• Een boek om niet meer weg te leggen

    Een boek om niet meer weg te leggen

    De roman die mooie atlantische wals is een prachtig geweven, zich langzaam ontvouwend verhaal. Het sleept je mee door de levens van twee ogenschijnlijk onopvallende mensen met een grote hartstocht voor countrymuziek. De Schotse schrijver Malachy Tallack overtuigt met deze roman, waarin de trage stijl dezelfde werking heeft als het geluid van een steelgitaar op een luisteraar. De woorden glijden als een rustige stroom langs de lezer, die vooral in het begin de tijd moet nemen om het aanvankelijk saaie, maar wel degelijk spectaculaire verhaal in zich op te kunnen nemen. Stukje bij beetje worden de geheimenissen van de hoofdpersonen blootgelegd. 

    Tallack vertelt in deze roman twee parallelle verhalen. Het ene verhaal speelt in het verleden tussen 1957 en 1981 en gaat over vader Sonny Paton, zijn vrouw Kathleen en hun zoon Jack, bewoners van de Shetland eilanden. Zij wonen in bij Tom, de oom van Sonny, een stugge hardwerkende boer in een vrijstaande woning genaamd Hamar, vlakbij de zee. Het tweede verhaal speelt in het heden en gaat over de zoon, de inmiddels bijna drieënzestigjarige Jack, een eenzaat, zoals Vlamingen dat noemen. Een man die door zijn verlegenheid en gebrek aan durf een ‘lonesome’ bestaan leidt in het huis van zijn overleden ouders. Als kind werd hij enorm gepest en door vaak teleurgesteld te zijn stelt hij zich tevreden met weinig. De parallelle verhalen van Sonny en Jack wisselen elkaar af en vullen elkaar aan als de begeleidende instrumenten in de countrymuziek 

    Geïdealiseerde leven van een Walvisvaarder 

    De roman kent een nogal heftig begin – beschrijving van een storm die vader Sonny als twintigjarige op een walvisvaarder meemaakt – dat afwijkt van de rest van het boek. Als hij deze vreselijke storm tegen verwachting in overleeft neemt hij zich voor het meisje Kathleen ‘met haar ogen als honing’, op wie hij al jaren verliefd is, bij zijn terugkeer op de Shetlandeilanden ten huwelijk te vragen. En dat doet hij ook. De walvis blijft een belangrijke rol in het leven van Sonny spelen. Tot 1963 was de walvisvangst een belangrijke inkomstenbron van de Shetlandeilanden. Toen werd het verboden om er op te jagen. Nadat Sonny op het vasteland aan ’t werk is gegaan idealiseert hij het harde bestaan op zee. Zijn verhalen erover worden steeds sterker. Hij en Kathleen worden op hun veertigste tijdens een boottocht door een walvis aangevallen. Hun boot wordt opgetild en beiden verdrinken. Die scène in het boek lijkt ongeloofwaardig, maar is het niet. Onlangs nog werd bekend dat een kajakker voor de Filippijnse kust in zijn geheel werd opgeslokt door zo’n enorm beest. 

    Onopgemerkt leven

    Het verhaal van Jack is dat van een man die zijn dag vult met boodschapjes doen en wandelingen naar de zee. Hij voorziet in zijn onderhoud door enkele uren per week het kantoor van een zalmverwerkingsbedrijf schoon te maken, een weinig hoogstaande maar voor hem bevredigende arbeid: ‘Het was Jacks taak om onopgemerkt te blijven.’ Via zijn vader Sonny leerde Jack de countrymuziek kennen. Sonny infecteerde zijn zoon ermee. Hamar, het huis waar ze wonen, ademt muziek. Jacks huiskamer staat vol lp’s en cd’s. Waar vader Sonny een passieve luisteraar bleef, bekwaamt Jack zich in het schrijven van eigen liedjes, schrijft tekst en muziek.

    Na ieder hoofdstuk is er een liedje afgedrukt, handgeschreven en met doorhalingen, alsof het schrijfproces nog niet is afgerond. Jack heeft veel verbeeldingskracht. Hij leeft die uit in zijn liedteksten en niet in het dagelijks leven. Hij leeft alleen, maar is niet eenzaam. Hij is tevreden, maar niet gelukkig. Jack denkt veel na over de betekenis van countrymuziek. Hij noemt het ‘verlangen naar elders en ooit, naar plekken en mensen die niet hier en nu waren.’ Countrymuziek was ook, ‘huiveren om wat komen zou, en spijt om wat was.’ Het luisteren en schrijven van deze muziek is een compensatie van zijn bestaan waarin lust en vervoering ontbreken. 

    Dan wordt het beklemmend

    Dan wordt er op een dag een doos met niet nader te noemen inhoud voor de deur van Jack gezet. De inhoud van de doos dwingt hem tot het maken van verbinding met anderen. Is Jack in staat om over zijn eigen geremdheid en afzondering heen te stappen en contact te leggen met zijn omgeving? Het lijkt op niets uit te lopen. Ergens staat: ‘Jack was waardeloos. Overbodig. Nergens goed voor. Tientallen jaren had hij zichzelf laten krimpen, zijn dagen laten verdorren als zaadkorrels op beton, een hopeloze verspilling van het leven. Je kon hem nauwelijks een man noemen.’ In de loop van het boek wordt het verhaal van Jack nogal spannend en beklemmend en kan je het boek niet meer wegleggen. 

    Wat het extra aantrekkelijk maakt is dat de liedjes in het boek ook te beluisteren zijn op spotify. De schrijver voert de liedjes zelf uit en toert met een band door Schotland en Engeland. De roman is daardoor een beleving van lezen en luisteren geworden. Wie ook nog de interviews met de langzaam en weloverwogen sprekende Tallack beluistert, raakt helemaal in de ban van deze mooie atlantische wals over eenzame mensen, heimelijk verlangend naar verbinding. Ook voor extraverte en niet van countrymuziek houdende mensen zeer interessant.



  • Schitterende beschrijving van de liefde als enige bron van bestaan

    Schitterende beschrijving van de liefde als enige bron van bestaan

    De titel van de onlangs verschenen roman van de Italiaans-Cubaanse schrijfster Alba de Céspedes zegt precies waar het boek over gaat, Zoals zij het ziet. Hoofdpersonage Alessandra vertelt hoe zij haar leven heeft geleefd en ervaren in een tijd waarin mannen domineerden en vrouwen geacht werden te volgen. Het boek is geschreven in 1948, een tijd waarin een betaalde baan voor een vrouw nog geen normale zaak was en het aanrecht haar enige recht. Een tijd waarin de meeste vrouwen zich wijdden aan de verzorging van hun man en kinderen. 

    De roman is het verhaal van vrouwen die hartstochtelijk op zoek zijn naar de grote liefde, naar de volledige aandacht en toewijding van hun partner, niet alleen in de verkeringstijd, maar ook in de jaren daarna. Het boek is in de woorden van de schrijfster, vijftig jaar na verschijning: ‘een protest tegen het idee dat liefde een illusie is.’ De drie generaties vrouwen in deze roman komen tot de naargeestige slotsom dat mannen om verschillende redenen, niet in staat zijn tot het geven van liefde. Alessandra verklaart deze mislukking uit het feit dat mannen en vrouwen totaal verschillend in elkaar zitten en dat mannen dit weigeren in te zien. Ze ‘betuttelen’ hun vrouwen waardoor ze niet tot hun recht komen. Mannen schieten in deze roman in vrijwel alle opzichten te kort.

    Een slechte start

    Alessandra’s leven begint al slecht. Ze had eigenlijk een jongetje moeten zijn, als vervanging van haar broertje Alessandro die jong stierf. De roman schetst het burgerlijke leven van Alessandra’s ouders in een flatgebouw in de Romeinse wijk Prati, gelegen tegenover de Villa Borghese, aan de andere kant van de Tiber. Ze groeit op in een van de enorme wooncomplexen, waar veel gezinnen dicht bij elkaar wonen. Haar vader is in de ogen van Alessandra een saaie ambtenaar, die zijn leven in regelmaat heeft gegoten. Op tijd eten, op tijd slapen en af en toe een keer zijn vrouw tot seks dwingen. Haar moeder is huisvrouw en pianolerares. Zij laat de droom in haar leven toe. Als ze lesgeeft in de prachtige villa Pierce op de Gianocoloheuvel – waar de rijken wonen – raakt ze hevig verliefd op een jonge pianist, zoon van de familie. Ze wil haar man verlaten, maar dat blijkt onmogelijk, omdat ze Alessandra niet achter wil laten en haar man staat haar niet toe haar dochter met zich mee te nemen. Dan pleegt ze zelfmoord door zich te verdrinken in de Tiber. Ze kiest ervoor te sterven in plaats van zich te onderwerpen aan compromissen. Alessandra is dan zeventien.

    Alessandra verhuist naar haar grootmoeder en haar ooms en tantes ergens op het platteland van de Abruzzen, ten oosten van Rome. Haar grootmoeder is een sterke vrouw met een fonkeling van natuurlijke trots in haar ogen, die ze nooit bij haar vader had opgemerkt. Ze vat sympathie op voor haar grootmoeder, terwijl die Allessandra’s moeder toch veroordeelt omdat ze een droom heeft nagestreefd ten koste van haar dochter en man. En een droom nastreven is niet wat van vrouwen verwacht wordt. Volgens grootmoeder leven vrouwen een leven dat ingaat tegen hun karakter en aard, tegen hun gevoelens en impulsen, juist daarom moeten ze zo sterk zijn. Als vrouwen niet standvastig zijn en ook hun impulsen gaan volgen loopt het slecht met hen af. 

    De keuze van Alessandra

    Grootmoeder bekijkt de mannen met een cynische blik. Ze maakt algemene opmerkingen waaruit blijkt dat ze mannen niet erg hoog heeft zitten: ‘Mannen die voor het vaderland sterven zijn helden,’ beweert ze, ‘maar hoe vaak moet een vrouw wel niet bewust sterven, in haar miezerige leven van alledag.’ Zij is een sterke vrouw die prachtige wijsheden debiteert: ‘‘Oorlog is geen bewijs van kracht, maar van angst. Alleen angst en zwakheid kunnen mannen zover brengen om andere mannen die niets misdaan hebben te doden.’ 

    Alessandra kiest voor het compromisloze van haar moeder en niet voor de gangbare omgang met mannen. Als ze na verloop van enige tijd naar Rome terugkeert, woont ze weer bij haar vader. Daar raakt ze tot over haar oren verliefd op Francesco, een anti-fascist die werkzaam is aan de universiteit. Alessandra en Francesco maken een schitterende ‘zoete’ tijd door in Rome, ze bezoeken samen de plaatsen waar haar moeder kwam, ze kussen voor het eerst op het Sint Pietersplein en wandelen veel in de Villa Borghese. Het lijkt een complete romantische relatie, waarin ze beiden behoefte hebben alles wat ze beleefd hebben te bespreken om het te herbeleven. Alessandra wordt er zelfs milder van tegenover haar vader.

