• De kracht van de traditie

    De kracht van de traditie

    De exodus van Hendrik Peter Scholte naar Pella is het vervolg op een eerder in 2018 verschenen boek van Michiel van Diggelen getiteld De exodus van Hendrik Peter Scholte. Van Diggelen is duidelijk gegrepen door de figuur van dominee Hendrik Peter Scholte. Hij heeft een diepgaande studie van hem gemaakt op basis van jarenlang onderzoek. Van Diggelen heeft er niet voor gekozen zich te beperken tot een zakelijke biografie. Hij heeft geprobeerd Scholte te portretteren als een man van vlees en bloed en zich de vrijheid gepermitteerd invulling te geven aan gevoelens en gedachten van Scholte en zijn vrouw, die hij niet aanwijsbaar in de bronnen heeft kunnen terugvinden, maar die hij wel meent te kunnen afleiden uit de bronnen. Het gevolg is dat Van Diggelen in zijn roman een menselijk monument voor Hendrik Peter Scholte heeft opgericht, zodanig dat diens nabestaanden hem daarmee hebben gecomplimenteerd. Zij leefden in de waan dat Scholte een wat kille, stijle figuur is geweest. Hoewel ook Van Diggelen Scholte tekent als een zeer principiële, weinig plooibare man, ziet hij ook de oprecht warme, zelfs romantische kant van de man.

    Mozes

    Gaat Van Diggelen in zijn eerste boek vooral in op Hendrik Peter Scholte als een van de leidende figuren in de Afscheiding van de Nederlands Hervormde Kerk in 1834, in De exodus van Hendrik Peter Scholte naar Pella gaat hij in op de rol van Scholte als leider van de landverhuizers naar Amerika. Na het overlijden van zijn vrouw in 1844 is Scholte hertrouwd. Hij besluit in 1847 een nieuwe start te maken door met zijn gezin te emigreren naar Amerika waar hij, bevrijd van de knellende banden van kerk en staat in Nederland, een nieuwe geloofsgemeenschap hoopt te stichten volgens zijn eigen denkbeelden. Hij weet zijn jonge echtgenote over te halen mee te gaan door haar een groot huis te beloven en de vrijheid om met vriendinnen te musiceren. Ook mag haar zus en hartsvriendin mee. Van Diggelen schetst haar als een weerbare, creatieve vrouw met een eigen mening, maar wel opgegroeid in het besef van gehoorzaamheid aan haar man. Scholte voelt zich geroepen als een ware Mozes zijn ongeveer 800 volgelingen de Atlantische Oceaan over te leiden. Eenmaal aangekomen in het Beloofde Land vestigen zij zich in de net nieuw gevormde, voormalige Indianenstaat Iowa. Daar stichten zij een Christelijke kolonie. Scholte geeft het de naam Pella, naar het toevluchtsoord van de door de Romeinen in het jaar 70 n.C. uit Jeruzalem verdreven Joden.

    Bevlogen, principieel en open-minded

    Zijn vrouw en kinderen functioneren als contrapunten in de roman. Zijn vrouw als het gaat om kwesties die hun persoonlijk leven betreffen. Zijn kinderen als het gaat om algemene vraagstukken die in die tijd spelen in Amerika. De kolonisten gingen zich immers vestigen in een gebied dat tot voor kort nog van de Indianen was. Bovendien moesten de blanke inwoners van Iowa nog kiezen of zij slavernij wilden toestaan in hun pas gevormde staat of niet. Iowa bevindt zich in de frontlinie van de discussie die een paar jaar later zal leiden tot de Amerikaanse Burgeroorlog. Interessant is te zien dat de Democratische Partij, in tegenstelling tot tegenwoordig, als conservatief te boek stond en de belangen behartigde van de Zuidelijke slavenhouders, terwijl de Republikeinse Partij progressief was en de belangen behartigde van de Noordelijke industriëlen en zich juist scherp keerde tegen de slavernij. Aanvankelijk kiest Scholte voor de Democraten, hoewel hij eigenlijk de slavernij principieel afkeurt.

    Uiteindelijk schaart hij zich toch achter Lincoln en de Republikeinen. Zoals hijzelf in 1830 ten strijde is getrokken tegen de Belgische scheurmakers tijdens de opstand tegen koning Willem I, zo roept hij nu de jongemannen van Pella op zich te melden voor de strijd tegen de Zuidelijke scheurmakers. De opstand is immers gericht tegen het door God gestelde gezag van de Unie. Scholte is politiek actief en betoont zich geen gevangene van het verleden zoals veel van zijn volgelingen en in zekere zin ook zijn vrouw. Hij heeft gekozen voor Amerika en gaat daarvoor. Hij zoekt toenadering tot andere emigranten, past zich aan aan de Amerikaanse gewoonten en gebruiken en stimuleert het aanleren van de Engelse taal. Als een echte pionier ziet hij kansen en gebruikt die ook. Zo richt hij een krant op en opent hij een eigen bank voor de gemeenschap.

    Een ontroerend moment voor hem persoonlijk en voor de hele gemeenschap is het afleggen van de eed op de Amerikaanse grondwet waardoor de pioniers echt Amerikaanse staatsburgers zijn geworden. Toch heeft Scholte het niet altijd gemakkelijk. Zijn volgelingen blijken, net als Scholte zelf trouwens, karaktervolle mensen, eigenzinnig en soms ronduit wantrouwig. Dat zit natuurlijk in de aard van hun beweegredenen om te breken met de hervormde kerk en daarvoor zelfs te emigreren. Ook Scholte zelf wordt voortdurend heen en weer geslingerd tussen zijn gevoel een geroepene door de Heer te zijn en zijn overtuiging dat zijn leiderschap gebaseerd moet zijn op de eigen verantwoordelijkheid van de leden van de gemeente. Zo komt Scholte ook in Pella, net als in Nederland, in botsing met de kerkenraad. Zijn denkbeelden stroken niet altijd met de opvattingen van de landverhuizers, zeker niet als hun eigenbelang op het spel staat.

