• Sombere boodschap in prachtig proza

    Sombere boodschap in prachtig proza

    De Franse titel Crépuscule van de roman Schemering van Philippe Claudel drukt iets nauwkeuriger de essentie uit. Crépuscule betekent schemering als overgang tussen dag en nacht (of nacht en dag), maar betekent ook datgene wat op het punt staat te verdwijnen. En deze betekenis is helemaal van toepassing op het verhaal dat Claudel in deze roman vertelt. Claudel neemt de lezer mee naar een uithoek van een fictief keizerrijk, naar een klein dorpje, waar een moord heeft plaatsgevonden op de pastoor, vlak voor het invallen van de duisternis. Politieman Nourio en zijn Plaatsvervanger Baraj (overheidsfuncties en belangrijke begrippen in het boek worden met een hoofdletter geschreven) zetten alles op alles om de moord op te lossen. Nourio wordt gezien als de slimme vreemdeling in het dorpje, terwijl Baraj de autochtoon doorgaat voor dom. Samen bemannen ze de politiepost van het dorp.

    Nourio beschouwt het leven als een stompzinnig spel waaruit geen winst of verlies te behalen is. Hij heeft een zekere intellectuele nieuwsgierigheid, maar graaft niet erg diep. Hij maakt er het beste van, al valt dat niet mee met een altijd zwangere vrouw, een huis vol kleine kinderen en een immer opspelende seksuele drift. Zijn vrouw ondergaat de toenaderingen door haar man gelaten. ‘Als een uitgehongerd varken drong hij in haar binnen, hijgend en grommend, en zij liet hem begaan, zwijgend, onderdanig en vreugdeloos, ging verder met het snijden van de groente als ze daarmee bezig was.’ 

    Moord een uitdaging

    Baraj is tevreden met zijn bestaan. Hij is als kind enorm gepest en heeft zich min of meer genesteld in een solitair bestaan met twee honden in een huisje buiten het dorp. Hij denkt dieper na dan de mensen op het dorp weten, krijgt flarden van gedichten door en is in zijn eentje domweg gelukkig. De moord op de pastoor is voor de Politieman een uitdaging, een kans om te laten zien wat hij waard is en een kans op promotie. Baraj ziet in de moord een aankondiging van het einde der tijden, maar Nourio ziet het als een begin van ‘een weg, geplaveid met hoogachting en eerbetoon.’ Maar dan moet hij wel de moordenaar vinden en dat valt niet mee. Al zet hij zich volledig in, hij komt geen stap verder. Daarbij geplaagd door de angst dat het onderzoek hem uit handen zal worden genomen. 

    Het dorp bestaat voor het grootste deel uit christenen en een kleine moslimgemeenschap. Achter de grens, waar het dorp vlakbij ligt, zijn de moslims wel in de meerderheid, een bedreiging voor het keizerrijk. Door behoedzaamheid en discretie in combinatie met het talent om onzichtbaar te zijn, kunnen de moslims in het dorp overleven. Ze worden getolereerd als ze niet al te nadrukkelijk tonen dat ze moslims zijn. Zij zijn de buitenstaanders, de christenen de gevestigden.

    De wijze imam van het dorp beseft meteen de mogelijke explosiviteit van de moord. Hij laat in een gesprek met de Politieagent doorschemeren dat de moord een potentiële bedreiging is voor ‘zijn’ gelovigen. ‘Mensen die anders zijn, worden getolereerd zolang de wereld soepel loopt als touw door een katrol,’ zegt hij beeldend. Maar er hoeft maar iets mis te gaan en dan beginnen de vingers al te wijzen. Nourio zegt dat het hem om gerechtigheid gaat. ‘De dader zal gevonden en bestraft worden, dat beloof ik u. Of het nu een christen of een moslim is. Zijn daad valt alleen hem aan te rekenen, niet zijn geloofsgemeenschap. (…) stelt u uw gelovigen gerust en laat mij mijn werk doen.’ De imam is hiervan onder de indruk. ‘U spreekt als een heilige, en dat verbaast me niet van u, want u hebt het gezicht en de ziel van een goed en rechtvaardig mens.’

    Een wenselijke waarheid

    Na de moord wordt er in het dorp een processie georganiseerd waarin met de vinger naar de moslimgemeenschap als schuldige wordt gewezen. Er wordt een varken gekeeld en bij de deur van de moskee opgehangen. De autoriteiten weten niet wat ze moeten doen. De Rapporteur van het Keizerlijk Gezag stelt voor om een waarheid te zoeken die voor het grootste deel van de dorpsgemeenschap acceptabel is. Nourio stemt hiermee in. Al kan hij de gevolgen van deze positiebepaling niet onder ogen zien. Hij is minder heilig dan de imam gehoopt had. Hij lijdt onder wat Sartre ‘mauvaise foi’ noemde. Hij durft geen eigen keuze te maken omdat hij bang is voor de consequenties voor zichzelf.

    Politieagent Nuorio is niet zo heilig als hij zou willen zijn. Door zijn ijdelheid valt hij ten prooi aan de mensen bij wie hij in loondienst is. Hij haalt vreemde strapatsen uit om in het gevlei te komen, het is om te lachen en te huilen. Als Nourio op een dag bij de Rapporteur wordt uitgenodigd, voelt hij zich gestreeld, al heeft hij een lage dunk van de man. Hij gaat mee in de strategie van de Rapporteur en zegt heel gewichtig dat hij en de Rapporteur deel uitmaken van het grandioze mechaniek van het Keizerrijk. Aangemoedigd door de Rapporteur komt hij tot de formulering dat het niet om de werkelijke waarheid gaat in deze kwestie, maar om de werkbare waarheid. Een waarheid die wenselijk is om de bedreigde stabiliteit van het dorp, en daarmee van het keizerrijk, te handhaven. De Rapporteur is het daarmee eens.

    Schemering is geen whodunnit, maar een verhaal over de manier waarop in alle tijden en plaatsen van de geschiedenis wordt omgegaan met buitenstaanders. Zij worden ontmenselijkt omwille van de breekbare sociale eenheid. En dat allemaal verguld met een term die mooi klinkt, ‘werkbare waarheid’. Populisme in de hoogste graad. Van de Jodenvervolging tot het bij voorbaat als verdacht beschouwen van een bepaalde etnische of religieuze groeperingen dat leidt tot toeslagenschandalen, tot het ‘minder-minder’. Alle gezagsdragers creëren geverfde vogels die vervolgens worden doodgepikt. En de waarheid komt bij het oud vuil te staan. De ambtenaar is degene die het beleid, nolens volens, uitvoert. In deze roman is dat Nourio, een lachwekkende ijdeltuit die langzaam meedrijft met de populistische stroom. Kan je hem dat kwalijk nemen? Zijn ogenschijnlijk domme en eenzame Plaatsvervanger Baraj komt er veel sympathieker vanaf. Hij doorziet alles, maar trekt zich terug in wat de Duitsers noemen een ‘innere Emigration’. 

    Sombere boodschap 

    De roman eindigt somber. Het Keizerrijk is ten dode opgeschreven en is in staat van ontbinding. ‘de Grens zal week worden, er zullen gaten en scheuren in komen en dan zal hij de honderdduizenden op elkaar geplakte mensen doorlaten die het Rijk uiteen zullen doen spatten als een notendop onder de hak van een schoen. Uit die natuurramp zullen allerlei Staten geboren worden (…) waarin men elkaar zal doden in naam van God of de Profeet, en op de bestaande haat zal nieuwe haat worden gelegd, en samen zal dat een onuitputtelijke, vruchtbare voedingsbodem zijn voor het kwaad dat nog moet komen.’   

    Deze sombere boodschap wordt in de roman op een prachtige manier en in mooi proza verteld. Het boek is fraai vertaald en leest als een trein. De zoektocht naar de dader stuwt de lezer verder. Claudel weet de lezer hoofdstuk na hoofdstuk mee te trekken in een universeel thema. Volgens hem is de gang van zaken een natuurwet waar individuen weinig aan kunnen veranderen. De lezer bepaalt of hij het daarmee eens is. Knap aan dit boek is dat het als historische vertelling geheel geloofwaardig is en zomaar in de huidige tijd geplaatst kan worden. Claudel is een groot schrijver die zich met deze roman weer overtroffen heeft. Een meer dan actueel boek dat blijft nasmeulen in het bewuste en onderbewuste en dat tot de huidige werkelijkheid is geworden.



  • Als je niet weet hoe je zelf moet vliegen

    Als je niet weet hoe je zelf moet vliegen

    Zij. is het romandebuut van de Belgische theater- en filmactrice en filmregisseur Maaike Neuville. Romanpersonage Ada Peeters, een bijna veertiger, schrijft over haar eigen leven een roman in de vorm van een innerlijke monoloog. Het is noodzakelijk dat zij haar verhaal doet, omdat zij zoveel dingen heeft meegemaakt en haar trauma’s wil uitspreken, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor jonge vrouwen die uit schaamte en schuldgevoel hun mond niet durven open te trekken tegen kerels die misbruik maken van hun onzekerheid. Ada is actrice en geeft les op een theaterschool. We volgen haar gedurende bijna vierentwintig uur. Ze bereidt zich voor op een solovoorstelling in Antwerpen.We  volgen haar op de fiets en in de trein daar naartoe en in de vijftien minuten voorafgaande aan de voorstelling. Na afloop van de voorstelling, die niet in de roman voorkomt, volgen we haar ’s nachts in een taxi op weg naar haar huis in Brussel.

    Ada lijdt aan podiumangst en is erg onzeker. Op weg naar haar solovoorstelling in Antwerpen vraagt ze zich af, waar dat vandaan komt: ‘Welke nacht heeft zich ongemerkt kunnen plooien rondom alles wat ik doe zodat ik, als vrolijk opgevoede volwassen vrijgevochten vrouw, alsnog met strakke boeien in deze trein zit?’ De boeien zijn volgens haar verbonden met de affaire die ze had met de regisseur met de rode sjaal en de mooie slanke, grote handen, die in Antwerpen woont en die zij in de zaal verwacht. De naamloos blijvende oudere man werkte in de Studio Herman Teirlinck, waar zij als jonge vrouw studeerde. De herinnering aan hem veroorzaakt stress bij haar, alsof er een donker bolletje op haar borstbeen zit. Dat bolletje keert vele malen in deze roman terug. De man fascineerde haar, vanaf de eerste kennismaking, door zijn autoriteit en vermeende zelfverzekerdheid.  