    De oorlog en ondergronds verzet

    Als de oorlog uitbreekt wordt de prille relatie echter belemmerd door Francesco’s onderdompeling in het verzet tegen de Duitsers. De eindeloze gesprekken met en de tedere belangstelling voor elkaar verdwijnen langzamerhand. Alessandra neemt daar geen genoegen mee. Ze probeert de oorspronkelijke verliefdheid vast te houden, maar slaagt daar niet in. In haar ogen zet deze gevoelige, romantische Francesco op een gegeven moment toch zijn aard als ferme, daadkrachtige man in tegen haar die hij ziet als een te gevoelige, romantisch vrouw. Ze had gehoopt dat hij eenzelfde verlangen zou hebben om het perfecte moment van ontmoeting keer op keer op te zoeken. Alessandra heeft de behoefte om die liefde voortdurend te uiten en te horen uiten door de ander. Maar Francesco raakt voor haar steeds verder buiten bereik in het ondergrondse verzet.

    Om dichter bij Francesco te kunnen komen neemt zij ook deel aan het verzet en doet allerlei heel gevaarlijk verzetsacties. Dichter bij haar man komen lukt echter niet echt en ze moet wachten op zijn nabijheid tot de oorlog voorbij is. Maar dan besteedt Francesco zijn tijd aan de voorbereiding van een nieuwe maatschappij.  Als hij ’s nachts toenadering zoekt noemt hij nooit meer haar naam. En ’s ochtends heeft hij het niet meer over wat er ’s nachts tussen hen heeft plaatsgevonden. Alessandra mist die vertrouwelijke intimiteit, Francesco niet. Of de compromisloosheid van Alessandra slecht voor haar afloopt, laten we hier in het midden.

    Kloof tussen man en vrouw

    Zoals zij het ziet is een prachtig boek, waarin de mannen er niet best af komen. Het geeft een tijdsbeeld en stelt ook actuele vragen over de relatie tussen man en vrouw. De roman is somber over de mogelijkheid om de rolpatronen tussen mannen en vrouwen te doorbreken. Mannen zijn volgens de schrijfster domweg niet in staat om vrouwen te begrijpen, omdat zij niet de behoefte hebben om de verliefdheid te vereeuwigen. Zij verstoppen zich na een korte verliefdheid in hun werk of in hun maatschappelijk ideaal of zoeken nieuwe liefdes in plaats van dat ze hun best doen de grote liefde telkens opnieuw te beleven en te uiten.  

    Is de kloof die de schrijfster in deze roman tussen mannen en vrouwen beschrijft tijdgebonden. Heeft de vrouwenemancipatie deze kloof gedicht of gaat het hier om een essentieel verschil. Vrouwen komen van Venus en mannen van Mars? De lezer geeft zijn eigen antwoord. Wat deze roman zo goed maakt is de schitterende beschrijving van de liefde als enige bron van waarachtig en intens bestaan, het compromisloze verlangen naar de ander die er, voor altijd is, voor zo lang als dat duurt.



  • De dichter van het …en toch

    De dichter van het …en toch

    Op een grafmonument op begraafplaats Ockenburg in Den Haag staat de naam Ellen Warmond. Daaronder haar geboorte- en sterfjaar (1930-2011) en daaronder de aanduiding ‘Dichter’. Dichten was de essentie van haar leven. Trudy van Wijk (1951 – 2020), die in 2003 al een proefschrift over Warmonds dichterschap voltooide, schreef een biografie over haar, ook al vond Ellen Warmond dat haar privéleven niemand wat aanging. Van Wijk overleed voordat ze de biografie helemaal af had. De biografie werd geredigeerd en voltooid door Bertram Mourits, hoofd collecties van het Literatuurmuseum. In Geef niet mee!, staan de eerste dertig jaar van Warmonds leven centraal. De vijftig jaren die er op volgen krijgen veel minder aandacht. Het is niet duidelijk waarom Van Wijk zo weinig aandacht aan de laatste jaren van Warmonds leven schenkt en of ze dit zo bedoeld heeft.

    Ellen Warmond is het pseudoniem voor Pietronella Cornelia) van Yperen. Een naam die ze vrijwel nooit gebruikte. Een verzoek voor een interview, geadresseerd met haar geboortenaam, weigerde ze omdat ze geen interviews gaf. Ze schreef verder: ‘Ik moet u afraden brieven aan mij te adresseren aan ‘Van Yperen’, want die naam gebruik ik alleen voor dingen als de belasting, dus een dergelijke aanhef wekt mijn wantrouwen.’ 

    Kleinburgerlijkheid ontstijgend

    De biografie volgt het leven van Ellen Warmond chronologisch. Ze werd geboren in Rotterdam in een kleinburgerlijk christelijk gezin. Vader probeerde het arbeidersmilieu te ontvluchten, maar slaagde daar niet in. Ze deed laatdunkend over haar afkomst, terwijl er in haar ouderlijk huis toch opvallend veel gelezen en gemusiceerd werd. Het verhaal dat zij over haar jeugd vertelt is beladen met schaamte over ‘nette armoede’. Ze voelde zich niet begrepen en probeerde aan haar milieu te ontsnappen door te gaan dansen. Ze wilde kunstenares worden, boven het alledaagse uitstijgen. Haar danslerares Staluse Pera, die als vrouw haar eigen weg koos dwars tegen burgerlijke conventies in, was haar grote voorbeeld.

    Warmond hield van vrouwen. Als jonge danseres maakte ze kennis met Emmy Hemelraad, die een stuk ouder was. Haar grote liefde in de jaren vijftig was de oudere schrijfster Anna Blaman, die haar volgens Van Wijk wilde modelleren als een Pygmalion. Blaman ontdekte haar als dichteres en was haar moreel kompas, maar zij wilde tot Warmonds verdriet geen vaste relatie met haar. Dat verwerkte ze in haar gedichten. Na de dood van Blaman in 1960 zou het nog lange tijd duren voordat Warmond een vaste relatie kreeg. In 1965 kwam ze in Israël de reisleidster Eveline Witjas tegen, met wie ze jarenlang samenleefde, maar de relatie hield geen stand. Warmond was geen gemakkelijk mens, ze klaagde veel en vaak. De ex-geliefden bleven elkaar wel regelmatig zien, maar waren de laatste jaren van haar leven niet langer samen.

    Ontsnappen aan de werkelijkheid

    Van Wijk schrijft dat het bombardement van en de oorlogstijd in Rotterdam een belangrijke rol hebben gespeeld in Warmonds leven. ‘Waarschijnlijk werd tijdens deze periode de kiem gelegd voor een belangrijk thema in het werk van Warmond: de discrepantie tussen romantische verwachtingen en de ontnuchterende en ontluisterende werkelijkheid.’ Ze kwam tot het besef dat ze het volgende moment dood kon zijn en hield er een levenslange angst voor vuur en een afkeer van geweld aan over. Door de oorlog zag ze het bestaan als zinloos en absurd. Alleen door het schrijven van gedichten kon ze ontsnappen aan de bizarre werkelijkheid. Haar debuutalbum Proeftuin (1953) opent met het gedicht ‘Excuus’: ‘Om het inoperabel tekort / van gebaren die onvoltooid / en gedachten die verzwegen / blijven om alles wat nooit / kan worden prijsgegeven / beroep ik me op het gedicht / als machteloos tegenwicht.’

    Na Proeftuin verschenen er nog twintig poëziebundels en drie verhalenbundels van haar hand. In 1999 verscheen Kaalslag, haar laatste bundel. Van Wijk laat zien hoe de gedichten en de verhalen samenhangen met de gebeurtenissen en ervaringen in Ellens eigen leven. Ellen Warmonds poëzie stemt op het eerste gezicht niet bepaald vrolijk. In haar werk is de invloed van het existentialisme merkbaar. Ze kleedde de wereld en zichzelf uit tot op het bot. Ze voelde zich een vreemdeling op aarde. Ellen had geen hoge pet op van de mens, die ze een ‘dom dier’ en een ‘bedroefde blinde’ noemde. Ook van God verwachtte ze niets. De goden zijn volgens haar even machteloos als de mensen. Ook de oosterse goden brengen geen verlichting, want ‘een boeddha bijvoorbeeld in/ dit typisch hollandsch landschap/zou blaffen van hooikoorts.’ Carrière maken heeft geen zin, want ‘het onvermoeibaar draven op de plaats’ is het hoogst haalbare. Zelfs liefde ontmaskerde ze: ‘we houden niet elkaar/maar onze verloren jeugd in de armen.’

    Een van onze grote dichters

    Warmond is een van onze grote dichters, die als geen ander het naoorlogs levensgevoel onder woorden heeft gebracht. Ze wilde niet als specifiek vrouwelijk dichter onderscheiden worden, zo bleek onder meer bij de uitreiking van de Ann Bijns Prijs aan haar in 1987. Die prijs werd uitgereikt aan een ‘specifiek vrouwelijk geluid’. Zij zag hierin een vorm van discriminatie, alsof er een specifiek mannelijk of vrouwelijk geluid bestond. Ze wilde niet in een hokje worden geplaatst. ‘Ze schreef geen doelgroepenpoëzie,’ schrijft Van Wijk. 

    De laatste levensjaren van Warmond waren ontluisterend. Na de scheiding van Eveline Witjas leefde ze als kluizenaar. Ze zag vrijwel niemand meer, zat vol zelfverwijt en dronk veel. Mede doordat zij al meer dan tien jaar geen nieuw werk had gepubliceerd, bracht haar overlijden in 2011 maar weinig journalisten ertoe een necrologie te schrijven. Helaas komen we in de biografie niet te weten of Warmond na 1999 nog gedichten heeft geschreven. Ze hield wel een dagboek bij, maar gaf opdracht dat te verbranden.

    Het leven had voor Ellen Warmond geen van bovenaf gegeven zin. Maar het bood wel een ‘kristal van kansen’, van mogelijkheden om er zin aan te geven. Warmond probeerde – hoe onsamenhangend ook – een eigen wereldbeeld te ontwikkelen. Dichten is voor haar een antidotum tegen het zinloze, toevallige en absurde bestaan. Maar het was niet alleen een persoonlijke behoefte: haar gedichten hadden ook een functie. Ze zag ze als lampen waardoor niet alleen zij, maar ook lezers ‘uitzicht op inzicht’ kunnen verkrijgen. 