    Liefdevol

    Van Diggelen heeft een mooi, liefdevol boek geschreven. Hij steekt zijn bewondering en sympathie voor Hendrik Peter Scholte niet onder stoelen of banken, zonder overigens in een vorm van hagiografie te vervallen. Het is veeleer gebaseerd op de kracht van de traditie waarin ook Michiel van Diggelen geworteld is. Door zijn portret van Scholte geeft hij niet alleen kleur aan de protestantse pioniersgemeenschap van Iowa, maar ook aan het pioniersbestaan in een van de meest cruciale perioden in de wordingsgeschiedenis van de Verenigde Staten van Amerika.

     

  • Interessante poging neerlandistiek op een vrolijke manier te introduceren

    Interessante poging neerlandistiek op een vrolijke manier te introduceren


    Wat betekent de neerlandistiek nog in dit land en heeft een bundel van een hoogleraar in deze vakdiscipline een meerwaarde voor het begrijpen van de moderne literatuur? Jos Joosten, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen waagt zich aan wat volgens hem een vrolijk boek is. Hij is van mening dat de neerlandistiek leeft als nooit tevoren. Is de bundel, Hoera! Een boek, reden om de vlag uit te steken?

    Laten we vrolijk beginnen. Joosten toont zich een goed stylist die in vlotte zinnen zijn verhaal vertelt waarbij hij zich richt tot een breed publiek waarbij hij onnodige vaktermen vermijdt. Hij besteedt aandacht aan de historische ontwikkeling van de studie Nederlands, levert zeventien besprekingen van romans en gedichtenbundels en buigt zich over actuele vakwetenschappelijke discussies. Dat is heel wat in een gering aantal pagina’s.
    Het merendeel van deze bundel is gevuld met besprekingen van romans en dichtbundels. Het betreft onder meer boeken die volgens hem ten onrechte onderbelicht zijn gebleven en andere die onverdiend en in overvloed die aandacht wél kregen. Hij ziet in deze besprekingen af van zijn rol als wetenschapper. Een criticus oordeelt en een wetenschapper analyseert. Joosten oordeelt hier te kust en te keur.

    Joosten is ongenadig in zijn afwijzing. Enkele veelvuldig bewierookte of onder publiciteit bedolven schrijvers sabelt hij met veel plezier neer. Met rake diskwalificaties omschrijft hij zijn afschuw van romancier Thierry Baudet: ‘James Last is de literatuur binnengemarcheerd’, maar ook gelauwerde auteurs als Jan Siebelink: ‘een drol met een strik erom’, Dimitri Verhulst: ‘sneue mix van zelfbeklag en puberbravoure’ en Saskia Noort, die hij – hoe dodelijk voor een literaire thrillerschrijver – ‘de totale-onwaarschijnlijkheidsbokaal’ uitreikt, moeten het ontgelden. Deze affakkelparade wekt sterk de lachlust op en geeft een vergelijkbaar genoegen als een tekst van Jeroen Brouwers over schrijvers in de jaren zeventig. 

    Aantrekkelijke broodjes om in te bijten

    Maar Joosten kan ook heel goed prijzen. Het werk van enkele door hem geprezen schrijvers schotelt hij voor als een erg aantrekkelijk broodje waarin je meteen wilt bijten. Schrijvers als Simone Atangana Bekono, Hannah van Binsbergen, Hanna Bervoets en ook (hoe onverwacht) Kluun krijgen van hem een positief oordeel. Zeer lovend is hij in het bijzonder voor het werk van de Tilburgse auteur en kunstenaar Nick J. Swarth. Joosten kan zijn enthousiasme voor Swarths roman De plasserparadox niet voor zich houden en smijt meteen al in de tweede alinea van zijn uitgebreide bespreking de conclusie op tafel: ‘(…) wat heeft Swart een tof boek geschreven!’

    Hij vindt de roman van Swarth schitterend. Waarom? Volgens hem voldoet Swarths roman in alle opzichten aan een aantal door hem geformuleerde criteria. De roman is volgens hem geschreven in een stijl die schittert en meesleept, het boek openbaart iets over aspecten van de hedendaagse wereld en Joostens eigen wereld ziet er na lezing anders uit dan voorheen. Hij is óók van deze roman gecharmeerd omdat hij zich erin herkent. De uitzichtloze wereld van een groep jongeren in Tilburg in 1980 die Swarth als onderwerp heeft gekozen, doet hem sterk denken aan zijn eigen studententijd in Nijmegen, waar hij betrokken was bij de oprichting van een afdeling van de PSP-jongeren.

    Gek genoeg noemt hij ‘herkenning’ van ondergeschikt belang bij de beoordeling van een roman. Is dat wel zo? Zou Joosten als hij een corpsstudent was geweest in Groningen de roman evenzeer hebben bejubeld? Is het niet juist vanwege de herkenning dat Joosten juist deze, door velen veronachtzaamde roman, de hemel in prijst? Hoe terecht zijn oordeel ook is, – Swarth schreef een interessante roman – het is wel een oordeel dat veel over Joosten zélf zegt. De wetenschapper en criticus Joosten kan bij het lezen zijn eigen persoonlijkheid niet uitvlakken. 