    Oudere mannen

    Nu ze negenendertig is en op weg naar de voorstelling, denkt ze erover na wat er in haar relatie met deze man fout is gegaan: ‘Ik wilde zijn kennis, ik mikte op zijn hart.’ Ze zette haar lichaam, haar vrouw zijn in om bij die zelfverzekerde autoriteit in de buurt te komen. Ze kregen een liefdesaffaire. Zij was nog geen twintig, hij ruim twintig jaar ouder. De regisseur wordt niet als een monster, die haar als jong onzeker meisje gedwongen heeft, afgetekend. Ze erkent haar eigen rol in de affaire. Hij kon haar grenzen overschrijden omdat zij die zelf opzocht. Het enige wat ze de man verwijt is dat hij inging op haar verlangen. Hij had haar als een vader tegen zichzelf moeten beschermen.
    Omgang met oudere mannen is een terugkerend aspect in haar leven: ‘Onvermoeibaar haakte ik, met mijn lange blonde haren, mijn karretje vast aan de verlossers met autoriteit.’ Ze constateert nu met spijt dat ze haar halve leven geen vrouw was, maar een ‘mannenwens’. Mede daardoor is ze tot op de dag van vandaag onzeker. Dat donkere bolletje op haar borstbeen is nooit verdwenen. 

    Toneelspelen is voor Ada een manier om haar trauma’s te verwerken, ook al weet ze zelf niet precies wat toneelspelen voor haar betekent. Speelt ze om een boodschap over te brengen of is het spelen zelf de boodschap? Toneelspelen houdt haar in balans, maar brengt ook iedere keer bijna ondraaglijke spanning met zich mee. 

    Keuzes maken

    In andere romans vinden trauma’s vaak een voedingsbodem in familieverband, de relatie met vaders en moeders en met broers en zusters. Op dit punt geeft Ada enkele, soms tegenstrijdige, signalen aan de lezer. Van geen van haar beide ouders heeft ze geleerd zich uit te spreken. Haar moeder zei nooit veel, ‘omdat zij mij niet wilde belasten met haar eigen gevecht met het geweld van een onberekenbare moeder’. Haar vader was er altijd, al heeft ze hem nooit begrepen, omdat ook hij zich nooit echt uitsprak, terwijl hij toch dichter was. Ada leerde als jonge vrouw een zin van buiten die in dit opzicht verhelderend is: ‘Als mensen zich gekrenkt voelen door de stilte van een ander, dan heeft het stilzwijgen niets anders gedaan, dan zich vasthaken aan het eigen gevoel van minderwaardigheid.’ Tegelijkertijd verwijt zij haar ouders niets en mist ze vooral haar vader. Ze beseft dat haar nooit geleerd is om nee te zeggen, dat ze zichzelf zichzelf te vroeg weggaf. En dat ze nooit geleerd heeft om zich af te vragen wat ze zelf wilde.

    Het enige wat Ada verlangt is dat de mannen in haar leven ‘sorry’ zeggen. Maar dat hebben de heren nooit gedaan, en dat neemt ze hen kwalijk. Taxichauffeur Eron doet dat wel, niet in woorden, maar in daden. Nadat hij Ada na de voorstelling bijna van de sokken rijdt, verontschuldigt hij zich niet, maar brengt hij haar gratis helemaal terug naar haar huis in Brussel. Een impliciete vorm van sorry-zeggen.

    De naam Eron betekent ‘brengt licht’ en dat is heel treffend, want de nachtelijke rit na de voorstelling, is heilzaam voor Ada. Ze verbeeldt zich dat naast haar in de taxi haar jonge zelf zit, een huilend meisje van zestien met blonde haren, lichte jeans en een wit T-shirt. Ada troost haar in een ontroerende scene. Ze beschermt haar jongere zelf en daarmee omarmt ze letterlijk haar eigen verleden.

    Autoriteit tegenover onzekere meisjes

    Als ze thuiskomt pakt ze haar laptop om haar verhaal op te schrijven. Door het verleden opnieuw te beleven kan ze haar hart in het heden deels helen. Ze schrijft haar verhaal voor zichzelf en ook voor meisjes of vrouwen ‘met een bevlogen held, die zelf niet weten hoe ze moeten vliegen’. Voor jonge mensen met een lichtend voorbeeld ‘die zelf niet weten hoe ze moeten stralen’. In de hoop dat ze hun mond zullen opendoen, ‘wars van schaamte en zelfverwijt.’ In de hoop dat al of niet vermeende autoriteiten zichzelf bewust zijn van hun positie tegenover jonge onzekere meisjes.

    Maaike Neuvilles roman is in een mooie, met Vlaamse woorden (gekend, stilaan) doorspekte, taal geschreven. De thematiek is actueel en haar invalshoek origineel. Het is geen litanie tegen monsters van mannen, maar laat zien dat er in de opvoeding van meisjes ook het een en ander moet gebeuren. De roman staat vol uitdrukkingen die je graag wilt onthouden, zoals: ‘Er is één stukje van ons lichaam waar we maar met moeite zelf bij kunnen, het is de achterkant van ons hart.’ Ada doet veel moeite om daar toch bij te ‘geraken’. Af en toe schrijft ze iets te nadrukkelijk wat ze bedoelt, alsof ze bang is dat de boodschap niet wordt begrepen. Daardoor wordt het een soort hulpboek tegen grensoverschrijding, maar dat neemt niet weg dat het een belangrijk boek is.



  • Vechtwedstrijden gedetineerden tot de dood er op volgt

    Vechtwedstrijden gedetineerden tot de dood er op volgt

    Van Nana Kwama verscheen in 2019 de verhalenbundel Friday BlackChain Gang All-Stars is de eerste roman van deze jonge Amerikaanse auteur en gaat over de commerciële uitbuiting van gevangenen in geprivatiseerde huizen van bewaring. Abjei-Brenyah geeft zijn fantasie de vrije loop en vertelt het verhaal van een absurde, maar in de roman vanzelfsprekende gang van zaken waarin gevangenen tegen elkaar vechten om hun vrijheid te ‘verdienen’. Gevangenen kunnen zich aanmelden voor SPEL, het Strafrechterlijk Programma voor Entertainment door Langgestraften, wat inhoudt dat ze in arena’s en daarbuiten tegen elkaar vechten ter vermaak van het publiek. Iedere gevangene die veroordeeld is tot minstens 25 jaar detentie, kan, als hij of zij drie jaar de gevechten op leven en dood overleeft, in aanmerking komen voor gratie.

    Winst maken met het voeden, huisvesten en verzorgen van gevangenen is in de VS, Australië en Engeland heel gewoon. Acht procent van de Amerikaanse gevangenen zit zijn tijd uit in geprivatiseerde huizen van bewaring. Ondanks herhaalde pogingen, onder meer van oud-staatssecretaris Fred Teeven, bestaat dit in Nederland niet. Na onderzoek bleek dat niet kon worden vastgesteld of privatisering in Nederland de kosten zou drukken bij gelijkblijvende behandeling van de gevangenen. 

    De deelnemers

    De roman bestaat uit meerdere hoofdstukken die verdeeld zijn over de vier groepen die een hoofdrol spelen. Allereerst is daar de deelnemers aan SPEL. Zij worden van alle kanten belicht, als echte sporthelden. Zij hebben bij- of koosnamen, zoals ook deelnemers aan vechtsporten buiten de gevangenis die hebben. Daarnaast komen enkele trouwe kijkers in aparte hoofdstukken aan bod. Zij kunnen iedere seconde uit het leven van hun favorieten volgen via hun holofoon, een beeld en geluidsontvanger. In de derde plaats worden de demonstranten tegen de gevechten in enkele hoofdstukken belicht. Zij zijn verenigd in de ‘Coalitie ter Beëindiging van Moderne Slavernij’ en demonstreren op straat tegen de onmenselijke behandeling van gevangenen.

    Een van hen is Nile, een student die door zijn protest tegen SPEL vrijwel geïsoleerd komt te staan aan de universiteit. Hij krijgt te horen dat SPEL gewoon sport is en de deelnemers zichzelf aanmelden, dat het allemaal verkrachters zijn en dat die lui gevaarlijk zijn en dat er niet alleen zwarten aan meedoen, maar ook witten. Kortom Nile is een watje, omdat hij SPEL afkeurt. Ten slotte komt Chain Gang Unlimited in beeld, het bedrijf dat deze gevechten heeft bedacht en exploiteert. Het houdt zich bezig met de organisatie van de gevechten in de arena’s, de logistiek van de ‘Marsen’ naar volgende steden en organiseert publieksmanifestaties waar het publiek kennis kan maken met gladiatoren. Het bestuur van dit bedrijf denkt dat dit gevangenen circus kan uitgroeien tot het grootste entertainment product ter wereld. Als hen dat zo uitkomt veranderen ze de reglementen om nog meer spanning op te roepen. De meest aansprekende figuur in dit bestuur is Mick Wright, de persoon die het ‘circus des doods’ presenteert en met zijn ‘elektriserende stem’ het publiek opwarmt. 

    Vechten voor vrijheid

    Hoofdpersonen van de roman zijn de twee zwarte vrouwen Loretta Thurwar en Hamara ‘Hurricane Staxx’ Stacker, die worden gevolgd op hun tocht van gevecht naar gevecht, tot aan wat genoemd wordt de definitieve ontketening. Wie uiteindelijk ontketend wordt laten we hier in het midden. Hun gevechten worden bijna tot op de huid beschreven. Alle details over houding, handeling en resultaat worden door de auteur aan de lezer voorgeschoteld. De twee zwarte vrouwen behoren tot de ‘A-Hamm Keten’, een tiental gevangenen die via gevechten vrij willen komen. Deze gevangenen vechten individueel of collectief tegen (leden van) andere ketens. Deelnemers aan SPEL worden continu gevolgd door HMC’s, ‘Holo Microphone Camera’s’, het (fictieve) meest gebruikte video/audio-opnameapparaat in de wereld van de actiesport waardoor iedere beweging en ieder geluid van de deelnemers 24/7 gevolgd kan worden. Ze trekken van stad naar stad en worden onderweg bewaakt door geavanceerde technische hulpmiddelen die voorkomen dat ze kunnen ontsnappen. Kijkers kunnen de beelden van hun helden gratis bekijken, ter opwarming voor de gevechten in de arena, waarvoor ze wel entreegeld moeten betalen.  