    Hoop en verlangen naar betere tijden

    Het laatste wat een mens volgens Warmond moet doen is zich neerleggen bij de gang van zaken. Ze geeft niet mee, verzet zich tegen hokjesgeest, berusting en luiheid. Ze noemt dat ‘het gooien van stenen door de ruit van verstarring’. In de jaren zestig en zeventig keerde ze zich in haar poëzie ook tegen de onderdrukking van mensen en volkeren en tegen oorlog. Haar latere werk werd steeds somberder en kaler. Ondanks de lichamelijke aftakeling bleef ze moedig in haar poging ‘het eigen ik net zo lang /recht in de ogen zien/ tot het een weerwoord weet.’ 

    Van Wijk bekritiseert de feministische literatuurwetenschapper Maaike Meijer die volgens haar een te somber beeld van het werk van Warmond schetst. Meijer plaatst Warmonds werk onder de noemer ‘De Grote Melancholie’, dat als volgt wordt omschreven: ‘een sterk gevoel van onheil en depressie. Het leven wordt als dood, nutteloos en waardeloos afgeschilderd.’ Warmond is voor Trudy van Wijk een dichter die door alle ellende heen verlangde naar lichtheid, overgave en zorgeloosheid. Ze bleef hopen op, en verlangen naar beter. Een van haar mooiste gedichten die dit illustreert is ‘Kleine akte van geloof’:

    ‘Hopende op meer dan dit
     Hopende op geluk
     de lachwekkend ontroerende bloesem
     die geen vrucht draagt

     iedere ochtend een kans
     iedere avond een aanloop
     naar later misschien
     misschien?

     en elke dag opnieuw
     verwachten wat niet bestaat

     dit weten tot in de polsslag
     dit weten met elke vezel
     en toch?

     en toch.’

    De biografie van Trudy van Wijk biedt geen nieuwe kijk op Warmonds gedichten, wel plaatst het haar gedichten in een context. Ook schuwt ze de donkere zijden van Warmonds bestaan niet, waarmee ze recht doet aan een dichter die zichzelf genadeloos durfde te analyseren. Warmond bleef ‘met open ogen/in de leegte zien.’ 



     

  • Een schreeuw om verlossing

    Een schreeuw om verlossing

    Gerwin van der Werfs nieuwste boek Wilgeneiland is een sfeerrijke en veelzijdige roman die speelt in de zompige wereld van het Hollandse merengebied. De auteur heeft voor dit boek veel onderzoek ter plaatse gedaan. Hij vestigde zich in een woonboot van een vriend om de sfeer van de alomtegenwoordigheid van het water te kunnen ondervinden. Er worden veel vragen opgeroepen, maar weinig beantwoord.  De roman speelt zich af in een oerconservatief fictief dorpje Oud Zweiland in het Hollandse merengebied, waar de wereld verdeeld is in gevestigden en buitenstaanders. De dorpelingen die er van geslacht op geslacht gewoond hebben, zijn de gevestigden. Ze worden als simpele vreemdelingehaters geschetst, vanuit het perspectief van de buitenstaanders getekend. Het zijn stuk voor stuk flatcharacters, die stereotiep reageren op veranderingen en gedreven worden door eigenbelang en oude tradities. 

    De buitenstaanders zijn de mensen die ook nog letterlijk aan de rand van het dorp wonen in woonboten. Zij proberen te assimileren, maar dat wordt hen door de plaatselijke jeugd niet gemakkelijk gemaakt. Ze zijn niet van ‘hiero’. Het zijn allemaal mensen die er niet thuishoren. De buitenstaanders zijn moeilijk grijpbaar. Het zijn in zichzelf gekeerde mensen die zich niet uitspreken, die vastlopen in hun eigen gedachten. Het boek stemt bepaald niet vrolijk, omdat de hoofdpersonen geen lolbroeken zijn. Depressiviteit overheerst bij hen. Zij zijn geen van allen praters die inzicht geven in hun drijfveren. Het zijn kwetsbare mensen die leven in een kwetsbaar gebied aan de rand van de bewoonde wereld. 

    Een geheimzinnig eiland

    In het eerste deel van de roman dat speelt in 1992 staat de dertienjarige Natan centraal. Hij is een dichterlijke jongen die met zijn ouders Johan en Magda (Lena) op een woonboot woont. Vanuit de ouderlijke woonboot heeft Natan uitzicht op een geheimzinnig eiland. Bij een poging het eiland zwemmend te bereiken verdrinkt hij bijna. Hij wordt gered door zijn buurman Tom Healy die ook op een woonboot woont. Deze Tom wordt op het dorp Jezus genoemd, omdat hij de hoofdrol speelt in de musical Jezus Christ Superstar. Natan gebruikt in het vervolg diens kano om naar het eiland te varen. Daar ligt een verrotte woonboot, waar eens de kunstschilder Aalt woonde. Is Aalt overleden, of pleegde hij zelfmoord? Natan probeert dat uit te zoeken en maakt daarvoor een bewijsbord, waar hij mogelijke daders en slachtoffers een plaats geeft, als een echte detective. Hij komt er echter niet uit.

    Wie denkt in het tweede deel, dat vanuit het perspectief van Aalt is geschreven, antwoorden te krijgen, komt bedrogen uit. We gaan in dit deel terug in de tijd naar 1979. De auteur beschrijft Aalts leven als schilder en houtbewerker in sympathieke bewoordingen, bijna met liefde. Aalt legt een nieuwe stalvloer bij Boekhorst, een rijke boer, die de stal wil gebruiken om een verzameling religieuze beelden aan te kunnen leggen. Nadat hij bij boer Boekhorst een piéta heeft gezien, die hem angst aanjaagt, gaat hij maniakaal aan het schilderen. In het schilderij dat ontstaat verwerkt hij zijn eigen angsten en geeft hij zijn visioenen weer. Aalt hoort in zijn hoofd allerlei ondergangsteksten van de oud-testamentische profeet Sefanja. Die doen vermoeden dat het niet goed afloopt met de schilder. 

    Bijbelse namen

    Een vierde hoofdpersoon, naast Natan, Tom en Aalt is Marie een vriendin van Natan. Marie die eigenlijk Christine heet is de buitenechtelijke dochter van een Koreaanse, die door boer Boekhorst geadopteerd is. Wie Marie’s vader is, blijft een raadsel. Is het de boer, die haar moeder adopteerde, is het een van de dorpsjongens of is het de eenling Aalt? Marie is geen buitenstaander, want zij is op het dorp geboren, maar ook geen autochtoon. Zij vertrekt uit Oud Zweiland om kunstenares te worden en neemt een andere naam aan. 

    Veel in deze roman ademt de christelijk achtergrond van de auteur. Van der Werf strooit met verwijzingen naar de bijbel. De meeste voornamen in het boek stammen uit de bijbel. Natan is in de bijbel een profeet die koning David aanklaagt vanwege diens overspel met de mooie Bathseba. De andere namen verwijzen naar mensen rondom Jezus, zo heten Natans ouders Johan (Johannes de Doper?) en Magda (Lena). Marie spreekt voor zichzelf, alleen Aalt valt uit de toon in dit opzicht. 

    De auteur beweert in een interview, dat hij afscheid heeft genomen van het christelijk geloof, maar in de roman schreeuwt ieder persoon als het ware om verlossing, de kern van de christelijke boodschap. Van boer Boekhorst wordt letterlijk gezegd, dat hij beelden verzamelt om zichzelf te verlossen. Maar ook de andere personen schreeuwen als het ware om de verlossing uit hun verloren toestand. Met de meesten loopt het niet zo goed af. Alleen het buitenechtelijke kind Marie (Christine) lijkt die dans te kunnen ontspringen. Zij lijkt nog het meest op de Piéta, die mannen kan troosten. Maar Christus zelf ontbreekt.

    Van der Werf schrijft geen rechttoe rechtaan verhaal van begin naar eind, maar verdeelt het in delen waarin het perspectief wisselt. Het is zowel een familieroman, een moordmysterie en een streekroman. Ergens vergaloppeert hij zich door een schrijversspelletje te spelen. Uiteraard is Van der Werf de auteur, omdat zijn naam op de omslag staat, maar in de roman wordt één van de hoofdpersonen als auteur van de eerste twee delen genoemd. Waarom hij dat doet, is niet duidelijk. Die twee delen worden door dat spel met  wie is de auteur wat ongeloofwaardig. Is deze hoofdpersoon in staat zijn hoofdpersoon dergelijke gedachten in de mond te leggen?

    Apocalyptisch perspectief

    Dankzij de geheimzinnige sfeer en de onbeantwoorde vragen die je aan het denken zetten, blijft de roman fascineren. Daarbij komt dat Van der Werf mooi proza schrijft. Hij kan in korte bewoordingen goed karakteriseren. Zo zegt hij over een vrouw: ‘‘Ze heeft een mekkerstem, waarmee ze niet meer dan twee registers kan bedienen: geveinsde interesse en ongenoegen.’ Zijn beschrijving van het landschap is ook erg mooi en bovendien verstaat hij de kunst om een hoofdstuk zo te beginnen dat je meteen geboeid bent. Van der Werf gebruikt ook mooie oude woorden als ‘deernis’ waardoor Tom Healy ‘bevangen wordt’. Het is opnieuw een verwijzing naar Jezus. Healy wordt ook, als hij Natan uit het water trekt in zijn kano, beschreven als een ‘visser van mensen’. Zou Tom dan, de musicalster, de enige zijn, die zoals de bijbelse Jezus door ontferming bewogen is over de anderen? Maar Tom haalt het niet bij Christus. Hij is een man ‘zonder kern die leeft op het gejuich van het publiek’. 

    Door gebruik te maken van de ondergangsteksten van de bijbelse profeet Sefanja zet Van der Werf dit complexe verhaal in een apocalyptisch perspectief. Alsof de gebeurtenissen op het dorp het einde der tijden inluiden, waarin God zal rechtspreken over de zonden van de mensheid. 



  • De kracht van dit boek zit in de rauwe beschrijvingen

    De kracht van dit boek zit in de rauwe beschrijvingen

    Een fictieve stad is het toneel van de roman Jericho van schrijver Lammert Voos. Hij werkte zelf jarenlang als vluchtelingenmedewerker, onder meer tijdens de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië. Hij publiceerde gedichten, verhalen en romans, deels in het Gronings, de taal van zijn jeugd. De naam Jericho komt in de Bijbel voor, in het boek Jozua, maar niets in deze roman verwijst naar de Bijbelse stad die op miraculeuze wijze veroverd werd door het Joodse volk dat uit het land Egypte weggetrokken was. Jericho is door Voos gesitueerd in het eveneens fictieve Moudzikistan, een ‘oud rijk dat bestaan had uit een lappendeken van volken, talen en religies.’ Het is een staat in het Pontisch-Kaspische steppegebied boven de Zwarte Zee, dat zich uitstrekt van het huidige Moldavië tot aan Kazachstan. De situering van de roman is fictief, maar weinig in dit boek is verzonnen. Voos heeft de roman bijeengesprokkeld uit zijn herinneringen en uit de verhalen van vluchtelingen en hulpverleners uit oorlogen wereldwijd. Hij schreef de roman voordat Rusland Oekraïne binnenviel.