    Controversiële opvattingen

    In de bundel zijn drie artikelen opgenomen waarin hij vakwetenschappelijke discussies aanroert. Om maar meteen op zijn Joostens met de deur in huis te vallen: zijn opvattingen zijn controversieel en dagen uit tot een weerwoord. Joosten constateert dat ‘steeds vaker kwesties buiten de literaire tekst relevant en urgent worden.’ Het ‘Merlijnse dogma’ (= het werk, het werk en niets dan het werk) wordt niet langer algemeen beleden. Met name vragen omtrent de verhouding literaire werk en      persoonlijke leven van de schrijver worden tegenwoordig veelvuldiger gesteld. Een artikel gaat over de vraag wat het nut is van schrijversbiografieën.

    Dit thema wordt onder meer behandelt aan de hand van Vierspan: Over biografieën en het schrijven ervan, van schrijversbiograaf Jan van der Vegt. Joosten vindt deze studie ‘amusant’ maar heeft er verder geen goed woord voor over. Van der Vegt beweert dat biografen hun werk doen om aan de behoefte van de lezers te voldoen. Dat is natuurlijk een erg magere verantwoording voor het genre. Om nu op grond van zo’n zwakke verdediging het genre meteen naar de prullenbak van nutteloze zaken te verwijzen, zoals Joosten doet, is echter even dom als de medische wetenschap af te wijzen omdat Willem Engel onzin debiteert over Covid. 

    Joosten beweert dat een schrijversbiografie vrijwel niks toevoegt aan de strekking, inhoud of interpretatie van het werk van de schrijver. Ook hiervoor gebruikt hij voorbeelden die niet sterk zijn. Hij vraagt zich bijvoorbeeld af wat de relevantie is van de dwangmatige onanie van Gerrit Achterberg voor de interpretatie van zijn werk en wat we leren over het werk van Adriaan Roland Holst, als we weten dat hij leed aan allerlei ‘private ongemakken’. Als de schrijversbiografie niet meer biedt dan deze petite histoire is deze inderdaad op zijn hoogst belangwekkend voor soapliefhebbers. Maar valt er dan niets méér over de waarde van een schrijversbiografie te zeggen? Heeft Joosten dan nooit een schrijversbiografie gelezen die de moeite waard is? Blijkbaar niet.

    Komt dat wellicht, omdat hij meer geïnteresseerd is – in navolging van de Franse socioloog Pierre Bourdieu – in de vraag wat op enig moment gezien wordt als literatuur en wie zich ermee bezighielden dan met de vraag wat de relatie is tussen de schrijver en het werk dat hij schreef. Ja, als je interesse niet ligt bij de schrijversbiografie, maar bij de vraag hoe men in een bepaalde periode over literatuur denkt, is dat vergelijkbaar met iemand die minder geïnteresseerd is in een krantenartikel over de spitspositie bij Ajax, omdat hij zelf keeper is.

    Een schrijversbiografie is hartstikke interessant als de biograaf een poging doet het werk te verbinden met de schrijver in zijn totale leefwereld. Uiteindelijk is het wel de persoon van de schrijver, gevormd door opvoeding, ervaringen en invloeden die dit werk geschreven heeft. Hij leeft in een eigen complexe historische biotoop die bestaat uit vele elementen. Het literaire werk is niet uitsluitend een product van die biotoop en wordt ook niet als een kant-en-klare boodschap door de schrijver ontvangen en doorgegeven, zoals Mozes overkwam op de Sinaï met de wetten voor het volk van Israël. Het is het resultaat van zijn omgang met de wereld, misschien is het schrijven van een roman wel een soort van overlevingsstrategie, om met de Engelse auteur Tim Parks te spreken. 

    Vermenging fictie en non-fictie

    Joosten laat in een ander artikel duidelijk merken dat hij grote moeite heeft met de vermenging van feiten en interpretatie, van fictie en non-fictie in de recente schrijfcultuur. Volgens hem is het literaire pact tussen schrijver en lezer in de laatste jaren verbroken. Dit pact houdt in dat de lezer van een fictioneel werk ervan uit mag gaan, dat de ik in het boek niet dezelfde is als de schrijver. Werkelijkheid en fictie zijn twee werelden, die niet ongestraft met elkaar vermengd mogen worden. Dat pact staat volgens Joosten op springen, doordat lezers opvattingen van personages in romans opvatten als de opvattingen van de schrijver zelf. Dat is echter niet alleen iets van de laatste jaren. Die fout maakte de criticus Aad Nuis al in de jaren tachtig in zijn bespreking van Mystiek Lichaam, het meesterwerk van Frans Kellendonk. Hij noemde de roman antisemitisch, omdat er een jood in voorkwam die niet bepaald een voorbeeldig leven leidde en geen sympathiek personage was.

    Volgens Joosten nemen schrijvers het zelf ook niet meer zo nauw met dat onderscheid. Zo verdedigde Philip Huff zijn roman onlangs door te zeggen dat het allemaal waar gebeurd is. Joosten laat zich kennen als een purist die wars is van allerlei hybride vormen in de huidige schrijfcultuur, waarin iedere willekeurige Nederlander tot schrijver wordt gebombardeerd, als zijn verhaal maar echt gebeurd is. En daar valt zeker wat voor te zeggen. Ook andersom geldt dat. Iemand die non-fictie schrijft mag van Joosten niet rommelen met de feiten.

