpak was: ‘vloeibaar goud waarmee je reusachtige frambozen kunt opkweken en nog veel meer.’

    Tijdens het lezen werd je een gevoel van perfectie, van in het moment zijn, gewaar. Je kijkt de tuin in, denkt, je zou het hier moeten toepassen. De toewijding, de waarnemingen, het lezen van het landschap. Je voelt een mengeling van jaloezie, een soort heimwee naar iets dat je gekend hebt maar vergeten moet zijn. Dit boek is de weerslag van een nimmer aflatend verkennen van een leefomgeving. Het onderzoekende, het creëren, het commitment, het maakt je op een prettige manier sprakeloos. Wat een prachtig, verslavend boek.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem.

  • Verhalen en een partituur van walvisgezang

    Verhalen en een partituur van walvisgezang

    De redactie van literair tijdschrift Terras struint onvermoeibaar door de wereldliteratuur op zoek naar verhalen van schrijvers die een ander geluid laten horen. Dat het tijdschrift neigt naar een boekwerk, beseffen ook de makers van het blad. ‘Terras-nummers neigen tot uitdijen, en houden vaak niet halt bij de grenzen van het voor de hand liggende.’ In deze editie ‘Naar water’ getiteld, kan een verhaal dat zich afspeelt in Napels niet ontbreken. Van journalist en schrijver Nicola Pugliese (1944-2012) is de roman Malacqua. Vier dagen regen in Napels in afwachting van een uitzonderlijke gebeurtenis dat in 1977 verscheen bij uitgeverij Einaudi. Toen het boek uitverkocht was, gaf de auteur geen toestemming voor een herdruk. Pas na zijn dood, in 2012 werd het opnieuw uitgegeven. Een deel daarvan, De derde regendagwerd vertaald door Annemart Pilon.

    Ongekend verhaal

    Pugliese schrijft met het gestage ritme van de regen, als het stromen van water, kabbelend. ‘Met deze regen die naar beneden komt als regen die naar beneden komt.’ En waarin het water zelf tot protagonist verwordt. ‘Dus het was het zilte zeewater, dat van de ene naar de andere stoep overstak. Het kabbelde voort in zachte stroompjes, en er was continu een deel van het water dat voorop ging om de richting aan te geven’. En verderop, als het water door de straten en steegjes de huizen binnendringt. ‘Eigenlijk deed het water niets anders dan uit alle huizen nauwgezet en geduldig één voor één de haveloze jongens opduikelen die die ochtend niet naar de zee bij de Via Partenope, de Via Caracciolo en Mergellina hadden kunnen gaan, en de zee zag dat als een blijk van liefde, en dat was het ook echt.’ Een prachtig verhaal.

    Met een thema als water is ook droogte niet ver weg. Renée van Marissing schreef daarover het interessante essay, Over droogte en watergebrek in speculatieve fictie. Ze las vele boeken over de klimaatcrisis en zag films over een dystopische droogte-toekomst. Ze vraagt zich af waarom deze aanstaande werkelijkheid maar zo moeilijk tot ons doordringt. Dat we het niet kunnen bevatten dat er een klimaatcrisis gaande is. Ook Marissing zelf kan er maar moeilijk aan, ‘ik wil wakker geschud worden maar tegelijkertijd wil ik horen dat wat me verteld wordt slechts een nare droom is, niet de waarheid.’ 

    Walvisgezang

    In deze editie zijn een twaalftal grijze bladzijden waarop meerdere zwarte stippellijntjes staan. Het doet denken aan een rol met gecodeerde muziek zoals voor een draaiorgel. In dit geval gaat het om wetenschappelijke opnames van walvisgezang, onderdeel van het kunstwerk ‘Salvage’ van Vibeke Mascini, die de opnames heeft omgezet naar een partituur voor pianola. Klik hier om de installatie waarop de gecodeerde muziek wordt afgespeeld te bekijken en een fragment van deze gecodeerde walvisgezang te beluisteren.