    Jericho is in Voos’ roman de hel op aarde. De stad wordt voortdurend beschoten vanuit de bergen, het is de sterfplaats van wanhopige vluchtelingen en de pleisterplaats van cynische journalisten. Een vervuilde stad, zonder schoon water, lijdend onder de hitte, het stof en de explosieven. Niemand is daar zijn leven veilig en het leed gaat er naakt of half aangekleed over straat. ‘De massa week stroperig uiteen, murw van honger, dorst en uitputting. Stof en nog eens stof, kinderen met zwarte oogleden en lippen van roet (…)’. 

    Korte scènes en een motto

    Het boek bestaat uit korte scènes uit het leven van verschillende personen die we beurtelings volgen of van wie we steeds meer via flashbacks te weten komen. De belangrijkste figuren zijn de Nederlandse journalist Adam, de vluchteling Lidija, de geheimzinnige Anna, Detlev, de barman van Hotel International en de Nederlandse VN-gezant De Jong. Ze proberen allen te overleven in deze poel van ellende.

    De roman begint met een motto van Friedrich Nietszsche: ‘Wenn du lange in einem Abgrund blickst, blickt der Abgrund auch in dich hinein.’ Dit citaat is helemaal van toepassing op Adam, de journalist. Mede door enkele flashbacks naar zijn jeugd ontstaat het beeld van een man die zijn journalistieke loopbaan gebruikt om aan zijn trauma’s te ontsnappen. Hij is opgevoed door een ‘beest’ van een vader die zijn moeder sloeg, en een moeder die ‘niet deugde’. De schrijver noemt Adam een zaterdagskind, iemand die niets bespaard is gebleven en zich daar zelf schuldig over voelt. Iemand die niet wil accepteren dat de afgrond ook in hemzelf bestaat en dat hij die afgrond telkens weer opzoekt, zoals nu in Jericho. In deze stad blijft hij – door de wol geverfd – ogenschijnlijk heel rustig te midden van de mensonterende omstandigheden waarin mensen om hem heen worden neergeknald of compleet gek worden van angst. Maar iedere keer als hij terugkeert in Nederland wordt hijzelf gek van angst. Het enige wat hem daarvan kan bevrijden is terug te keren naar een oorlogsgebied waar nieuwe belevenissen in verse lagen over de oude gelegd worden. 

    Wie wel en wie niet te vertrouwen

    De vluchteling Lidija is het slachtoffer van jodenhaat op het platteland en moet vluchten. Zij denkt in de stad Jericho veilig te zijn. Onderweg naar de stad verliest ze haar schoonouders en man. Ze ‘sleept’ twee jonge kinderen met zich mee, de een krijsend van honger, de ander bijna dood. Lidija is de schrijfster van een gedicht waarvan door het boek heen telkens zinnen opduiken. Een mooi en tegelijkertijd hartverscheurend gedicht, een ‘bittere zang van lijden en sterven’. Het gedicht wordt in het laatste hoofdstuk in zijn geheel afgedrukt.

    De geheimzinnige Anna wil haar levensverhaal kwijt bij journalist Adam, die weet dat zij via hem bekendheid wil krijgen. Zij is tamelijk ongrijpbaar, ook voor Adam. Hij heeft het gevoel dat haar verhaal is verzonnen, maar hij is toch gefascineerd door haar persoonlijkheid en charme. Hij heeft het gevoel dat zij hem meetrekt in een complot, hem voor haar karretje wil spannen. Adam weet niet goed wie wel en wie niet te vertrouwen is in deze stad.

    Dan is er de barman Detlev, zelf ook een vluchteling, die werkt in Hotel International, de veiligste plek van de stad. Hij is de barmhartige in deze roman, hij doet wat hij kan om de vluchtelingen en gewonden te helpen door ze van voedsel en medicamenten te voorzien geven. Naast deze barman is er ook nog de zichzelf opofferende Nederlandse VN-sergeant De Jong. Het is even zoeken, maar medemenselijkheid bestaat ook in deze stad. 

    Invoelende beschrijvingen

    De kracht van dit boek zit in de rauwe beschrijvingen die het gevoel geven dat je naast en tussen de mensen staat die de verschrikkelijkste dingen overkomen. Zo beschrijft Voos een plein nadat er een granaat is ontploft: ‘Het plein lag bezaaid met lijken en lichaamsdelen. Er kroop een jonge vrouw over de stenen die glibberig van het bloed waren, de resten van haar benen achter zich aanslepend. Overal schreeuwende en huilende mensen op zoek naar geliefden en familie. De ramen waren uit de McDonald’s geblazen, binnen lagen talloze gewonden.’ Lammert Voos schrijft heel afwisselend. Lange zinnen en zinnen die bestaan uit heel weinig woorden wisselen elkaar af. Hij gebruikt prachtige metaforen en verwijzingen. Een pantserwagen doet hem denken aan Jona in de walvis en beweegt zich als een ‘pissenbed’ door de straten.

    Toch is er ook wel wat op het boek aan te merken. Het verhaal van Anna blijft ook na meerdere lezingen onduidelijk. De Nederlandse VN-gezant De Jong is een soort Jezus-ex-machina. De auteur brengt de verschillende hoofdpersonen in de slothoofdstukken bij elkaar, maar dat komt in dit meeslepende en actuele boek wat geconstrueerd over. De drama’s van de hoofdpersonen waren los van elkaar al wel invoelbaar gemaakt.



  • Het toevallige en achteloze van een bestaan

    Het toevallige en achteloze van een bestaan

    Kees van Domselaar (1954) publiceerde onlangs zijn vierde bundel, Fabrieksinstellingen. Eerder verschenen van hem Postfris (2005), Een vrouw op het Zuiden (2009) en De stille fanfare (2019). Domselaar groeide op in Zeist en woont er nog steeds. Het deftige dorp en de omgeving vormen het landschap van zijn ziel. Het motto van Fabrieksinstellingen is een citaat uit het werk van J.C. Bloem: ‘Ten einde is dit wellicht nog ’t meest: / te kunnen zeggen: het is even / tussen twee stilten luid geweest.’ Waarbij de afbeelding op de voorkant van de bundel – van een geluidsfrequentie, door Steven van der Gaauw – beginnend en eindigend met nul, mooi aansluit.

    Van Domselaar staat als dichter in de klassieke traditie van Bloem en Nijhoff en zijn werk doet denken aan dat van Herzberg en Kopland. Hij schrijft geen ingewikkelde, abstracte gedichten, maar neemt concrete gebeurtenissen en herinneringen, voorwerpen en plaatsen en mensen als uitgangspunt. Zijn werk wordt gekenmerkt door een besef dat alles vergankelijk en niets blijvend is. IJdelheid der ijdelheden, zou de Prediker zeggen. En de dood blijkt nooit ver weg, zoals in een gedicht uit zijn eerste bundel Postfris. Als het gebeurt, dat de kouwe kraai neerstrijkt / die de dag breekt en de hoop een slappe hand is / en het luistert niet meer nauw’.

    Spel en werkelijkheid

    Wat in zijn leven tot voor enkele jaren terug een spel was, over alles wat een mens kon overkomen of werd waargenomen bij familieleden of vrienden, is in de nieuwe bundel Fabrieksinstellingen realiteit voor de dichter geworden. En is ‘Luistert niet meer nauw’ – ‘niets luistert meer’ geworden. In het voorjaar van 2023 werd Van Domselaar ernstig ziek en dicht hierover. ‘Hoe het geheel / buiten je om gebeurt / wat je lichaam bekokstooft’. In deze situatie maakte de dichter haast met het schrijven van de bundel die hij onder handen had. Deze gedichten zijn, om het zo maar eens te zeggen – positieve bijwerkingen, een zegen – van de ziekte. Vandaar de titel ‘Bijwerkingen’ van de eerste sectie gedichten in deze bundel. In zijn gedichten kan de dichter overleven. ‘voortvluchtig als we zijn waren we vergeten / waar we woonden / behalve dan / in het gedicht’.

    In het eerste gedicht maakt de dichter meteen duidelijk waar de bundel over gaat en staat de titel al genoemd. Een man ‘van top tot teen met tijd besmet’ die de ‘voortgang van zijn dagen uitziekt’ staat voor het raam. Hij ziet zichzelf weerkaatst en maakt de balans op van zijn bestaan. De laatste strofe: ‘Verlaat mij niet, zei hij, staande / voor zijn spiegel en keek zijn profiel / voor altijd aan, terug, zei hij, zie hier dan / de fabrieksinstellingen van mijn bestaan.’

    Fabrieksinstellingen is een woord uit een gebruiksaanwijzing. Als een apparaat het niet meer doet, bestaat de optie om het via die instellingen te resetten. De zieke man in Van Domselaars gedichten probeert uit noodzaak zijn leven in fabrieksinstellingen te plaatsen, een romantisch terug naar het begin. Wat voor een apparaat mogelijk is, is dat voor een mens niet, maar wel voor een dichter. Ieder gedicht is een nieuw begin waarin het leven een nieuwe vorm krijgt. Ieder gedicht is een terugkeer naar hoe het begon en wat van betekenis was, naar de kern. Wat voor de dichter de kern is, blijkt uit zijn gedichten. Die gaan over zijn geliefden, zijn ouders, zijn (kinds)kinderen, zijn vrienden, de muziek die hij luisterde, de poëzie die hij las, de omgeving van het dorp Zeist waar hij opgroeide en de taaltraditie waarin hij werd opgevoed. Die van de Statenvertaling, van Johannes de Heer en van de psalmen, die hem beelden verstrekte voor wat hij dacht, voelde en beleefde. Hij kan en wil die taal niet verloochenen in zijn gedichten al spot hij er anderzijds ook volop mee. Die christelijke taaltraditie is voor hem een rijk bezit zoals blijkt in ‘Hoog Beek en Royen’, dat sterke herinnert aan het werk van Rutger Kopland.