    Hij neemt Willem Otterspeer, de biograaf van W.F. Hermans, kwalijk dat hij het genre van de biografie vermengt met dat van de historische romancier. Wanneer Otterspeer door andere kenners van zijn onderwerp gewezen wordt op feitelijke onjuistheden in zijn biografie beroept hij zich erop dat hij een creatieve (literaire) schrijver is, met andere woorden: hij mag zelf bepalen wat hij als feiten ziet. Het door elkaar mixen van feiten en verbeelding in een biografie, dat ziet Joosten juist, moet vermeden worden. Een biograaf die fantaseert in een biografie schrijft in feite een historische roman.

    Afkeer van moderne trends

    Joosten heeft een interessante poging gedaan om de neerlandistiek op een vrolijke manier te introduceren. Zijn recensies zijn meesterlijk, maar zijn weergave van enkele discussies binnen de neerlandistiek is nog geen reden de vlag te hijsen. Joosten neemt standpunten in, signaleert trends en stelt overal vragen bij, maar is dat dan de bijdrage van een hoogleraar in de neerlandistiek aan de moderne letterkunde? Het resultaat van al die jaren intensieve omgang met de moderne Nederlandse letterkunde, van lezen, onderzoek, schrijven, uitwisseling met studenten en vakgenoten? 

    Het is zeer de vraag of Joosten met zijn afkeer van moderne trends wel diep genoeg graaft. Het lijkt wel of hij een helder standpunt inneemt, maar het is wel heel erg vreemd dat hij in de bundel niet ingaat op het begrip autofictie. Hij ziet blijkbaar niet in dat alle fictie in feite autofictie is. Hij gelooft niet in de waarde van schrijversbiografieën, terwijl hij, in navolging van de door hem hooggewaardeerde Bourdieu, nog wel beweert dat hedendaagse kunstenaars zich rekening dienen te geven van hun speciale positie als autonome kunstenaar van wie de vrijheid van expressie op het spel staat: ‘Met het opkomen voor hun individuele eigenheid, komen ze juist op voor de meest universele waarden.’ Van het bijzondere naar het algemene dus. Was het niet Connie Palmen die zoiets dergelijks zei, door de mond van Ted Hughes in Jij zegt het? Maar over Palmen spreekt Joosten niet in deze bundel. 

    Palmen maakte in de romans van haar eigen lot evenzovele plots die door honderdduizenden werden gelezen. Haar werd verweten dat zij haar eigen leven exploiteerde in haar boeken. Maar dat doet iedere schrijver toch, ook de meest autonome schrijver kan in zijn werk niet verder springen dan de polsstok van wat zijn persoonlijkheid aankan. Een literaire schrijver heeft de mogelijkheid om een eventueel betekenisloos en vormloos lot om te zetten in een betekenisvol plot. De echte kunstenaar maakt zijn eigen biotoop, zijn eigen wereld, gedachten, gevoelens, emoties en ervaringen tot een literair kunstwerk dat voor lezers herkenbaar is. Het zal bewondering en literair genoegen opwekken als dat kunstwerk aan het algemeen menselijke raakt en aan de meest universele waarden.

     


    Hoera! Een boek, over Nederlands en Nederlandse letterkunde van nu / Jos Joosten/224 blz. / AFdH uitgevers

     

     

  • In deze roman is niets of niemand zwart of wit

    In deze roman is niets of niemand zwart of wit

    Anders – hoofdpersoon in deze utopische en fantastische roman van Mohsin Hamid die zich afspeelt in een niet nader genoemde stad – wordt op een morgen wakker en ontdekt dat zijn huidskleur veranderd is van wit in zwart. Hij verstopt zich, ‘wensend dat deze dag, die nog maar net aangebroken was, alsjeblieft, alsjeblieft niet zou aanbreken.’ Hij meldt zich ziek en krijgt het gevoel er niet meer bij te horen, verlangt naar de nabijheid van zijn overleden moeder, durft niet meer de straat op. De schrijver formuleert Anders’ gevoel van vervreemding heel treffend: ‘[hij] voelt zich, of hij was weggeschreven tot een bijfiguur in het tv-programma waarin zijn leven werd nagespeeld.’ Zijn vervreemding leidt tot ander gedrag, hij gedraagt zich bijvoorbeeld minder assertief in het verkeer, en neemt het somatisch normbeeld aan van de zwarte loser die zich ondergeschikt maakt aan de witte almacht.

    Door de verandering sluipt er ook een grote onzekerheid in de relatie met zijn vriendin Oona. Met haar onderhoudt hij sinds kort weer een liefdesrelatie nadat zij op de middelbare school al geliefden waren. Hij snakt naar geruststelling door haar, maar zij herkent hem aanvankelijk bijna niet meer. Als ze vrijen lijken ze vreemden die elkaar als voyeurs bespieden. Tijdens een wandeling, langs de laan der herinnering naar hun middelbare school, vraagt Anders zich af of hij nog wel dezelfde persoon als voorheen is. Hij wordt door anderen anders bekeken en Oona zegt dat het net is of hij in een andere taal spreekt nu hij zwart is geworden. Toch laat zij hem niet los.

    Iedereen verandert van huidskleur

    De andere twee hoofdfiguren hebben veel meer moeite met de veranderingen die gaande zijn en reageren er heel specifiek op. De moeder van Oona ziet in de huidskleurverandering het begin van het einde van de wereld, zij ziet er een complot in tegen ‘hun soort mensen’ en besluit te gaan hamsteren. Anders’ vader gaat er heel praktisch mee om. Hij voorziet hem van eten, geld en een geweer, dat zijn zoon enkele dagen later nodig heeft om zich te verdedigen tegen witte activisten die hem willen oppakken en de stad uitjagen. De huidskleurverandering vindt niet alleen plaats bij Anders, maar overkomt velen, wat leidt tot uitbarstingen van geweld, waarbij de (nog) witte mensen hun positie willen verdedigen tegenover het groeiend aantal ‘donkere mensen’. 