     Loretta en Staxxx zijn een liefdeskoppel (Staxx krijgt na iedere gedode tegenstander een x achter haar naam erbij). Zij vechten uiteindelijk ook samen tegen de compleet geschifte ‘ondoodbare’ Simon J. Craft en de altijd zingende eenarmige krachtpatser Hendrix ‘Scorpion Singer’ Young. Het is aandoenlijk te lezen hoe Loretta en Staxxx, twee sterke, ongenaakbare en wrede vrouwen die veel anderen om het leven hebben gebracht, teder en lief voor elkaar zijn. Ze laten zien dat mensen in de moeilijkste omstandigheden toch liefde voor elkaar kunnen opbrengen. Loretta haalt andere deelnemers in haar keten ertoe over elkaar niet uit te roeien, zodat er in de onwerkelijke wreedheid van hun bestaan toch iets van solidariteit ontstaat. Beide vrouwen worden tot publiek bezit en hun fans willen alles van hen te weten komen. 

    Onvoorstelbare wordt doodnormaal

    De roman geeft eenzelfde harde beeld van het leven in de gevangenissen als Kathy Page dat deed in haar roman Simons Alphabet over een Engelse gevangenis. Daar lag de nadruk op de kans op rehabilitatie door een psychologische aanpak waarbij de gevangene een beter mens wil worden. In onderhavige roman draait het om gevangenen die via ‘entertainmentlynchpartijen’ vrij kunnen komen door medegevangenen te doden ter vermaak van het publiek en tot profijt van de investeerders. 

    De auteur slaagt er in de lezer mee te voeren met de helden die zich voorbereiden op een gevecht of aan het vechten zijn waardoor het onvoorstelbare verandert in iets wat doodnormaal lijkt. Door middel van voetnoten geeft hij uitleg over technische of juridische details, waardoor het nog realistischer lijkt. Hij laat goed zien dat er in deze commerciële hel ook liefde en genegenheid bestaat, maar dat het systeem door en door verrot is. Gevangenen zijn in dit door Chain Gang-Unlimited geleide bedrijf niets meer dan een bron van vermaak voor het grote publiek. De roman toont een uiterste consequentie van privatisering van het gevangeniswezen waarin mensen worden gereduceerd tot handelswaar, en dus tot geldmachines.

     

     

  • Personages J.J. Voskuil leven voort bij Wim Huijser

    Personages J.J. Voskuil leven voort bij Wim Huijser

    Maarten en Nicolien, wie kent ze niet? Deze hoofdpersonages uit de zevendelige roman Het Bureau van J.J. Voskuil, leven voort in Wim Huijsers roman Het Genootschap. De roman bestaat uit 119 korte hoofdstukjes met scenes uit hun leven en dat van bestuursleden en bijeenkomsten van het J.J. Voskuil Genootschap. Bijzonder is dat Huijser van Maarten en Nicolien reële autonome wezens heeft gemaakt, die los van hun schepper Voskuil voortbestaan.

    Het boek is een nieuwe ‘loot aan de Voskuilboom’, zoals Huijser het zelf eens formuleerde. Na Voskuils dood zijn er in diens voetspoor verschillende romans verschenen waarin zijn stijl en thema’s herkenbaar zijn, onder meer die van Detlev van Heest en Minke Douwesz. Huijser zelf heeft in de afgelopen twee jaar ook ijverig meegewerkt aan het uitlopen van deze stam. Hij volgde Voskuil niet alleen in stijl en thema’s, maar gebruikte ook zijn personages. Eerst publiceerde hij twee boeken met wandelingen van het echtpaar Maarten en Nicolien: Aan de wandel, waarin zij kriskras door Nederland wandelen en Op Pieterpad, waar ze het bekende ‘Lange Afstands Wandelpad’ lopen. En nu dan Het Genootschap.

    Feest der herkenning

    In deze roman wordt Maarten per brief gevraagd om erelid te worden van het J.J. Voskuil Genootschap. Het is het begin van een grappige roman die vooral voor Voskuillezers een feest der herkenning is. Maarten en Nicolien kissebissen evenzeer als de romanfiguren van Voskuil over van alles, om te beginnen over de vraag of Maarten aan het verzoek van het Genootschap gehoor moet geven. Nicolien is daarop tegen. Maarten gaat echter op de uitnodiging in en is zelfs bereid mee te werken aan een ledenvergadering, door ‘De Knat’ voor te lezen, het verhaal dat Maarten ooit in een van Voskuils boeken ook heeft voorgelezen.

    Het J.J. Voskuil Genootschap bestaat uit een excentriek stel mensen bij elkaar. De bestuursleden gaan door het leven onder Bordewijkiaanse namen als Jacques Strategier (secretaris), Herman Draatzoeker (voorzitter) en Sylvie de Vragende (penningmeester). In een later stadium komt daar Coosje van Well als jeugdig nieuw bestuurslid bij. Die bestuursleden komen afzonderlijk of gezamenlijk voor in aparte hoofdstukjes en vergaderen telefonisch en op locaties heel wat af. Daardoor krijgt de roman dezelfde afwisseling als Het Bureau, een afwisseling die in de wandelboeken van Huijser met Maarten en Nicolien ontbreekt. Er ontstaat een dynamiek tussen de belevenissen van het echtpaar in de huiselijke sfeer en die van het Genootschap, waarin Maarten soms participeert. Deze dynamiek maakt Het Genootschap tot een ware Voskuilpastiche.

    Spel met alter ego’s

    Het wordt helemaal interessant als Maarten en Nicolien kritiek gaan leveren op hun schepper Voskuil. Kritiek, met name op de dagboeken van Voskuil, die in de verhaaltijd van deze roman (september 2022-april 2023) verschijnen. Ze vinden vooral het eerste deel van het dagboek, dat de periode tot 1955 bestrijkt, niet veel. ‘Die (Voskuil) deed in de Tweede Wereldoorlog niets anders dan bandenplakken’ merkt Maarten venijnig op en hij noemt het dagboek een ‘in zichzelf gekeerde worsteling.’ Maarten en Nicolien willen als eigenstandige personen beslist niet vereenzelvigd worden met hun schepper. 

    De roman is dus een spel met alter ego’s, aliassen en identiteiten. Eindeloos hebben de critici in het verleden gediscussieerd over de relatie tussen Voskuil en zijn alter ego Maarten Koning. In deze roman beweert Maarten dat Voskuil in Het Bureau een ideaaltype van zichzelf heeft geschapen, dat in geen enkel opzicht met de schrijver verward mag worden. Nog ingewikkelder wordt het als het echtpaar reageert op de verschijning van Aan de wandel dat Wim Huijser schreef met hen als hoofdpersonen. Voskuil is de creator van Maarten en Nicolien, door Huijser in Het Genootschap als echte personen opgevoerd die reageren op een door Huijser gecreëerd wandelboekje. Nicolien is in Het Genootschap erg boos over de verschijning ervan: ‘Dat hoeven wij toch zeker niet te pikken!’ reageert ze, ‘Het zou verboden moeten worden’. Op deze wijze spot Wim Huijser ook met zijn eigen creatie. Maarten heeft er minder moeite mee en gaat zelfs naar de presentatie van dit wandelboek.

    Levensduur van romanpersonages

    Het plezier in het schrijven spat van iedere bladzijde van dit boek af. Huijser geeft Maarten en Nicolien een nieuwe levenstijd. De 119 hoofdstukjes zijn kort en afwisselend waardoor je het boek niet snel weglegt: ‘Nog eentje dan!’ De Voskuilervaring wordt er weer helemaal door opgefrist en in de tijd gebracht. Vooral Maarten, maar ook Nicolien, zijn in deze roman met hun tijd meegegaan. Maarten heeft thuis een ‘spinningbike’ en loopt op ‘sneakers’, hij downloadt teksten en gebruikt een mobieltje en een laptop. Interessant is dat Huijser in dit boek de oudste vriend van Voskuil, Loe van Ooijen, veel aandacht geeft, die als het personage Klaas de Ruiter in Het Bureau figureert. Van Ooijen heeft zich namelijk ooit garant gesteld voor het verschijnen van Voskuils roman Bij nader inzien (1963), iets waar Voskuil zelf nooit ruchtbaarheid aan heeft gegeven. Deze van Ooijen is weer de oud-leraar Nederlands van Wim Huijser en zo speelt Huijsers eigen leven ook een rol in de roman. Ook het publiciteitsbureau, dat het J.J. Voskuil Genootschap gratis van een imago wil voorzien, is ontsproten aan Huijsers eigen ervaringen.

    Een van de thema’s is dat romanpersonages bestaan zolang ze gelezen worden. Huijsers roman verlengt niet alleen fictief hun leven, maar wij ook door deze roman en het werk van Voskuil te blijven lezen. Het boek eindigt met een bijeenkomst van leden van het J.J. Voskuil Genootschap in Den Haag, waar ze een wandeling maken langs de begraafplaats van Voskuil en langs de huizen waar hij gewoond heeft. Bij deze bijeenkomst zijn verrassend veel jongeren aanwezig. Coosje van Well, het jongste bestuurslid, heeft door haar charmante en deskundige presentatie over het genootschap op tv de belangstelling voor de schrijver en voor het genootschap vergroot. Misschien schreef Huijser het boek wel omdat hij anderen, jongeren, ook het plezier in Voskuils boeken gunt. Het boek zal in ieder geval de lezers van Voskuil een groot genoegen schenken, omdat deze roman dezelfde geestige en ironische blik op de mensheid werpt als Voskuil dat in zijn werk deed. Voskuil leeft niet meer, maar zijn creaties leven voort.

     

     

  • Een boek dat nooit uit is

    Een boek dat nooit uit is

    Het gebed van Jonathan Simmers is de debuutroman van Martijn Couwenhoven. De hoofdpersoon in deze roman is de veertigjarige schilder Jonathan, wiens moeder tien jaar geleden een einde aan haar leven maakte. Hij realiseert zich dat hij nooit de moeite heeft genomen haar werkelijk te leren kennen. Dat hij geen verbinding met haar heeft gezocht. En tien jaar na haar overlijden, gaat hij dat wel proberen in wat hij een gebed noemt. De aanleiding om dit te doen is een verzoek van zijn vader om na tien jaar geen contact elkaar weer eens te ontmoeten. Hij twijfelt of hij dit moet doen, het is daarom dat hij een poging doet dichter bij zijn overleden moeder te komen. In de hoop dat zij hem – als het ware – af en toe ‘een duwtje in de juiste richting’ kan geven, zodat hij weet wat hem te doen staat. In de hoop dat het virtuele gesprek met zijn moeder de samenhang der dingen, die hem zo vaak ontgaat, kan tonen. Het gebed is geen egoïstisch verlanglijstje, maar een poging dichter bij zijn moeder en daarmee bij zichzelf en bij zijn naaste familieleden te komen. 