    ‘Al wandelend onder de oude bomen
    van het landgoed Hoog Beek en Royen
    bespraken we de eeuwige gang van zaken
    terwijl er iets ruischte langs de wolken

    we droegen rugzakjes met oude verhalen
    verzamelden restjes van een bezield verband
    hoorden in de verte een orgel vol hele noten
    en zongen balorig een lied van genade’
    (…)

    Relativering van een dichter

    De bundel bevat enkele gedichten over zijn familie, zijn ouders, zijn vrouw en (kinds)kinderen. Het gedicht ‘Bij toeval verwekt in het eenmalige spreekt over het toevallige en achteloze van het bestaan van een mens. ‘Bij toeval verwekt in het eenmalige / en volop deelgenomen aan de tijd / angst, plezier, verdriet, geluk en woede / en lang geleden liefde, die hem spijt’. Van Domselaar spot ook met zijn familie. Zijn moeder waarschuwde hem ooit dat hij zichzelf nog wel eens tegen zou komen als hij zo door zou gaan. Hij schrijft hierover, ‘Je komt jezelf / nog weleens tegen / zei mijn moeder / lang geleden / in een boze bui // vandaag was het zover.’ De vader komt in de bundel voor als de man die aan tafel bidt in een gedicht waarin de leraar in Van Domselaar om de hoek komt kijken en hij de verleden tijd ‘geschiedde’ en de aanvoegende wijs ‘geschiede’ naast elkaar gebruikt.

    ‘Uw wil geschiede
    gelijk in de hemel
    alzoo ook op de aarde

    ik was een kind
    aan tafel en wist niet
    wat het betekende

    maar zo mooi klonk het
    uit de mond van mijn vader
    dag in, dag uit, na het eten

    voorbij en leeg geworden
    die oude woorden
    Uw wil geschiedde.

    Hoe urgent zijn levenssituatie tijdens het schrijven van deze gedichten ook was, Van Domselaar kan ook dan nog relativeren. ‘Nooit is er zekerheid / wat er precies gebeurt / zelden sterft een mens / tijdens zijn diagnose’.

    Ontroering en vertedering

    In de tweede sectie gedichten, ‘Twaalf intieme gesprekken uit de nalatenschap van Jeroen Dageraath’, is Van Domselaar ronduit geestig. Jeroen Dageraath is een pseudoniem van de dichter uit vroeger tijden. De gedichten gaan over een merel-echtpaartje dat op een tak zit. De vrouwtjesmerel is nuchter en praktisch, het mannetje doet allerlei quasifilosofische uitspraken die door het vrouwtje gerelativeerd worden. De lol die de dichter bij het schrijven ervan moet hebben gehad, spat ervan af. Ontroering en vertedering vechten om voorrang. ‘Heb je wel gehoord / vroeg de merel aan zijn vrouw / hoe mooi ik gisteravond floot? // ach lieverd, zei zijn vrouw / het geeft niet / maar juist als je fluit / hoor ik / dat je ouder wordt.’

    De bundel sluit af met een serie luchthartige gedichten met grote levensthema’s geformuleerd in een heldere en directe taal. Zijn vakmanschap bewaart de gedichten voor al te oppervlakkige sentimentaliteit. In zijn werk breekt ook af en toe een glimp van hoop door, naast het ‘basso continuo’ van de dood.

    ‘We moesten maar niet denken
    aan de dood
    dat kon altijd nog

    we moesten maar denken
    aan groeien en bloeien
    en aan de kleinkinderen
    en aan al het leven
    dat nog kwam

    aan al die foto’s
    en filmpjes
    die nog moesten.’

    In Fabrieksinstellingen toont Domselaar zich, in de woorden van de dichter K. Michel, ‘Naakt als de stenen’.

  • Dat vluchten een mens niet echt gelukkig maakt

    Dat vluchten een mens niet echt gelukkig maakt

    ‘Mam, mijn familie was mijn therapie,’ zegt de Koerdisch-Syrische vluchteling Baran in Mam, ik ben geen crisis, het debuut van Ismaîl Mamo. Baran spreekt deze woorden uit bij haar grafsteen in zijn geboortedorp in Syrië. Als hij na acht jaar, in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, terugkeert naar zijn geboortedorp in het Koerdische deel van deze verscheurde staat, voelt hij de behoefte zijn levensverhaal te vertellen aan zijn gestorven moeder. Zij begrijpt hem als geen ander. ‘Je was mijn veiligheid, je was mijn beschermer, je was een open boek voor mij waar ik alles in kon opschrijven, je was de beste mama ter wereld en je bent mijn alles.’

    De roman heeft een sterk autofictief karakter. Het verhaal van Baran is gebaseerd op Mamo’s eigen ervaringen als vluchteling. In Syrië is alles voor Baran vertrouwd en warm. Hij herkent er de geuren van weleer en eet de maaltijden die hij er als jongen at. Hij geniet van het leven in Nederland, maar mist de warmte van thuis. Hij leeft in twee werelden die van elkaar gescheiden zijn. Hij heeft twee harten. Het ene klopt voor zijn moeder en alles wat daartoe behoort. Het ander voor zijn bestaan in Nederland. 

    Levensverhaal aan graf van moeder

    Het verhaal aan het graf van zijn moeder duurt maar liefst veertien opeenvolgende dagen. Baran vertelt haar wat hem is overkomen, sinds haar overlijden ver voordat Syrië in een burgeroorlog raakte. Wat hem overkwam op de middelbare school, waarin hij als Koerd zijn taal niet mocht spreken. Hoe zijn geneeskundestudie in Aleppo werd onderbroken door het uitbreken van de oorlog. Hoe hij probeerde geld voor zijn studie te verdienen in het Koerdische deel van Irak. En hoe hij uiteindelijk vluchtte in de hoop in Europa zijn studie af te kunnen maken. Op de vlucht ook voor de dienstplicht in het Syrische leger waarin hij moest vechten tegen zijn eigen volk. Hij vlucht, tegen de wil van zijn vader, die hem bij zich wil houden. Uiteindelijk zegt zijn vader: ‘Je mag gaan, maar van mij hoeft het niet.’  

    In het langste en spannendste hoofdstuk vertelt Baran zijn moeder wat hij allemaal beleefd heeft tijdens zijn vlucht naar Europa en hoe hij uiteindelijk via Turkije, Griekenland, Servië, Hongarije en Duitsland in Nederland terecht kwam. In Nederland loopt niet alles volgens plan. Geneeskunde studeren vergt een heel voortraject, dat hij niet kan voltooien. Hij kiest uiteindelijk voor een andere studie. Onderweg naar en aangekomen in Europa houdt hij via allerlei sociale media en soms ook in levende lijve contact met zijn nichten, tantes, broers en zusjes. Dit contact is essentieel voor hem. Bij zijn familie, en zeer in het bijzonder bij zijn moeder, kan hij zijn verhaal kwijt.

    De korte zinnen waarin het boek geschreven is, geven een enorme snelheid aan de roman, het leest als een trein. Baran heeft zoveel te vertellen aan zijn moeder, dat hij geen tijd voor lange zinnen heeft, laat staan voor uitgebreide beschouwingen. Hij moet zijn verhaal kwijt en gaat recht op de kern van de gebeurtenissen af, zonder al te veel omhaal van woorden. De korte zinnen zijn wellicht ook verklaarbaar doordat het Nederlands Mamo’s tweede taal is. Hoe dan ook, Mamo schrijft niet om de lezer te laten genieten van de taal. Wel is de redactie van DasMAg hier en daar wat slordig geweest. Op enkele plaatsen wordt het woordje ‘mijn’ toegevoegd aan vader of broer of zus, terwijl hij zijn moeder toch niet hoeft uit te leggen wie hij bedoelt als het over een van haar kinderen of over haar man gaat.  

    Geschiedenis van vele vluchtelingen

    Het boeiende van dit boek is dat Mamo in detail beschrijft wat Baran overkomen is. Wat hij ervoor over heeft gehad om hier te komen. Bedonderd door smokkelaars, uitgeput door barre weersomstandigheden op lange tochten over land en zee om zijn doel te bereiken. En dan komt hij uiteindelijk terecht in een land waar hij bepaald niet met open armen wordt ontvangen. Waar hij alles in het werk stelt om geaccepteerd te worden als Nederlander. Hij doet zelfs mee aan Holland’s got talent. Hij wil aan zijn familie en aan de Nederlanders bewijzen dat hij geen crisis is. Dat hij geen loser is. Dat hij niet de verkeerde keuze heeft gemaakt. Uit zijn verhalen blijkt ook dat hij niet de testosteronbom is, die volgens Wilders, onder meer uit Syrië, naar ons land vluchtten. Hij is een romantische, verlegen geheelonthouder die heel erg moet wennen aan de vrije omgangsvormen tussen mannen en vrouwen in zijn nieuwe vaderland.

    Barans geschiedenis is die van vele vluchtelingen, exemplarisch en illustratief voor de lange en moeilijke weg die zij moeten gaan. Vluchten is een daad van hoop en verlangen. Het verhaal van Baran maakt duidelijk dat het geen weg van de minste weerstand is. Het maakt ook duidelijk dat vluchten een mens niet echt gelukkig maakt. Barans ziel zweeft heen en weer tussen Nederland dat hij dankbaar is voor de geboden kansen en voor zijn familie in Syrië en in andere landen, waaraan hij met alle vezels verbonden is. Die vezels geven hem kracht en hoop om te overleven.



  • Overleven in een wereld die tegen je is

    Overleven in een wereld die tegen je is

    Van de jonge Deense schrijver Thomas Korsgaard (1995) – in eigen land veel gelezen – verscheen zijn eerste roman uit 2016 in vertaling onder de titel Mocht er iemand langskomen. Het is het eerste deel van een trilogie waarin de belevenissen van de jongen Tue, opgroeiend in een dysfunctioneel boerengezin in het gehucht Nørre Ørum op het platteland van Jutland, centraal staan. Volgens Tue een voorstad van de duisternis. Korsgaard zegt dat hij zichzelf herkende – maar dan zonder de religieuze context – in De avond is ongemak van Lucas Rijneveld dat hij in Deense vertaling las.

    Hoofdpersoon Tue kijkt in afgeronde hoofdstukken terug op zijn kindertijd tot aan het behalen van zijn diploma aan de Folkeskole. In Denemarken zitten alle leerlingen van hun zesde tot en met hun zestiende jaar bij elkaar en kiezen dan pas voor een vervolgopleiding op gymnasium (vergelijkbaar met bovenbouw Nederlandse scholen) of voor een technische opleiding. Tue is volgens schoolhoofd Inga ‘bepaald niet dom’, dus wordt het gymnasium.

    Vanaf zijn vroegste jeugd is Tuevertrouwd met de dood. Die zit als het ware in hem, zoals hij zelf zegt. Zijn moeder krijgt een doodgeboren kind, hij moet zijn oom helpen met de bevalling van een dood biggetje dat vastzit in het geboortekanaal, waar hij met zijn kleine vingertjes bij kan en zijn vader doodt met een spa de ratten die in de keuken achter houten panelen verblijven. Het is voor een deel herkenbaar voor iemand die op het platteland is opgegroeid, maar daarom niet minder morbide. 

