• Systeem mag niet belangrijker zijn dan de mens

    Systeem mag niet belangrijker zijn dan de mens

    Als een succesvolle voetballer later als coach niet slaagt, wordt wel eens gezegd dat een goede speler nog geen goede trainer is. Iets dergelijks kan over andere vakgebieden worden gezegd. Dat doet strafrechtadvocaat Stijn Franken over de rechtspraak: ‘In de Hoge Raad der Nederlanden, het hoogste rechtscollege van ons land, zitten ongetwijfeld heel goede juristen. Dat wil niet zeggen dat zij daarom goede rechters zijn’. Het valt te lezen in Laatste man. Over schuld, straf en sterfelijkheid. Het is een titel die vraagt om een verklaring en dat geldt ook voor het auteurschap.

    Het boek is allereerst niet geschreven door Franken zelf, al zal hij elk woord hebben gecontroleerd, maar door Miek Smilde. Haar naam wordt op het omslag niet vermeld, maar ze presenteert zich in het eerste hoofdstuk en op de laatste pagina (‘Over de auteur’) wel zo. Ze blijkt Franken, een goede bekende van haar, vaker voorgesteld te hebben over zijn ervaringen te schrijven, maar dat wil hij nu pas na dertig jaar praktijk. Hij heeft er drie redenen voor: hij vindt dat er te weinig bekend is over het vak van strafrechtadvocaat en hij maakt zich zorgen over het functioneren van de strafrechtspleging. De derde reden is dat hij uitgezaaide kanker heeft en daarom dit moment geschikt acht om zijn gedachten na te laten. Zie daar de verklaring van de titel.

    Zelfreinigend vermogen

    Over zijn sterfelijkheid laat Franken weinig los; over de manier waarop schuld in een strafproces wordt vastgesteld en de zin van straffen des te meer. Hij heeft wat dat betreft recht van spreken na een periode van dertig jaar waarin hij in beroemde strafzaken – soms in een later stadium – optrad als verdediger van Willem Holleeder, Volkert van der G. , Charles Z, Lucia de Berk en anderen. Franken vat beknopt samen hoe hij bij deze zaken betrokken raakte en welke rol hij kon spelen. Ze vormen voor hem echter vooral aanleiding om zijn zorgen te ventileren over wat er aan strafprocedures schort. Zo vindt hij dat strafrecht soms wordt toegepast in gevallen waarin hulpverlening meer op zijn plaats zou zijn en dat het ‘zelfreinigend vermogen van de rechtspraak’ niet groot is. In het strafrecht wordt vooral van het systeem uitgegaan en niet van het belang van de mens of de rechtvaardigheid (Iets dat ook buiten het strafrecht speelt – zie de Raad van State die tijdens de toeslagenaffaire bekende dat hij teveel had vertrouwd op de correctheid van de regels van de overheid). Wat daar mede aan bijdraagt is dat er blijkbaar een grote behoefte is aan geruststelling onder het publiek (‘gelukkig, de dader is gepakt’) wat leidt tot een beeld waartegen geen kruid meer gewassen is. Franken ervoer dat advocaten vaak worden gewantrouwd, niet alleen door het publiek en media, maar ook door het OM en rechters (‘animositeit tussen de togadragers’).

    Penvoerder

    Er bestaat volgens Franken in het strafrecht een kloof tussen de rechterlijke macht en verdachten, die een beetje doet denken aan wat aan de orde wordt gesteld in De zeven vinkjes van Joris Luyendijk of Armoede uitgelegd aan mensen met geld van Tim S’Jongers: rechters zijn hoogopgeleid, komen uit betere milieus en zijn blank en Nederlands terwijl verdachten van strafzaken vaak rugzakjes hebben, laagopgeleid zijn en uit weinig bevoorrechte milieus komen.

    Blijkens het inleidende hoofdstuk wilde Franken niet dat het boek een hagiografie zou zijn. Dat is het ook niet geworden al schurkt het er uiteindelijk toch een beetje tegenaan. Het is dan wel geschreven door Miek Smilde, maar zij is niet meer dan de penvoerder van een advocaat die onweersproken zijn verhaal doet. Kritische vragen stelt Smilde niet en er komt niemand anders aan het woord. Laatste man is daarnaast niet het boeiende verhaal dat het misschien had kunnen zijn. Daarvoor vervalt Franken teveel in herhalingen en illustreert hij zijn – op zich behartenswaardige woorden – wel met voorbeelden zoals hij ze zelf beleefde, maar komt hij niet toe aan meer diepgang. Wie geïnteresseerd is in problematische kanten van het strafrecht heeft daarom meer aan bijvoorbeeld Waarheidsvinding van Ton Derksen, dat ook vorig jaar verscheen.

     

     

  • Een dwaling

    Een dwaling

    Marianne Vaatstra, Anne Faber, namen die in het collectieve geheugen zitten. Slachtoffers van gruwelijke misdaden, we kennen de geruchtmakende rechtszaken. In haar nieuwe roman Dorsmans dood stelt Miek Smilde een vergelijkbare, maar verzonnen zaak centraal. Het perspectief dat ze kiest is opvallend. Het is namelijk niet dat van de dader, zoals veel vaker voorkomt in de literatuur maar dat van de rechter die in hoger beroep een uitspraak moet doen. Wanneer jaren later blijkt dat hij een fout heeft gemaakt, brengt het hem aan het twijfelen. Niet alleen aan zijn vonnis, maar ook aan wie hij dacht te zijn.