    Virtueel contact met zijn moeder

    Jonathan maakt zich grote zorgen om zijn stiefzusje Lieke. In het virtuele contact met zijn moeder vraagt hij voor wat lichtheid in het getroebleerde hoofd van Lieke, om te voorkomen dat zij – net als zijn moeder – een eind aan haar leven maakt. ‘Ik doe een gebed voor Lieke, dagelijks vraag ik zachtjes om wat lichtheid, om rust in haar hoofd, om milde dagen zodat ze het zonlicht kan verdragen’. Lieke vindt de aarde geen fijne plaats om te verblijven, ze wil er niet meer zijn. Jonathan neemt haar in huis om voor haar te kunnen zorgen. Hij ontfermt zich over haar.  Ontferming is een oud woord dat in dit verband helemaal op zijn plaats is. Hij trekt zich haar lot aan en zorgt voor haar. 

    Het leven wordt voor Jonathan wat minder zwaar als hij Nathalie leert kennen, de dochter van zijn oude leermeester Meindert. Er bloeit voorzichtig en zonder haast een harmonische liefde tussen hen op. Er is een nieuwe fase in zijn leven aangebroken, er is een periode voor en na de ontmoeting met haar.

    De ogenschijnlijke tegenstelling tussen licht en donker speelt in deze debuutroman een belangrijke rol. Jonathan ziet het niet als absolute tegenstellingen, het ene bestaat bij de gratie van het andere. Hij citeert de schilder Pierre Soulages die zegt dat hij niet met zwart werkt, maar met het licht dat het weerkaatst. Jonathan geeft de voorkeur aan licht dat minder fel is, zoals dat van zwermen vuurvliegjes of van sterren die als het ware gaten boren in de donkere hemelkoepel. Ze komen uit het donker tevoorschijn. Dit woord gebruikt Couwenhoven meerdere malen in dit boek. Schilder Jonathan gaat in zijn werk met verf op zoek naar verlichting. Het is geen toeval dat hij zo houdt van schilders die datzelfde doen. 

    Schrijven als een schilder

    De schrijver van dit debuut is zelf ook schilder. Zijn doeken bestaan uit kleurvlakken die gescheiden worden door dunne gekleurde of witte strepen. De meeste vlakken hebben zachte kleuren en op ieder doek bevindt zich wel een wit vlak of een zwart vlak. De strepen tussen de vlakken accentueren de overgang en vormen ook een verbinding. Zoals hij schildert, zo schrijft Martijn Couwenhoven. Het boek staat vol met lange zinnen, met nevenschikkende verwoordingen, herhalingen, naast elkaar liggende vlakken tekst, gescheiden door komma’s. 

    Jonathan staat veel stil bij het verleden. Hij zoekt daarin naar lichtpuntjes. Een van die lichtpuntjes is Mara, een pleegdochter die zijn ouders vier maanden in huis namen. Hij herinnert zich haar als een heldere en vrolijke meid. Zowel haar ouders als hij waren een beetje verliefd op haar stralende lichtheid. Zij bracht in dit contactloze gezin voor korte tijd een onderlinge liefdesband tot stand. Als zij naar elders vertrekt, is die band snel weer verdwenen. Jonathan realiseert zich dat Mara bij zijn moeder iets in beweging zette; ze werd zorgzamer, zorg die ze zelf als kind niet had ontvangen. Jonathan leert zijn moeder beter kennen en begrijpen. 

    Nooit een gewicht samen verplaatst

    Zijn vader blijft voor hem een vreemde. Zijn vader en hij hebben, zoals Jonathan het zo mooi zegt, nooit een gewicht samen verplaatst, dat te zwaar was om alleen te dragen. Zijn vader gaf hem als kind geen enkele leiding en ging zijn eigen gang, los van de verlangens van Jonathan. De ontmoeting waarom zijn vader vraagt, loopt voor Jonathan op een enorme teleurstelling uit. Hij wordt erdoor bevestigd in de overtuiging dat zijn vader geen echte aandacht voor hem heeft.

    Martijn Couwenhoven heeft een rijk boek geschreven, waarin je blijft lezen. Het is nooit uit, omdat je er telkens nieuwe dingen in ontdekt. Het gebed uit de titel is een zoektocht naar verbinding, naar liefde en genegenheid bij naaste familieleden. De roman laat zien hoe belangrijk zorg voor elkaar is. Door zorg te verlenen kun je iemand verlichting geven. Het taalgebruik van Couwenhoven is beeldend en divers en hij verbindt zijn eigen teksten met talloze, treffende verwijzingen naar poëzie, muziek en beeldende kunst. Het boek nodigt uit om de genoemde kunstenaars op te zoeken op google en spotify en er zo een multidisciplinaire kunstzinnige genieting van te maken.



  • De vallei als een soort personificatie van Dante’s hel

    De vallei als een soort personificatie van Dante’s hel

    De jonge Italiaanse schijfster Ginevra Lamberti heeft in haar laatste, zojuist vertaalde roman, Iedereen slaapt in de vallei, een naargeestig beeld geschapen van het leven van mensen in een vallei in Italië, waar zelfs de zomer het aflegt tegen de kou. ‘Alleen in de uren dat het stopt met regenen kun je even de illusie hebben dat je botten de kans krijgen om warm te worden.’ Deze sombere gedachte komt op in het hoofd van Costanza, die in de vallei opgroeit in ‘het grote gele huis’ in een niet nader genoemd dorpje in de provincie Veneto. 

    In deze roman heeft niemand een achternaam. Een verklaring hiervoor biedt de schrijfster in haar dankwoord met de veelzeggende zin, ‘een achternaam wil zeggen dat je bij iemand hoort.’ Het staat er zo droogjes, maar er is geen woord van gelogen. De personen in dit boek lijken allemaal nergens bij te horen, geboren onder de doem van het ongeluk, die hun leven naargeestig en donker maakt. Ze zijn veelal eenzaam en hebben geen echte binding met hun familieleden. 

    Contactarme omgeving

    Costanza is de dochter van Augusta en Tiziano. Van Augusta wordt verteld dat ze zoveel nare dingen heeft meegemaakt dat ze ‘niet meer in staat was om wat dan ook te voelen.’ Als Costanza wordt geboren, is ze niet eens in staat haar kind aan te kijken, laat staan aan te raken. Van de overigens niet kwaadaardige vader Tiziano wordt gezegd dat hij het talent heeft om mensen het zwijgen op te leggen door  hen alleen maar aan te kijken. In deze contactarme en liefdeloze omgeving groeit ze op. Geen wonder dat ze maar een ding wil: zo snel mogelijk vluchten uit deze hel.

    Na allerlei omzwervingen komt Constanza in contact met Claudio, een Romeinse jongeman die nooit antwoord kreeg op de vraag, ‘waarom komt papa niet terug?’ Ook Claudio heeft geen binding met zijn ouders en voelt zich vaak eenzaam. Hij komt in de drugsscene terecht als zware gebruiker en dealer. Hij is wat je zou noemen een smiecht, een onbetrouwbaar mens, maar omdat hij zo charmant en positief is, vergeef je hem veel.

    Claudio en Costanza krijgen een kind. Gaia wordt geboren in het grootste afkickcentrum van het land waar haar vader probeert af te kicken en haar moeder werkt. De bevalling is voor haar moeder één groot drama. Gaia is het kind van mensen die geworteld zijn in hun eigen eenzaamheid. Die zijn opgegroeid zonder ooit gehoord te zijn, aan wie altijd alles ontkend is, die nooit hebben leren spreken over wat hen bezighoudt. Die door hun omgeving in het ongewisse zijn gehouden en geen klankbord hadden. 

    De zon laat zich weinig zien

    Claudio heeft aan Gaia wel iets nagelaten, namelijk het talent om overal een vrolijke draai aan te geven. Begin en eind van een verhaal wordt door hem zo gekozen dat de mensen er om moeten lachen. Maar veel om te lachen is er niet in dit boek. De schrijfster vertelt tientallen scenes uit het leven van deze ongelukkige mensen. Schrijfster Ginevra Lamberti is evenals het personage Gaia geboren in een afkickcentrum. Maar het is geen autobiografische roman of een historisch verhaal over de geschiedenis van haar familie. Het gaat hier om een autofictieve roman opgebouwd uit tientallen hoofdstukken, die je kriskras door de tijd heen voeren. Geholpen door een jaartal boven ieder hoofdstuk en twee stambomen die voorin het boek staan afgedrukt. Er ontstaat stukje bij beetje een beeld van een gemeenschap en een familie waar van alles mee mis is, levend in een vallei  waar de zon zich ’s morgens heel even laat zien en ’s avond weer vroeg achter de bergen verdwijnt. Lamberti verwoordt dit heel poëtisch door middel van het beeld dat het begin en eind van de dag ‘altijd onthoofd wordt’. 

    De vallei wordt in dit verhaal een soort personificatie van Dante’s hel, een plaats waar mensen per definitie ongelukkig zijn en elkaar pijn doen, ingeperkt door oude gebruiken, regels van de gemeenschap en voorschriften van de kerk. Een plaats waar de tijd stil staat en waar de jaren nog verlopen volgens een agrarische en traditionele kalender. Een van de regels is dat de kaas op een bepaalde manier moet worden afgesneden. Elke afwijking van de regel wordt beschouwd als een gebrek aan respect. Het fabriceren van de grappa luistert ook nauw. Men volgt een eeuwenoud proces van destillatie. Voor de vertelster is ook dit fabricageproces reden om ongelukkig te zijn. Het gebrek aan liefde in de familie kleurt iedere handeling zwart.

    Slachtoffer van slachtoffers

    In deze roman komt een lijn van geslachten in beeld die droefgeestig stemt. Om het met een heel oude reformatorische uitdrukking te zeggen: ‘De zonden van de vaderen worden bezocht aan de kinderen.’ De veronachtzaming van kinderen, door ouders die zelf ook nooit ‘gezien’ werden, levert opnieuw gemankeerde kinderen op, niet als een straf, maar als een soort natuurlijk proces. Gaia is in deze roman een ‘slachtoffer van slachtoffers’. 