    Nog zo’n verhaal dat er uitspringt is ‘Spraakklanken’ van de Afro-Amerikaanse sciencefictionschrijfster Octavia E. Butler (1946-2006). In 1984 won Butler met haar korte verhaal Speech Sounds de Hugo Award (prijs voor de beste sciencefiction- of fantasyverhalen). Han van der Vegt vertaalde het voor Terras. Over een ziekte die mensen de taal, het vermogen tot lezen en spreken ontneemt, zelfs het leesgeheugen wordt gewist. En wie er nog spreekt, zwijgt het liefst of wordt door jaloerse omstanders vernietigd. Butler beschrijft een samenleving waarin iedereen een kort lontje heeft, een vechtpartij nooit ver weg is. Een apocalyptisch verhaal dat nochtans een sprankje hoop geeft op het eind wanneer de jonge vrouw Rye, die het hele verhaal gezwegen heeft, twee kinderen vindt waarvan het spreken nog intact is.

    Ze tilt ze op, en neemt in elke arm een kind. Ze zijn zo licht dat ze zich afvraagt of ze wel genoeg te eten hebben gehad. Als de jongen zijn hand over haar mond legt, zegt ze, ‘“Je mag praten,” (…) “Zolang er niemand in de buurt is, is het goed.” Ze zette de jongen voorin de auto en hij schoof op zonder dat ze dat hoefde te zeggen, om plaatst te maken voor het meisje. Toen ze allebei in de auto zaten, leunde Rye tegen het raam, keek naar hen en zag dat ze nu minder bang waren, dat ze haar aankeken met minstens evenveel nieuwsgierigheid als angst. “Ik ben Valerie Rye,” zei ze, en ze genoot van de woorden. “Tegen mij kunnen jullie rustig praten.”’

    Schier oneindig

    Ook staat er een theorie van een zwembeweging in getiteld, ‘Zwemmen of de zwemkunst, thuis aangeleerd in minder dan één uur’ van Jean-Pierre Brisset, vertaald door Roku Hofstede. Geïllustreerd met voorbeeldfiguren. En een stuk van Miek Zwamborn, die woont op Isle of Mull in Schotland. In ‘Compressie’ ontmoet ze de Amerikaanse dichter Seth Crook die zich evenals Zwamborn, heeft teruggetrokken op Isle op Mull. De dichter duikt en zwemt, twee dingen die onlosmakelijk voor Crook met elkaar verbonden zijn. Zwamborn schrijft: “Als je Crooks gedichten naast elkaar legt, zie je de contouren verschijnen van een poëtisch natuurgetrouwe kaart van de zee rond Mull.’

    Zoals gezegd, dit tijdschrift nadert de omvang van een aantrekkelijk boekwerk. Waarvan de meerwaarde is dat elke editie een ontdekkingstocht is. Met aansprekende en wakkere verhalen van auteurs (het literaire veld is wereldwijd schier oneindig) waarvan je absoluut meer wilt lezen.

     

     

  • Teksten als legeringen

    Teksten als legeringen

    Terras is een tijdschrift voor internationale literatuur en kunst en een platform voor vertaalde literatuur, daarin onderscheidt het zich van vele andere tijdschriften. Zoals de redactie aangeeft op hun site, is het streven nieuwe literaire uitzichten te bieden.

    Waar de redactie zeker wel in slaagt is altijd weer een intrigerend thema te vinden voor elke editie. Terras #10 heeft als titel Metalen meegekregen. Een thema, dat niet eenvoudigweg als leidraad dient, maar wordt gebruikt om literatuur en kunst vanuit de invalshoek van bijvoorbeeld een stad (Brussel), een begrip (Maken en breken) en nu dus een grondstof (Metalen), te benaderen en te doorgronden, wat tot verrassende stukken kan leiden. Aan deze editie werkten veertig auteurs en vertalers mee.

    Miek Zwamborn tekent voor de inleiding, Legeringen en schrijft dat taal bij uitstek een vloeibaar materiaal is: ‘elke tekst is een legering op zich. (…) Een tekst kan altijd weer worden aangelengd of herschreven.’ Wat een mooie omschrijving is van hoe metaal zich verhouden kan tot literatuur. Een zeer interessante bijdrage is, Metalisme en mineralisme, van de Franse (wetenschaps)filosoof en dichter Gaston Bachelard (1884-1962). Een stuk waarin gefilosofeerd wordt over metalen in de literatuur, over alchemie en over ‘Denken en verbeelding’ die hun tegenstelling hervinden. Metaal als materieel protest en bij uitstek de stof van de koelheid. “Om het te ’temmen’ zal alle energie van de provocerende dromerij nodig zijn.” Een stuk om op te studeren maar evengoed als ondoorgrondelijke poëzie tot je te nemen. Wat beklijft dat blijft.