    De verstandhouding tussen Oona en Anders wordt in de loop van het verhaal steeds intiemer en tederder. Ze begrijpen elkaar beter dan ooit, want het is net of Oona nu veel meer de echte Anders ontdekt. Hij wordt voor haar meer dan zijn huidskleur. De moeder van Oona en de vader van Anders zien allemaal leeuwen en beren, voortekenen van rampen en ondergang, terwijl het liefdespaar de verandering ziet als een uitdaging, als iets waar zij zich toe moeten verhouden. Als Oona ook zwart wordt, overvalt haar een gevoel van lichtheid en melancholie. Melancholie omdat haar identiteit en verleden dreigt te verdwijnen en lichtheid omdat ze als een slang haar huid zou kunnen afwerpen en zonder verleden weer ongehinderd zou kunnen doorgroeien. Hun relatie wordt in de loop der tijd steeds beter en als ze zelf een zwart kind krijgen, is hun witte verleden vrijwel verdwenen. Hun dochter kan in de nieuwe maatschappij, waarin alleen donkergekleurde mensen leven, gelukkig zijn. Voor haar bestaat er geen wit verleden, ook al doet haar oma, Oona’s moeder, nog zo haar best vroeger tot leven te brengen.

    Nieuwe verstandhouding tot de wereld

    Opvallend aan deze vrij dunne roman is het gebruik van hele lange zinnen, soms oplopend tot driehonderdvijftig woorden. Deze zinnen bestaan uit vele bijzinnen die verbonden worden door het woordje ‘en’ en door andere nevenschikkende voegwoorden. Ondanks de lengte lezen ze als een trein. Vertaalster Saskia van der Lingen is erin geslaagd die Engelse zinnen haarfijn en prachtig mooi om te zetten in goedlopende Nederlandse zinnen die door hun lengte dwingen tot nauwkeurig lezen. Je wilt geen woord missen. De lange nevengeschikte zinnen onderstrepen dat de hoofdpersonen geen personen uit één stuk zijn, maar wezens die op zoek moeten naar een nieuwe verstandhouding tot de wereld en tot elkaar. Ze moeten als het ware zichzelf opnieuw uitvinden. De lengte van de zinnen brengt de lezer dichtbij deze zoektocht waarin allerlei gedachten in het hoofd van een persoon naast elkaar staan en niet los van elkaar. Deze zinnen geven aan hoe veelzijdig een gebeurtenis, gevoel of activiteit is. In deze roman is niets of niemand zwart of wit. Personen hebben meerdere lagen en doorlopen allerlei eigenschappen en opvattingen.

    Gedachtenexperiment

    Mohsin Hamid is van Pakistaanse afkomst en studeerde en werkte langere tijd in de Verenigde Staten en Engeland en later weer in Pakistan. Hij schreef diverse maatschappelijk geëngageerde romans. Zo beschrijft hij in Exit West (2017) de lotgevallen van twee vluchtelingen die door het uitbreken van een oorlog hals over kop hun land verlaten. De problematiek van de persoon die tussen twee culturen leeft komt onder meer aan bod in de roman De val van een fundamentalist (2007), met kortere zinnen overigens, en in de essaybundel Onbehagen en beschaving (2016). Hamid omschrijft zichzelf als een ‘hybride mens’, die de grenzen tussen groepen fictief en onvruchtbaar acht: ‘(…) creativiteit komt voort uit mengen, uit het verwerpen van het zielloze karakter van zuiverheid.’ 

    De laatste witte man is een gedachtenexperiment waarin Hamid de lezer aanzet tot nadenken, verrast, uitdaagt, verrukt, vertedert en aan het lachen maakt. Hij bevestigt met deze roman dat hij een van de belangrijke schrijvers van deze tijd is. Een tijd waarin toenemende polarisatie verhult dat we als mensen veel meer gemeen hebben dan we door opvoeding, ervaring, frustratie, vervreemding en achterstelling willen en kunnen toegeven. Racisten en extreme nationalisten blazen de verschillen tussen mensen op, wat uiteindelijk alleen maar leidt tot uitsluiting en geweld. De roman wil laten zien dat het voor de mensheid een zegen zou zijn als we ons niet vast laten zetten in de gevangenis van een zelfbenoemde of door anderen opgeplakte identiteit.

     

  • Vijf levens in de schaduw

    Vijf levens in de schaduw

    Alma’s dochters is een familiegeschiedenis waarin de levens van vijf vrouwen centraal staan. Het boek begint in de negentiende eeuw met stammoeder Alma en volgt daarna de levens van Alma’s dochter Elly, haar kleindochters Sylvia en Elly en haar achterkleindochter Lili. Dan zijn we in het heden. Lili leeft nog en de koffer met familiemateriaal die zij bewaard heeft, vormt de basis van dit boek dat de vrouwelijke lijn volgt. Naast de vijf vrouwen komen er in dit boek wat interessante mannen langs, onder wie bekenden als commentator G.B.J. Hiltermann en regisseur Fons Rademakers. Al met al is het een vol boek, waarin heel veel mensenlevens voorbijkomen, dat via de geschiedenis de problematiek van de ongelijkwaardigheid van man en vrouw aan de orde stelt.

    Schrijfster Jutta Chrorus beweert in de proloog dat de vrouwen in dit boek, als ze mannen waren geweest, hun talenten met meer bravoure ten toon hadden kunnen spreiden. Dat ze zelfverzekerder waren geweest en maatschappelijk meer bereikt hadden. Alle vijf vrouwen, de ene meer dan de andere, moesten hun licht onder de korenmaat zetten.