    Gemankeerde ouders

    Tue wordt omringd door gemankeerde ouders. Zijn moeder is na de doodgeboorte van haar kind depressief. Ze brengt haar leven door achter een laptop waarop ze kaartspelletjes doet en er een kapitaal doorheen jaagt. Ze houdt zich min of meer op de been door het slikken van ‘gelukspillen’. Als ze een zelfmoordpoging doet, wast Tue zijn moeders bloed af. Zijn vader Lars is een stoere, maar ook gevoelige man. Hij vecht met alle middelen tegen de financiële ondergang van zijn bedrijf en schuwt daarbij onoorbare praktijken niet. Vader komt min of meer onder curatele te staan van zijn broer die hem financieel overeind houdt. 

    Zijn ouders kunnen hem niet met zorg en liefde omringen. Zijn moeder vindt dat heel erg, maar kan niet uit haar eigen lethargie loskomen. Zijn ruige vader laat zich af en toe verleiden tot een uitje met zijn zoon, maar wordt langzamerhand ook wanhopig van zijn vrouw, zijn bedrijf en zijn kinderen. Tue voelt zich meer de opvoeder van zijn ouders, hij accepteert hun onberekenbaarheid en zombiegedrag. Op school is hij tegendraads, gaat zoveel mogelijk zijn eigen gang of brengt tijd door met vriendjes en vriendinnetjes. Ook die vrienden geven te denken. Hij wordt door hen vaak behandeld als oud vuil. School en dorp zijn een jungle, waarin hij moet overleven, bepaald geen veilige omgeving. Alleen met zijn zelfbewuste vriendin Iben, die uit een ander milieu komt, ontwikkelt hij een zekere vertrouwdheid. Zij verleidt hem tot de plaatsing van een oorbel, die hij thuis snel weer uitdoet als zijn moeder blijk van afkeuring geeft.

    Zo groeit Tue op in een wereld, waarin niemand zijn diepste gevoelens uitspreekt maar ze verpakt in stilzwijgen of in cliché’s. Niemand in deze roman komt bij zijn of haar gevoel. De onmacht op dit punt is groot, ook bij Tue zelf. Een mooi voorbeeld is een dialoog tussen Tue en zijn moeder voorafgaande aan de diploma-uitreiking van Tue. In de auto op weg naar de school vraagt Tue zijn moeder of ze wel blij is dat hij het diploma behaald heeft. Ze zegt ja. Tue vraagt hoe ze dat weet dat ze blij is. Moeder Lonny antwoordt ‘Dat weet ik omdat een moeder op een dag als vandaag blij hoort te zijn.’ 

    Overlevingsstrategie

    Door niet al te veel op te vallen en zich aan te passen aan de omstandigheden, kan Tue overleven in deze onherbergzame wereld. Hij komt erachter dat hij op jongens valt, wat hem nog geïsoleerder maakt. De enige bij wie hij zich echt op zijn gemak voelt is oma Ruth, bij wie hij graag logeert. Deze kettingrokende oma sterft echter nog voordat Tue zestien is. Zijn verdriet hierover kan hij niet uiten. Zijn moeder reageert hysterisch als zij sterft en sluit zich op in de badkamer. Tue krijgt slaande ruzie met zijn vader. Tijdens de koffie na de begrafenis gedraagt hij zich in de geest van oma en steekt een sigaret op. Terwijl hij zijn vader beloofde rookvrij te blijven zodat deze zijn rijbewijs wil betalen. Roken is trouwens erg dominant in dit boek. Iedereen doet het, terwijl het verhaal speelt in de jaren negentig, toen het al op zijn retour was. Roken biedt de onmachtigen troost en houvast.

    Het boek eindigt met een twee pagina’s vullende gedachtestroom van Tue. Het is een soort inleiding op deel twee. Zijn moeder is van huis weggelopen. Tue voorspelt dat ze terug zal keren om de kinderen met zich mee te nemen. Tue is ook van plan uit huis te gaan nu hij zijn diploma heeft, hij fantaseert erover hoe zijn vader op de boerderij zal overleven. Maar zijn vader is nog niet dood, daarom kan hij nu nog niet alles zeggen.
    Dat belooft nog wat voor het vervolg, waarop hij met deze monologue intérieur vooruitloopt. Korsgaard schreef dat vervolg al, nog twee delen liggen op vertaling te wachten, waarvan het eerste in november in Nederland verschijnt.

    Korsgaard heeft een rechttoe rechtaan, droevig stemmende roman geschreven die chronologisch verloopt. Hij heeft zijn eigen leven ervoor als grondstof genomen. Dat gegeven is verder niet van zoveel belang, behalve voor biografen. De roman bevat veel komische, bizarre en vermakelijke momenten. Korsgaards dialogen zijn erg goed en vol onverwachte wendingen. Dat maakt het lezen plezierig en interessant. Door het ontbreken van zelfreflectie bij de hoofdpersonen is het echter geen roman die tot inleving uitnodigt. Het is te veel en-toen-en-toen-en-toen. Niet het waarom, maar het wat en hoe wordt verteld. 

    Het stilzwijgen van zijn ouders is voor de jonge Tue bepalend, maar niet desastreus. Hij ontwikkelt zich mede daardoor tot een op zichzelfstaande jongen die zich leert te redden. In het nawoord bedankt de schrijver zijn moeder, omdat zij – toen hij nog klein was – hem verhaaltjes vertelde waarvan hij veel heeft geleerd. Zij is ook een slachtoffer geworden van de dood die in haar wortelschoot. 



  • Verrassende en wijsgerige roman

    Verrassende en wijsgerige roman

    In zijn fascinerende nieuwe roman Over het zwijgen bewijst de jonge, gelauwerde auteur Roelof ten Napel opnieuw dat hij een fijnzinnige en onderzoekende schrijver is. Roelof laat in deze korte roman de dichteres Marie Verhulp eindeloos over zichzelf en over de relatie met de mensen om zich heen nadenken. De lezer cirkelt vanuit allerlei invalshoeken mee rondom de vraag wie zij is. Marie is geen mens uit één stuk die een vlotlopend verhaal over zichzelf kan vertellen. Ze stelt iedere fixatie van haar persoonlijkheid uit. Ze is echter bepaald geen meeloper of windvaantje. Ze heeft een geheel eigen kijk op de dingen en doet aan continue introspectie. Ze noemt zichzelf een plaats waar gedacht wordt, waar indrukken zich vasthaken. In een metafoor: ze is een plek in de bocht van en rivier waarin allerlei door het water meegesleept materiaal blijft liggen.

    De roman is opgebouwd uit korte hoofdstukjes met een titel die begint met het voornaamwoordelijk bijwoord ‘waarin’. Het zijn momenten uit haar leven, waarin ervaringen, gevoelens en gedachten van Marie beschreven worden die het bouwmateriaal zijn van haar persoon, maar nooit tot een afgewerkt geheel worden geassembleerd. Belangrijk is de betekenis van metaforen. Niets bestaat op zichzelf. Alles lijkt op iets anders of wordt door iets anders beïnvloed. Typerend is het veelvuldig gebruik van het voegwoord ‘alsof’. Ze vergelijkt zichzelf met mensen, kunstwerken, etenswaren, waarvan de metaforiek gebruikt wordt om een beeld te geven van het innerlijk van Marie. Zoals er bijvoorbeeld wit tussen woorden en zinnen zit, ruimte tussen twee hapjes eten op een bord, blauwe stukken tussen de wolken, zo is er leegte tussen de verschillende aspecten van haar identiteit. Die leegte is essentieel. 

     Zwijgen beter dan schrijven

    Marie Verhulp zocht als kind naar haar identiteit met behulp van het schrijven van gedichten. Het zijn voor zichzelf gemaakte notities waarin ze haar diepste zelf probeert te formuleren. Haar vader noemt haar notities gedichten en neemt ze serieus. Ook anderen doen dat, want haar bundels worden onderscheiden met de hoogst mogelijke prijzen. Na haar derde bundel zwijgt ze echter, twintig jaar lang. Aan de jongeman Herder, die een geschreven portret van haar probeert te maken, noemt ze diverse oorzaken van dat zwijgen. Maar de belangrijkste noemt ze hem niet. Marie is na drie bundels van mening, dat zwijgen beter is dan schrijven. Ze herinnert zich een wezenlijk moment. Wandelend in een bos liet ze, door op een tak te stappen en die te breken, een hert schrikken. Uit haar ooghoek zag ze een flits van een wegschietend hert. Deze ervaring heeft ze niet aan anderen verteld en ook niet opgeschreven. Daardoor bleef die ervaring van haarzelf en van niemand anders en kon ze er telkens naar terugkeren.

    Na twintig jaar zwijgen begint Marie opnieuw te schrijven. Ze verzamelt fragmenten waarin ze orde aanbrengt. Van tijdsvolgorde is nog steeds geen sprake. Het blijven brokstukken, ‘met leegte ertussen, maar samengehouden door een dwingend ritme en een hechte klank.’ De bundels zijn opnieuw succesvol. Daarmee is het verhaal echter niet voorbij, zo van ‘eind goed al goed’, want Marie gelooft daar niet in. Ze geeft les en denkt na, blijft een nauwkeurige observator die toevallig ook schrijft als weerkaatsing van wat ze opmerkt en ziet. En ze ziet heel veel en merkt veel op, telkens op zoek naar de nuance. 

    De vader en de filosofie

    Naast identiteit is opvoeding een belangrijk thema in deze roman. Wat heeft de opvoeding van een kind voor invloed op het latere functioneren? Marie’s vader stierf op jonge leeftijd. Hij stimuleerde haar en stond aan de wieg van haar dichterschap. Hij zorgde ervoor dat ze ‘bedachtzaam’ schreef en elk woord woog. Zijn plaats werd bij haar ingenomen door de filosofie. Ze leest filosofen als Pascal, Plato en Kierkegaard, die onder woorden brengen wat ze denkt of die haar aan het denken zetten. Maar zij ontwikkelt geen schabloon voor het leven en komt tot de overweging dat het zonder betekenis is of kan worden gezien. Als er af en toe iets van betekenis oplicht is dat al genoeg. Ze is wie ze in haar manier van denken. Toch zijn ook haar jeugd en opvoeding niet zonder wrijving geweest. Heel mooi is het dat ze die wrijving niet kenmerkt als het resultaat van bewuste handelingen, maar als het gevolg van een som van misverstanden. Haar oudere broertje Wouter sloeg haar, maar haar vader bemerkte dat zij hem nooit uit liet spreken. Het slaan was een ultieme poging om gehoord te worden. 