    Een boeiende roman waarin de lezer wordt uitgedaagd en aan het denken gezet. Het is geen eendimensionaal verhaal van A naar Z en vereist wat puzzelwerk. Alleen het einde is helder, maar of het vrolijk is, is niet te zeggen. Gaia vertrekt uit de vallei naar zee, weg uit de verstikkende atmosfeer waarin ze opgroeide. Is ze – in tegenstelling tot haar moeder Costanza en haar grootmoeder Augusta – in staat om een nieuw leven te beginnen, nu ze van het verleden stukje bij beetje een verhaal heeft gemaakt? Dat mag de lezer zelf bedenken.

     

     

  • Een wijs boek dat ondanks de gruwelijkheden hoopvol stemt

    Een wijs boek dat ondanks de gruwelijkheden hoopvol stemt

    De roman Simons Alfabet van de Engelse schrijver Kathy Page laat ons kennismaken met de wereld van gedetineerden. We volgen de jonge moordenaar Simon Austen, die levenslang heeft gekregen vanwege de moord op zijn vriendin Amanda. De psychologen en begeleiders in de gevangenis proberen bij Simon een bewustwordingsproces op gang te brengen, opdat hij meer inzicht zal verkrijgen in de achtergrond van zijn gewelddadigheid. Doel van de begeleiders en ook van Simon zelf is uit te groeien tot een evenwichtiger mens, die niet in herhaling zal vallen. In hoeverre is Simon daartoe in staat? 

    Het boek bestaat uit drie delen, elk getiteld met een letter die verwijst naar de naam van de vrouw die in dat deel een belangrijke rol speelt in zijn leven. In deel een, getiteld B, is dat Bernadette, een begeleider die zijn vertrouwen wint en op wie hij verliefd wordt. In dit deel wordt stukje bij beetje duidelijk wat hij op zijn kerfstok heeft. Simon blijkt een gevaarlijke moordenaar die ieder moment opnieuw in de fout kan gaan. Het brute leven van de gevangenen onderling staat in contrast met het oprechte verlangen van Simon naar contacten buiten de gevangenis. Bernadette overtuigt hem zich te laten overplaatsen naar een bijzondere kliniek waarin hij met acht mensen een groep gaat vormen, allen bereid na te denken over zichzelf en hun gebreken. Hij neemt met moeite afstand van Bernadette en vertrekt.

    Psychodrama sessies 

    Het tweede deel (getiteld A) speelt zich voor een belangrijk deel af in de kliniek waar Simon wordt uitgedaagd om steeds dieper in zijn relatie met Amanda te duiken, de vrouw die hij om het leven bracht. De psychodrama sessies, waarin de acht gedetineerden scènes uit hun leven voor hun gevangenneming uitspelen, dwingen hem die relatie opnieuw te beleven. Hij wordt in deze periode heen en weer geslingerd tussen twee stemmen. De ene stem fluistert hem in dat de kliniek een plaats is waar ze hem helemaal uit elkaar willen trekken in kleine deeltjes om daarna een geheel nieuwe Simon in elkaar te kunnen zetten. ‘Ik krijg het gevoel dat ik zo slecht ben dat ik jullie moet toelaten in het meest intieme en persoonlijke van mezelf, met jullie moersleutels en schroevendraaiers en gebruiksaanwijzingen … voer voor de vakman!’ Niets is meer privé, hij mag niets voor zichzelf houden en daar heeft hij grote moeite mee. Een andere stem fluistert hem in dat het hier veel beter is dan in de normale gevangenis. Hier kan hij wel gewoon op de goede weg blijven. Hier kan hij studeren, lezen en schrijven, nadenken over zichzelf. Langzamerhand wint de eerste stem het. 

    Dan komt Simon in verzet. Hij gooit een walkman stuk tegen de muur. Via die walkman wordt hij geacht reconditioneringsbandjes te beluisteren. Bandjes waarin hem geleerd wordt anders te handelen en zich anders te gedragen. Wie denkt bij reconditionering niet aan A Clockwork Orange, de film van Stanley Kubrick, waarin een moordenaar via beelden gedwongen wordt te veranderen. In deze roman van Kathy Page mag Simon zelf de beslissing tot verandering nemen. Dat maakt het ook zo moeilijk en lastig voor hem. Als hij dan ook zijn twijfels en verzet teveel ventileert, wordt hij teruggeplaatst naar zijn oude gevangenis waar hij door een van zijn medegevangenen tot moes wordt geslagen.

    Willen maar niet kunnen

    In het derde deel, ‘C’ staat het herstel van de bijna dodelijke verwondingen ten gevolge van deze aanval centraal. Simon ligt in het ziekenhuis op een kamer met de transgender Vic die zich Charlotte noemt. Simon raakt gebiologeerd door deze mens die biologisch tot vrouw wordt geopereerd. Ze raken bevriend en bespreken alle mogelijke situaties uit hun leven met elkaar. Charlotte brengt hem tot een emotionele woede-uitbarsting, zonder dat Simon gewelddadig wordt, wat voelt als een overwinning. Dan komt het verzoek van de moeder van Amanda hem te mogen spreken. Het lijkt erop dat hij dit verzoek zal inwilligen, wat de gevolgen voor hem ook zullen zijn.

    De roman boeit van begin tot eind. De wereld bezien vanuit Simons oogpunt wekt begrip op, soms ook in zaken die hij zelf (nog) niet begrijpt. De roman laat zien hoe moeilijk het is om daadwerkelijk te veranderen. Een gewelddadige driftkop wordt niet zomaar een evenwichtig persoon. Wat de roman ook boeiend maakt, is dat het een inkijkje geeft in de harde gevangeniswereld. Hard in onderling gewelddadige relaties van gevangenen, die af en toe ook begripvol en meedenkend kunnen zijn. Hard voor gedetineerden die beweren dat ze willen veranderen, maar dat niet kunnen of durven. Het boek wekt bewondering voor het werk van bewaarders, psychologen en hulpverleners. Kathy Page was zelf  vele jaren psychotherapeut en hulpverlener voor ze romans ging schrijven. Ze schreef met Simons alfabet een wijs boek dat ondanks de gruwelijkheden hoopvol stemt.

     

     

  • Facsinerende zoektocht van jonge vrouw

    Facsinerende zoektocht van jonge vrouw

    Zelden gebeurt het je dat je een uitgelezen boek meteen opnieuw wilt lezen. Het kunstzijden meisje (1932), een roman van de Duitse schrijfster Irmgard Keun (1905-1982), is zo’n boek. De manier waarop hoofdpersoon Doris haar verhaal vertelt is zo bedwelmend dat, de roman ‘uit’ is, voordat je het weet. Wat maakt deze roman zo fascinerend?

    Irmgard Keun schrijft over een jonge vrouw, Doris, die uit een eenvoudig en verstikkend milieu wil breken. Ze is een naar liefde zoekende vrouw die wil ‘glanzen’ als echte zijde. Zijde glanst, van welke kant je het ook bekijkt. Zo wil zij ook zijn, een vrouw aan wie je haar eenvoudige afkomst niet meer af kunt zien, een vrouw die kan gaan en staan waar ze wil, geen slavin is, maar die glanst van zelfvertrouwen. De praktijk is echter weerbarstig. Om die glansrol te bereiken heeft ze mannen nodig als opstapje. Omdat ze bepaald niet gelukkig is in haar keuze van mannen, die haar als een tussendoortje zien, is ze vaak gedeprimeerd en weet de oorsprong daarvan. ‘Ach, ik wil zo graag, zo graag – alleen als je ongelukkig bent kom je verder, daarom ben ik blij dat ik ongelukkig ben.’ Ze woont en werkt in een niet nader genoemde provinciestad en haar doel is Berlijn: ‘Help me, lieve God – ik wil met een mes wel ‘lieve God’ in mijn arm kerven, heel diep, het bloed komt – als je ervoor zorgt dat ik heelhuids naar Berlijn kom.’ 

    Uiteindelijk komt ze berooid, graatmager en gedesillusioneerd in Berlijn aan: ‘Mijn gezicht zo klein als een koffiekopje en geplet en op mijn kin zo’n kleine pukkel – zoiets wil een glans worden – zoiets wil – laat me toch niet lachen. Ik bijt van woede in de badkuip.’ Na opnieuw enkele teleurstellingen vindt ze eindelijk een man die niets van haar verlangt en die lief voor haar is, omdat hij – zoals hij zegt – bang is in een huis te komen ’waar niemand ademhaalt.’ Hij laat haar met rust en geeft haar de ruimte. Ze bloeit op, komt vijf pond aan. Blijft onzeker, maar voelt zich gelukkiger. Voor hoe lang?

    Bedwelmende stijl

    De roman is geschreven in een persoonlijke stijl, die in eerste instantie wat primitief overkomt. Zo van ‘en toen’, ‘en toen’, ‘en toen’. Meestal is dat een brevet van stilistisch onvermogen maar bij Irmgard Keun heeft het een bedwelmend effect. De lezer wordt van de ene gebeurtenis, gedachte, herinnering of belevenis in de andere meegetrokken en vergeet het als een zin niet helemaal lijkt te kloppen. Zoals in deze passage waarin de omgang van Doris met een blinde man wordt beschreven die haar voeten warmt in zijn handen: ‘En raakt mijn voeten aan met vingers als kerstkaarsen van was – en gebruiken thuis onze kaarsen van de boom altijd drie jaar lang doordat we ze altijd alleen maar aansteken tijdens het stille nacht-heilige nacht zingen. En er is stilte en van die vochtige damp en bij het raam de grijze muur, dat alles beklemt ons. En zit me te poederen vanwege zijn handen. En verf mijn mond. Maar hij ziet het niet eens wanneer ik er leuk uitzie. Ik breng hem Berlijn, dat in mijn schoot ligt.’ En dan vertelt zij hem wat zij in de stad die dag gezien heeft. Ze vertelt alles tegelijkertijd, associatief, opsommend, zoals dat in de realiteit vaak gaat.

    Keun maakt vaak gebruik maakt van tussenstreepjes, wat de tekst snelheid geeft, maar ook erg vol maakt. Lezen vergt alertheid en concentratie. Alsof je van het ene als tekst verklede filmbeeld in het andere rolt. ‘Maar ik wil schrijven als film, want zo is mijn leven en zal dat nog meer worden,’ zegt Doris. Ze gebruikt haar oog als een camera die alles registreert. En trekt de lezer visueel mee in haar zoektocht naar geluk van de ene man naar de andere, van de ene teleurstelling naar de andere.

    Succes en vergetelheid

    Haar beeldspraak is origineel en raak. ‘Hubert zat daar met kringen onder zijn ogen als Continentalbanden.’ Of over een vrouw. ‘Die gunt het de voetzolen van vreemde mensen nog niet dat het vuil van haar voeten eraan vastkleeft.’ Ze schrijft ook in mooie aforismen: ‘Pas als je blind wordt, weet je waarschijnlijk dat je vreselijk veel vergeten hebt te zien.’