    Stammoeder van dit familieverhaal is de in Duitsland geboren Alma Bimmerman (1853-1948), een zelfstandige vrouw, die haar opleiding in Nederland volgde. Zij vertrok als onderwijzeres naar Indië om met haar verloofde te trouwen. Helaas was die verloofde net overleden toen zij er aankwam. Ze pionierde als vrouw alleen en trouwde na enige jaren met de bosbouwer Anton Berkhout (1854-1945). Naast de opvoeding van haar vier kinderen, schreef ze enkele feuilletons en romans.

    Haar man was vrij van conventies, een ‘onbekommerde geest’ die vrouwen gelijkwaardig aan mannen achtte. Alma en Anton voedden samen de kinderen op. Hij verdiende het geld, maar als schrijfster had zij ook een eigen inkomentje. Haar naam kom je echter niet tegen in Wikipedia of waar dan ook op het internet, al werd ze in haar tijd met waardering gelezen. Het zal altijd de vraag blijven of ze als man bekender was geworden en gebleven.

    Stapje terug

    Dit tamelijk gelijkwaardige huwelijk bracht een oudste dochter voort, Elly Berkhout (1882-1943), die minder voor zichzelf opkwam dan haar moeder. Haar leven begon veelbelovend: ze was de eerste vrouw die het diploma behaalde van de Landbouwschool in Wageningen, de latere Hogeschool en Universiteit. Vervolgens zag ze van een vaste betrekking als landbouwonderzoekster af, om plaats te maken voor een mannelijke kostwinner. Dat zou nu geen enkele vrouw meer doen.

    Ze cijferde zich ook weg tegenover haar man, de in Indië rijk geworden Ger Brandts Buys. Ze reisde naar Indië om met hem te trouwen, waar ze ontdekte dat hij al een kind had bij een njai, een Javaanse slavin. In plaats van linea recta terug te keren naar huis, accepteerde ze het als een gegeven en ze zou vervolgens ook accepteren dat haar man vreemdging. Uiteindelijk maakte hij een einde aan het huwelijk en keerde zij met haar kinderen terug naar Nederland. Elly deed wat emancipatie betreft dus een stapje terug in vergelijking met haar moeder. Ze trouwde dan ook een ander soort man dan haar vader was.

    De derde generatie vrouwen die in dit boek aan de orde komt bestaat uit de kleindochters Sylvia (1907-1994) en Elly Brandts Buys (1913-1985), kinderen van Elly Berkhout en Ger Brandts Buys.

    Eigen keuzes

    Sylvia had veel pit. Ze werd als oudste dochter op jonge leeftijd in een internaat geplaatst, omdat haar moeder haar niet de baas kon. Als vijftienjarige werd ze in haar eentje naar haar grootouders in Nederland gestuurd waar ze een HBS-diploma behaalde. Zij leek heel zelfstandig en autonoom, maar zou in haar leven toch ook weer veel van mannen moeten slikken. Ze is vooral bekend vanwege het weekblad Haagse Post, waarvan ze lange tijd hoofdredacteur was. Ze gebruikte het kapitaal uit haar erfenis voor de overname van dit blad.

    Als hoofdredacteur kwam ze goed uit de verf, met vrijwel alleen jonge mannen om zich heen die ze met enige ironie en liefkozend ‘de heertjes’ en later ‘krengen van jongens’ noemde. Sylvia ontwikkelde een nieuwe journalistieke stijl, die ze had opgepikt bij het Franse weekblad L’Express, het ‘koel opnoteren’ dat wil zeggen dat een verslaggever niet interpreteert maar enkel registreert.

    Na een mislukt huwelijk met de arts Ad Veenman krijgt Sylvia een relatie met de later als radiocommentator bekend geworden journalist G.B.J. Hiltermann, met wie ze in 1960 trouwt. Hiltermann komt er in het verhaal van Jutta Chorus niet al te best van af. Hij is een linkmiegel die helemaal zijn eigen gang gaat, diverse seksuele relaties onderhoudt, onder meer – zoals pas veel later bekend wordt – met Sylvia’s dochter Lili, en onderwijl pocht en draait om invloed te verkrijgen en te behouden.

    Toen het slechter ging met Haagse Post sloot hij een deal met de nieuwe uitgeverij van het blad, die tot Sylvia’s ontslag leidde. Mooie aanleiding om die man te verlaten zou je zeggen, maar nee hoor, ze bleef bij hem al hielden ze niet meer van elkaar: ze waren tot elkaar veroordeeld. Waarom bleef zij bij hem, ondanks zijn escapades? Chorus komt hier niet goed uit.

    Een heel ander leven had Sylvia’s jongere zus Elly. Zij reisde voor de oorlog door heel Europa, was als fotomodel en fotografe erg geliefd en zou hoewel ze getrouwd was kinderloos blijven. Jutta Chorus noemt haar ‘een zondagskind’. Zij kon in een mannenwereld tot op zekere hoogte haar eigen gang gaan en verbleef een groot deel van haar leven in Rome. Blijkbaar was zij een van de vrouwen die haar eigen keuzes kon maken, wat wellicht alles te maken had met het feit dat ze – na een abortus – geen kinderen meer kon krijgen en niet gebonden was aan de opvoedingstaak.