    Als docent geeft Marie op haar beurt weer door wat ze van haar vader geleerd heeft. Ze geeft een college met de titel ‘Ervaring als methode’. Wie zou niet zo’n college willen volgen van iemand als Marie die uiterst subtiel en gevoelig haar studenten begeleidt en met hen een intellectuele relatie aangaat om ze verder op weg te helpen. Zo legt ze bijvoorbeeld uit wat het verschil is tussen kennis en ervaring en hoe vanuit ervaring kennis kan ontstaan. Op welk moment wordt een beschrijving meer dan een eigen indruk? Hoe geeft ervaring waarheid prijs? Ervaring is de kennis van één enkel mens. Kennis is de herhaalde waarneming van vele mensen. Ze begint het college met een voorbeeld, een vraag. Wat is het verschil tussen een stoel en een kruk? De rugleuning. Neem je de rugleuning weg dan wordt een stoel een kruk. De studenten moeten inzicht als een delfstof leren zien, eigen ervaring als een groeve. En zo staat het boek vol met prachtige vergelijkingen en zinnen. 

    Originele observaties

    Heel bijzonder is Marie’s begeleiding van studente Rachel in wie zij veel herkent van zichzelf. Als ze beschrijft hoe Rachel denkt, lijkt het alsof ze een zelfportret schrijft. Ze omringt haar met goede raad en advies en is betrokken. Het is onvoorstelbaar dat zo’n jonge schrijver als Roelof ten Napel (1993) dit rijpe en wijze boek heeft geschreven.

    Over het zwijgen verrast met originele observaties en intelligente doorzichten, zonder dat het belerend wordt. Het is een verademing, een antigif tegen oppervlakkige presentaties op sociale media, in een paar steekwoorden of foto’s. Oppervlakkige self-exposure is de kurk van ons sociale leven geworden. Marie woont liever in het uitstellen van dingen en heeft geen behoefte zichzelf in een paar woorden te presenteren, al is ze paradoxaal wel duidelijk herkenbaar voor anderen. Een persoonlijkheid verraadt zich altijd, evenals ieder boek van een schrijver het stempel van de schrijver verraadt, zo ook dit boek van Roelof ten Napel. De uitgestelde identiteit van Marie uit zich in voorzichtigheid en zorgvuldigheid ten aanzien van zichzelf en de dingen om zich heen. Ze annexeert de wereld niet, maar laat die doorklinken in haar woorden als dichteres en haar gedrag als docent.



  • Obsessief verlangen het verleden te reconstrueren

    Obsessief verlangen het verleden te reconstrueren

    In de roman Dit is jouw tijd van Bertram Koeleman zou Mart Rebius terug willen gaan in de tijd. Wie kent dat verlangen niet, met een tijdmachine een val in het verleden maken naar een gezinssituatie van vele jaren terug. Toen vader en moeder nog leefden en broers en zussen met vrienden en vriendinnen luidruchtig rondom de eettafel zaten. In een interview in Trouw vertelde  Koeleman dat het schrijven van deze roman begon met het beeld in zijn hoofd van een volwassen man in pyjama. Een man die in het verleden duikt en probeert zich in te beelden dat hij kind is. Hij schreef een eerste scène. Daarin staat Mart met zijn moeder bij het verse graf van zijn vader. En krijgt een visioen: hij ziet slingers en ballonnen die hem terugvoeren naar zijn zesde verjaardag. Het visioen wordt – op haast Proustiaanse wijze – gewekt door de parfum van zijn moeder naast hem.

    In de dagen na de begrafenis van zijn vader komt hij tot het besef dat het gebeurde op die verjaardag voor hem van grote betekenis is geweest: ‘Haast alsof tot dusver iets in mijn hoofd had liggen slapen dat ontwaakte door de dood van mijn vader en zichzelf nu koste wat kost kenbaar wil maken. Alsof mijn levende vader het slapende had gehouden.’ Voor de begrafenis van zijn vader bestond dat verleden niet voor hem. Hij heeft geaccepteerd dat zijn ouders gescheiden waren, dat hij bij zijn moeder opgroeide en zijn vader geregeld langskwam. 

    Het verleden reconstrueren

    Voor Mart wordt het een obsessief verlangen om die verjaardag te reconstrueren. Daarvoor is niets hem te veel. Hij haalt alles uit de kast om de waarheid omtrent die dag te ontdekken. Hij koopt het huis waar hij als zesjarig kind met zijn moeder woonde en richt het in als een kopie van vroeger. Vervolgens huurt hij via een castingsbureau toneelspelers in die de rol spelen van de personen die op zijn kinderverjaardag aanwezig waren. Behalve voor zijn moeder, die zichzelf speelt. Zijn vader wordt door zo’n goede lookalike gespeeld dat zijn moeder schrikt van de gelijkenis en later zelfs met de acteur naar bed gaat. Mart vraagt zijn moeder en zijn lookalike vader niet alleen die verjaardag na te spelen, maar ook andere momenten uit zijn jeugd. Zoals het optuigen van de kerstboom. Daardoor wordt hij soms weer de ‘springerige, vrolijke jongen die zo verlangde naar de liefde van zijn vader’. Door de reconstructies heen dringt tot hem door dat hij zijn vader, die door de scheiding niet altijd beschikbaar was, blijkbaar gemist heeft.

    De rol van de moeder in deze roman is uiterst merkwaardig. Eerst probeert ze zijn zoektocht in de kiem te smoren: ‘Lieverd ik heb echt geen idee waar je het over hebt. Je had een normale jeugd, Mart.’ Ze zegt zich niet te herinneren wat er gebeurd is, maar werkt vervolgens wel mee aan Marts experiment en leeft zich ogenschijnlijk helemaal in.
    Enige tijd later, als ze ernstig ziek is, dwingt Mart haar dat ze hem nu eindelijk vertelt wat er gebeurd is. Maar ook dan vertelt ze hem niet het hele verhaal. De ontbrekende stukken uit haar verhaal komt hij later te weten van een ambulancebroeder. De onthulling van dat geheim maakt alles anders: ‘Er was een nieuwe laag over de werkelijkheid heen gelegd en alles om hem heen leek opeens onecht, alsof zijn omgeving was vervangen door een replica.’

    Wat is er in hemelsnaam gebeurd

    Dat iemand zijn verleden wil reconstrueren is niet vreemd. Maar de gedetailleerde en obsessieve manier waarop dit in Dit is jouw tijd gebeurt is wel erg hyperbolisch. Het komt als ongeloofwaardig over dat zijn moeder niet wil zeggen wat er gebeurd is, terwijl ze wel van harte meewerkt aan de reconstructie. Er wordt niet genoeg uitgewerkt wat dit stilzwijgen van zijn ouders voor gevolgen heeft gehad voor het leven van Mart. Wel is er een passage waarin Mart zegt: ‘Wie wij vandaag zijn, of hoe wij onszelf vandaag zien, is in grote mate afhankelijk van ons beeld van onszelf vroeger.’ Maar dat wordt verder niet invoelbaar gemaakt. Koeleman beschrijft  de zoektocht, maar geeft er psychologisch te weinig noodzaak toe. Daarmee is er een kans blijven liggen. De beschrijvingen van eindeloze gesprekken die nooit een doorbraak bereiken, vervelen nog wel eens. Moeder houdt vast aan een leugen, naar het waarom ervan moet je gissen. Soms doet zich de vraag voor waar al die reconstructies voor nodig zijn. De hints die Koeleman voor de clou geeft, zijn zo summier dat de lezer zich blijft afvragen wat er toch in vredesnaam gebeurd kan zijn op die zesde verjaardag.

    Toch is het ook een roman met kwaliteiten want Koeleman schrijft in mooie zinnen: ‘Mart rent met een legodoos naar de eettafel en zet hem bij vier andere legodozen die een slagroomtaart omsingelen.’ Boeiend is de hele reconstructie van een huis met inrichting uit de jaren tachtig vorige eeuw, herkenbaar voor velen. Dit is jouw tijd gaat over het verzwijgen van dingen. Ouders die hun kind niet de waarheid vertellen uit angst dat hun leven erdoor bepaald zal worden. En dat ‘wat niet weet wat niet deert’ in zo’n omstandigheid nooit de juiste gedachte is. In essentie zijn ouders vaak bang om hun eigen trauma hieromtrent te delen met hun kind.

     

     

  • Science en fiction

    Science en fiction

    Ilja Leonard Pfeijffer beweert in Is geschiedenis fictie? – de Homeruslezing 2024 van het Nederlands Klassiek Verbond – dat fictie de potentie heeft om de waarheid dichter te naderen dan consciëntieus bronnenonderzoek ooit zal vermogen. Door empathie zit de romanschrijver zo dicht op de huid van zijn historisch personage, dat hij als het ware het medium van diens ware persoonlijkheid wordt. Empathie is de ichor, de etherische vloeistof die de goden en de onsterfelijken door d’aadren stroomt. Dat lijkt nogal een bewering. Volgens mij gaat Pfeijffer niet ver genoeg. Pfeijffer doet alsof een biograaf zich strikt aan de historische bronnen houdt en daardoor niet dicht genoeg bij de historische persoon kan komen en niet in staat is die persoon in al zijn facetten te begrijpen. Dat is een enorme versimpeling. In zijn lezing vertelt Pfeijffer dat hij twintig jaar geleden het plan opvatte een roman over Alkibiades te schrijven. Hij achtte Alkibiades als persoon zo fascinerend en kleurrijk dat hij het een historische roman waard vond. Het begon dus met fascinatie.

    In 2023 realiseerde hij dit plan. Hij bestudeerde alle mogelijke bronnen en was veertien maanden under the spell van zijn Griekse held. Door zijn empathie en maximalistische interpretatie, dat wil zeggen dat Pfeijffer ervan uitgaat dat er samenhang bestaat in de daden van Alkibiades en dat hij geen opportunist is, kwam hij dichterbij zijn held dan ooit mogelijk zou zijn geweest voor een ordinaire biograaf. Ook een biograaf begint met fascinatie voor zijn object. Daarna onderzoekt hij alle bestaande bronnen, zoekt naar nieuwe bronnen en maakt daaruit zijn keuze. Die keuze is zeer persoonlijk en het resultaat van intensieve omgang met het onderwerp. Denk aan een worm die grond tot zich neemt en de voedzame delen gebruikt om te groeien, de rest uitscheidt. Zo gebruikt de biograaf de bronnen waarvan de voor hem belangrijke onderdelen de basis vormen van zijn verhaal. Nadruk ligt op ‘voor hem belangrijke’, want de biograaf doet aan selectie en bronnenkritiek. Dat proces van wikken en wegen van bronnen is een langdurig proces. Van een worm wordt gezegd dat hij de grond meerdere malen door zich heen laat gaan; evenzo geldt dat voor een biograaf met betrekking tot zijn bronnen. 