    Het kunstzijden meisje heeft sinds 1932 periodes van groot succes en van vergetelheid gekend. Meteen na verschijning was het in Duitsland een verkoopsucces. De drang naar vrijheid en emancipatie van een meisje in de jaren twintig uit de ‘heffe des volks’ sprak duizenden mensen aan. Twee jaar later werd het boek door de nazi’s verboden. Doris paste niet in het vrouwbeeld van deze machobeweging. Keun vluchtte naar Nederland en publiceerde haar boeken in het Duits bij uitgeverijen als Allert de Lange en Querido, die Exil-literatur publiceerden. In 1940 keerde Irmgard terug naar Duitsland en leefde daar vrij onopgemerkt, tot haar werk, eind jaren zeventig, opnieuw werd ontdekt en ook in Nederland werd uitgegeven.

     Het verhaal van Doris zou anno 2023 in elke andere Europese stad kunnen spelen waar vrouwen nog steeds weinig keuzemogelijkheden hebben. Keuns werk is bepaald niet verouderd. Zelden zo’n direct verslag gelezen van een vrouw die weigert zich te conformeren aan een marginale positie.

     

     

  • Over een oude en een nieuwe aarde

    Over een oude en een nieuwe aarde

    In haar laatste roman Gebied 19 schept Esther Gerritsen, naast de bestaande aarde, eenzelfde planeet met de naam TOI-700d, die zich lichtjaren ver weg in het heelal bevindt. De nieuwe aarde is een replica van de oude, al is alles wat groter. Ongeveer de helft van de bevolking van de oude aarde is hiernaartoe verplaatst. Het regime op de nieuwe aarde probeert te voorkomen, dat de bewoners omkijken naar het verleden en zich bekommeren om de achterblijvers. Het internet wordt er gecontroleerd om de bewoners te beletten zelfstandig informatie te verzamelen. De nieuwe aarde bestaat ten koste van de oude. De oude aarde is voor de nieuwe een ‘backup’, een voorraadkamer van voedsel en grondstoffen.

    Esther Gerritsen werkt deze fantastische constructie uit in een verhaal dat zich concentreert op de lotgevallen van Tomas Boom en zijn vrouw Suzanne, met wie Tomas net getrouwd is. Als hij op de ochtend na de dag van de huwelijksvoltrekking wakker wordt, is zij weg. Al snel komt hij erachter, dat zij van de aardbodem verdwenen is, evenals zijn buren, zijn zoon Parker en zijn moeder. Hij is achtergebleven met de mensen boven de veertig, die op de nieuwe aarde niet nodig zijn. Dat is het begin van een zoektocht naar zijn geliefden, een zoektocht die uiteindelijk op een verrassende manier slaagt.

    Een ander leven

    In deze roman zijn er mensen die zich verzetten tegen de verplaatsing en mensen die zich erbij neerleggen. Die laatsten bevinden zich grotendeels op de nieuwe aarde. Voor degenen die toch nog moeite hebben om de oude aarde te vergeten staan drie wegen open. De eerste mogelijkheid is dat ze zich laten immuniseren voor heimwee, nostalgie en medegevoel met de achtergeblevenen. Via medische experimenten gericht op Gebied 19 in de hersenen, waar iedere eerste indruk aankomt, herinnert voortaan geur, klank noch woord nog aan de oude aarde. De tweede mogelijkheid is jezelf in de vergetelheid te drinken en de derde mogelijkheid is dat er voor de twijfelaar zulke plezierige omstandigheden worden gecreëerd dat er geen enkele reden meer bestaat om terug te verlangen naar de oude aarde en allen die daar op wonen.

    Dat laatste overkomt Tomas. Hij wordt uiteindelijk toch nog naar de nieuwe aarde verplaatst waar men hem tot bestsellerauteur maakt terwijl hij op de oude aarde een marginaal schrijver was. Dat verleidt Tomas echter niet zijn verzet tegen de nieuwe wereld te staken. Hij kan en wil zich niet conformeren aan een wereld waarin mensen hun verleden vergeten en geen medegevoel met anderen hebben.

    In verzet

    Tomas blijft zich hardnekkig verzetten. Hij voelt zich op de nieuwe aarde als iemand op een tuinfeest die zelf net van een begrafenis komt. Tomas wil zich niet neerleggen bij het ontkennen van de ramp die de oude aarde bedreigt en neemt de anderen kwalijk (moeder) of benijdt ze (Parker) dat ze van niets willen weten of van niets weten. Hij weigert de mensen die achtergebleven zijn te vergeten en gaat hen min of meer idealiseren, als echte mensen. En ‘echt’, is een verboden woord op de nieuwe aarde, want dat zou betekenen dat de mensen op de nieuwe aarde ‘nep’ zijn. De meeste mensen negeren zijn protest, of hebben er de pest aan; slechts af en toe vindt hij een medestander die (nog) eenzelfde heimwee heeft. Het nieuwe regime lijkt zijn protesten te tolereren. Hij wordt in de watten gelegd, als schrijver vereerd en zijn boeken lopen als een trein. Tevergeefs. Hij blijft zich verzetten. Dat heeft uiteindelijk consequenties, voor hem en voor zijn hele gezin.

    Wellicht beïnvloed door de covidquarantaine die mensen van elkaar scheidde, probeert Gerritsen via een groot verhaal te onderzoeken wat er gebeurt als mensen uit hun vertrouwde wereld worden gehaald of alleen komen te staan. Al houdt ze zich niet bezig te houden met de technische kant van de constructie. Ze geeft geen enkele aanwijzing hoe de mensen verplaatst worden over lichtjaren afstand of hoe zo’n identieke, maar iets ruimere wereld tot stand is gekomen. Ze gaat er van uit dat de lezer haar hierin gewoon volgt. Als in een kinderboek. Ze geeft geen uitleg hoe die nieuwe aarde een kopie van de oude kan worden. In een interview in Trouw zegt ze: ‘…echt of niet, dat maakt niet uit. Als het maar invoelbaar is geschreven.’

    De nieuwe orde

    Schrijven kan Gerritsen als geen ander. Haar dialogen zijn vlot en lopen soepel, hier en daar gevat. Dat is echter wat anders dan invoelbaar. Gerritsen maakt hele rare sprongen in het verhaal. Waarom Tomas uiteindelijk toch op de nieuwe aarde wordt geplaatst blijft onduidelijk. De roman is een constructie die gebaseerd is op een grabbelton aan invallen en meningen. Halsstarrige hoofdpersoon Tomas laat je koud, ondanks zijn sympathieke weigering zich aan te passen. Helemaal niet invoelbaar is het gebrek aan verwondering bij de mensen die op de nieuwe aarde geplaatst zijn. Alsof ze gedrogeerd zijn accepteren ze de nieuwe wereld als een gegeven. Tomas’ zoon Parker van twaalf jaar verdedigt de nieuwe orde alsof hij hem zelf bedacht heeft. Verder is de verhouding tussen Tomas en Suzanne ook moeilijk te vatten. Ze houden veel van elkaar, maar blijkbaar is de een (Suzanne) erin geslaagd wel volledig op de hoogte te zijn van de komende verplaatsing, terwijl de ander (Tomas) er helemaal niks van wist. Gerritsen heeft hoofdpersonen gecreëerd die een bepaalde houding geïncarneerd hebben, maar het zijn geen mensen van vlees en bloed.

    Het gedachtenexperiment wordt nergens verontrustend en zet niet echt aan tot denken. Daarvoor is het allemaal wat te ongeloofwaardig en zijn de personen te eendimensionaal. De schrijfster is te veel gefascineerd door haar eigen constructie. Toen ze op het idee van deze roman kwam, zei ze tegen zichzelf: ‘Het is dit of niks, je ziet maar waar het schip strandt.’ Wie het boek uitleest en aan het open einde is gekomen weet dat de schrijfster al op een vervolg aan het broeden is en dat het schip, wat haar betreft, nog niet gestrand is.

     

     

  • Toegang tot het levende verleden

    Toegang tot het levende verleden

    De Amerikaanse journalist Virginia Cowles schreef in 1941 Looking for trouble, waarin ze haar avonturen als verslaggever van oorlogshandelingen vastlegde, van de Spaanse Burgeroorlog in 1936 tot aan de Battle of Britain in 1940. Het boek verscheen onlangs voor het eerst in een prachtige vertaling getiteld Op oorlogspad van Auke Leistra op de Nederlandse markt.

    Virginia Cowless maakte van 1936 tot 1940 een tocht ‘achter de vlammen aan’ langs alle gewapende conflicten in Europa. Van Spanje, via Tsjechoslowakije, Polen, Finland naar Engeland. Spanje is volgens haar het begin van alle ellende geweest, omdat de overwinnaars van 1918 zich er niet mee bemoeiden en de vrije hand gaven aan Hitler en Mussolini enerzijds en Stalin anderzijds. In Spanje brengt ze beide zijden in de Burgeroorlog van nabij in beeld, zonder te oordelen: ‘Ik schreef over de dingen die ik gezien en gehoord had, maar probeerde ze niet te interpreteren.’ Beide zijden in het Spaanse conflict probeerden haar in hun kamp te trekken en de minder leuke zijden te verbloemen. De Francogezinde persofficier Rosalles, die haar in zijn fraaie bolide langs het front rijdt, zegt telkens: ‘Daar kun je maar beter niet over schrijven’. Bijvoorbeeld over de stad Guernica. Volgens de persofficier werd de stad in de fik gestoken door de Republikeinen; in werkelijkheid, en als zodanig ook door Cowles benoemd, werd de stad door een Duits bombardement vernietigd.

    Dagelijks brood

    Cowles neemt je mee naar het front aan beide kanten en is voor de duvel niet bang: ze wil weten hoe de mensen hier overleven. Of dat nu het front in het warme Spanje is, of in het ijskoude Finland, de gevechten in de loopgraven in Spanje of in de lucht om Groot-Brittannië. Ze neemt je ook mee als ze zelf moet vluchten voor het oorlogsgevaar, in juni 1940 bijvoorbeeld, uit een door de Duitsers bijna veroverd Parijs, dat tot haar stomme verbazing door de autoriteiten zonder slag of stoot aan de invallers wordt prijsgegeven. Haar vlucht is een hartverscheurende tocht, waarbij ze de spanning niet kunstmatig opwekt door een detectivetoontje, maar door gewoon te beschrijven wat ze ziet.