    Ten slotte vertelt Chorus het verhaal van Lili Veenman (1930), de enige dochter van Sylvia Brandts Buys. Ze kreeg les aan een filmschool in Parijs en was in Rome de eerste vrouw die een hoog aangeschreven opleiding als regisseur volgde. Ze trouwde in 1960 met de regisseur Fons Rademakers in wiens schaduw ze bleef staan, terwijl ze zoveel in haar mars had. Ze werkte op de set van de films van haar man als regieassistente. Daar werd ze laatdunkend de sergeant-majoor genoemd, omdat ze door haar krachtige optreden en organisatievermogen zorgde dat de zaak letterlijk bleef draaien.
    Een vrouw die op een capabele en zelfbewuste wijze haar werk doet wordt blijkbaar meteen met de meest gevreesde en gehate man in militaire dienst vergeleken.

    Ze maakte zelf ook twee speelfilms, met enig succes, maar verder bleef ze ook in de schaduw van haar man opereren. Enigszins gelaten constateert ze: ‘Een man hoeft vaak minder te kunnen om hetzelfde te mogen.’ Na de pensionering van haar man leefde ze als een vorstin in een prachtig huis ten noorden van Rome, waar ze evenwichtig en zonder wrok of spijt terugkijkt op haar leven.

    Genderbepaalde rol

    Alma’s dochters is een vol en boeiend boek dat stof tot nadenken geeft. Jutta Chorus maakt het geschiedverhaal levendig met allerlei maatschappelijke doorkijkjes, persoonlijke details en beeldende voorstellingen. Zo beschrijft ze de brief die Alma naar haar geliefde in Indië schreef: ‘In de jaren dat Alma’s brieven per stoomboot zes weken lang via Spanje de Middellandse Zee over voeren, het Suezkanaal door, de Rode Zee over, de Golf van Aden en dan na de Indische Oceaan en Sumatra aankwamen in Batavia, wachtte haar verloofde in zijn vrijgezellenhuis tegenover de cavaleriekazerne.’

    Het is wel een beetje jammer dat Jutta Chorus door haar bewering in de proloog de lezer voor de voeten loopt. De vrouwen kunnen hun leven niet overdoen. Zij hebben allen op hun eigen manier geworsteld met de positie die zij als vrouw in die historische samenleving innamen. Het is niet bij alle vrouwen duidelijk of zij zelfverzekerder hun talenten zouden hebben gebruikt bij gelijke kansen. Er bestaat ook nog zoiets als karakter en moed.

    Wel staat vast dat de vijf vrouwen in de mannenmaatschappij minder kansen kregen zich beroepsmatig te ontwikkelen. Je kunt de vrouwen in dit boek als slachtoffer beschouwen, maar hoe zit het met de mannen? Ook zij konden zich niet ontworstelen aan hun genderbepaalde rol. Het zou interessant zijn om de levens van de mannen uit deze familiegeschiedenis ook eens vanuit het perspectief van de man te beschrijven. Was Hiltermann echt zo’n macho en linkmiegel als Chorus hem beschrijft? Zou hij in een door vrouwen gedomineerde maatschappij wezenlijk anders zijn geweest? Hoe heeft Anton Berkhout, Alma Bimmermans vrijdenkende man, het gevonden dat zijn vrouw hem altijd in het onzekere hield of zij wel van hem hield?

    Genderongelijkwaardigheid heeft veel kapot gemaakt. Volgens Chorus is er nog veel werk aan de winkel voordat die is weggenomen. Zij had er nog aan kunnen toevoegen dat dat nog veel toewijding, inspanning, bescheidenheid en moed vereist van vrouwen én mannen.

     

     

  • Een genre-experiment in verbluffend mooie zinnen

    Een genre-experiment in verbluffend mooie zinnen

    Wulk is volgens Myrte Leffring (1973) een ‘niet eerder getoond genre-experiment’. Het experiment betreft een complementair tweeluik, bestaande uit een roman (proza) en een bundel gedichten. In de roman wisselen de hoofdstukken die spelen in 1996 af met de hoofdstukken die spelen in 2016. In 1996 zijn de zussen Lea en Kim op vakantie in Normandië, waar iets vreselijks gebeurt met hun moeder. Dat vreselijke voel je als lezer al vanaf de eerste dag aankomen, maar je weet niet wat. De roman is in de tegenwoordige tijd gesteld en daarin spreekt Lea haar zes jaar jongere zus Kim aan. In de hoofdstukken die spelen in 2016 zoekt Kim per telefoon contact met Lea. Ze hebben elkaar meer dan vijftien jaar niet gesproken. Deze teksten zijn geschreven in de verleden tijd en ook vanuit het perspectief van Lea. 

    Daarbij is er een bundel met gedichten. De gedichten corresponderen met de hoofdstukken uit het prozaboek, zowel die uit 1996 als die uit 2016. Leffring gebruikt bij iedere prozatekst en het complementaire gedicht hetzelfde motto. Achterin de boeken schijft ze: ‘Zo kunnen de romanhoofdstukken en de gedichten in hun onderlinge samenhang worden gelezen en geïnterpreteerd.’ De lezer wordt dus uitgenodigd tot een vergelijking van beide genres. 

    Eerst proza dan het gedicht

    We beginnen met de roman. Romanfiguur Lea houdt een schrift bij waarin ze regels noteert, regels ‘die zo waar en zo beeldend zijn dat je ze op geen enkele andere manier zou kunnen verwoorden.’ Daarna wordt het eerste gedicht gelezen en zo ging het door,  eerst een romanhoofdstuk lezen en daarna het corresponderende gedicht. Deze leeswijze bepaalt voor een deel de waardering voor dit genre-experiment. Want wat als eerst de gedichten werden gelezen en daarna het proza? 