    Bij een verhaal van H.G. Wells, dat zich afspeelt in een ijzerfabriek aan het spoor, schrijft vertaler Caroline Meijer in een aantekening vooraf dat het verhaal zelf niet veel om het lijf heeft maar de uitwerking van de rivaliserende relatie tussen de twee mannen des te meer. De kegel is een ijselijk verhaal over twee vrienden waarvan de een de ander met zijn vrouw bedriegt. De bedrogen echtgenoot neemt wraak en Wells laat hem, met de innerlijke kilte van metaal, op overweldigende wijze de minnaar van zijn vrouw, een hel toebereiden. Een verhaal binnen de metaalindustrie, vurig verteld en zeer metallisch.

    Toch kan het gekunsteld overkomen teksten te verzamelen die een gemene deler hebben, in dit geval dus metaal. Het wordt een manier van zien, een fixatie waardoor je in alles een metalige grond, kleur, temperatuur, klank, ritme, vorm en reden ziet, dat ook iets afstotends heeft en te maken heeft met de hardheid van het materiaal die als een soort hoekigheid in de teksten terug te vinden is. Het verhaal van Patricia de Groot, Een sterk staaltje is dan ook een welkome afleiding van de filosofisch/technische verhandelingen. Hoewel er een stalen kast in voorkomt, gaat het om de monteur, die de kast in elkaar moet zetten. Het verhaal is in de vorm van een monoloog. Degene door wie de monteur was ingehuurd, is onder het mom van even geld pinnen om hem te kunnen uitbetalen, niet teruggekeerd. De Groot schrijft met vlotte pen, inlevend en droog humoristisch: “Ja, ik dacht, ik ga maar door, ze zal toch zo wel terugkomen. En op welk  punt besluit je dan dat er iets raars aan de hand is? Ik heb daar geen ervaring mee. Dat leren ze je op de opleiding niet.”

    Jan Nieuwenhuis, musicoloog en muziekjournalist, schrijft mooi over zijn relatie met metaal: ‘het zijn koude blikken die we wisselen, het metaal en ik. (…) Je bent koud en vlak. Je glanst onaantrekkelijk. Je oogt star, weinig aanlokkelijk, onbuigzaam: kil. Je sluit buiten.’ En over metal-muziek waarvan Nieuwenhuis zegt dat het een muzieksoort is met weinig ontwikkeling, ‘want geaard in vaste vormen.’ Nog dit: ‘Ondanks de vele vertakkingen van het genre is het vele malen eenzijdiger dan de veelzijdigheid van de materie. Het is metaal in oervorm: onbewerkt, rauw en hard.’ Dat maakt deze muziekvorm opeens inzichtelijk.

    Net als in alle literaire bladen, wordt er ook gedebuteerd in Terras. Idwer de la Parra kreeg een plaatsje voor twee gedichten. Wat gelijk ook de titel is van zijn gedichten en waarvan Havenwater zich in opbouwende strofen uiteenzet,opblaast, beginnend met: ‘Het is de chaos van het havenwater,/de onderstromen, het blind kopstoten/van golven tegen boeg en kade – het is’. In de vorm van de regels blaast het zich op als een ballon en neemt weer af, slinkt en eindigt met één woord: ‘geweest’. Een gedicht waarin het metaal en de schepen zich op de achtergrond houden.

    Die schepen zijn vol in zicht in het werk van de Duitse dichter Nico Beutge in de serie verhalende gedichten ’s Nachts gloeien de schepen, vertaald door Miek Zwamborn. Mooie strofen als: ‘(…) dichter dan kwarts/waar de stroom zich met stof verbindt en de planten/zand in de lucht tekenen, strooilicht, in lagen/zonder geluid (…).’ Gedichten om voor te dragen, gedichten vol verwarring die klinken tot aan een langzaam begrijpen.
    En er is nog veel meer in deze Terras. Uren en uren kun je erin blijven bladeren en zoeken en je komt er niet uit en krijgt er maar geen genoeg van. En die nieuwe literaire uitzichten worden inderdaad zichtbaar. Mooie editie.