    De schrijfster treft je met scherpe observaties en trefzekere bewoordingen. Ze kan heel subtiel aangeven hoe de mensen met de oorlog omgaan. Bij een bombardement schrijft ze: ‘De enigen die het vertikten om van hun plek te komen waren de vrouwen die in de rij stonden voor een bakkerij. Ik neem aan dat een snelle dood te verkiezen is boven de hongerdood.’ Van deze relativerende en tegelijkertijd ijzingwekkende observaties staan er meer in dit boek. Ze was vooral geïnteresseerd in de menselijke kant van het conflict: ‘De krachten die mensen aanspoorden zulke beproevingen te ondergaan, en de paradoxale mix van heftige en zachte eigenschappen die door het leed werden getriggerd.’

    Persoonlijke observatie en contact

    Cowles is ook een begenadigd biograaf van allerlei toonaangevende figuren in deze vooroorlogse tijd. Zij vertelt geen verhalen uit de tweede hand, maar put uit eigen ervaringen met Chamberlain, Churchill en Mussolini. Ze bezocht bijeenkomsten waar Hitler sprak. Ze ontmoette in Spanje onder meer de journalist Ernest Hemingway en ook Martha Gellhorn, die onterecht veel bekender dan zij is geworden. Zij was in staat om mensen te doorgronden en inzicht te geven in hun beweegredenen, alsof ze hen dagelijks observeerde en bestudeerde. Ze kwam ook tot verrassende opvattingen. De regering Chamberlain sloot volgens haar geen compromis uit angst, maar uit een oprecht geloof in de bereidheid van Duitsland zich een goede buur te betonen. Ze beweert dat Hitler uitgegroeid zou zijn tot een van de machtigste mensen van Europa, als hij gestopt was na de inname van het Sudetengebied in Tsjechoslowakije. Hitler was populair en genoot groot aanzien, al vindt ze dat moeilijk voorstelbaar, gezien de geringe indruk die hij op haar maakte. Ook Mussolini maakte op haar weinig indruk. Ze noemt hem ‘parmantig, een kleine, gedrongen man … hij liep met het hoofd in de nek en de borst naar voren – alsof de helft van zijn lichaam te groot was voor de rest.’

    Het boek is ook interessant door haar observaties van de cultuur van een land, of het nu om Engeland, Frankrijk of om Rusland gaat. Ze introduceert de Sovjet-Unie bijvoorbeeld door middel van de paradox dat er in dit land wel zilvervossenbontjassen voor de rijken te koop zijn, maar dat de gewone man alleen lege schappen aantreft, waar wollen kousen behoren te liggen. Ze ergert zich aan de onzekere, puberale manier waarop de communistische regering zich presenteert als het land dat geen fouten maakt.

    Paustovskij

    Dat brengt ons bij nog een reden waarom dit boek zo de moeite waard is. Lezing nodigt uit tot het maken van een switch naar het heden. Finland als het hedendaagse Oekraïne. Tsjechoslowakije als voorbeeld voor de NAVO om Rusland geen duimbreed te geven. Ze spiegelt ons als het ware voor dat al te grote clementie met de krachten van de duisternis uiteindelijk als een boemerangbom op onze cultuur zal neerdalen. Ook toen was het al lastig om de slagkracht van het Rode Leger in te schatten. In de strijd tegen de Finnen leek dat dit enorme leger qua manschappen materieel weinig voorstelde. Als Frankrijk en Engeland de Finnen niet in de steek hadden gelaten zou het land uiteindelijk niet bezweken zijn.

    Virginia Cowles beschrijft de conflicten van haar tijd als een strijd ‘om genade en gerechtigheid voor de wereld te behouden, en de waardigheid van de mens te behoeden.’ Ze laat zien dat onbuigzaamheid tegenover het kwaad een goede eigenschap is en zweert in dit verband bij Engeland, dat uiteindelijk niet boog, al leek het er in 1938 wel op.

    Haar manier van schrijven lijkt op die van de Russische schrijver Paustovskij. Ze was op het juiste moment op de juiste plaats en geeft de lezer van nu daarmee rechtstreeks toegang tot het levende verleden.

  • Dit boek nodigt uit tot reflectie

    Dit boek nodigt uit tot reflectie

    In Kinderen van Amalek legt Erik Ader (1944) uit hoe het Israëlisch-Palestijns conflict is ontstaan en waarom het nog steeds niet is opgelost. Ader is zoon van een predikantenechtpaar dat in de oorlog enkele honderden joden het leven redde. Wie verwacht dat hij daarom de Joodse zaak in Israël te vuur en te zwaard verdedigt, komt echter bedrogen uit. Ader beschuldigt de Israëliërs van het verjagen en onderdrukken van het Palestijnse volk. Hij werkte als diplomaat en de laatste jaren voor zijn pensionering als ambassadeur.

    In 1966 bezocht hij voor het eerst het Ds. Ader-bos dat in 1954 ter herdenking van het reddingswerk van zijn vader in Israël werd geplant. Bij een tweede bezoek aan het bos ontdekte hij een aantal oude olijfbomen tussen de nieuwe bomen en stuitte hij op de resten van een door de Israëliërs verwoest Palestijns dorp. Hij krijgt, zo schrijft hij in zijn vorige boek Oorlogen & Oceanen (2020), het gevoel dat het bos op zijn vaders naam bedoeld is om het verleden uit te wissen. Dat zette hem aan het denken. Hij onderzocht het conflict tussen de Joden en Palestijnen grondig en kwam tot de conclusie dat het beeld hiervan ingekleurd is vanuit de sympathie voor het Joodse volk en de bewondering voor de staat Israël. Daarmee bleef het droeve lot van het Palestijnse volk onderbelicht. Zijn ouders gaven in de oorlog alles voor een volk dat bedreigd werd en dat volk bedreigde en bedreigt vervolgens het voortbestaan van de Palestijnen. 

    De theoretische fundering voor dit gedrag vinden Joden in de bijbel. Groepen ultraorthodoxe Joden gaan uit van de uitverkiezing van het Joodse volk en de noodzaak om alle niet-Joden als minderwaardige mensen te vernietigen. De Arabieren zijn de kinderen van Amalek en verdienen het dus om uitgeroeid te worden. ‘Een Joodse vingernagel is meer waard dan het leven van een miljoen Arabieren,’ is de uitspraak van een van hun leiders. Zij achten compromissen met ‘Amalek’ goddeloos. 

    De mythen rond Palestina

    Kinderen van Amalek is een serieuze uitdaging voor iedereen die Israël een warm hart toedraagt. Op grond van gedocumenteerde boeken en artikelen van joodse auteurs ondergraaft Ader met feiten de vele mythen die rondom Palestina bestaan. De oudste en meest fundamentele mythe is dat Palestina voor het uitroepen van de Joodse Staat in 1948 een leeg land was, waar geen andere bevolkingsgroepen woonden. Daarmee rechtvaardigden de zionisten dat ze andermans land in beslag namen. Feitelijk woonden in dit gebied voor 1948 al een miljoen mensen die deels door de Joodse kolonisten verdreven werden.

    Volgens Ader ontleent Israël haar bestaansrecht aan een niet bindende verklaring van de Verenigde Naties (VN) uit 1947 en legde de staat in de afgelopen decennia zo’n beetje alle resoluties van diezelfde VN naast zich neer. Dat noemt hij ‘selectief winkelen’. Israël heeft naar zijn mening alle akkoorden met de Palestijnen in de loop der tijd naar eigen believen uitgelegd. Zo heeft ze in strijd met het Camp David akkoord (1978) de kolonisering van de bezette gebieden gestimuleerd. Die nederzettingen zijn een van de grootste obstakels voor vrede. Het tweede Camp David akkoord (2000) is volgens Ader niet door Arafat, maar door Israël opgeblazen. Israël heeft welbewust de kansen op vrede getorpedeerd en ondergeschikt gemaakt aan haar expansiezucht. Daarom is de uitgestoken vredeshand waarmee Israël schermt een wassen neus. Zolang het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen niet erkend wordt, zal er geen vrede komen, aldus Ader. 

    Geen vrede zonder Hamas

    Israël weigert Hamas als onderhandelingspartner te accepteren. Hamas zou een immorele, irrationele en bloeddorstige terreurorganisatie zijn, waar een fatsoenlijk mens niet mee praat. Ader geeft toe dat Hamas oorspronkelijk een veeleisend en ook antisemitisch handvest ontwierp, maar ziet veranderingen optreden. Voor Hamas is het conflict niet langer een religieuze strijd; ze heeft de oorspronkelijke radicaliteit afgezwakt. Bovendien, zegt Ader, hoor wie het zegt! De staat Israël is mede gevestigd door terroristen als de latere premier Sharon die het land hebben veroverd op de Palestijnen en trots waren op hun geweldsdaden. Volgens Ader is iedere poging tot permanente vrede onmogelijk zonder Hamas daarbij te betrekken, zeker nu Hamas intern heeft ingestemd met het bestaansrecht van Israël, binnen de grenzen van 1967. Volgens hem is de weigering van Israël slechts een manier om de verantwoordelijkheid voor het stichten van vrede te ontlopen. 

    In een van de langste hoofdstukken van het boek ontkracht Ader de mythe dat Israël het enige democratische land in het Midden-Oosten is. Een staat die een vijfde van zijn bevolking als tweederangsburgers beschouwt en behandelt, is volgens hem geen rechtsstaat. Dat komt doordat Israël de belichaming is van een metafysisch ideaal, een staat die militair oppermachtig is, met een atoombom. De aanwezigheid van niet-Joden wordt in dit land gezien als een schending van het goddelijk project en gelijkberechtiging is daarmee uitgesloten. 

    Nationalistische leerboeken op scholen

    Ader is somber over de mogelijkheid tot permanente vrede in dit gebied. Zeker gelet op de nationalistische en racistische leerboeken die op scholen gebruikt worden, zowel in Israël als in de Palestijnse gebieden. In de leerboeken zijn Palestijnen achterlijk en Israëliërs op zoek naar vrede. Palestijnen horen volgens die leerboeken niet in Palestina; het gebied was Joods en hoort dat te blijven. De lesboeken zijn nationalistischer en racistischer dan ooit. Inmiddels groeit er een derde generatie op in de bezette gebieden voor wie het bestaan als Joodse fundamentalisten de norm is. De kwaliteit van Palestijnse schoolboeken schijnt overigens geen haar beter te zijn, zegt Ader, wat hem overigens niet verwondert, gezien de misdaden die Israël heeft begaan. Terrorisme is volgens hem het enige wat een klein ondergeschikt volk nog ter beschikking staat tegenover een oppermachtige- en onderdrukkende staatsmacht. 