    Uiteindelijk bepaalt de persoonlijke fascinatie welke rangschikking de biograaf maakt. Een verklaring van een onbetrouwbaar sujet, hoe sexy ook voor het verhaal, gebruikt de biograaf niet. Dat is evident. Maar ook de wetenschappelijke biograaf ontkomt niet aan zijn eigen persoonlijkheid. Hij is een bewerker van een oorspronkelijke fascinatie die zijn empathisch vermogen gebruikt om een maximalistisch verhaal van zijn held te maken. En is, evenals de historische romanschrijver Pfeijffer, na afloop overtuigd dat hij de historische persoon in zijn of haar ware gedaante uit het verleden heeft opgewekt.

    De door Pfeijffer geschetste tegenstelling tussen romanschrijver en biograaf is een constructie ad hoc. Alkibiades is een bijzondere persoon, omdat de bronnen over hem niets zeggen over zijn beweegredenen, waarom hij deed wat hij deed. Alle ruimte voor Pfeijffer om dat in te vullen. Een biograaf zou in zijn geval enkele slagen om de arm houden, maar uiteindelijk wel tot een persoonlijke interpretatie overgaan (die vervolgens weer bestreden zou worden door andere kenners van het leven van Alkibiades). Pfeijffers empathie is broodnodig bij zijn held Alkibiades, meer dan bij historische personen die wel aan zelfreflectie en zelfverklaring hebben gedaan, zoals de Groningse schrijver Ab Visser. Mijn fascinatie voor deze auteur en de empathische bewerking ervan heeft voor een belangrijk deel de biografie die ik over hem schreef bepaald. Als historische romanschrijver van Hendrik Peter Scholte had ik wat meer vrijheid om het verhaal ronder te maken – maximaal te interpreteren – maar in beide gevallen was het eindresultaat de historische persoon zoals alleen ik die kon scheppen. Zowel biografie als historische roman zijn het resultaat van beide: van science en van fiction

    Pfeijffers lezing is overigens om meerdere redenen bijzonder de moeite van lezing waard. De ironische en zelfspotrijke benadering van zichzelf als classicus en van de classici in het algemeen doet je glimlachen en gnuiven, en de korte tekst staat vol opmerkingen die gelegenheid tot instemming en verwerping bieden. Het is een genot deze tekst te lezen, vanwege het merkbare plezier van het schrijven en de bewonderenswaardige stijl ervan. Dat maakt per slot van rekening een tekst overtuigend, of het nu een biografie, een historische roman of een lezing betreft.

     

     


    Michiel van Diggelen schreef een biografie van schrijver Ab Visser. Met Kees van Domselaar schreef hij een korte biografie van verzetsvrouw Truus van Lier. Momenteel werkt hij met Richard Tanke aan een biografie van verzetsman en jodenredder Arnold Douwes.

  • Schrijvend aan haar zuster Virginia

    Schrijvend aan haar zuster Virginia

    Susan Sellers schreef in 2009 de historische roman Vanessa & Virginia, een roman over de zusters Vanessa Bell en Virginia Woolf. Het boek verscheen vorig jaar in Nederland in een vertaling van Lucie van Rooijen. Het is een prachtig geconstrueerde roman waarin Sellers Vanessa na de zelfmoord van haar zuster Virginia een boek laat schrijven aan haar, waardoor de lezer inzicht krijgt in beider levens.  

    Het boek toont vanuit het perspectief van Vanessa hoe belangrijk de zusters voor elkaar zijn geweest, al was het niet altijd pais en vree. Hun relatie doorloopt alle schakeringen van afgunst, troost, mededogen, liefde, haat, trots, verdriet, verlangen en bewondering. Ze geven elkaar warmte en laten elkaar soms in de kou staan. Warmte bijvoorbeeld als Vanessa haar zuster bezoekt in het rusthuis waar ze vanwege overspanning verblijft en ze naast elkaar in bed kruipen: ‘De muren van het rusthuis verdwijnen en we keren terug naar de tijd dat wij tweeën de meisjesslaapkamer deelden. Jij bent mijn geitje, mijn wombat, mijn muis, Ik streel je zijdezachte vacht en voel je neus over mijn wang wrijven.’ Kou bijvoorbeeld als blijkt dat Virginia flirt met Vanessa’s man Clive Bell als Vanessa een kind gebaard heeft. Vanessa is vaak jaloers op haar zus die als kunstenaar meer succes heeft. Maar uiteindelijk kunnen ze niet zonder elkaar, in ieder geval niet voor lange tijd. 

    Ontstaan Bloomsburygroep

    Virginia en Vanessa leefden in een periode van enorme sociale verandering. Ze maakten het einde van het Victoriaanse Tijdperk mee, Eerste Wereldoorlog, de opkomst van de nazi’s en behoorden tot de eerste generatie vrouwen die mochten stemmen. In deze context speelde hun leven zich af. Het boek bestaat uit korte hoofdstukjes: scènes uit een zusterschap. Zusters die samen ontsnappen uit een laat-Victoriaans gezinsreservaat met alle conventies en seksuele geremdheid van dien. Vanessa is de oudste, de minst bekende, de serieuze en meest conventionele, niet intellectuele. Virginia (koosnaam Billy) is de extreme en briljante schrijfster die tot op de dag van vandaag gelezen wordt. Virginia heeft diepe depressies gekend, had een groot gevoel voor humor en deed baanbrekend werk als vrouwelijke auteur. 

    Samen kopen ze, na het overlijden van hun ouders, een huis in Bloomsbury (Londen). Dat huis wordt de pleisterplaats van een groep geleerden en kunstenaars die bekend is gebleven als de Bloomsburygroep. Bekenden in deze groep zijn de econoom John Maynard Keynes, schrijver en criticus Lytton Strachey en de schrijfster Vita Sackville West. Relativerend is hoe Sellers Vanessa in deze roman laat terugkijken op de aankoop van dat huis. Het huis was voor hen betaalbaar en lag ver genoeg af van hun tantes die na het overlijden van hun ouders toezicht op hen wilden houden. Achteraf was het huis een keerpunt in Vanessa’s leven. In de roman zegt ze: ‘Hier kan ik zeggen en doen wat ik wil. Het hele bouwwerk van conventies is met de grond gelijkgemaakt. Ik zal de grenzen van mijn kunst opzoeken.’ De inzet is veelbelovend, maar in de loop van haar leven wordt het Vanessa vaak onmogelijk gemaakt zich volledig aan de schilderkunst te wijden.

    Schilderen versus schrijven

    Schilderen is voor Vanessa even belangrijk als schrijven voor Virginia. Als ze een dag niet geschilderd heeft voelt ze zich ontevreden. Het is echter niet altijd bevredigend, af en toe, zoals alle kunstbeoefening, is het ook een hel. De herinnering aan het samen schrijven en schilderen in hun jeugd geeft haar dan de kracht om door te gaan. De herinnering aan hun jeugd, samen met hun jongere broertje Thoby, is in het boek een vast punt van terugkeer voor Vanessa. 

    Ze ergert zich aan haar man Clive Bell, – van wie ze overigens nooit zal scheiden – een slapjanus die geen zitvlees heeft en op kunstzinnig gebied nergens toe komt terwijl hij zo talentvol is. Na hun eerste kind verliest Clive zijn belangstelling voor Vanessa. Ze geeft het schilderen er een tijdje aan en troost zich met de gedachte dat haar zus Virginia als schrijfster wel succesvol is. Ze beseft dat ze Clive niet mag verstikken als ze hem wil behouden. De schilder en kunstcriticus Roger Fry dingt naar haar liefde en trekt haar bij de afgrond weg als ze een miskraam heeft, maar ze geeft hem niet echt een kans.

    Een eigen huis

    Als ze twee kinderen hebben, onttrekt ze zich wat meer aan haar man Clive en koopt ze Charleston. Een prachtig huis in de provincie waar ze volgens haar eigen ritme gaat leven. Ze beschildert alle vertrekken van het huis. Het bestaat nog steeds en is een bezoek meer dan waard. Het huis werd een nieuw centrum voor de leden van de Bloomsburygroep. Maar een eigen ritme is ook hier moeilijk te vinden voor Vanessa. Ze raakt namelijk hevig verliefd op de schilder Duncan Grant, de geliefde van haar broer Adrian. Duncan voeltt zich aangetrokken tot mannen. Dat misgunt ze hem niet, maar ze is halfdood van verlangen naar hem. De vrijheid die ze hem wil geven gaat ten koste van haar eigen vrijheid en kunstbeoefening.

    Ze is verantwoordelijk voor de opvoeding van Angelica, het meisje dat uit haar verhouding met Duncan wordt geboren. Ze wil Duncan niet al te veel op zijn verantwoordelijkheden wijzen: ‘Ik ben bang dat als Duncan het gevoel krijgt dat er iets van hem wordt verwacht als vader, hij helemaal niet meer komt.’ De angst om hem te verliezen, maakt haar tot een sloof. Ze is niet in staat om de conventionaliteit van haar jeugd volledig overboord te gooien. Virginia troost haar dan vaak en roept haar op zich niet in te graven in haar rol als moeder.

    Kloof tussen kunst en biografie 

    Vanessa wordt door Sellers in deze roman beschreven als een vrouw die in staat is om tegenslag en pijn zo te verwoorden dat het navoelbaar is voor de lezer. In deze roman spreekt ze alles uit: haar angst om alleen te komen staan, om afgewezen te worden. Ze is bang als schilderes niets voor te stellen. Vanessa’s angsten zijn in dit boek invoelbaar door de prachtige schrijfstijl die Susan Sellers imiteert van Virginia Woolf. Alsof Sellers daarmee wil laten zien hoezeer Vanessa zich inleefde in haar zuster, na haar zelfmoord.

    Sellers is de editor van het werk van Virginia Woolf bij Cambridge University Press. In deze roman geeft zij aan Vanessa de aandacht die zij verdient. Deze historisch roman is een poging de kloof tussen kunst en biografie te overbruggen. Sellers zegt: ‘As a novelist I want to do justice to the real-life figures I am writing about, but I am also telling a story, with all that this implies in terms of world and character building, drama, a sense of puzzles solved or mysteries unravelled.’ Een biografie geeft haar niet de mogelijkheden die een roman haar wel geeft, namelijk vragen niet alleen te stellen, maar ook te beantwoorden door te speculeren en in te vullen. Daardoor kan zij lijn aanbrengen in het leven van beide zusters. Hiermee wil ze laten zien dat de relaties tussen kinderen onderling vaak belangrijker is dan die van ouders met hun kinderen. Waarmee zij haar twijfel over de psychologie van Freud kenbaar maakt.

    Vanessa beweert in de roman een paar keer dat haar zuster veel mooier schrijft dan zij. Maar Sellers laat Vanessa na Virginia’s dood de schrijfstijl van haar zuster gebruiken. Het is haar manier om verbinding te zoeken, waardoor ze definitief afscheid van haar kan nemen.