     

    Terras verschijnt twee keer per jaar
    Bestellen via de website.

     

  • Over tederheid

    Over tederheid

    In mijn hoofd klinkt sinds een week het melancholieke deuntje van ‘Verdomme Kees’, van Frans Halsema. Het zit in mijn hoofd, wil er niet meer weg. Ik leg mijn bestek neer als ik uitgegeten ben, schuif een stoel achteruit, haal broden uit de oven, zie hoe ze daar goudbruin liggen te dampen, alles gewoon. Dan als ik me omdraai, mijn jas op hang, de krant dichtvouw, mijn fiets op slot zet, zingt er een plotseling ‘Verdomme Kees’ door mijn hoofd. Op de nagalm van deze tune ga ik verder met de dingen tot weer dat deuntje door mijn hoofd gaat, ik stilsta, weet dat het door ‘Wim’ is dat ‘Verdomme Kees’ in mijn hoofd zit.

    Wat helpt is lezen in De duimsprong van Miek Zwamborn. Het is een van de mooiste en zachtmoedigste boeken die ik in jaren heb gelezen. Een roman rijk aan verhalen over personen die de aarde in  kaart willen brengen. Haar manier van schrijven is onderzoekend maar vooral helder en maakt van elk persoon, hoe moeizaam de levensloop ook, een oprecht geaard mens. Ze beschrijft mensen die een doel hebben, ook al is dat doel het einde van het leven. De rode draad in De duimsprong is een jonge vrouw die, nadat ze hoort dat haar klimvriend Jens is verdwenen, wil achterhalen wat er gebeurd is. In de hoop hem te vinden gaat ze opnieuw de klimtochten maken die ze eerder met hem maakte, ze zoekt op alle plekken waar ze samen zijn geweest. De ontroering ontspringt uit de poging de tijd stil te zitten, te geloven dat hij daar is waar ze hem gezien heeft, waar ze samen waren.

    ‘Op de een of andere manier geloofde ik door naar de plekken te gaan waarover hij me had verteld dichter bij zijn verdwijnpunt te komen. Ik vertrok naar Engeland. Toen ik net als Jens langs de stronken van het Fossil Forrest liep en me op de terugweg over het strand van de Hoefijzerbaai liet blazen ontdekte ik in een van de straten dwars op de baai een boom met daarin buitensporig veel plastic emmertjes en schepjes, aangespoeld waarschijnlijk, verzameld door de zee zelf of achtergebleven op het strand. Daar onder die boom heb ik voor het eerst om Jens gehuild. Al die vermiste voorwerpen bijeen in de boom deden me beseffen dat ik hem wellicht nooit meer terug zou zien.’

    Miek Zwamborn werd door Wim Brands geïnterviewd in 2013. Brands geniet zichtbaar hoe ze vertelt over de uitgangspunten en ontdekkingen die haar tot het schrijven van dit boek hebben aangezet. Genieten is een vorm van tederheid. En dan zingt het weer in mijn hoofd ‘Verdomme Kees’, bij wie moeten nu al die jonge schrijvers, voor wie het het toppunt van waardering is ooit in Boeken met Brands te mogen zitten, waar moeten die nu heen? Nog liever dan met een DWDD-sticker te worden opgescheept werden ze, zeker weten, liever door Wim Brands uitgenodigd om over hun boek te komen praten. ‘Dat zegt iets, naar ik vrees…’

     

    Kijk hier de uitzending met Miek Zwamborn: vpro.nl


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Wat is er te verliezen?

    Wat is er te verliezen?

    De 23-jarige Italiaanse Maria Spelterini steekt op 8 juli 1876, balancerend op een strak koord, de Horseshoe Falls, onderdeel van de Niagara Falls, over. Ze probeert het in de weken erna nog een paar keer. Steeds verzwaart ze haar stunt. Met zeepkistjes. Geblinddoekt. Achteruit lopend. Met vastgebonden polsen en enkels. Het lukt steeds weer. Tot ze, veel ouder, in 1913 nog een poging doet en doodvalt.
    Het is zo’n prikkelend verhaal dat je onmiddellijk meer wilt weten. En inderdaad: die overtochten in 1876 kloppen. Maar die fatale afloop?