    De rechter om wie het draait in Dorsmans dood is Pieter Coorn, opgegroeid in een Rotterdams arbeidersgezin. Zijn twee oudste broers werden fietsenmaker, net als hun vader. Zijn derde broer Hessel, met wie Pieter de beste band had, verdween plotseling om elders een ander leven op te bouwen. Als enige in de familie is Pieter gaan studeren. Rechten in Groningen, zo ver mogelijk weg bij zijn familie. De afstand tussen Pieter en de rest van zijn familie is altijd gebleven.

    Die afstand blijkt pijnlijk op een van de zondagmiddagen dat de drie broers en hun echtgenoten samen­komen. Onder de gesprekken die ze voeren voelt Pieter het sluimerende verwijt van zijn broers dat hij is gaan studeren. Dat hij daardoor tot een andere sociale klasse behoort. Pieter heeft natuurlijk ook zijn best gedaan om zich te ontworstelen aan zijn milieu en familie. Toch weet hij er nooit helemaal aan te ontkomen. Zijn afkomst heeft hem blijvend gevormd.

    Geschiedenis van het strafrecht

    Pieters verwijdering tot zijn familie en carrière gaan hand in hand. Met de beschrijving van Pieters loopbaan komt ook een aantal decennia rechtsgeschiedenis langs. Denk aan de toegenomen media-aandacht voor het strafrecht of het wegbezuinigen van de reclassering. De ontwikkeling in de afgelopen decennia in het strafrecht is meer dan alleen achtergrond bij het verhaal over de rechterlijke dwaling. Her en der klinkt er een kritische mening door in de beschrijving. Bijvoorbeeld hoe onrealistisch het is om te verwachten dat het strafrecht alles kan oplossen wat misgaat in de samenleving.

    De verhandelingen over de ontwikkelingen in de rechtsspraak leiden niet tot het meest enerverende proza. Dat heeft niet zozeer te maken met de inhoud – de juridische wereld kan interessant genoeg zijn – maar met de uiterst moeizame formuleringen die Smilde gebruikt. Niet zelden stuit je op zinnen als deze:

    ‘Met de komst van de Raad voor de rechtspraak als overkoepelend orgaan om de organisatie van de rechtspleging te stroomlijnen, was de aanpak van zaken bedrijfsmatig geprofessiona­liseerd en ging de tijd in vanaf het moment dat het OM het dossier over de schutting gooide.’

    En het wemelt in Dorsmans dood van dit soort zinnen. Elders klinkt het:

    ‘De aanhoudende en zich verdiepende economische malaise die na de bankencrisis van 2008 had ingezet, dwong de overheid tot harde financiële maatregelen en het opsporingsapparaat was al overbelast door de aanhoudende strijd tegen de georgani­seerde misdaad en de golf van liquidaties die daarmee gepaard ging.’

    Teveel toelichting voor de lezer

    Geen zinnen om de aandacht van de lezer mee vast te houden. Voor een deel is het misschien eigen aan het juridisch jargon, dat bekend staat om zijn lelijke en houterige formuleringen. En omdat je het verhaal leest via de beleving van een rechter zou het haast heel toepasselijk lijken. Toch gaat het mis in Dorsmans dood, omdat Smilde’s verteller en haar personage veel te ver uit elkaar staan. Zie bijvoorbeeld onderstaande zin:

    ‘Hij was net gedetacheerd op het ministerie van Justitie om als fraude-expert de parlementaire enquêtecommissie bijzondere opsporingsmethoden onder leiding van het Partij van de Arbeid-Kamerlid Maarten van Traa bij te staan en kon zich daarnaast geen langdurige mantelzorg veroorloven.’

    Het is een krukkige zin die uiterst moeizaam loopt door alle uitleg om de lezer precies te laten weten waar en over wie het gaat. En daar zit precies het probleem. Was dit beschreven vanuit het bewustzijn van Pieter dan zou veel van de uitleg niet nodig zijn. Pieter was er zelf bij en wéét onder wiens leiding die commissie stond. En van welke partij hij was overigens ook. Er is geen enkele reden waarom hij zichzelf daaraan zou herinneren. Zonder alle toelichting voor de lezer zou de zin waarschijnlijk een stuk soepeler lopen.

    In gewetensnood

    Dorsmans dood is niet alleen een roman over de ontwikkelingen in het strafrecht en het verhaal van een man die aan zijn afkomst probeert te ontkomen. Het wil ook een verhaal zijn over een rechter in gewetensnood, nadat hij erachter komt dat hij een verdachte ten onrechte heeft veroordeeld. De vraag dringt zich aan hem op of hij en zijn twee collega’s anders hadden kunnen oordelen op basis van het beschikbare bewijs. En welke gebeurtenissen en keuzes, zowel privé als in werk, waren van invloed op de beslissing om een onschuldig man te veroordelen?

    Het zijn vragen die Pieter in een crisis brengen. Maar omdat de lezer zo op afstand wordt gehouden, wil deze persoonlijke crisis nergens echt raken. Het is jammer dat de stijl zo’n afbreuk doet aan het verhaal dat Smilde wil vertellen. Als het goed is versterkt vorm de inhoud, in dit geval echter staat het de inhoud hopeloos in de weg.