    Ader heeft zich in kringen van vrienden van Israël niet bepaald geliefd gemaakt. Iedere kritiek op Israël wordt daar al snel afgedaan als antisemitisme en op een bedenkelijk niveau teruggekaatst. Zo werd Ader onlangs door de Israël-gezinde Kees Broer verweten dat hij met zijn opvattingen ‘de gedachtenis van zijn in WOII gefusilleerde vader door het slijk haalt’. Deze opmerking is ver beneden het argumentatieniveau van het boek van Ader, dat een serieus weerwoord verdient.



  • Geschreven in de emotie van het moment

    Geschreven in de emotie van het moment

    Het leven wordt vooraf geleefd, maar achteraf begrepen. Als deze uitspraak van Kierkegaard op iemand van toepassing is dan is het wel op J.J. (Han) Voskuil (1926-2008), de schrijver van onder meer de roman Bij nader inzien (1963) en de zevendelige romancyclus Het Bureau (1996-2000). Aan zijn behoefte het dagelijks leven op schrift vast te leggen, danken we zijn dagboeken. In 126 schriften schreef hij op wat hij meemaakte, bedacht en ervaren had, met het doel zichzelf en de mensen om hem heen te begrijpen en zo meer in evenwicht te raken. Hij had er moeite mee in het moment te leven, had een secundair karakter en verwerkte in zijn dagboeken wat hij niet echt doorleefd had. De vraag is nu: in hoeverre verschillen de dagboeken van de romans? 

    Voskuil schreef zijn dagboeken niet om ze te publiceren, niettemin tikte hij ze na zijn pensioen integraal uit. Hij liet ze daarna aan zijn vrouw Lousje lezen met de opmerking dat zij na zijn dood mocht bepalen wat er met de dagboeken zou gebeuren. Zij vond zijn dagboeken te persoonlijk en knipte er ongeveer 5% uit. Na zijn dood besloot zij om de dagboeken toch in zijn geheel te publiceren, inclusief de door haar verwijderde stukken. Maar toen had ze een probleem, want haar man had de schriften tot 1955 laten vernietigen. Er zijn nu twee kloeke delen in een reeks van zeven verschenen. Deel I Bijna een man beslaat de periode 1939-1955 zonder de door Lousje uitgeknipte delen. In Deel II Capitulatie (1956-1965) zijn de door haar verwijderde passages met gebruikmaking van de schriften weer toegevoegd. 

    In deel I volgen we Han Voskuil in zijn groei naar volwassenheid, de oorlogstijd in Den Haag en zijn studententijd daarna in Amsterdam. Opvallend is dat hij weinig woorden wijdt aan zijn vriendin en latere vrouw Lousje. Ook zijn relaties met andere vrouwen blijven onderbelicht. Waarschijnlijk zijn dat de passages die zijn vrouw verwijderd heeft. Han schrijft over zijn vader en in mindere mater over zijn moeder. Verder over zijn broers die naar zijn idee meer in de lijn van zijn vader lopen, over de boeken die hij leest, de vrienden en vriendinnen die hij ontmoet. Han is niet alleen streng voor zichzelf maar ook voor anderen. Hij sabelt hen in zijn dagboek genadeloos neer. 

    Een verscheurd en onzekere man

    Op 30 maart 1950, schrijft hij een passage die veelzeggend is over de persoon Han Voskuil. Hoe hij zich in de eerste klas van de lagere school bij zijn moeder beklaagde dat niemand met hem wilde spelen. Toen ze heimelijk ging kijken stond hij inderdaad alleen midden op de speelplaats. Hij herinnerde zich niet dat hij ooit moeite heeft gedaan, ook niet in andere situaties, om daar verandering in te brengen. Hij stond vaak alleen, passief, onmachtig tot het aangaan van contact. Ook later op feestjes had hij moeite om spontaan met anderen om te gaan.

    In de dagboeken volgen we het leven van deze passieve, geïsoleerde, soms arrogante jongen en later van de ogenschijnlijk zelfverzekerde maar innerlijk verscheurde en onzekere man. Een kritische en meestal niet gelukkige man. Voskuil verklaart dit door zijn opvoeding waarin hij volgens hem verkeerd is geprogrammeerd. Met name zijn vader, Klaas Voskuil, die hoofredacteur van het Vrije Volk was en fractieleider van de PvdA in de Tweede Kamer, is de gebeten hond. Zijn vader was een gedisciplineerd en maatschappelijk betrokken man die de gevoelige zoon enorm onder druk zette door van hem veel te verwachten en te hameren op het nemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Voskuil zocht, zoals alle adolescenten, richting en was daarbij erg kritisch op zichzelf, alsof zijn vader bij alles over zijn rug meekeek.

    Tegenover zijn vader voelde hij zich laf en inferieur. Hij heeft daardoor voortdurend ‘mishagen’ aan zichzelf om het maar eens ouderwets te zeggen. Hij beklaagt zichzelf voortdurend in zelfanalyses: ‘Ik ben me zo overbewust van wat ik zeg en doe, dat ik mezelf in de weg zit. Mijn leven lijkt me waardeloos en zinloos. (…) dat gevoel dringt zich vooral op als een gevoel van eenzaamheid.’ Slechts af en toe bereikt hij een geluksgevoel, bijvoorbeeld als hij alleen in de natuur is, zonder verplichtingen. Zijn natuurbeschrijvingen zijn beeldend en zonder oordeel. Ook als hij een tijdje zonder werk zit, is hij gelukkig, omdat hij de hele dag doet wat hij leuk vindt:Geen geld en geen baan. Alleen gehinderd door mijn vader die me telkens komt opdrijven en door bezoekers waaraan ik geen behoefte heb.’

    Voorwerk voor Het Bureau

    Deel II speelt voornamelijk in de tijd dat hij werkte op het Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, het latere P.J. Meertens Instituut in Amsterdam. Hij speculeert in het dagboek al over het schrijven van een roman over dit langdurige werkverband. ‘Een verhaal over het Bureau, gezien als een gesticht of een gevangenis, maar zo overtuigend dat de lezer ziet dat er geen verschil is.’ Hij schreef Het Bureau in de jaren na zijn pensioen, het is een verwerking van zijn werkzame leven op het bureau tot autofictie. Het is interessant na te gaan waarin de dagboeken verschillen van de romans die hij later schreef.

    In Het Bureau neemt hij in alle opzichten meer afstand dan in zijn dagboek. In zijn dagboeken schrijft hij naturel, zonder er een verhaal van te maken. Hij beseft dat dit niet ‘werkt’ voor een lezer, dat zegt hij zelf met zoveel woorden op 24 maart 1964: ‘Ik realiseerde me dat de kracht… zit in de afstand.’ In de roman neemt hij afstand in de tijd en meer afstand van zijn eigen persoon en van andere personen met wie hij werkte en omging. In de roman draait het om een persoon in zijn werkomgeving en is veel uit het dagboek weggelaten, terwijl hij uit zijn geheugen een en ander heeft toegevoegd. In het dagboek komt alles serieus, klagerig en gelijkhebberig over, het is geschreven in de emotie van het moment. Niemand deugt, weinig boeken zijn de moeite waard, liefde en vriendschap zijn een illusie. Hij zet zich vaak alleen tegenover de wereld en aarzelt niet zijn nare trekjes breed uit te meten. De figuur van Maarten Koning in Het Bureau heeft die trekjes ook wel, maar doordat hij deel uitmaakt van een werkgemeenschap van mensen op een bureau, lijkt het allemaal wat minder zwaar. Han Voskuil wekt irritatie op, Maarten Koning lachlust. 

    Van dagboek tot roman

    In de roman gebruikt hij allerlei stilistische trucjes waardoor het verhaal een eenheid wordt. Eén daarvan is de herhaling. Doordat hij de personages telkens op dezelfde wijze met tussenzinnen introduceert en hun stereotype gedragingen en vaste gebaren meegeeft wordt Het Bureau een soap, een herkenbare wereld van eindeloze herhalingen, die de lach opwekt. Hij beschrijft de ander weliswaar stereotype, maar ook bijna liefdevol en herkenbaar. Daardoor wordt de lezer toeschouwer van een wereld rondom Maarten Koning en leeft hij mee met de hoofdpersoon. Koning wordt met zelfspot beschreven door Voskuil. In het dagboek klaagt hij zichzelf aan.
    Het Bureau is een eenheid, waarin Voskuil achteraf verantwoording over zijn leven aflegt. Het dagboek is een ratjetoe van meningen en emoties, afkeuren en voorkeuren, afwijzing en omarming, zodanig veel en heftig dat je af en toe zegt: ‘‘t Is wel goed zo’. De ervaringen stapelen zich op, terwijl hij geen verbinding met zichzelf krijgt. Zoveel inkt en papier gebruikt en toch niet in evenwicht gekomen. Het is schrijnend allemaal.  

    Toch biedt het dagboek veel mooie dingen. Door Voskuil te volgen krijg de lezer een persoonlijk beeld van de oorlogstijd en van de jaren vijftig en zestig. De discussies met vrienden over de maatschappelijke en literaire ontwikkelingen zijn soms interessant en verplaatsen je naar een andere, door het existentialisme gekenmerkte tijd. En niet te vergeten: de fraaie reis- en natuurbeschrijvingen. Voskuil kon als jongen al goed schrijven; hij ziet veel en registreert details. Hij kent als stadsmens de natuur, de verschillende planten en vogels op Ameland bijvoorbeeld als hij daar verblijft. Af en toe heeft hij schitterende observaties. Als jongen van 21 jaar oud schrijft hij op 16 januari 1945 naar aanleiding van de gedragingen tijdens de hongerwinter: ‘Er wordt alleen aan eten gedacht, alleen over eten gepraat, en over het weer nu de brandstof op is en de vorst niet wil wijken. Wie kon vermoeden dat dit dier zo weinig mens en zoveel dier is?’ 

    De dagboeken dienden als grondstof voor het schrijven van Het Bureau waarmee Voskuil zich onsterfelijk heeft gemaakt voor zijn lezers. Zonder de dagboeken was de roman er nooit geweest. Uit de dagboeken komt een treuriger beeld van Voskuil naar voren dan dat van zijn alter ego Maarten Koning in de romans. Door het schrijven van deze roman maakte hij van zijn leven een eenheid. Van enige afstand ontdekte Voskuil wat er misging in zijn leven.