    Maria Spelterini is één van de figuren die opduiken in De duimsprong van Miek Zwamborn. Het is een verslag van een speurtocht die de ik-figuur, van wie we niet meer te weten komen dan dat het een vrouw is, onderneemt nadat haar medeklimmer Jens is vermist. Wat er met hem is gebeurd wordt niet duidelijk, maar na twee jaar kan de vrouw zich verzoenen met zijn afwezigheid (dood?). De verwerking van het gemis van Jens verloopt via een reconstructie van het leven van de Zwitserse geoloog Albert Heim, die leefde van 1849 tot 1937, en als 16-jarige al maquettes ontwierp van de Tödi, een berg in de Zwitserse Alpen. Ze reist zijn sporen na in berglandschappen, archieven en musea.

    De genoemde Maria Spelterini duikt op als de vertelster bij de episode komt waarin Heim voor zichzelf in 1898 een ballonvlucht arrangeert over het gebied dat hij in kaart heeft gebracht. De kapitein van het luchtschip is Eduard Schweizer, die zijn achternaam heeft veranderd in Spelterini, naar de vrouw die haar angsten boven de waterval trotseerde. Ook die ballonvaart met de Wega heeft daadwerkelijk plaats gevonden, al zijn sommige details weer twijfelachtig.
    Dat de Italiaanse in 1913 omkwam is op zijn minst discutabel (Wikipedia laat haar leven eindigen in 1912 en op internet vind je nauwelijks gegevens, laat staan een doodsoorzaak), maar voor de roman is het wel een belangrijk gegeven. Zoals de dood van Maria in mist is gehuld, zo is ook de verdwijning van Jens dat. De ik-figuur vraagt zich naar aanleiding daarvan namelijk af: ‘Waar waagde Maria haar leven voor? Schiet het door mijn hoofd. Wat had ze te verliezen?’.
    Vooral dat laatste valt op. De vraag is niet: ‘Wat had ze te winnen?’.
    Dezelfde vraag gaat op voor Jens en voor Heim.

    Watervallen keren enkele keren terug in de roman. Volgens Heim laten ze allemaal bepaalde tonen horen, de F, de G en de C. Hij schreef het op in een document van een paar velletjes met de titel Töne der Wasserfälle. Gaandeweg blijkt deze Heim, meer dan Jens, de hoofdpersoon van de roman te zijn. Jens wordt zelfs eigenlijk nooit een mens die je voor je ziet. Dat de vertelster hem als klimmaatje mist moet je dan ook min of meer maar aannemen; waarom dat zo is blijft wat duister. Daarentegen weet Zwamborn wel voelbaar te maken hoe de vertelster het gemis moet bestrijden door op pad te gaan langs de plekken die ze ooit met de verloren kameraad bezocht en door in het leven van Heim te duiken: ‘Heim achterna te reizen vulde in mij de leegte op’.
    Het is niet alleen de verwerking van het gemis van een geestverwant, maar ook de zoektocht naar een antwoord op de vraag naar de zin van de risico’s die je neemt als je bezield bent door ambitie of dorst naar weten. Ook Heim kende die vraag. In de beschrijving van één van zijn beklimmingen op weg naar nieuwe kennis over de geschiedenis van de aarde, lezen we over hem: ‘Hij wint aan hoogte, hij schuift de twijfel en de valangst op naar een volgende klim. Dit is niet de dag om te vallen. Zijn ogen verlangen naar meer berg en overzicht, zijn voeten volgen die ogen, vragen om amorf gesteente, oneffen paden, er zijn zomervoeten over alpenbloemen en wintervoeten over ijs’.