    Het verhaal van de twee zussen en de moeder is door de afwisseling tussen 1996 en 2016 niets minder dan suspense. Wat is er in 1996 precies gebeurd. Waardoor zijn de zussen van elkaar verwijderd in de loop der tijd. Wat is er met hun moeder aan de hand. Je vermoedt van alles, maar als een volleerd detectiveschrijver houdt Leffring de kaarten tegen de borst. Hoofdstuk na hoofdstuk ontstaat een volledig beeld van wat er heeft plaats gevonden. De zussen zijn zeer nauw bij elkaar betrokken en aan elkaar overgeleverd. Lea droomt dat ze een Wulk is, een schelpdier. Haar zus Kim maakt in de schelp een gaatje, haalt er een kettinkje doorheen en hangt het om haar hals, zodat hun hartenklop één wordt. Lea voelt zich verantwoordelijk voor haar Kim. Ze worden verwaarloosd door hun moeder en strijden bij haar om aandacht. Vader Erik en diens nieuwe vriendin spelen een ondergeschikte rol. Het is een aangrijpend verhaal over zusterliefde, inclusief haat en strijd en mimetische elementen. Lea verwijt haar moeder dat ze hun leven niet ontraadselt en ontrafelt, zoals een echte moeder doet. Ze is dan ook lange tijd onwetend van wat er met haar moeder aan de hand is.

    Poëzie als samenvatting

    De prozastukken die in 2016 spelen beginnen met een poging van Kim om contact met Lea op te nemen. Dat brengt bij Lea een enorme spanning teweeg. Ze is bang dat haar zus na al die jaren achter het geheim is gekomen dat Lea sinds 1996 met zich meedraagt. Als lezer zit je meteen middenin het verhaal en je wilt doorlezen. Het doorlezen werd echter onderbroken door de manier van lezen: na ieder prozahoofdstuk, het corresponderende gedicht lezen, waarmee de spanning even werd opgeschort.

    Dan komt de vraag: wat voegen die gedichten toe. Zinnen uit de prozateksten komen geheel of gedeeltelijk terug in het corresponderende gedicht. Af en toe produceert Leffring een zin in een gedicht die heel mooi, kort en bondig een paar alinea’s proza vervangt. Zo dicht ze bijvoorbeeld ‘aarzelvragen en maalgedachten tuimelen in de droogtrommel van mijn hoofd’, als verwoording van een lap prozatekst waarin Lea zich zorgen maakt en niet weet wat ze moet doen. De gedichten zijn te lezen als een soort samenvatting van de prozateksten. Wellicht heeft Leffring er meer mee bedoeld dan dat. Tijdens het lezen van het proza ontstond na een paar hoofdstukken de vraag welke regels daaruit in het corresponderende gedicht terug zouden komen. Vaak was dit niet moeilijk te raden. Of de bundel gedichten op zichzelf zou kunnen staan is achteraf niet te zeggen. Ze zijn niet meer op zichzelf te lezen nadat de prozateksten gelezen zijn. 

    Niet helemaal duidelijk is waarom de prozateksten als ondertitel ‘Vallen’ hebben en de gedichten ‘Opstaan’. Het is bepaald niet zo dat de prozateksten aangeven waar het verkeerd ging tussen de twee zussen en de gedichten hoe ze er samen uitkwamen. Die tweedeling is er niet uit te halen. Maar wat dan wel.

    Leffring hoopt dat haar boek als genre-experiment ‘breed zal worden ingezet’: als lesmateriaal op middelbare scholen, als gespreksonderwerp voor leesclubs, als uitgangspunt voor een literaire workshop in boekhandel of bibliotheek. Waar het prima voor gebruikt kan worden. Wel roept het vragen op als: Is proza zeggen en poëzie zwijgen, zoals een leerboek Nederlands van 5-havo samenvat? Dichters gebruiken ingedikte taal, zij zeggen veel met weinig woorden, maar zeggen dichters ook alles. En is wat er mist in de gedichten, te lezen in de roman.

    Een moment van reflexie

    Wat dit experiment van lezen heeft opgeleverd, is dat de gedichten een adempauze geven, een moment van reflectie tussen de spannende prozateksten in. Verder voegen de gedichten in deze tweeluik weinig toe. Ze herhalen te veel zinnen en gedachten uit de prozatekst om mijn gedachten over het verhaal op een ander niveau te brengen of over een andere boeg te gooien. Misschien was de verwachting van de poëzie te hoog. Het proza kan wel op zichzelf staan. Myrtle Leffring is begonnen als dichter en dat lees je terug in de prozateksten. Haar prozaverhaal overtuigt meteen door de heldere en soms verbluffend mooie zinnen. 

    WULK van Myrte Leffring overtuigt maar gedeeltelijk als genre-experiment, maar dat doet niets af aan de kwaliteit van het boek als geheel. Is het een genre-experiment voor Leffring zelf, heeft ze willen bepalen of ze ook proza kan schrijven? Dan is ze met lof geslaagd. Ze drukt zich in proza namelijk even adequaat uit als in poëzie. De schrijfster verwoordt een tedere en tegelijkertijd heftige relatie tussen zussen onderling en hun specifieke relatie met hun teloorgaande moeder. En dat alles in een heldere en trefzekere stijl, soms gebruik makend van de nieuwste, door jongeren gebezigde uitdrukkingen, zonder onnodige uitweidingen die de plot compliceren. Ik denk dat Leffring er in haar proza in slaagt regels te schrijven die op geen enkele andere manier verwoord hoeven te worden. Dit boek is het eerste levensvatbare prozakindje van dichter Myrte Leffring. Ze kan het. Een aangrijpend boek, dat is het.