    Het gevaar is er voortdurend; bijna vanzelfsprekend wordt het aanvaard. Niet alleen bij Jens, die bleef klimmen ondanks zijn groeiende amechtigheid, maar ook bij Heim die kloven en blikseminslagen riskeert. Maar zelfs bij de vertelster. Ze memoreert een zwemtocht over een meer met haar zusje en haar ouders, toen ze twaalf was. Ze overleven het maar net: ‘Het was ver, verder dan we ooit hadden kunnen vermoeden. Steeds als we onze benen uitstrekten, keken we elkaar even aan. Niemand van ons raakte in paniek, we wisten dat het menens was en we heel erg in de problemen zouden raken als we niet verder zwommen’.

    De onderzoeker móét verder. Mijden van risico’s en gevaar betekent het laten varen van de ambitie die de zin van zijn leven vormt. De risico’s waren voor Heim relatief in verhouding tot het minutieus afpellen van de aarde: ‘Geologie is het oog van de geschiedenis. Het landschap heeft alles gezien’.
    Het wordt nog eens gesymboliseerd door de tekst die de vertelster leest op de gevel van de kapel, die staat op het terrein waar de as van Heim en zijn naasten is bijgezet:

    FLAMME, LÖSE
    DAS VERGÄNGLICHE AUF
    BEFREIT IST DAS UNSTERBLICHE

    Daar vindt ook de vertelster rust: ‘Jens voelde niet langer kwijt’.

    Zwamborn speelt doorlopend met feit en fictie. Dat doet ze prikkelend: de drang om het internet af te struinen naar meer informatie over beschreven gebeurtenissen, personages en documenten dringt zich herhaaldelijk aan de lezer op. Die documentaire illusie wordt nog eens versterkt door het veelvuldige gebruik van foto’s, soms van de hand van de auteur zelf, dikwijls afkomstig uit archieven en musea. Af en toe zijn ze helder en informatief, vaak wazig en suggestief. Dit gebruik van illustraties doet enigszins denken aan de werkwijze van W.G. Sebald, die in boeken als De ringen van Saturnus en Logies in een landhuis hetzelfde doet. Daarnaast zal in het geval van Miek Zwamborn ook haar beeldend kunstenaarschap bepalend zijn geweest voor deze keuze.

    De duimsprong (de titel verwijst naar een manier om met je duim tussen je ogen en een object afstanden te bepalen) bevat in het begin nogal wat technische informatie over geologie, fossielen en aardverschuivingen die het risico opleveren dat de aandacht van de lezer verslapt. Maar wie daaromheen oog heeft voor de zoektocht van de vertelster, wordt aan het slot beloond. Hij kan met het boek dicht vouwen met het gevoel in een bijzondere en rijke wereld te hebben verkeerd.

  • Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    ‘Een kamer in het verleden’ werd vorig jaar door de VPRO uitgezonden bij het radioprogramma ‘De Avonden’. Vijftien auteurs werden om beurten naar het eilandje Senneroog op het Lauwersmeer gebracht waar ze op een woonboot een week in afzondering doorbrachten. ‘De kamer van J.H. Leopold’ deelt deze Tirade in tweeën.

    Zonder telefoon, geen internet, radio of televisie en afgesloten van elk menselijk contact met uitzondering van een zwijgende koerier, die dagelijks in zijn speedbootje de radiobijdrage voor die avond afhaalde. Dat ondervonden vijftien auteurs die op uitnodiging van de VPRO voor een week in afzondering leefden op een woonboot. De eenzaamheid opzoeken om daar verslag van te doen via de radio. Dat doet denken aan de jaren zeventig, toen  Godfried Bomans en Jan Wolkers ieder een week in volledige afzondering, kampeerden op Rottumerplaat. Bomans was aan het einde van zijn week een depressie nabij terwijl Wolkers steeds lyrischer werd.
    Vijf van deze auteurs kijken terug en doen  in deze Tirade verslag van hun bevindingen.

    Gerbrand Bakker nam zich voor aan een toneelstuk te schrijven maar kreeg geen woord op papier. Het eiland trok hem naar buiten, moest in cultuur gebracht worden. Paden vrijmaken en bewegwijzering aanbrengen. Atte Jongstra gooit zijn vele ikken in de strijd en met de Eerste Stokkensnijder bouwt hij verder aan waar Bakker mee begonnen was. Geschokt reageerden beiden op het ’terug aan de natuur’ plan van Wim Helsen die na hen kwam en die overmoedig alles vernielde wat zij hadden bewerkt en gevormd. Het hield de gemoederen nogal bezig.
    Maarten Doorman weet niet wat de stilte met hem gedaan heeft. Stilte bestaat zolang die hoorbaar is, volgens Doorman. De stilte op het eiland werd hoorbaar door het klapperen van het vlaggentouw tegen de mast en het zacht klotsen van het water. Mooi gevonden.
    Ook boswachter Jan Willems, die het hele project in zijn natuurgebied begeleid heeft, blikt terug met kennis van zaken.

    Het deel Een kamer in het verleden draagt op de cover een still uit de video Man op het wad van de NCRV uit 2002. Deze mysterieuze Duitse man, die erin slaagt  te overleven zonder amper een spoor achter te laten en die schijnbaar steeds bij toeval gevonden wordt, bevindt zich dicht bij het eiland Senneroog. Dit spreekt tot de verbeelding van Menno Wigman. Hij raakt zo geobsedeerd door het idee dat er rond het eiland  een man is die hij niet kan zien en die niet gezien wil worden, dat de organisatoren besluiten Wigman te vertellen dat die man niet bestaat. Dit lijdt tot grote woede bij Wigman. Hij was sowieso niet gecharmeerd van dat hele idee van afzondering. Hij begint zijn verslag dan ook met de bekentenis dat hij het een verschrikking vond. Hij was woedend op alles en iedereen en vooral op zichzelf. Dat hij zichzelf erin gelokt had, in de valkuil van een illusie.

    Maartje Wortel vond het wel prima eigenlijk. No big deal, lijkt ze te zeggen. Zes dagen eiland en dan weer naar huis. Ze zou Menno Wigman wel graag willen mailen dat de Duitse man echt bestaat, zo heeft ze vernomen van iemand die het weten kan. Maar ze durfde niet, omdat hij zo boos was, op iedereen leek wel. Nu is ze bang dat die boosheid zich op haar zal richten. Dus maakt ze van de gelegenheid gebruik zich in haar verslag tot Wigman te richten. ‘Maar Menno: het is dus echt waar, van die Duitser.’

    Door Een kamer in het verleden komen we via de andere kant van Tirade in De Kamer van J.H. Leopold. Dick van Halsema, biograaf van de dichter Leopold (1865-1925) is vooreerst bezig met het verzamelen van materiaal over het leven van de dichter.  Onlangs kreeg hij  via een familielid van Leopold deze foto in handen die de andere coverzijde siert van Tirade. Een foto van de werkkamer van J.H. Leopold gelegen aan de Van Oldenbarneveldtstraat te Rotterdam.  Werkkamers van schrijvers spreken tot de verbeelding. Op de website www.dekamervanleopold.nl wordt auteurs gevraagd te reflecteren op een element van deze foto. Dat leverde verschillende bijdragen op van o.a. Hester Knibbe, Miek Zwamborn en H.T.M. van Vliet.

    Volgens Anton Korteweg is het interessant je af te vragen in hoeverre de voorwerpen in de werkkamer van een schrijver in relatie staan tot de schrijver zelf. En ziet op de foto vooral wat ontbreekt: een zwart leren brievenmap, weet hij, waar de dichter de brieven van zijn favoriete leerling Latijn bewaarde, bevindt zich in het Letterkundig Museum.
    Barber van de Pol . associeert  de dichtkunst van Leopold met het knopen van een tapijt. Wanneer ze in Turkije of Marokko door de kashba of soek loopt en al die tapijten daar ziet hangen en liggen in hun betoverende aantrekkelijkheid, denkt ze altijd, ergens ver weg, aan Leopold.
    ‘(…) Leopold (…) als mede-onderdeel van het lila, het purper, het rood en het goud.’

    Verder Kroniek van de roman van Carel Peeters. Ditmaal over het romandebuut van de dichter Erik Menkveld, Het grote zwijgen. Afgezien van een prachtige kunstenaarsroman waarin het echte leven getoond wordt is het ook een cultuurfilosofische roman dat tot vergelijkingsmateriaal kan dienen voor de hedendaagse kunst, aldus Peeters.

    www.vpro.nl/eenkamerinhetverleden_podcast

    Tirade nr. 439 nu ook te koop als e-Boek € 8,00